4
Het sneeuwde nog drie dagen in het land van de mammoeteters. Er stond een harde wind uit het hoge, barre noorden zodat de sneeuw niet bleef liggen. De sneeuw waaide als een gierende witte vloed naar het zuiden, over de Poolzee en over de glooiende steppen van de toendra, die eigenlijk een drooggevallen zeebodem was en zich duizenden mijlen uitstrekte tot aan de teruggetrokken kusten van een geweldige oceaan die op een dag de Grote Oceaan zou gaan heten. Op de vierde dag was het stil binnen de muur rond het kamp van de Grote Bijeenkomst toen Navahk wakker werd. Hij bleef een tijdlang liggen wachten op het geluid van sneeuw die tegen de muren van zijn kuilhut striemde. Maar er was niets dan stilte. In het bleke ochtendlicht kleedde hij zich aan en ging hij naar buiten. Het sneeuwde nog steeds, maar nu heel licht, met vlokken die recht naar beneden vielen, zo zacht en teer dat ze geen geluid maakten wanneer ze op de grond, op de hutten en op het omhooggewende gezicht van de tovenaar vielen. Het zou niet blijven sneeuwen. Hij sloot zijn oog en liet de sneeuw op zijn ooglid smelten. Op zijn enige ooglid. Hij keek kwaad en veegde het vocht weg. Hij moest nu helder kunnen zien, voordat de anderen wakker werden. Nu de sneeuwstorm was gaan liggen moest hij iets doen. De roep van de Wanawut had al twee dagen lang niet geklonken. De mensen van de vele stammen hadden zich verheugd en Lorak had hen, ziek als hij was, steeds weer verteld dat het beest de storm in was getrokken op zoek naar Torka en zijn mensen. Veilig en warm in hun tenten, met hun buik vol mammoetvlees en hun vrouwen warm en gewillig naast hen onder de slaapvachten, hadden de jagers geen zin om hun rust te onderbreken en achter het volk van de Man Die Met Honden Loopt aan te gaan, hoe Navahk ook was verwond door een van Torka’s vrouwen. Het leven was goed in het kamp. Niemand was doodgegaan sinds Torka was verjaagd. Nu ja, Lorak voelde zich niet goed, maar hij was oud en oude mannen waren vaak ziekelijk. Navahk keek zo boos dat zijn lippen straktrokken over zijn tanden en de punten van zijn hoektanden zichtbaar werden. Als de Wanawut inderdaad achter Torka en zijn volk aan was gegaan, zou hij niet het genoegen hebben zich op hen te kunnen wreken. Tenzij ze de Wanawut hadden gedood, waarmee ze zijn macht voor altijd zouden hebben ontluisterd. De gedachte boezemde hem bijna net zoveel afschuw in alsof hij zijn eigen dood had voorzien. Hij wilde dat de Wanawut bleef leven. De gedachte dat de Wanawut dichtbij hem leefde, uit zijn hand at en naar hem keek met die vreemde, merkwaardig mooie ogen, wond hem op en gaf hem kracht. Maar als het beest dood was? De storm was zo fel en meedogenloos geweest. Twee keer had hij stiekem naar het meer proberen te gaan om vlees achter te laten, maar hij had het beest nergens gezien in de gierende wind en de verblindende sneeuw. De tweede keer had het vlees nog steeds op de plaats gelegen waar hij het had neergelegd, onaangeroerd en bevroren. Maar het was natuurlijk niet het enige vlees geweest dat uit het kamp was gebracht. Er waren lijken neergelegd om voor altijd naar de lucht te kijken. Misschien at de Wanawut daarvan.
Hij wist dat hij de Wanawut moest vinden en weer moest laten huilen. Of anders, als het beest dood was of het gebied had verlaten, moest hij het geluid nadoen om de mensen bang te maken en hen ervan te overtuigen dat ze moesten doen wat hij wilde. Hij moest het gauw doen, want met elke dag die hij in het kamp bleef, raakten Torka en zijn volk verder weg. Als ze de Gang der stormen bereikten, zouden alleen de krachten der Schepping de mammoetjagers kunnen overhalen om hem naar dat verboden land te volgen.
Het kind zag hem komen in de witte, stille sneeuwnevels. Ze rende voor hem weg. In haar paniek klemde ze de mensensteen die de vorm van een wilgenblad had tegen haar borst terwijl ze terugvluchtte naar haar nest op de oever van het meer, waarbij ze de lijken liet liggen waar ze lagen, een ervan half opgegeten. Ze waren nu hard en de gezichten waren bedekt met gras.
