8

Terwijl de voorbereidingen voor de plaku werden getroffen, stond Karana vol ontzetting toe te kijken. Hij had de ceremoniële dans één keer eerder meegemaakt, jaren geleden, toen de grot waar hij samen met Torka, Lonit en Umak hoog op de hellingen van de verre Mach­tige Berg woonde, was overgenomen door de verachtelijke hoofd­man Galeena en zijn smerige, moordlustige indringers. Hij was toen nog maar een jongen en hij had verborgen in de donkere nissen van de grot toegekeken hoe mannen en vrouwen in het licht van het vuur samen een orgie van drinken en dansen hielden. Torka had mee moeten doen, terwijl Lonit, die zwanger was, zich vol schaamte van hen beiden had afgewend.

Nu zag Karana opeens dat Pomm bij haar vuurkring wulps naar hem zat te kijken. Hij huiverde. Hij had haar honderd keer verteld dat hij nog niet op de leeftijd was om de verantwoordelijkheid voor een vrouw op zich te nemen. Hoe kon die oude heks nu zo vasthou­dend zijn? Kende ze geen trots? Ze gedroeg zich belachelijk! Het was vernederend! Maar zolang Pomm zichzelf wijsmaakte dat ze een jon­ge en aantrekkelijke vrouw was, zou ze zich ernaar gedragen, dat was duidelijk. Achter haar rug rolden de mannen met hun ogen en vrou­wen die jonger waren dan zij en al dik, grijs en tandeloos werden, schudden hun hoofd over haar gedrag. Maar het ergste voor hem was dat, terwijl Pomm hem agressief bleef achtervolgen, de ogen van veel jonge meisjes op hem waren gericht terwijl ze met hun moe­ders, tantes en grootmoeders veelbetekenend giechelden. Ze zaten nu ook te giechelen, en te blozen. En te ginnegappen zoals meisjes meestal doen wanneer ze elkaar een geheimpje toefluisteren. Opeens bedacht hij dat ze misschien wel over hem fluisterden. Ver­legen door hun ongewenste aandacht vroeg hij zich af of ze wisten dat hij nog steeds maagd was. En opeens drong het tot hem door: vanavond zouden de mannen en vrouwen van dit kamp op de plaku dansen, en hij was een man.

Telkens weer had hij tegen Torka gezegd dat hij geen jongen meer was die kon worden gekoeioneerd en ook geen kind meer dat kon worden geknuffeld, maar dat hij een man was die besluiten kon ne­men en die oud genoeg was om zich aan die besluiten te houden. Maar was hij ook man genoeg om op een plaku te dansen en te wor­den ingewijd in het seksuele leven terwijl alle mannen en vrouwen en glurende kinderen toekeken? Nee!

Hij zou zijn eigen tijd, zijn eigen plaats en zeer zeker zijn eigen part­ner kiezen. Als hij bleef voor de plaku zou hij Pomm krijgen. Daar zou ze wel voor zorgen. De gedachte was onverdraaglijk. Een paar jongens waarmee hij had gejaagd en wedstrijden en vrien­delijke worstelpartijen had gehouden, slenterden langs en snoefden geil en hitsig over de komende gebeurtenissen. 'Kom met ons mee. Het is een traditie dat de mannen voor een pla­ku een groot vuur maken terwijl de vrouwen - behalve de vrouwen die zwanger zijn - zich mooi maken voor ons... en voor de geesten der Schepping.'

'Welke wil jij dat er voor je danst, Karana? Die daar, of die kleine mollige die daar naast haar magere zusje zit? Ze zullen allemaal dan­sen, behalve degenen die hun tijd van het bloed hebben of nog niet hebben gebloed.'

'Meisjes? Baby's!' zei de eerste jongen minachtend. 'Ze mogen dan gaten in de zolen van hun laarzen hebben, maar ze zijn toch niets vergeleken bij hun moeders wanneer het gaat om het dansen onder een man.'

'Gaten in hun laarzen?' vroeg Karana.

Ze lachten. Ze maakten ruwe, overduidelijke gebaren met hun han­den om aan te geven dat hun opmerking sloeg op de eerste keer dat een vrouw door een man werd genomen.

Hij bloosde om zijn onnozelheid. De jongens om hem heen waren niet meer dan een jaar ouder dan hij, maar het was duidelijk dat ze geen van allen onervaren waren wat betreft de omgang met het an­dere geslacht. Uit hun vriendelijke, plagerige grappen bleek ook dat ze allemaal wisten dat hij nog nooit met een vrouw had geslapen. Kom,' drongen ze aan, 'er moet het gewicht van een mammoet aan beenderen worden verzameld voor het vuur!'

Hij verroerde zich niet. Hij keek hoe ze springend en dansend verder liepen, terwijl ze flirtten met de toekijkende meisjes die op hun flirt ingingen. Hij zei dat hij zou komen zodra hij de honden te eten had gegeven. Maar de honden hadden al te eten gehad en lagen in de zon te slapen. Torka was op pad met de mannen van Zinkh, en Lonit was in de kuilhut met Aliga en de kinderen, ongetwijfeld om uit te rusten voor de activiteiten van die avond.

Hij ging naar binnen. Hij zei tegen hen dat hij moe was en ging op zijn slaapvachten liggen. Het was rustig. De kinderen sliepen. Hij wachtte gespannen tot de schaduwen eindelijk lang werden en sloop toen de kuilhut uit. Verborgen in de schaduwen en gehuld in zijn reismantel pakte hij zijn speren en zocht zich een weg door het kamp waarbij hij alle vuren vermeed waar hij wist dat Pomm of de meisjes naar hem zouden uitkijken.

Net buiten de muur van beenderen begon hij te rennen in de rich­ting van het heuveltje op de toendra waar hij de geesten der Schep­ping had aangeroepen, het wild had opgeroepen en de mammoets had gevraagd weg te blijven. De lucht was schoon zo ver van het kamp, en de duizelingwekkend hoge hemel verdreef alle angst uit zijn ziel. Hij haalde eindelijk verlicht adem, met een diep gevoel van opluchting. En zoals gebruikelijk zag hij toen hij naar beneden keek dat Aar bij hem was.

