'Gejuich stijgt op van veld 1 van VV Alblasserdam als een troep broedvogels in de Krimpenerwaard. Mijn vriendjes en ik sprinten weg van veld 2, onder de bosjes door, het slootje over, tot aan de rand van het hoofdveld. Wit-oranje spelers van het eerste, waaronder mijn vader en mijn oom, lopen terug naar hun positie. Mijn vader is laatste man. Hij zwaait naar me, trekt in één beweging zijn aanvoerdersband recht. In de dug-out balt mijn opa de vuisten. Ik kom hier al sinds mijn tweede. Deze club reikt nooit verder dan de tweede klasse, maar van zaterdagochtend tot zondagavond is de groene kantine mijn huis, veld 2 mijn tuin. Op mijn vierde loop ik mee in de warming-up van het eerste. Op mijn zesde passeer ik moeiteloos vier man. Ouders brullen dat ik moet óverspelen, mijn vader zegt: "Pingelen maar." Een voorbeeld heb ik niet. Deze zomer van '88 is héél Oranje mijn favoriet. Boven mijn bed hangt een Milan-vlag met Ruud Gullit en een Barcelona-vlag met Ronald Koeman.
'In de E2 van Alblasserdam speel ik tegen VV Strijen, met daarin het zoontje van Geert Meijer, assistenttrainer van Feyenoord. Leuk spelertje die Danny. Een maand later speel ik in Feyenoord E1. Wat hebben die Rotterdamse jongens een grote bek! Deze boerenpummel zegt niks terug, kleedt zich snel om. Buiten wacht mijn vader. Drie keer per week brengt hij me direct uit school naar de training. "Voetballend ben jij een van de besten", zegt hij. "Maar je laat je de kaas van het brood eten." Op mijn kamertje haal ik de kopietjes van de trainer uit mijn sporttas. Van elke positie in het veld beschrijft hij taken en vaardigheden. Op mijn velletjes markeerde hij met geel de posities rechtsbuiten en rechtshalf. Nog voor het eten stamp ik de rijtjes erin. Een aanvaller ziet diepte. Hij heeft het van tevoren gezien. Hij heeft lef. Hij vraagt om de bal. Hij heeft grote handelingssnelheid in de kleine ruimte.
'Ik speel in Feyenoord D1, maar mis mijn vrienden in Alblasserdam. Ze zullen wel weer de buurten langsgaan, grote jongens uitdagen voor een toernooitje. Wij winnen altijd alles. Ons trapveldje ligt aan de rand van het dorp, tussen de molens van Kinderdijk. Al toen ik vier was stak mijn vader hier takjes in de grond, slalomde ik er met een bal tussendoor. Bij elk ritje naar Varkenoord voel ik een grote steen in mijn maag.
De trainer van Feyenoord wisselt me voor zijn zoontje, omdat ik een keer buitenspel sta. Hij staat wel vijf keer buitenspel. Ik loop de trainer van Alblasserdam D1 tegen het lijf. "Kom toch weer lekker bij ons spelen Danny." Ze moeten uit tegen Hardinxveld. Ik word zo blij van die gedachte. Geen idee hoe ik dit mijn ouders moet vertellen. Ik schrijf een briefje, leg het op de keukentafel. "Ik heb het niet meer naar mijn zin. Ik doe vanavond met Alblasserdam mee."
"Jammer," is de reactie van Feyenoord als mijn vader belt om te zeggen dat ik niet meer kom. Met Alblasserdam D1 worden we ongeslagen kampioen. Ik sta rechtshalf, helemaal mijn plek. In de regioselectie sta ik zelfs mid-mid en maken ze me aanvoerder. Willem II vraagt of ik bij hen wil komen spelen. Ik denk er geen moment over na. Dan belt Feyenoord weer. Wil ik ook niet over nadenken. Mijn trainer zegt dat ik toe ben aan meer weerstand. Ik denk aan de internationale toernooien van Feyenoord, aan tribunes gevuld tot in de nok. Ik bel Feyenoord terug. In Feyenoord C2 herinnert niemand me aan mijn aftocht een jaar geleden. De grote bekken van de E1 zijn afgevallen. Het valt de trainersstaf wel op dat ik gegroeid ben. Toen was ik iel, watervlug, nu ben ik fors. "Geen aanvaller meer die Danny. Een echte middenvelder."