Het kind hield niet van hun lelijke, starende gezichten. De ogen van de beesten waren star en glazig van de dood. Ze had de gezichten bedekt met gras zodat ze niet van afkeer zou worden vervuld tijdens het eten. Maar toen ze zich over de lichamen had gebogen - verrukt toen ze merkte hoe handig de mensensteen was om het bevriezende vlees onder de lagen huiden en bont weg te bikken - was ze toch geschokt door de vage gelijkenis tussen de beesten en haar eigen soort. Hun romp en hun armen en benen waren zwak en pezig, maar ze waren op de een of andere manier hetzelfde als die van haar. En één had borsten die wel op haar eigen borsten leken. Het kind kon het niet over haar hart verkrijgen om dat beest op te eten, hoewel ze wel het bloed eruit had gezogen. Nieuwsgierig had ze aan de borsten gezogen om te kijken of er melk in zat. Ze was teleurgesteld geweest maar niet verbaasd toen ze geen melk vond.
Mensenvlees was het allerbeste vlees. Haar Moeder had haar dat geleerd. Maar de lichamen waren stijf van de kou en de ene die ze at had geen smaak meer omdat ze het bloed eruit had gezogen. Het bloed smaakte net zoals het bloed dat ze altijd uit haar eigen lichaam zoog wanneer ze zich verwondde. En er was iets met de vorm van de schedel. Zo teer! Zulke fijne oogkassen en zo'n zwakke, smalle snuit. Zulke kleine, nutteloze tanden.
Toen de andere beesten ze de muur van beenderen hadden uitgedragen en ze op de grond hadden gelegd, had het kind een tijdlang naar de lichamen gekeken voordat ze ernaartoe had durven gaan. Uiteindelijk had de honger haar overmoedig gemaakt. Ondanks de kou en de sneeuw had een van de lijken erg naar de dood gestonken. Het kind had het bij de andere twee weggesleept en had niet van het zwart bekringelde vlees gegeten. Toen een paar wolven en een leeuwin naderbij waren gekomen, hadden ze dat lijk van haar mogen hebben. Er had toch nauwelijks bloed in gezeten. Maar de wolven en de leeuwin hadden niets van zulk smerig vlees willen hebben, en het kind had met ze gevochten om de andere twee. Het verbaasde haar dat leeuwen en wolven nu zo veel kleiner en banger leken. Eén uithaal en een beweging alsof ze wilde bijten had ze allemaal doen terugdeinzen. Behalve één wolf, en die had ze met een vuistslag weggejaagd. De andere wolven waren toen allemaal weggerend. De leeuwin had de wolf weggesleept, omdat ze zijn vlees lekkerder vond dan dat van het stinkende lijk. En tot nu toe was het kind niet meer lastiggevallen door roofdieren. Boos maakte ze zachte, snelle, grommende geluiden terwijl ze wegrende en achteromkeek naar de gestalte die langzaam door de vallende sneeuw naderbij kwam. Een beest. Het beest in het wit? Moederdoder? Ze wist het niet. Ze wist alleen dat een instinct haar waarschuwde om weg te rennen. Ze had van het mensenvlees gegeten en de mens zou kwaad zijn.
Navahk achtervolgde het beest door het gras totdat hij op de plek kwam waar het had zitten eten. Hij vertraagde zijn pas en zag wat er over was van Stam. Aliga was nergens te zien. Wat hij zag liet hem onberoerd. Hij had al eerder prooien gezien en wat er van het wild over was wanneer roofdieren waren verjaagd nadat ze een tijdje hadden gegeten.
Toen zag Navahk opeens, in een flits, het lichaam van Sondahr. De hoogmoedige, geweldige Sondahr. Hij staarde naar de dode vrouw terwijl hij met zijn voet het stapeltje met sneeuw bedekte gras dat op haar gezicht lag opzij duwde.
Hij slaakte een kreet van afschuw en deed onwillekeurig een stap achteruit. Sondahrs gezicht was onaangetast. Bevroren en kleurloos leek het als een vlekkeloze maan te drijven op de zwarte zee van haar haar. Haar ogen waren wijd open en staarden... zagen hem. Haar mond was een beetje open, met opgekrulde lippen die naar hem glimlachten alsof haar geest nog leefde in de schaal van haar gave, prachtige schedel... Alsof ze hem een bedrieger noemde, een man van het vlees en niet van de geest... alsof ze hem bespotte en zei dat hij haar liefde en genegenheid niet waard was, zelfs nu niet, nu zij een lijk was en hij een levende man.
Met een harde schop die haar half onthoofdde, draaide hij zich snel om en ging weer achter het beest aan. Hij was blij dat het beest Sondahrs lichaam niet had ontwijd. Maar tegelijkertijd haatte hij het dier erom... verachtte hij het... wilde hij het doden omdat het Sondahr zo mooi had gelaten, terwijl ze nooit de zijne was geweest en nu voor altijd onbereikbaar was.
