12
dinsdag 2 december 2008
20.15 uur, Rome
(14.15 uur, New York)
Eerst was er de flits van honderd miljoen volt elektriciteit, gevolgd door een ratelend gekraak toen hij door de vochtige lucht schoot, om te eindigen tegen de oude Egyptische obelisk midden op de Piazza San Pietro. Een oogwenk later weerklonk de harde donderslag die de Fiat letterlijk deed schudden.
‘Wat was dat, verdorie?’ vroeg Sana, voor haar brein registreerde wat het was.
‘Donder en bliksem,’ zei Shawn laatdunkend, hoewel hij bijna net zo geschrokken was als zijn vrouw. Hij had nog nooit een bliksemflits van zo dichtbij gezien. ‘In hemelsnaam, kalmeer eens! Je bent bloednerveus.’
Sana knikte terwijl ze uit de raampjes van de huurauto keek. Ze zag heel veel voetgangers die in het donker op weg naar huis waren, voorovergebogen tegen de wind met hun paraplu’s als schilden tegen de bijna horizontale regen. ‘Ik kan er niets aan doen. Weet je zeker dat we dit moeten doen?’ vroeg ze. ‘Ik bedoel, we sluipen op een regenachtige nacht een oud Romeins kerkhof binnen om een oud ossuarium te stelen. Het lijkt meer het script voor een griezelfilm dan iets normaals. Wat als we gepakt worden?’
Shawn trommelde geïrriteerd met zijn vingers op het stuur. Hij was ook heel gespannen en door Sana’s twijfels werd zijn bezorgdheid alleen maar groter.
‘We worden niet gepakt,’ snauwde Shawn. Hij wilde geen negatief commentaar horen. Hij stond op het punt zijn meest spectaculaire vondst te doen, vooropgesteld dat Sana meewerkte.
‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn?’
‘Ik heb daar maandenlang ’s nachts gewerkt, en tenzij ik iemand anders meebracht, heb ik er nooit een sterveling gezien.’
‘Je hebt daar toen potlood en papier en je fotoapparatuur gebruikt. Wij gaan nu met een boor en een hamer en een beitel aan het werk. En, zoals je al zei: wat als iemand ons boven in de basiliek hoort?’
‘De basiliek is potdicht,’ snauwde Shawn. ‘Zeg, hou hiermee op. Je hebt er al mee ingestemd. Het tijdstip is goed. We hebben het gereedschap. We weten waar we moeten zoeken. En omdat we een boor gebruiken om naar het stenen ossuarium te zoeken, staan we binnen een paar uur weer buiten. Als je je ergens druk om wilt maken, doe dat dan over de vraag hoe we het ossuarium uit de necropolis en in de kofferbak van de auto moeten krijgen.’
‘Zoals jij het zegt klinkt het zo gemakkelijk,’ antwoordde Sana. Ze staarde door de voorruit naar de Piazza San Pietro met Bernini’s gebogen, ellipsvormige zuilengalerijen aan weerszijden.
‘Het wordt ook makkelijk,’ zei Shawn met duidelijke overtuiging, hoewel Sana’s onzekerheid die van hemzelf had versterkt. Eigenlijk wist hij heel goed dat er een heleboel kansen waren dat er dingen fout gingen. Ondanks zijn woorden was hij zich ervan bewust dat ze gepakt konden worden. Een nog waarschijnlijker probleem was dat ze het ossuarium niet zouden vinden. En in dat geval zou hij de autoriteiten moeten vertellen over Saturninus’ brief en de eer moeten delen als het ossuarium uiteindelijk werd gevonden. Wat natuurlijk alleen zou gebeuren als de paus toestemming gaf om te zoeken – en dat was onwaarschijnlijk, omdat de ontdekking van het ossuarium zou betekenen dat het dogma van de kerk en de pauselijke onfeilbaarheid ter discussie zouden komen te staan.
‘Goed,’ zei Sana plotseling. ‘Als we het doen, laten we dan gaan en beginnen. Waarom zitten we hier nog?’