Varkenoord ligt naast De Kuip. Elke dag wijzen trainers naar ons doel. "Wil je daar spelen of in de FC Bal Op Dak 6?" Gelukkig verwachten ze geen antwoord, ik zou het namelijk niet weten. Alles in mijn leven draait om voetbal, niet profvoetbal. Ik zit op de mavo. Voor techniekles moeten we naar het gebouw van de lts. Daar hangen altijd grote jongens rond. Ik neem een bal mee, in het tussenuur maken we met twee bankjes een veld. Daar komen die grote jongens aan. Ze zijn met meisjes en sigaretten bezig.
Geef ik niet om. "Hé kinderen, rot eens op met die bal." Maar ze durven me toch niets te doen. Mijn oom is conciërge hier.
"Op het middenveld kom je handelingssnelheid tekort," zeggen ze bij de B-junioren. "Jij staat voortaan rechtsback." Wéér een linie terug. Om mijn tekortkomingen aan te pakken, sta ik middenin een kring van vier spelers en twee ballen. In hoog tempo moet ik die aannemen en strak afspelen, een kwartier lang achter elkaar. Ik kop aan de lopende band hoge ballen verdedigend weg, onder druk van alibi-aanvallers. Soms laat ik het even lopen. "Hee Buijs! Prima joh, dan betaal je toch lekker zélf je contributie, bij Hukkelbummel 3?"
Daar is die steen weer in mijn maag. Ik voel dat sommige personen op Varkenoord aan me twijfelen. Ook met de jongens vind ik geen aansluiting. Al die windstreken bij ons onder de douche. Hier een groepje Rotterdammers, daar een groepje Hagenezen of een Braziliaan. Nog een wonder dat we met dit zooitje kampioen worden van Zuid-Nederland.
Je kunt er minnetjes over doen, maar hier in de A1 maken ze een echte verdediger van me. Een bal-afpakker. Bekijk het eens van de andere kant. Door al die positiewisselingen zie ik het spel nu van alle kanten. Ik weet wat er in elke linie speelt. Een pure rechtsbuiten snapt niet hoe een rechtsachter denkt. Laat lekker lopen die man, denkt die eerste. We staan toch met 5-0 voor? Maar die back wil maar één ding. De nul vasthouden.
Voor het eerst heb ik het naar mijn zin bij Feyenoord. Voor trainer Cor Adriaanse is iedereen gelijk, zijn grappen doen de rest. Klimt-ie op de massagetafel, laat-ie een scheet bovenop iemands kop. Staat hij op uit de dug out, zegt hij dat we daar moeten blijven zitten. Inderdaad: weer de lucht van rotte eieren. Het allermooiste zijn de voorwedstrijden die we in De Kuip spelen. Bij de tweede helft zit het stadion al nagenoeg vol. Na de wedstrijd lopen we een ererondje. Tienduizenden fans scanderen 'kampioenen'. Van betaald voetbal heb ik nog steeds geen besef. Mijn Braziliaanse ploeggenoot Leonardo wel. Die ziet al voor zich hoe straks de hele Kuip voor hem zingt. "Léééooo! Léééooo! Léééooo!" Gek word ik ervan. Ik wil alleen maar kampioen worden met de A1 van Sportclub Feyenoord. Gevraagd worden voor de A1 van de profs van Stichting Feyenoord zou ook leuk zijn. Niet omdat het profs zijn, wel omdat ze beter zijn.
'Zowel de A1 van sportclub Feyenoord als het eerste van de amateurs dat op zondag in de hoofdklasse speelt hebben me nodig. Twee wedstrijden per weekend, te gek!
Ik heb een coach die elke dag staat te schuiven met magneten op een whiteboard. Tactiek, dat is iets nieuws voor me. Net als bij het grote Feyenoord spelen we 4-3-3 met een inschuivende nummer 4.