Ademloos van angst en van de inspanning van het rennen stortte het kind zich in de hoge beschermende grassen waarin ze haar nest had gemaakt. Het sneeuwde nauwelijks nog en het was stil, zo uit de wind. Het kind dook stilletjes in elkaar. Ze luisterde naar het kloppen van haar hart en het raspen van haar adem terwijl ze haar lange, harige armen over haar borst vouwde, heen en weer wiegde en zo heftig rilde van de angst dat de mensensteen in haar handpalm sneed. Omdat ze instinctief voelde dat er op haar werd gejaagd, gaf ze geen kik terwijl ze in een reflex haar vingers opende, de dolk liet vallen en haar hand omhoogstak om de wond uit te zuigen. Het kind luisterde. De man was dichtbij. Ze hoorde hem lopen. Langzaam, voorzichtig en bedachtzaam als een grote witte leeuw die op wild jaagt in de beschermende verborgenheid van het dichte kreupelhout. Het kind kon hem nu zien. Het was inderdaad de Moederdoder. Het kind ontspande zich wat. Hij was geheel in het wit gekleed en droeg niet de huid van haar moeder. Zelfs één oog zat onder een witte band. Toen hij naar voren kwam zag het kind dat de sneeuwvlokken sterren vormden in zijn nachtzwarte haar. Hoewel hij een vliegende stok droeg en liep als een dier dat behoedzaam en bang is, zag het kind hem niet als een gevaar totdat hij met de scherpe stenen punt van zijn stok het gras wegduwde. Het kind keek hem recht in het gezicht en schrok vreselijk van de wreedheid die ze daar zag. Loerend, met ontblote tanden en zijn zwarte oog vol van iets wat het kind er nooit in had gezien... iets gevaarlijks, iets wat even donker en verraderlijk was als een pikzwart meer. Het was meer dan de geconcentreerde uitdrukking van een dier dat op het punt staat zijn prooi te bespringen. Het was een uitdrukking die alleen de beestman kende: een blik vol wreedheid en haat waarvoor het kind terecht bang was.
Ze was niet snel genoeg om te ontsnappen aan de speer die naar voren vloog tegen haar dij aan en niet door haar vlees ging maar haar wel klem zette in haar nest.
Het kind schreeuwde vol woede, verwarring en angst. Een keiharde schreeuw die roofdieren meestal doodsbang op de vlucht joeg, een schreeuw die de stille ochtendlucht doorkliefde zoals alleen de schreeuw van de Wanawut dat kon doen.
Maar de schreeuw maakte het beest in het wit niet bang. De schreeuw bracht een glimlach op het gezicht van de Moederdoder.
Navahk verstijfde. Hij voelde de kracht van het beest door de speer in zijn handen. De in het vuur geharde benen schacht brak bijna, maar het wezen bleef zitten en leunde niet met volle kracht tegen de speer. Het had zich op hem kunnen werpen, maar dat deed het niet, en het probeerde ook niet weg te rennen. Hij praatte er nu zachtjes tegen, terwijl hij verrukt keek naar de kracht van het dier, die zich ook tegen hem had kunnen keren, en een nog verbazingwekkender en interessanter gegeven ontdekte.
Hij was wel eerder dicht bij het beest geweest, maar nog nooit zo dichtbij. Er hadden altijd struiken en grassen tussen hen in gestaan, zodat er maar weinig te zien was geweest van de harige gestalte van het dier. Nu zag Navahk het voor het eerst duidelijk. Het was een afschuwelijk en weerzinwekkend wezen, half mens, half dier en volledig vrouw.
Ze was in een ontzagwekkend tempo volwassen geworden. Hij zag haar borsten en rook haar geslacht. En langzaam, terwijl hij in de grote, glanzende grijze ogen van het ding keek, besefte hij met stijgende verbazing dat zij minstens even bang van hem was als hij van haar.
'Wah nah wut...' fluisterde hij, terwijl hij de speer langzaam van haar dij afhaalde en terugtrok.
Het wezen knipperde met haar ogen. Ze keek naar de speer, daarna naar de man. Ze hield haar groteske kop scheef. 'Wah... nah?' Ze zei het hem vragend na.