‘Dat heb ik je gezegd. We zijn hier sneller dan ik dacht. De laatste veiligheidscontrole van de basiliek is om acht uur. Ik wil ze ruim de tijd geven om het af te maken en de kerk goed af te sluiten.’
Sana keek op haar horloge. Het was bijna halfnegen. ‘Wat nou als ze iets vinden wat niet klopt? Bijvoorbeeld dat de Pietà weg is?’
Shawn draaide zich om om naar het profiel van zijn vrouw in het donker te kijken. Hij hoopte dat ze hem zat te plagen, maar dat leek niet het geval te zijn. Ze keek naar buiten als een gebiologeerde prooi die op het punt stond opgegeten te worden. ‘Meen je dat?’
‘Ik weet het niet,’ gaf Sana toe. ‘Ik ben zenuwachtig en bekaf. We zijn helemaal vanuit Egypte hiernaartoe gereisd. Dat is misschien makkelijk voor jou, maar niet voor mij.’
‘Je mag zenuwachtig zijn, dat is prima. Jeetje, ik ben ook zenuwachtig. Het is heel normaal om een beetje zenuwachtig te zijn.’
‘Stel nou dat ik last krijg van claustrofobie?’
‘We zullen ervoor zorgen dat dat niet gebeurt. Je hoeft van mij niet de tunnel in te gaan. Er is waarschijnlijk toch geen ruimte voor jou.’
Sana keek in het vage licht van de auto naar haar echtgenoot. De koplampen van de eindeloze stroom passerende auto’s speelden over zijn gezicht. ‘Weet je zeker dat je me niet nodig hebt in de tunnel?’
‘Als we daarbeneden zijn en je wilt niet de tunnel in, dan zullen we wel zien. Laten we positief blijven denken. Kan ik op je rekenen?’
‘Dat denk ik wel,’ zei Sana zonder veel zelfvertrouwen.
Om kwart voor negen startte Shawn de auto en reed langzaam weg. De ruitenwissers moesten hun uiterste best doen om de regen te verwerken en hij had heel slecht zicht. Het verkeer dat de Piazza op kwam scheurde in razende vaart langs hen heen. Hij reed het Sint-Pietersplein op, langs Bernini’s zuilengalerij naar de Arco della Campane. ‘Als de Zwitserse Garde vraagt waarom jij geen Vaticaanse identiteitskaart hebt, laat je mij het woord voeren,’ zei Shawn. De twee donkerbruine wachthuisjes doemden op uit de mist voor hen. De Gardisten stapten naar buiten, hun zwart-met-oranje uniformen verstopt onder donkere regencapes. Ze zagen eruit alsof ze niet erg blij waren om op een dergelijke avond dienst te moeten doen. Shawn deed het raampje open toen hij bij de wachthuisjes was. Een paar eigenzinnige regendruppels waaiden onmiddellijk door het open raam naar binnen en dansten in de lucht.
‘Goedenavond, heren,’ zei Shawn vriendelijk, terwijl hij zijn best deed om de zenuwen in zijn stem te onderdrukken. Zoals hij had verwacht, was de wacht gewisseld. Dit waren andere Gardisten.
Net als die middag pakte de Gardist Shawns identiteitskaart zonder een woord te zeggen aan. Hij bekeek hem bij het licht van een zaklantaarn en vergeleek de foto met Shawns gezicht. Toen hij hem teruggaf vroeg hij: ‘Waar gaat u heen?’
‘Naar de necropolis,’ zei Shawn, terwijl hij zijn toegangspas overhandigde. ‘We gaan wat onderhoudswerk doen.’
De Zwitserse Gardist bestudeerde ook deze pas enige tijd voor hij hem teruggaf. ‘Doet u de kofferbak eens open,’ zei hij, naar de achterkant van de auto lopend.