'We hebben het gered, Broeder Hond!' Hij zuchtte en haalde zijn hand door de vacht op de schouders van de hond terwijl hij neer­knielde. Zo alleen met zijn trouwe makker voelde Karana zich in­tens gelukkig. Tevreden met zijn eenzaamheid stond hij op, hief zijn armen omhoog, wierp zijn hoofd achterover, ademde de geur van het woeste land diep in en hoorde de stemmen van de geesten in de wind om hem heen fluisteren.

Op de Heuvel der Dromen fronste Sondahr nadenkend haar voor­hoofd terwijl ze keek hoe de grote, wolfachtige hond achter de een­zame gestalte over de toendra rende, totdat de jager op een heuvel in de verte bleef staan en zijn armen ophief naar de oneindigheid. Achter haar kwamen dikke rookwolken uit het raadhuis. Lorak, die op weg was naar de andere tovenaars in dat gebouw, zag haar en bleef staan.

'Sondahr, ga je vanavond dansen?'

Zijn hoge, jankende stem irriteerde haar. Het was de stem van een roofdier, maar toch bewoog ze niet. Ze spaarde haar krachten. De dagen van vasten begonnen te tellen. Ze voelde zich duizelig, maar ze had een betere beheersing over lichaam en geest en nam scherper waar dan anders. Geluid, licht, gevoel, alles leek helderder, luider, intenser. Vasten was haar niet vreemd en ze wist dus dat als ze niet snel zou eten, de helderheid zou verbleken, het geluid zou vervagen en gewaarwordingen doods zouden gaan lijken. Wat ze nog aan macht had, zou dan als as zijn in een door de wind geteisterde put. 'Sondahr, hoor je Lorak tot je spreken? Zul je voor de geesten dan­sen om de grote mammoets op te roepen tot welzijn van de gemeen­schap? Zul je vanavond dansen? En voor wie?' Ze hoorde de hoop in zijn stem en verachtte hem er om. Hij begeer­de haar al jaren, maar nog nooit had hij de moed gehad om haar openlijk zijn lust te tonen, waarschijnlijk omdat hij bang was dat hij dan in haar ogen alleen nog een man en niet meer een sjamaan zou zijn. Ongetwijfeld wilde hij haar doen geloven dat hij, indien hij haar echt zou begeren, door toverij bij haar eenzelfde begeerte zou kunnen opwekken, zelfs als dat tegen de zwakkere wil van haar die een vrouw was, in zou druisen. Haar mond vertrok van ongenoegen. Lorak was een akelige oude havik die zich verbeeldde dat hij samen met adelaars kon vliegen.

'Sondahr zal dansen,' antwoordde ze nietszeggend. 'Voor...'

'Voor iemand die door de geesten is gekozen.' Ze bewoog niet. Ze voelde dat hij wachtte op een uitvoeriger antwoord. Ze bleef zwijgen en glimlachte toen hij zich eindelijk teleurgesteld afwendde.

De nacht daalde langzaam neer over degenen die zich gretig hadden verzameld rond het grote vuur dat de mannen hadden aangelegd. Ze waren vroeg gekomen om een plekje te bemachtigen waar ze alles goed konden zien. Op de achtergrond, buiten het licht van het heili­ge vuur, verzamelde zich een groep om te kijken: zwangere vrouwen, vrouwen die in hun periode van bloed waren, ouderen en zelfs Aliga die volhield dat ze wilde kijken vanwege de helende krachten waar het vuur van een plaku om bekendstond. Torka droeg haar. Lonit, die de kinderen aan Iana's zorgen had toevertrouwd, volgde met vachten waar de zieke vrouw op kon liggen. Ze was blij dat iedereen zich druk maakte om Aliga en zei dat ze verheugd was dat Aliga zich goed genoeg voelde om de feestelijkheden bij te wonen. 'De genezende magische krachten van Sondahr zijn groot!' zei ze te­gen iedereen. 'Weldra zal deze vrouw haar kind krijgen. Weldra zal ze weer helemaal beter zijn! De volgende keer dat er een plaku is op de Grote Bijeenkomst, zal deze vrouw dansen en zullen jullie het ge­noegen hebben deze getatoeëerde vrouw van top tot teen te kunnen bekijken!'

Iedereen lachte en Aliga ging tevreden op haar vachten liggen, de toekomst blij tegemoet ziend.

Torka zei niets. De maan had zijn hoorns elf keer laten zien sinds Aliga van blijdschap had gedanst omdat ze zwanger was. Het was te lang... veel te lang. En al beweerde ze dat het kind bewoog, hij had haar 's nachts gadegeslagen en aandachtig naar haar dikke buik gekeken, wachtend op de trillingen van leven die nooit kwa­men.

Een van de oude besjes die daar zaten, gaf hem tot zijn schrik een knipoog. 'Deze vrouw heeft veel vrouwenpraat gehoord. Velen zul­len vanavond voor Torka dansen. Vanavond zullen we allemaal zien wat Torka met zijn toverkracht kan doen of niet kan doen! Je kunt maar beter gaan rusten, man van Lonit! Je zou je vrouw toch niet willen beschamen doordat je al die vrouwen niet aankunt! En men zegt dat Sondahr vanavond zal dansen. Die kiest maar zelden een man. Misschien kiest ze vanavond Torka en zal er geweldige toverij tussen jullie zijn, hè?'

De oude vrouw probeerde Torka in verlegenheid te brengen, maar hij was niet een man die gauw verlegen werd en dat was hij ook nu niet. Hij was geïrriteerd. De woorden van de oude vrouw hadden gemaakt dat Lonit snel naar hun vuurkring terugging. Hij was geïr­riteerd dat zijn vrouw voor een andere man zou moeten dansen en werd zelfs boos bij het idee dat ze met iemand anders zou slapen. Hij had slechte herinneringen aan de laatste plaku waaraan hij noodge­dwongen had moeten deelnemen. Als er een mogelijkheid was om deze plaku te vermijden zonder de oudsten van het kamp te kwet­sen, zou hij dat zeker doen. Dat had hij ook tegen Lorak gezegd, maar de alleroudste had een eeltige vinger naar hem uitgestoken en duidelijk gemaakt dat hij moest meedoen of anders met zijn vrou­wen en kinderen het kamp moest verlaten. Omdat de tijd van de lange duisternis naderde, had hij geen andere keus dan te blijven en deel te nemen aan die vervloekte ceremonies. Lonit zou vast wel we­ten dat hij er helemaal niet aan wilde deelnemen. En dat hij zeker niet wilde dat zij eraan deelnam.