Navahk voelde zich zelfverzekerd en triomfantelijk tegenover het stomme dier. 'Wah nah,' zei hij nog eens, terwijl zijn blik over het dier gleed. Hij keek naar de ongelooflijke kracht van haar spieren, de omvang van haar handen en armen, haar enorme kaken, haar korte, gebogen achterpoten en de harige, stevige romp waarop twee kale, volledig menselijke borsten teer en bleek oplichtten als de ontluikende borsten van een huwbaar jong meisje. Hij raakte er opgewonden van. Voorzichtig, langzaam stak hij zijn vrije hand uit. Met een vinger streek hij over een grote, dikke tepel die stijf werd onder zijn hand. Hij lachte, tegelijk geamuseerd en vol walging, maar ook opgewondener dan hij ooit was geweest. Hij werd kwaad om zijn reactie. Hij walgde ervan. Dit ding was geen vrouw, geen meisje. Ze was niet eens menselijk! Dit beest voedde zich met mensenbloed. Sondahrs bloed was door dit wezen opgezogen. Sondahrs bloed gaf haar kracht.
'Sondahr!' Hij was verbaasd dat hij de naam van de dode vrouw riep. Hij was niet van plan geweest om iets te zeggen en zeker niet met zoveel verlangen in zijn stem.
Het beest fronste haar voorhoofd. Ze draaide haar kop de andere kant op. 'Suh... dahh...'
Navahk was verbijsterd. Het beest had niet alleen zijn stem geïmiteerd. Ze had in haar stem ook precies dezelfde verlangende klank gelegd, die als het ware regelrecht uit zijn hart was gekomen. De toon waarop hij had gesproken had een reactie aan het dier ontlokt. Ze hield haar kop weer scheef, keek hem aandachtig aan met haar onmogelijk menselijke en mooie ogen... en stak haar hand uit naar zijn borst net zoals hij zijn hand had uitgestoken, met een voorzichtig voelende vinger.
Hij bewoog niet. Hij liet haar voelen. De hand van het dier gleed naar zijn gezicht, voelde en bleef zo zachtjes en teder op zijn gezicht liggen dat hij het nauwelijks voelde. Zijn eigen hand ging omhoog, aarzelde en raakte toen het gezicht van het beest aan. Het dier hield hem niet tegen. Ze kwam dichterbij, sloot haar ogen en trilde van plezier. Een gevoel van macht welde in hem op als vuur dat op het punt staat om naar buiten te slaan.
Nog nooit heeft iemand dit gedaan! dacht hij. Niemand heeft de Wanawut aangeraakt en het overleefd. Niemand! Zijn hand bewoog, streelde het dier. Haar ogen gingen open. Hij zag angst, verwarring en behoefte op haar gezicht. Angst voor de vreemdeling. Verwarring over deze nieuwe, verbazingwekkende situatie. Behoefte om te worden getroost, om te worden gestreeld... om te worden bemind? Zelfs door een mens? Toen overviel de gekte hem. Hij wist het en het kon hem niet schelen, want hij voelde opeens evenveel behoefte als het beest. Hij trilde bij de gedachte aan wat hij ging doen. Geen vrouw was zijn gelijke. Geen enkele had hem bevredigd. Het beest was jong. Ze was veel manen alleen geweest en hij was de enige die het had gewaagd om naar haar toe te komen, haar te eten te geven, haar eigen geluiden tegen haar te maken. Ze zou niet begrijpen wat hij deed totdat zijn doel bereikt was en zelfs dan zou ze niet beseffen dat ze had gepaard. Beest met mens, vlees met geest, Navahk met de Wanawut... met macht, met de belichaming van alles waar de mens bang voor was. Hij legde zijn speer weg. Hij was bang, maar de angst was zoet en prikkelend terwijl hij voorzichtig bij haar in het nest kroop. Ze hield hem niet tegen. Hij zag zijn beeld weerkaatst in de ogen van het dier. Zelfs met zijn vernietigde oog was hij even mooi als het dier lelijk was. Niemand ter wereld zou nu zijn gelijke zijn: Torka niet op de jacht, en Lorak niet met zijn toverij, en zelfs Karana niet in het oproepen van de geesten. Want hij had nu de kracht van de Wanawut, hij voelde die kracht in zijn hart bonzen, voelde hem in zijn armen en benen en in zijn lendenen opkomen. Hij had een windgeest verslagen en in zijn huid gedanst. Nu zou hij het beest temmen en haar leren doen wat hij wilde.
Zijn glimlach werd een roofdierachtige grijns. 'Kom...' zei hij, haar voorzichtig strelend, terwijl hij zich afvroeg of Sondahr zijn streling voelde, want in het vlees van het dier zat het bloed van de vrouw. Niet begrijpend grijnsde de Wanawut haar hem. 'Koh...mmm...' zei ze hem na. Toen hij haar aaide, begon haar huid weer te trillen, als de huid van een dier dat reageert op de strelingen van een soortgenoot.