Sana zat niet op haar gemak terwijl de tweede Gardist zijn zaklantaarn in haar gezicht liet schijnen. Daarvoor had hij de zaklantaarn en een spiegel aan een lange stok gebruikt om de onderkant van de auto te inspecteren op bommen.
Shawn hoorde de achterklep dichtslaan en even later stond de Gardist weer voor het geopende raampje.
‘Waar is het gereedschap voor?’ vroeg de man.
‘Voor het onderhoudswerk,’ zei Shawn.
‘Gaat u via het kantoor van de scavi naar binnen?’
‘Inderdaad.’
‘Moet ik de veiligheidsdienst bellen om het te openen?’
‘Dat hoeft niet. We hebben sleutels.’
‘Oké,’ zei de Gardist. ‘Een moment.’ Hij liep terug naar het wachthuisje voor een parkeerkaart. Even later stond hij achter de auto het nummer op te schrijven, waarna hij weer voor het open raampje verscheen. Daar gooide hij de parkeerkaart op het dashboard. ‘Parkeer hier rechtuit op de Piazza Protomartiri en laat de parkeerkaart zichtbaar op het dashboard liggen.’ Daarna salueerde hij.
‘Poeh,’ zei Sana toen ze optrokken. ‘Ik was bang dat we er al bij waren toen ze in de kofferbak keken en het gereedschap zagen.’
‘Ja, ik ook. In de maanden dat ik hier werkte heb ik nooit zoveel aandacht gekregen. Ze hebben de bewaking beslist opgevoerd.’
Shawn parkeerde de auto waar hem gezegd was, maar zo dicht mogelijk bij het scavi-kantoor. ‘Ik pak het gereedschap. Ga jij maar onder de portico staan. Ik wil niet dat je zo nat wordt als vanmiddag.’
‘Lukt je dat?’ vroeg Sana terwijl ze een paraplu van de achterbank pakte.
Shawn greep haar arm. ‘De vraag is: lukt het jou?’
‘Het gaat beter met me nu we hier zijn.’
Sana stond op het punt uit te stappen toen Shawn zijn greep verstevigde. ‘Wacht op die auto’s,’ zei hij. Sana draaide zich om en zag een rij auto’s met grote vaart vanuit het donker op hen af komen. Ze reden met een zwoesj voorbij over de gladde, natte keien, waardoor er een flinke plens water tegen de Fiat werd gesproeid. Shawn en Sana draaiden zich om en keken de rode achterlichten na, die snel verdwenen door de Arco delle Campane zonder zelfs maar vaart te minderen.
‘Dat moet een van de hoge heren zijn geweest, misschien wel de grote baas zelf,’ merkte Shawn op.
‘Ik ben blij dat je me tegenhield toen ik mijn portier open wilde doen,’ zei Sana. ‘Ik zou kletsnat zijn geworden.’
Een paar minuten later stonden ze in het donkere scavi-kantoor.
Shawn had het gereedschap en de andere spullen in de twee emmers gedaan. Nu hij er zo dichtbij was, namen zijn opwinding en bezorgdheid met sprongen toe.
‘Wat moet ik met de paraplu doen?’ vroeg Sana onschuldig.
‘Jezus christus!’ barstte Shawn uit. ‘Moet ik je bij alles vertellen wat je moet doen?’ Zijn geduld was op. Eerst had ze gedreigd niet door te gaan met hun plannen en nu stelde ze stomme vragen.
‘Je hoeft niet zo’n toon tegen me aan te slaan. Het is een redelijke vraag. Als ik hem hier laat, kan er iemand komen, die dan vermoedt dat er iemand in de opgraving is.’
‘Waarom zou iemand in hemelsnaam zomaar tot de conclusie komen dat er een indringer in de scavi is als er een paraplu achterblijft in het kantoor? Dat is belachelijk.’
‘Goed!’ snauwde Sana terug. Ze stak haar arm uit en liet de paraplu van het Hassler Hotel op de grond vallen. Ze voelde dat Shawns bezorgdheid om haar gevoelens tot een nieuw dieptepunt was gezakt.