Afhankelijk van het spel van de tegenstander laten onze buitenspelers zich terugzakken. Hun backs dekken hopelijk door, ruimte ontstaat in hun hoeken, onze halfspelers kunnen overlappen. Ideale taak voor mij, met mijn loopvermogen. "Als je gaat ga je," zegt trainer Henk van Stee, "of je gaat niet. Maakt mij niet uit, als je maar niet een beetje gaat. Dan kun je net zo goed niet gaan."
Als ik de bal niet strak genoeg inspeel, krijg ik op mijn lazer. Als ik een ander niet coach, nog meer. De mannen rond het veld zijn strenger dan ooit, maar dit keer voel ik geen steen in mijn maag. Van het gebrul ga ik alleen maar harder hollen. Mijn tackles zijn hard. "Danny's kracht is zijn wedstrijdbeleving," zeggen ze. "Hij gaat altijd tot het randje." Ze maken me aanvoerder. Ik denk aan mijn vader. Die was ook aanvoerder en aanjager. Hij ging alleen niet tot het randje.
Met de A1 winnen we alles. Landskampioenschap, Supercup, alle Europese toernooien. Ik krijg een jeugdcontract. Ze betalen mijn autorijlessen. Ik train soms mee met het eerste. Ze nemen me mee naar uitwedstrijden tegen amateurs. Zit ik ineens in de bus met Paul Bosvelt! Ik zit dicht tegen betaald voetbal aan, tegelijk ben ik er nog zover vandaan. Ik train zeven keer per week, ga 's ochtends om halfzes de deur uit, kom 's avonds om acht uur uitgeput thuis. Dan moet ik nog eten en huiswerk maken. Ik verwaarloos school én voetbal. Mijn ouders wijzen me op de gevaren van een
voetbalcarrière. Ik denk: als het niet lukt, heb ik het tenminste geprobeerd. Als ik mezelf maar niet kan verwijten dat ik er niet alles uit heb gehaald. Ik stop met de havo.
Ik ben geen stap dichterbij het eerste. Emerton, de vaste rechtsback van Feyenoord 1 is zoveel verder dan ik. Daar ga ik weer. Ik haak aan op wilskracht, handhaaf me een tijdje, val dan weer stil. Door tegenslag of omdat ik tekortschiet. Bekend patroon. Ik kan naar het eerste van Excelsior, maar Feyenoord laat me niet gaan. Ze stoppen me weg in het tweede, dan verhuren ze me alsnog. In Excelsior dwing ik een basisplaats af. Excelsior degradeert. Het jaar erop vecht ik voor een comeback in de eredivisie, we komen net tekort. Ik ben boos. Vitesse, Roda JC en FC Groningen tonen interesse. Ik voel me beter. Mijn grote liefde Feyenoord wil mijn contract verlengen. Ik voel me nog beter. Technisch directeur Mark Wotte biedt me hetzelfde salaris als wat ik al had. Ik zeg dat ik geen
wereldsalaris hoef te verdienen, wel graag een stap maak. Hij schrijft een fax met dikke letters: "Gefaald in de competitie, gefaald in de nacompetitie en toch nog eisen durven stellen?"
Het is dus FC Groningen geworden. Trainer Ron Jans gunt me geen basisplaats. Elke trainer heeft in augustus voor 80 procent het team in zijn hoofd —ik voel dat ik er niet bij hoor. Ik ben een stoplap voor alle posities, notabene uitgezonderd voor mijn favoriete plek rechts op het midden. "Weer passentrappen," denk ik terwijl ik toekijk hoe de assistenttrainer de gele en rode hoedjes op het veld plaatst. Dat parcours deden we gisteren ook al. "Wat is dit voor kutoefening," mompel ik tegen een medespeler. "Zeg je Danny?" roept de trainer. "Ik vroeg me af waarom we alweer deze kutoefening doen, trainer!"
"Donder maar lekker op Buijs. Naar binnen." De volgende ochtend geeft Jans me honderd euro boete. "Danny, word slimmer."
Dan gaat het weer fout. Ik erger me al lang aan Njazi Kuqi, stagespeler uit Finland. Alleen maar met zichzelf bezig, terwijl bij FC Groningen iedereen zichzelf wegcijfert. Yuri Cornelisse maakt een overtreding op Kuqi. Cornelisse doet nooit een vlieg kwaad, zegt meteen sorry, biedt zijn hand aan. Kuqi slaat zijn hand weg. "Fuck off!" Ik erop af. "Hee Koekie, doe even normaal." Hij stiert op me in, ik duw hem hard weg. "Buijs, Kuqi naar binnen!" In de catacomben van Euroborg blijf ik tekeergaan. Ook tegen trainer Jans.