Hij keek haar na terwijl ze tussen een paar kuilhutten doorliep op weg naar hun eigen hut. Wat was ze lang en sierlijk en mooi! Sondahr evenaarde haar misschien, maar meer ook niet. Maar de tove­nares trok door haar arrogante, bijna mannelijke gedrag alle blikken naar zich toe: naar de sterke, krachtige lijn van haar schouders en naar haar nonchalante manier van lopen en staan die maakte dat haar borsten altijd rusteloos leken te bewegen onder haar donzige tuniek.

De meeste mannen in het kamp hadden een hekel aan de manier waarop ze te pas en te onpas de raad van ouderen binnenstapte, alsof ze geen vrouw was, maar een man die recht had op alle privileges en eerbied die hun superieure geslacht ten deel vielen. Ze hoorde bij geen enkele stam, maar werd verwelkomd door allen die haar macht kenden. Men zei dat ze van de ene stam naar de andere trok om te onderwijzen en te genezen. Haar aanwezigheid werd getolereerd met een mengsel van ontzag en angst, want al trok ze zich niets aan van de regels die golden voor anderen van haar geslacht, haar bewe­zen vermogen om te voorspellen en genezen was te waardevol om veronachtzaamd te worden. Men zei dat Sondahr een heel machtige tovenares was. Dat men haar maar beter kon vrezen. En dat deden zowel de mannen als de vrouwen. Maar Torka wist dat er waar­schijnlijk geen man in het kamp was die haar niet graag op haar plaats zou willen zetten, die haar niet zou willen vernederen en berij­den tot ze zich gewonnen gaf.

Hij haalde diep adem. Hij moest bekennen dat het interessant zou zijn om dat te proberen. Maar toch, toen ze hem had gevraagd om met haar mee te gaan naar de Heuvel der Dromen, toen hij haar met Aliga had gezien, had hij een andere kant van de vrouw gezien... vriendelijkheid... droefheid... eenzaamheid. Hij wist dat ze haar macht maar al te graag prijs zou willen geven, want wat aan anderen een gave toescheen, was een vloek voor degene die, vanwege die ga­ve, voor altijd buiten de kring van vriendschap en gezelligheid viel. Ondanks haar schoonheid en hooghartigheid was Sondahr een van de eenzaamste, meest trieste personen die Torka ooit had ontmoet.

Hij dacht aan haar eenzame overwintering op de Heuvel der Dro­men, in de hut van slagtanden en mammoetbeenderen waar ze altijd woonde.

'Ga nu, Torka. Ga jezelf nu reinigen. De zon is al onder en de plaku zal weldra beginnen.'

Het was Aliga die hem aanspoorde. Hij was blij dat hij bij haar en de anderen weg kon. Hij besteedde geen aandacht aan hun gegrinnik en verder commentaar, maar ging achter Lonit aan. Hij wilde nu graag met haar praten, haar vertellen dat er voor haar misschien een mogelijkheid was om niet mee te hoeven doen aan de dans. Ze hoef­de alleen maar te zeggen dat ze haar periode van bloed had. Dan zou ze worden geëxcuseerd en bij de ceremonie mogen blijven zitten, sa­men met de anderen die dezelfde pech hadden. Hij kwam bij zijn kuilhut en riep haar naar buiten. Ze gehoorzaamde, met rode ogen, alsof ze had gehuild.

'Je hoeft niet te dansen,' zei hij en vertelde haar waar hij aan had lo­pen denken.

'Dat zou een leugen zijn. De geesten van de nacht zouden het we­ten. Ze zouden beledigd zijn. Bovendien zouden andere vrouwen zich herinneren dat ik nog maar pas samen met hen in de hut van het bloed heb geslapen. Ze zouden weten dat het veel te vroeg voor me is.' Ze zweeg, opeens veel vrolijker. Hij wil niet dat ik dans! Het kan hem wel wat schelen! Voor het eerst sinds dagen glimlachte ze en probeerde ze een plan te bedenken dat aan hun doel zou beant­woorden. 'Maar soms komt de tijd van bloed heel onregelmatig. Lo­nit zou kunnen zeggen dat dat met haar zo is en misschien zouden de oude vrouwen niet kijken of het waar is.' 'Maar als ze dat wel doen?'

'Dat zou niet goed zijn. Dan zouden ze kwaad zijn.' Zijn gezicht vertrok van teleurstelling. 'En als hun dierbare mam­moets dan niet komen, zullen ze jou de schuld geven omdat je de geesten hebt beledigd.' Hij schudde zijn hoofd. 'Wie weet wat er dan zou gebeuren? Lorak is niet bepaald dol op Torka en zijn stam. Nee, het is het risico niet waard, enkel omwille van mijn trots.' Haar glimlach verdween. Hij had niet gezegd 'mijn liefde'. Hij had gezegd 'mijn trots'. Haar blijdschap was opeens over. Ze was gewoon een van zijn vrouwen, een bezit. En Torka zorgde altijd goed voor zijn bezittingen.

'Zul jij met... Sondahr dansen?'

'Ik moet dansen. Lorak heeft me gezegd dat als ik het niet doe, we hier niet meer kunnen blijven.'

'We hebben veel vlees en veel huiden. Samen met de honden die als mannen naast ons jagen en met Karana om ons te helpen... We zijn al eerder alleen geweest.'

Zijn stem klonk scherp. 'Deze man wil niet meer met die angst le­ven, Lonit.'

Ze liet haar hoofd hangen. 'Deze vrouw was niet bang.' 'En wat moet er dan gebeuren met Aliga en Iana en de kinderen? Ze zijn gelukkig in dit kamp. Ze zijn veilig in dit kamp. Zelfs Karana is opgehouden met zijn eeuwige geklaag!' Hij wilde haar naar zich toe­trekken en haar vasthouden, haar kussen, haar verzekeren van de liefde en trots die hem overweldigden wanneer hij maar naar haar keek. Maar dat wist ze vast wel. En bij hun volk was het altijd als on­mannelijk beschouwd om zulke dingen tegen een vrouw te zeggen. Dus legde hij zijn hand onder haar kin en draaide haar gezicht naar zich toe. 'We hebben de vernedering van de plaku al eerder door­staan. We zullen haar ook nu doorstaan omwille van onze kinderen. We zullen dansen. We moeten dansen. En morgen zal niets van wat er vanavond gebeurt nog van belang zijn... behalve dat we onze toe­komst veilig hebben gesteld.'

