'Mam als Ajax me niet wil, ben ik ook blij met Sparta hoor.' Op zijn zevende hadden zich kort achtereen scouts van Sparta, Feyenoord en Ajax langs de lijn bij de Alphense Boys F1 opgesteld. Elke keer was Denylson zich daar zeer bewust van. 

Toen die man van Sparta er stond, was hij supernerveus en raakte hij geen bal. Een week later moest hij tegen Feyenoord F2. De Boys wonnen met 3-1, Denylson slalomde tussen de containersjouwers uit Rotterdam door alsof ze er niet stonden, maakte alle drie de goals. De ledenvergadering werd stilgelegd, de lokale krant schreef erover, de Feyenoordtrainer nodigde hem uit voor een stage. Nog geen week later stapte een gealarmeerde Ajaxscout op moeder Anemone af. 'Mevrouw weet dat we uw zoon in de gaten houden.'

Na de stage bij Sparta mocht Denylson meteen blijven. Intussen waren de stages bij Feyenoord en Ajax begonnen. Hij hoopte op Ajax, zijn favoriete club. Op maandag trainde hij bij Alphense Boys, op woensdag liep hij om beurten stage in Amsterdam én Rotterdam, op donderdag trainde hij weer gewoon in Alphen en op zaterdag speelde hij zijn wedstrijden. Het drong tot Anemone door wat een opleiding zou betekenen, voor haar en haar enig kind. 

Bij nader inzien hoefde Ajax hem toch maar niet. Feyenoord hoefde voor hem niet zo. Nu brengt zijn vader hem naar de maandagtraining van de Sparta E-selectie in Rotterdam, zijn opa naar de dinsdagtraining, het Spartabusje brengt hem op donderdag en Anemone elke zaterdag. Dik een uur heen en een uur terug. Alles draait om voetbal, tijd voor vriendjes is er niet meer. Anemone krijgt commentaar van ouders. 'Kun je dat zo'n kind wel aandoen?' Ze denkt: 'Wat zou ik hem hebben ontnomen?' Ze genieten er samen juist van. Bij elke goal kijkt hij meteen naar haar. Hij maakte eens een panna en scoorde daarna met zijn zwakke rechterbeen. Iedereen dook toen op hem, met zijn ogen zocht hij mama maar die was die ochtend naar autorijles.

 

Denylson heeft iets met het woord 'fier'. Dat is Belgisch voor 'trots', leerde hij op school in groep 6. Wat een grappig woord vindt hij dat. 'Ik ben fier op mezelf omdat ik mijn lichaam goed gebruik,' zegt hij in het beoordelingsgesprek in september, 'ik ben fier op mijn snelheid, fier op mijn vloeiende acties en dat is het eigenlijk.' Hij lacht zijn tanden bloot en de trainer die eigenlijk flink wat puntjes van kritiek had willen aansnijden, kan alleen maar teruglachen. 'Laat deze linkspoot nog maar even zijn ding doen,' noteert hij in Denylsons dossier. 

 


 

Zijn ding. Dat is een actie waarbij hij zijn man passeert door de bal aan de buitenkant van zijn voet te houden, een schaar naar rechts te maken en er dan links langs te gaan. Daarbij schermt hij heel arrogant de bal niet af. Zijn tegenstander kan er toch niet bij want Denylson is sneller. Keek-ie af van Nourdin Boukhari, zijn voorbeeld bij Sparta. Naast ex-Spartaan Sjakie Polak natuurlijk. Laatst speelde hij in de gang naar de kleedkamers tikkertje met teamgenoot Ayoub, het halfbroertje van Boukhari. Liep de grote Boukhari net langs! De broers die twintig jaar schelen, groetten elkaar als boezemvrienden, plaatsten cool de vuisten tegen elkaar. 

Denylson was er stil van. Hij heeft geen broer om thuis trucs mee te oefenen. Wel een vader, maar die woont ergens anders. Iwan Esajas speelde vroeger ook bij Alphense Boys en is ooit wel vier keer gevraagd voor een stage, van Telstar tot FC Twente, maar raakte op de beslissende momenten steeds geblesseerd. Vanonder zijn petje op sportcomplex Nieuw Terbrugge herkent Iwan zich in zijn zoon. Die kalmte, die kortstondige explosie van snelheid en techniek. Hij is onder de indruk van de trucs. Zijn zoon leert die gewoon op zijn Playstation Fifa 2006 Pro.

 

'De jongens moeten niet zoveel lopen met de bal,' moppert Iwan. 'Ze moeten eerder afgeven, hun positie houden.' Zijn ze niet mee bezig bij Sparta. Ze trainen hier op onverzettelijkheid. Vooral bij Denylson kan dat geen kwaad, de dromer. Als hij de bal kwijt is, wandelt hij erachteraan als een gewond hert, hoog op zijn heupen. 'Die bal komt wel weer een keer mijn kant op,' denkt hij. Wat ook zo is. 

De trainer husselt om de zes weken de zestien E-spelers door elkaar. Acht man in de E1, acht in de E2. Quinten, Ronaldo en Denylson moeten bij de trainer in de dug-out komen. 'Jullie gaan terug naar de E2. Quinten moet beter leren aannemen, Ronaldo moet meer overspelen en Denylson moet niet zo staan te slapen. Hij moet blijven bewegen tot hij vrij staat en dan schreeuwen om de bal.' 

De trainer herhaalt voor de zoveelste keer dat er geen standsverschil is tussen E1 en E2. Beide ploegen zwoegen in zware competities tegen tweedejaars E-spelers, de E2 staat zelfs hoger. Aan hun koppies ziet hij dat de drie jongens het toch als een degradatie ervaren. Perfect, denkt de trainer.

 


 

'Denylson moet feller worden in het duel, niet zo vaak buitenspel staan en niet zo boos doen als teamgenoten niet goed inspelen.' De verbeterpunten in zijn voetbalrapport van december zijn zo'n beetje dezelfde als die van september en die middag in de dug-out. Gewoon weer een poging van de trainer hem te prikkelen tot verbetering? Of is dit de aankondiging van een onvermijdelijk afscheid straks in mei?

 

Thuis tegen Lyra uit De Lier vraagt Denylson niet om de bal. Anderen brengen hem wel. Hij haalt de bal tientallen keren terug onder zijn voet, tikt hem naar de andere, floept er voor de zoveelste keer langs, scoort niet. Hij dwaalt van zijn positie weg, loopt een langere jongen omver. 'Nog één keer en je gaat er uit,' waarschuwt de scheids. 'Maar het was gewoon een schouderduw!' De trainer knikt tevreden over zijn beleving, neemt zich voor hem na de winterstop captain te maken. 'En mam, hoe heb ik gespeeld?'

'Wat vind je zelf?'

'Mama, het gaat zo lekker. Ik speel nu net als bij mijn oude club.'

 

Denylsons gedrag in de kleedkamer kan beter, waarschuwt de trainer een paar weken voor het overgangsgesprek in mei. 'Je bent teveel met anderen bezig, kleedt je traag om. Als ik op het veld iets uitleg, ben je snel afgeleid. Een schoen met losse veters, een profspeler langs de lijn, een kluit uit het gras. En nog steeds ga je niet achter de bal aan als je hem kwijt bent. Het is zonde als je door deze twee punten afvalt. Het zijn geen moeilijke dingen om te verbeteren.'

Denylson knoopt het in zijn oren. Tegen zijn aard in danst hij die weken achter elke verloren bal aan. 'Maar je gedrag in de kleedkamer is niet verbeterd. We nemen toch afscheid van je.'