Mijn tweede seizoen bij FC Groningen is goed. In mijn geliefde 4-4-2 sta ik rechtshalf, met veel ruimte voor me, ik speel 34 volledige wedstrijden, incasseer vijf gele kaarten, maak zes doelpunten. We eindigen hoog, bereiken Europees voetbal. "Buijsie, Buijsie", klinkt het in De Groene Hel. Ik ben misschien wel symbolisch voor deze selectie die boven zichzelf uit kan stijgen, waar spelers elkaar verrot schelden maar daarna elkaar weer in de armen vallen. Wat ben ik veranderd in tien jaar tijd! Ik maakte driedubbele scharen, zo kwikzilverig snel. Als ik dat nu doe breek ik mijn benen. De explosiviteit verhuisde van heup naar hart. Ze houden hier van me.
Peter Bosz van Feyenoord belt. Of ik terugkom. Ik zeg dat Feyenoord alles voor me is, jammer alleen dat ze 4-3-3 spelen. Bosz belooft: we gaan 4-4-2 spelen. Trainer Erwin Koeman kiest na een paar wedstrijden toch voor 4-3-3. Ze schuiven me weer als een magneetje over het bord, ik sta zelfs op de 10. Het wordt een rampjaar. Tegen Vitesse sla ik Danko Lazovic half in zijn gezicht. Niet eens zozeer omdat hij zo vreselijk stond te zeiken, maar omdat hij altijd zo huichelachtig zegt over elke topclub waar hij tekent dat het "altijd al zijn droom is geweest" om hier te spelen.
Bah. Ze vallen ook over me heen als ik er bij Edgar Davids van Ajax inkleun. Hallo, het is Ajax-Feyenoord!
"Danny, geef Davids meteen een signaal dat jij er staat," adviseerden Pierre van Hooijdonk en Henk Timmer me nog in de kleedkamer. Was hij me toch nog voor. "Wat wil je nou?" zo haal ik verhaal bij hem. Mooi hoor. Nou ja, mooi. Ik merk dat ik aan het forceren ben, ik loop uit positie. Als het team niet draait, voel ik me zo verantwoordelijk dat ik de voorzet geef en hem zelf wil inkoppen. "Kijk maar uit naar een andere club," zegt Bosz. "Danny blijf, ik heb je nodig," zegt trainer Bert van Marwijk.
"Als ik op de tribune wil zitten koop ik wel een seizoenkaart," zeg ik.
"Als een club zich voor jou meldt in de winterstop valt erover te praten," belooft Bosz. Van Marwijk stelt me soms op, soms val ik in. In de winter laat Bosz me weten dat ik toch niet weg mag. Een man een man, een woord een woord. Er zit niets anders op dan elke dag heel hard mijn best te doen. Maar hoe? De A-selectie traint nog maar twee uurtjes per dag. Dat stelt niks meer voor. Ik vraag aan hulptrainer John Metgod of ik een keer mee mag doen met het tweede.
"Weet je dat wel zeker Danny?" roepen een paar jongens uit het eerste. "Dan moet je maandagavond uit tegen MVV! Zit je drie uur in de bus!"
Met een stuk banaan in mijn mond wandel ik het terrein af. Vanaf half twee 's middags zit ik elke dag thuis, bij mijn vrouw Gerda op de bank. Zoveel trainen profs niet meer. Boeken lees ik niet. Ja die van Michel Boerebach, Nooit meer zaterdag. Dat hakte er wel even in. Verschrikkelijk, dat hij zijn zoontjes heeft verloren. Daar denk ik soms over na, als ik een balletje trap met mijn twee jongetjes Wout en Mark. Of ik loop even de kantine van Alblasserdam binnen. Kijken of ik iets voor ze kan doen. Shirtjes regelen voor de F-jes. Drink ik een Spaatje Fruit aan de bar. Dit jaar ben ik 25 jaar lid. Ze gaan me huldigen.'