'Help!'

Het was een woord dat Pomm anders nooit gebruikte. Lonit, die neerslachtig voor haar kuilhut zat, keek op en zag de dikke vrouw zielig naar haar wenken vanuit haar eigen kuilhut in de dieper wor­dende schaduwen van de avond.

'Kom, Lonit, ja? Help Pomm mooi maken voor de plaku?' Het was niet het soort verzoek dat ze makkelijk kon weigeren, ook al kon alle hulp ter wereld niet bereiken wat Pomm wilde. Daarvoor zouden de krachten der Schepping nodig zijn. Ze kwam overeind, met nog steeds het gevlekte schort voor waar­mee ze bessen had geplukt, en ging Pomms kuilhut binnen. Pomm was spiernaakt en zag er ongeveer uit als een grote, zachte, vlezige paddenstoel die na een malse regenbui vergeten is op te hou­den met groeien. Ze zat met gekruiste benen op een nette stapel vachten met een van een blaas gemaakte fles op schoot. 'Kom, goede vriendin van Pomm. We zullen samen drinken voordat we ons voor­bereiden op de plaku.'

Lonit knielde voor haar neer, pakte de fles aan en nam een slok. Er kwam niet veel drank in haar keel terecht, maar voldoende om haar bijna te laten stikken. 'Wat is dit?' sputterde ze met grote ogen. 'Gewoon een paar bessen, wortels, bloed en wat kruiden uit het kamp van vorig jaar. Het is lekker, ja?'

Lonit had al eerder gegist bessensap gedronken, maar niets wat maar enigszins leek op de brandende zoetheid van Pomms drank. 'Het is lekker,' gaf ze toe en nam voorzichtig nog een slokje. 'Maar het is ook heel sterk.'

'Wat heb je aan de vlam zonder warmte, ja? Drink! Het zal Lonit op de plaku beter doen dansen.' 'Lonit wil niet op de plaku dansen.' 'Lonit moet dansen!'

'Ja, Lonit moet dansen.' Ze nam nog een slokje. Het was zoet en het was vuur, maar nu ze eraan gewend was, brandde het niet meer. Ze nam een grote slok.

Pomm stak haar hand uit en pakte de fles van haar af. 'Als je het zo snel drinkt, zul je helemaal niet dansen. Dan zul je slapen... dagen­lang! En wanneer je wakker wordt, zul je spijt hebben!' 'Nee,' antwoordde Lonit, opeens boos en teleurgesteld. 'Ik zou geen spijt hebben! Ik zou blij zijn.'

Pomm nam een slok en schudde bedroefd haar hoofd. 'Vreemd dat de vrouw van Torka zo bedroefd is dat ze aan de plaku mee moet doen. Er zijn vast veel mannen die hopen dat ze voor hen zal dansen. En hier zit Pomm - dikke Pomm... oude Pomm, die zo graag wil dansen, maar voor maar één man. Voor Karana en die is weggelopen omdat hij het weet.'

'Karana is nog maar een jongen, Pomm.'

'Voor iemand die een moeder en een zuster voor hem is geweest, ja. Maar geloof deze vrouw maar als ze je zegt dat in de ogen van iedere andere vrouw dan Lonit Karana een man is.' 'Dan wel een heel jonge man.' 'Dat is de beste soort.'

Ze dronken een tijdje in stilte, langzaam maar gestaag.

Lonit had Pomm nog nooit zo ongelukkig gezien. Het was alsof ze opeens in helder ijs had gekeken en bij het zien van haar eigen spiegelbeeld voor het eerst had beseft wat de tijd en de krachten der Schepping van haar hadden gemaakt: een oude, lelijke vrouw, met wie geen jongen die goed bij zijn verstand was zou willen slapen. Lonit voelde diep medelijden met haar en wilde haar pijn verzachten. 'Echt, Pomm, hij is maar een jongen. Een vrouw van jouw... eh... rijpheid heeft meer aan een wat ervaren man.' 'Een wat ervaren man draait op een plaku deze vrouw de rug toe, tenzij hij dronken is van het bessensap van zijn eigen vrouw. En dan zou niemand op de plaku iets aan hem hebben.' Eén keer, in het Dal der Liederen, had Lonit te veel van haar eigen gegiste bessensap gedronken en was ze er enigszins duizelig van ge­worden. Ze was noch nooit in haar leven echt dronken geweest. Nu was ze dronken. Het sap was zo zoet en smakelijk dat het moeilijk was om op te houden met drinken. De drank tintelde in haar bloed en maakte haar stemming en tongval een beetje vreemd. Ze merkte dat ze meer sprak, hoewel haar woorden wat traag en onduidelijk klonken. Ze kreeg een heerlijk slaperig gevoel, maar dat duurde slechts even. Toen zat ze weer met haar ogen te knipperen en voelde ze zich opeens overmoedig en boos.

'Ik vind deze plaku niet leuk. Ik wil niet dansen en ik wil niet met een andere dan mijn eigen man slapen!' Haar gedachten dreven door een warme nevel, en ergens vanuit die nevel doemde de gestal­te van een man in wit op die haar een leugenares noemde. Ze had Navahk niet gevraagd om in haar gedachten te komen. Hij maakte dat ze zich schuldig voelde. Ze wilde zich niet schuldig voelen. Ze verdreef hem door met haar ogen te knipperen. Torka kwam voor hem in de plaats. Torka, de enige man die ze ooit waarlijk had be­mind en begeerd. Torka! Hij was de beste man van allemaal. En hij was haar man. Jaloezie deed de woede in haar oplaaien. 'Als een vrouw, en vooral Sondahr, voor Torka danst, zal ik...' Ze zweeg. Wat moest ze doen? Ze was Lonit. Sondahr was Sondahr, en tovenares. Maar ze was niet bang van haar. Ze voelde zich dapper en heel beheerst. 'Sondahr zal zien wat deze vrouw zal doen! Weet je, Pomm, dat Lonit een speer even ver kan gooien als een man en dat ze ook een speerwerper kan gebruiken? Ja! Het is waar! Lonit heeft samen met Torka gejaagd en veel wild geschoten! En mannenvlees! Niet alleen vissen en vogels, schubben en veren! En Lonit wil wed­den dat Sondahr dat niet kan beweren!'

Pomm boerde, zuchtte en boerde opnieuw. Daarna legde ze nuffig een dikke pink op haar mond die nadenkend samentrok. 'Sondahr moet dit denk ik niet weten. En Lorak en de andere tovenaars ook niet. Heeft Lonit echt... een speer gebruikt?'

'Echt, tegen wolven en beren en allerlei wild dat mannenvlees ople­vert. En misschien nu tegen Sondahr als ze Torka van me af probeert te pakken!'

'Sondahr...' De gedachten van de dikke vrouw gleden even weg, maar keerden toen weer wazig terug naar Lonit. 'Pomm zal Lonit vertellen dat de tovenares niet mooier is dan Torka's vrouw. Even lang, hetzelfde figuur - slank, maar niet mager - borsten groot, maar niet te groot... daar houden mannen van. Als je naakt bent en je gezicht achter een veren masker verbergt en een beetje as in je haar strooit, ziet niemand het verschil.'

De woorden maakten Lonit bijna weer nuchter. 'Sondahr ziet het verschil wel.'

'Maar zij zal ook naakt zijn. Haar gezicht zal verborgen zijn achter een veren masker.' Pomm haalde haar schouders op, nam weer een paar slokken uit de fles en liet na lang slikken een luid geboer horen. 'Pomm zegt dat mannen op deze plaku heel gelukkig zouden zijn als er twee Sondahrs bij hun vuur zouden dansen. Dan zou Torka's vrouw voor haar eigen man kunnen dansen en niemand zou het we­ten, misschien zelfs Torka niet. En als ze beter zou dansen dan Son­dahr zou hij de tovenares de rug toekeren en Lonit nemen. Iedereen zou mooi worden beetgenomen, ja? En alleen de geesten zouden het weten.'

'Het is niet goed om grapjes uit te halen met de geesten.' Pomms kleine oogjes vernauwden zich tot boze spleetjes. 'Misschien niet, maar kijk nu eens naar de jonge Pomm die gevangen zit in het vlees van een oude vrouw. De geesten halen grapjes met me uit! Ze halen met ons allemaal op den duur grapjes uit. Maar kom, het zal weldra avond zijn en de mannen zullen het vuur van de plaku ont­steken. We moeten klaar zijn om te dansen. Help me om mooi te zijn, Lonit. Help me om één avond jong en onbeschaamd te zijn.'

Nacht. Sterren. Vuren. En warmte.

De wereld brandde. Torka brandde... van woede dat hij de avond zou moeten doorstaan, maar ook van een primitief sensueel verlan­gen ernaar. Geen enkele man kon lang koel en afstandelijk blijven op de avond van een plaku, hoe fel hij ook beweerde dat de ceremo­nie hem tegenstond. Ze hadden het grote ceremoniële vuur ontsto­ken en een brede kring eromheen open gehouden voor de dansers en toeschouwers. Toen dat gebeurd was begonnen de mannen en vrouwen toe te stromen en te vechten om de beste plaatsen, totdat Lorak de jagers vroeg om bij de tovenaars in het huis der beenderen te komen.

Binnen, in de overvolle duisternis, brandde er een vuur ergens onder de vloer van mammoetbeenderen. Rook en stoom kwamen omhoog door de plankieren. Het was warm... benauwd... vochtig. De rook was zo dik dat de jagers nauwelijks iets konden zien toen ze zich he­lemaal uitkleedden en in stilte gingen zitten om de onzuiverheden in hun geest die zich sinds de laatste soortgelijke bijeenkomst had­den opgehoopt, uit te zweten. Ze rosten hun lichaam af met ruwe, bijtende takken van boerenwormkruid, dronken met grote slokken uit een fles ceremoniële drank die ze telkens weer rond lieten gaan. Iemand vulde hem waarschijnlijk bij of verving hem wanneer hij leeg raakte, want als door toverkracht was hij steeds bijna vol wan­neer hij bij Torka kwam. De drank was lekker en bedwelmend, even dik en zoet als bloed dat warm uit een pas geveld dier werd gezogen. Hij dronk veel en gaf de fles weer door, telkens weer, tot hij de tel kwijt was, terwijl de tovenaars onder leiding van Lorak de geesten der Schepping aanriepen en hun vroegen de mammoets te laten sterven op de speren van de jagers die daar verzameld waren. Torka zat tussen de menigte. Hij dronk met hen en nam deel aan de ceremonie, maar hij voelde zich nog steeds heel erg een buitenstaan­der. Hij was de enige die geen mammoets wilde doden. Het kwam hem voor dat in een kamp vol vlees de jagers de geesten der Schep­ping zouden moeten danken en niet om nog meer zouden moeten vragen. Toch begreep hij waarom ze die behoefte voelden, ook al was hij het er niet mee eens. Hij zocht Karana maar zag hem niet. Hij maakte zich wat zorgen. Lorak zou heel boos zijn als hij ontdekte dat iemand die zijn toevlucht had gezocht op de Grote Bijeenkomst van mammoetjagers, hun tradities verwierp.

Het eentonige gezang van de mannen duurde voort. Zelfs Zinkh en zijn jagers zongen alsof hun leven afhing van het vlees van de grote mammoets, net alsof hun buik niet rond was van het bizonvlees.

Torka luisterde. Allen zongen hetzelfde lied, hetzelfde gebed, in tal­loze dialecten. Op de een of andere manier vloeiden al die dialecten samen tot een klank die even rustgevend was als het zachte kabbelen van een rivier in de zomer: één grote stroom die door allemaal zijtak­ken werd gevoed en zijn kracht aan al die riviertjes ontleende. Hij luisterde met gesloten ogen en liet de sfeer over zich heen ko­men. Het was goed om weer een man te midden van mannen te zijn, deel van een geheel, niet meer alleen en kwetsbaar, niet meer voortdurend belast met de verantwoordelijkheid voor het leven van zijn vrouwen en kinderen. Als zijn geest zijn lichaam op dat mo­ment zou ontvlieden, zouden zij veilig zijn. Ze zouden deel uitma­ken van de stam van Zinkh en in de nog ongeboren generaties van zijn kinderen zou zijn geest en naam voor altijd voortbestaan. Opeens hield het zingen op. Lorak sprak zo scherp dat Torka ver­schrikt opkeek. De alleroudste liep naakt en mager onder een man­tel van ruwe mammoetvacht heftig gebarend heen en weer terwijl hij de geesten met hese en bijna boze stem heftig aanriep. Hij klonk als een reuzencondor die door een speer in de borst was getroffen en gilde van pijn. Na een ogenblik drong het tot Torka door dat Lorak de bewegingen en het getrompetter van een mammoetstier naboot­ste, niet erg goed, maar hij deed zijn best en alle anderen leken erg ingenomen met zijn prestatie. Ze begonnen weer te zingen en te klappen om de oude man aan te zetten tot een nog luider en agres­siever vertoon. Zelfs Torka moest toegeven dat het een dappere po­ging was. Toen draaide Lorak zich opeens om en wees recht naar hem.

'Torka zingt niet!'

'Torka is nieuw in dit kamp. Hij kent het lied niet.' 'Misschien zingt hij wel een ander lied, een onhoorbaar lied, een lied dat de grote dieren met slagtanden juist van dit kamp verdrijft.' De beschuldiging verbaasde Torka niet. Het wantrouwen van de ou­de man was gerechtvaardigd, ook al wist hij dat Lorak ongelijk had. 'De alleroudste heeft gelijk. Deze man zal niet op de mammoet ja­gen. Maar hij zou nooit anderen van de jacht afhouden. Hij zal deel­nemen aan de ceremonies van de plaku die worden gehouden in de hoop de geesten bewust te maken van de behoeften van de mensen van de Grote Bijeenkomst. Torka eert de mammoetjagers onder jul­lie en is vol dankbaarheid jegens degenen die hem hebben opgeno­men in hun winterkamp en zijn vrouwen en kinderen een toe­vluchtsoord hebben geboden.'

Lorak gromde en schudde zijn hoofd. 'Dat is niet voldoende. Torka moet samen met ons zingen. Hij moet de mammoet naar dit kamp roepen of anders zijn vrouwen en kinderen en honden verzamelen en dit kamp voor altijd verlaten!'

En dus zong hij met hen mee. Hij was geen buitenstaander meer be­halve in de felle, vlammende ogen van Lorak die op hem bleven branden tot ze het raadhuis verlieten en ontnuchterd door de snij­dende kou van de avondwind gezamenlijk naar het grote vuur lie­pen. De dans van de plaku begon. Torka was versuft door de drank en het leek hem op dat moment allemaal niet zo belangrijk. Mam­moets oproepen was niet hetzelfde als ze doden. De Levenschenker was ver weg, in een andere wereld. En het was goed om weer bij een groep te horen, om weer een lid van een stam te zijn.

Het vuur laaide hoog op. Het bestond uit beenderen en turf, gras en vet en de geheime offergaven van menig man en vrouw, talismans die ze in de loop der jaren op allerlei jachtpartijen hadden verza­meld. Het waren offergaven aan het vuur, gaven aan de levensgees­ten van de grote mammoets opdat zij de vlammen zouden zien, de warmte zouden voelen en zouden weten dat de mensen op de Grote Bijeenkomst hen opriepen om aan hen het leven te komen geven. De mannen maakten muziek op benen fluiten en met huid bespan­nen trommels. Ze klapten in hun handen en de vrouwen dansten naakt in het donker. Ze draaiden met loshangend haar voor de man­nen rond, hun gezicht verborgen achter ingewikkelde maskers van veren, hun lichaam versierd met enkelbanden, kettingen en arm­banden van stenen, veren, botjes, tanden en klauwen. Hun vlees glansde van de lijntjes en stipjes en wervelende patronen die waren aangebracht met het sap van de bessen die ze eerder die dag hadden geplukt. En de dikke Pomm viel op, niet omdat ze oud en lelijk was, maar door de prachtige, lange, witte slierten veren die omlaag hin­gen vanaf de bovenste knot van haar stijf gevlochten haar. De veren verhulden haar omvang en zweefden als donzige nevels om haar be­jaarde gestalte heen, zodat het net was of ze met de bevalligheid en zekere tred van een jong meisje over de grond zweefde. De kring van vrouwen werd wijder, trok samen en werd weer wijder.

En ze bleven maar ronddraaien en met hun blote voeten sensueel over de grond schuiven, met hun rug naar hun mannen toe, hun ar­men opgeheven naar de geesten om de krachten der Schepping naar zich toe te trekken.

Sondahr danste met hen mee. Ze was groter dan de rest, leniger en soepeler dan de anderen. Stemmen riepen haar: 'Sondahr... Sondahr... dans voor mij... voor mij.' Alle aanwezige mannen begeerden haar. Torka ook. Maar ze draaide samen met de andere vrouwen rond, langs de kwijlende Lorak en de wezenloos kijkende Zinkh. Torka vond haar de mooiste vrouw die hij ooit had gezien, zoals ze traag langs hem gleed, half schaduw, half vuur. Haar vormen leken zo sterk op die van Lonit dat tegelijk met de hartstocht de jaloezie in hem oplaaide en hij onbewust keek of hij zijn vrouw tussen de rij van kronkelend bewegende dansers zag. Voor wie danste ze? Welke man zou het wagen om die nacht met Torka's vrouw te slapen? Hij zag haar niet. Ze had zich goed ver­momd. Of misschien had ze toch geweigerd mee te doen? De rij stopte. De vrouwen draaiden zich allemaal tegelijk om. Son­dahr stond voor hem, haar gezicht verborgen achter een masker van uilenveren, haar lange, grijze pony versierd met een band van witte veren en kleine schelpen die hem vaag bekend voorkwamen. De dans begon weer. Deze keer bleven de vrouwen op hun plaats en bewogen voor maar één man. Torka hield zijn adem in, verhit door vuur, rook en drank. Sondahr danste voor hem. Ze maakte dezelfde bewegingen als de anderen, een dans van louter seksuele uitdaging. Maar zij dans­te toverachtig. Haar bewegingen hadden een brutale, bijna boze zelf­verzekerdheid. Met haar lange armen nog opgeheven, haar knieën gebogen, haar benen wijd, deinde ze heupwiegend van haar hielen op haar tenen en weer terug. Haar borsten zwaaiden heen en weer en haar tepels waren brutaal met verf omcirkeld, als ogen die hem aan­keken, die op hem wachtten telkens wanneer hij ernaar keek. Het schijnsel van het vuur gloeide goudkleurig en rood tussen haar open­gesperde dijen en omrandde haar heupen, haar middel en haar zach­te, ineengestrengelde armen. Hij zag dat de zorgvuldig geschilderde patronen niet konden verhullen dat ze op de bleke, zijdezachte huid van een van haar onderarmen een paar indrukwekkende littekens had, die eruitzagen alsof ze waren toegebracht door de scherpe tan­den van een groot roofdier. Een wolf misschien, of...

Hij kwam opeens tot zichzelf. Littekens van een wolf op de binnen­kant van haar onderarm? Lonit had zulke littekens! Littekens die ze lang geleden had opgelopen toen ze haar leven had gewaagd door zich samen met Umak en hem tegen een aanvallende meute van uit­gehongerde beesten te verdedigen die hen dreigden te verslinden. Ongelovig tuurde hij door het vuur en de rook en de schaduwen en zag niet Sondahr, maar Lonit - zijn vrouw - dansen zoals hij haar nog nooit had zien dansen, bewegen zoals hij haar nog nooit had zien bewegen, terwijl iedere man naar haar keek... haar begeerde... en ervan overtuigd was dat ze Sondahr was, de mooie Sondahr, de verstandige Sondahr. Maar Sondahr was niet half zo verstandig en niet half zo mooi als zijn eigen vrouw, achter haar uilachtige masker van veren. Hij zag haar ogen, Lonits onmiskenbaar mooie ogen, die niet meer wijd en zacht en kwetsbaar waren als die van een antilope, maar even verhit door de drank en het licht van het vuur als die van hem. Het waren brutale ogen, die alles op het spel zetten om te voorkomen dat ze met een andere man moest slapen, dat hij met een andere vrouw zou slapen. Vannacht was ze Sondahr... voor hem... al­leen voor hem.

Aangestoken door de moed en vermetelheid van haar list sprong hij op en danste met haar, elk van haar bewegingen volgend. Hij had zijn hoofd wel achterover kunnen werpen en haar naam kunnen schreeuwen als een wolf die huilt naar het brutale ronde gezicht van de opkomende maan, zo trots was hij en zo overweldigd door liefde voor haar. Maar haar naam noemen, haar identiteit erkennen zou hen verraden aan de anderen om hen heen die nu dansend een part­ner zochten waarmee ze neervielen bij het vuur, in een woeste, dron­ken vrijpartij. Geen enkele man mocht met zijn eigen vrouw paren in de nacht van een plaku. Maar hij was Torka, de kleinzoon van Umak. Hij wist dat in nieuwe tijden de mensen zich aan nieuwe ge­woonten moeten wagen.

Hij trok Lonit naar zich toe. Zijn handen gleden wellustig over haar schouders, omvatten haar borsten en gleden verder naar haar soepe­le taille. Hij trok hij haar omlaag... omlaag... haar kussend... zijn liefde voor haar fluisterend, zodat als iemand het zou horen, alleen zij zou weten dat hij het gevaarlijke geheim kende.

Sondahr...' Hij noemde de naam van de andere vrouw, ervan over­tuigd dat zij wist dat hij Lonit bedoelde, alleen maar Lonit, die voor Torka de eerste en de laatste vrouw was. 'Voor altijd en eeuwig, Sondahr...'

Het ritme van trommelslagen weerklonk over de toendra. In de duisternis, onder de opkomende maan, voelde Karana de diepe sla­gen... het dwingend ritme meetrillen in zijn hart en geest en lende­nen. Hij zag het vuur duidelijk: een rode dageraad die de lucht in­schoot en licht wierp op de muur van beenderen, de Heuvel der Dromen en de figuurtjes die dansten, ronddraaiden, zich met elkaar vermengden en opgingen in de flakkerende schaduwen. Hij merkte niet dat Sondahr naast hem kwam staan. Opeens was ze er, tussen hem en het schijnsel van het vuur: een lange gestalte in een mantel van veren met een witte krans van dons op haar voorhoofd. 'Karana.' Ze fluisterde zijn naam even zacht en warm als de wind. Verschrikt hield hij zijn adem in. Naast hem legde Aar zijn kop op zijn poten en liet een zacht puffend geluid horen dat klonk alsof hij zich schuldig voelde. Weer had de tovenares de hond verrast. Het dier zag geen bedreiging in haar, behalve voor zijn gevoel van eigen­waarde.

Ze stond heel stil en ontvouwde haar mantel alsof het niet een kle­dingstuk was maar een stel prachtige vleugels. De wind pakte ze op en blies ze naar achteren.

Karana's adem stokte. Onder de gevleugelde mantel was Sondahr naakt. Ze bewoog niet. Het was net of ze uit steen was gehouwen. In het bleke schijnsel van de maan was ze zo wit, zo glad... Toen raakte de wind haar aan. Ze trilde en de jongen verkende haar zachte vor­men met zijn ogen. Hij nam elke ronding en elke lijn in zich op. Hij kon zijn ogen niet afwenden.

Ze knielde. Haar handen pakten de zijne, trokken ze naar haar bor­sten, vulden ze met haar borsten. Ze zuchtte, kromde haar rug en liet haar hoofd achterover vallen. Ze keerde hem haar keel toe en gaf zich geheel en al over.

Hij gloeide alsof het vuur op de verre vlakte op de een of andere ma­nier in zijn vlees was gaan branden. Zijn ogen, mond, hart, longen, lendenen... alles gloeide, maar vooral zijn handen. De handen van een jongen, zo vol vrouw dat hij ze niet durfde te bewegen. Wist hij maar wat hij met die handen moest doen! Hij had wel kunnen hui­len om zijn onbeholpenheid.

Ze rechtte haar rug en trok zich zacht glimlachend en vol begrip te­rug. Het was niet het juiste moment. Ze trok haar mantel om zich heen en kwam naast hem zitten. Ze zat vlakbij maar liet hem toch ruimte, ruimte om te ademen, ruimte om af te koelen in de steeds sterkere wind. Minuten gingen voorbij en noch de jongen noch de vrouw sprak. Ze hadden geen woorden nodig. Ze waren helemaal op elkaar gericht en op het land en de wijde zwarte lucht vol sterren. Geborgen in de wind en onder de hoede van de maan, die stille wachter, zochten ze langzaam elkaars hand en hielden die vast. Ze gingen op in de nacht. Hun eenwording was vollediger dan bij een lichamelijke paring. Hun ziel verenigde zich, terwijl op de toendra de huiveringwekkende wolven huilden en in de verte een ijl ge­schreeuw door de nacht klonk als van een verdwaald kind dat treurt om een ouder die nooit meer zal komen.

Torka werd met een schok wakker.

Lonit lag diep in slaap in zijn armen. Huiverend en met bonkend hoofd luisterde hij naar het eenzame gehuil in de verre bergen. Hij had nog nooit een wolf of een hond zo'n lied horen zingen. Het klonk bijna menselijk, alsof een jong meisje in de verte kreunde. Er kwamen vage beelden bij hem op, verstrengeld met herinnerin­gen aan het verleden. Windgeesten.

Hij had hun stem al eerder gehoord. Midden in de winterse duister­nis, in de talloze naamloze kampen die hij zich nauwelijks nog kon herinneren, had hij geluisterd hoe ze huilden in de nacht. In het licht van morgenstonden die bijna uit zijn geheugen waren verdwe­nen, had hij ze horen roepen toen hij als jongen met zijn grootvader op jacht ging. Terwijl hij samen met zijn grootvader neerhurkte in de onmogelijke kou van de eindeloze winterdagen, had Umak op de glinsterende mist gewezen die boven de aarde hing. Het was net de rook van onzichtbare kampvuren die wit, blauw, rood en goudach­tig glinsterden, als stergeflonker in een heldere nacht. Umak had hem verteld dat deze mist dodelijk was. Hij was zo ge­vaarlijk koud dat als een man of jongen achteloos ademhaalde, de mist zijn longen zou beschadigen en hij zou sterven. Zo geduldig als de nacht had Umak Torka geleerd om door de lange, isolerende ha­ren van zijn kraag te ademen. Hij had zijn kleinzoon verteld dat bij zulke hevige kou de sterren in de lucht bevroren, vergruizelden en omlaag vielen in zulke kleine deeltjes dat ze een dodelijke mist vormden, sterrenmist noemde hij het. Alleen een Heer der Geesten wist dat die mist uit de lucht kwam en niet van de aarde opsteeg. Gehuld in zijn donkere wintermantel van krullerige bizonvacht had de Heer der Geesten Torka geleerd om goed op de sterrenmist te let­ten. Als de sterren het toelieten, zou hij ze horen roepen naar de wind om te vragen of die ze terug wilde blazen naar de hemel waar ze thuishoorden.

'En dus moeten jagers wijs en voorzichtig zijn, want als de wind komt en ze gevangen raken in de sterrenmist, zullen ze naar de he­mel worden geblazen en nooit meer de wereld der mensen kunnen betreden.'

De jongen had bang en geboeid geluisterd. In zijn dikke lagen kle­ding van kariboehuid, met zijn kap op, zijn handen in bonten wan­ten gevoerd met zwanendons en zijn gezicht verborgen achter de uitstekende wolvenstaart op zijn kap, had hij geluisterd. Hij had be­dacht dat het geweldig zou zijn om de sterren te horen spreken. Maar de wind kwam nooit en hij hoorde nooit de stemmen van de sterren in de vreemde, glinsterende mist die boven de aarde hing bij hevige, langdurige kou.

Maar hij had wel de stemmen van windgeesten gehoord. Naast Umak had hij door de sterrenmist heen naar de wolken gekeken die over de hoogste, in nacht gehulde bergketens hingen en de eenzame klaagzang gehoord van de windwezens. Umak had hem verteld dat mensen niet in de bergen jaagden omdat het hoge terrein het do­mein van de windgeesten was. 'Vanaf het begin der tijden is dat zo geweest.' Torka's drukte zijn vingers tegen zijn ogen. Het was net of Umak nu hier bij hem was en tot hem sprak. Hij was weer een jongen die gre­tig luisterde terwijl zijn grootvader op gedempte toon vol eerbied uitlegde dat windgeesten noch mens noch dier waren, maar wezens van nevel en macht. Ze lieten lawines met donderend lawaai naar beneden storten en ze vingen mensen. Niet alleen om van hun vlees te eten, maar ook om met hen te paren, hen gevangen te houden en het bloed uit hen te zuigen totdat ze droog en verschrompeld waren als stukjes oude huid die dwarrelden in de wind. De woorden van de oude man stierven weg.

Het gehuil hield op. Hij sloot zijn ogen en viel weer in slaap. Hij droomde over het verleden, over Umak en over een grote, witte beer met Umaks speer in zijn buik. Over zijn jeugd. Over zijn volk. Over gelach en over alle goede dingen die nooit meer terug zouden ko­men.

Toen hij wakker werd was de ochtend nog niet aangebroken. Lonit lag nog dicht tegen hem aan in de ronding van zijn arm. Het vuur van de plaku was gedoofd en de dansers van de avond daarvoor la­gen als snurkende hopen verwarde armen en benen te slapen. Her­inneringen aan de afgelopen nacht spookten door zijn hoofd. De hoofdpijn was nog niet verdwenen. Het speet hem dat hij zo gretig had gedronken van de drank die in het raadhuis was rondgegaan. Hij vroeg zich af of Lonit net zoiets had gedronken. Misschien had ze daardoor haar verlegenheid tegenover vreemden overwonnen. Hij streelde haar schouder. Ze huiverde.

Opeens besefte hij dat als de anderen wakker werden en hen in elkaars armen zagen, haar maskerade zou worden ontdekt. Haar be­drog en haar minachting voor de traditie van de plaku zouden hen beiden dan in gevaar brengen.

'Kom...' fluisterde hij. Hij tilde haar op en begon haar van het vuur weg te dragen.

Ze werd wakker, sloeg haar armen stijf om zijn nek en nestelde zich tegen hem aan.

Haar warmte wond hem op. Hij ging sneller lopen en stapte over de slapende lichamen heen tot hij halverwege zijn kuilhut was, ver bui­ten het terrein was waar de plechtigheid was gehouden. Hij glim­lachte terwijl hij zachtjes, als een hartstochtelijke en liefhebbende samenzweerder tegen haar zei: 'Torka is trots dat "Sondahr" hem heeft gekozen. Torka wil geen andere vrouw. Hij wil "Sondahr" voor eeuwig en altijd.'

Ze bewoog zo snel dat hij niet uit kon praten. Ze slaakte een kreet, wrong zich los uit zijn armen, sprong op de grond en rende de dage­raad in.