Shawn was ook niet erg blij. Het laatste jaar, sinds haar carrière een vlucht had genomen, was ze het ene moment een onafhankelijke helleveeg, die tegen zijn wil haar haar had laten afknippen, en gedroeg ze zich het volgende moment als een verwend kind en gooide ze een paraplu op de grond zoals ze net had gedaan.
Even staarden ze elkaar woedend aan. Sana was de eerste die inbond. ‘We doen allebei stom,’ zei ze. Ze raapte de paraplu op en zette hem tegen een houten bank.
‘Je hebt gelijk. Het spijt me,’ zei hij, maar zonder veel overtuiging. ‘Ik ben gespannen, want ik was bang dat je er niet mee door wilde gaan, wat voor mij heel belangrijk is.’
Mocht ze al een positief gevoel hebben gekregen bij Shawns halfslachtige verontschuldiging, dan smolt het nu weg als sneeuw voor de zon. In plaats van de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag, gaf hij haar er de schuld van. Met andere woorden, de reden dat hij haar had gekwetst was dat zij schuld had, niet hij.
‘Laten we zorgen dat we het achter de rug krijgen,’ zei Sana. Het laatste wat ze op dit moment wilde was ruzie. Wat ze echt wilde was teruggaan naar het hotel en in bed kruipen.
‘Zo mag ik het horen.’
Ze pakten allebei een emmer en liepen door de glazen binnendeur van het scavi-kantoor. De gang erachter werd alleen maar verlicht door een serie zwakstroomlampen ter hoogte van de marmeren plinten.
Toen ze bij de trap kwamen die naar de ingang van de necropolis voerde, wachtte Shawn en keek de gang door naar de crypte van de basiliek. Hij zag niemand.
‘Goed,’ zei hij. ‘Daar gaan we.’
Ze liepen de trap af. Onderaan aangekomen opende Shawn het hek met de sleutel, liet Sana passeren en stapte toen zelf naar binnen, waarna hij de metalen afscheiding weer achter zich afsloot.
Omdat er alleen maar een beetje licht van de lampen in de gang boven hen zichtbaar was, zetten ze hun bouwhelmen op en knipten de hoofdlampen aan.
‘Niet slecht,’ zei Sana, die bij het licht van de lamp aan het eind van de smalle gang de zware vochtwerende deur naar de necropolis kon zien. Even daarvoor had ze zich enigszins claustrofobisch gevoeld, maar de hoofdlamp maakte een enorm verschil.
‘Hier, neem deze in je ene hand en de emmer in de andere,’ zei Shawn, nadat hij een van de zaklantaarns had aangeknipt.
‘Ik geloof niet dat ik die nodig heb naast de hoofdlamp.’
‘Neem hem nu maar,’ drong Shawn aan.
Hij schoof langs Sana heen en liep snel naar de zware deur. Met elke stap voelde hij zijn opwinding toenemen. Hij was ervan overtuigd dat het ossuarium hier was, op de plek waar Saturninus het volgens zijn brief bijna tweeduizend jaar geleden had achtergelaten.
Nadat hij de deur had geopend, stapte hij opnieuw opzij om Sana voor te laten gaan. Maar nadat hij hem weer had afgesloten, schoof hij langs zijn vrouw om snel af te dalen naar het niveau van de Romeinse begraafplaats. Hij stond op het punt in westelijke richting af te slaan toen hij voelde dat Sana niet achter hem liep.
‘Wat ben je in godsnaam aan het doen?’ vroeg hij terwijl hij omkeek en haar langzaam naar beneden zag komen. Het licht van haar hoofdlamp en haar zaklantaarn schoot alle kanten uit.
‘Ik vind dit niet prettig,’ zei Sana.
‘Wat vind je niet prettig?’ vroeg Shawn, en hij mompelde zachtjes: ‘Wat is er verdomme nu weer?’ Ze begonnen nog maar net en hij kreeg al in de gaten dat zijn vrouw een steeds frustrerender handicap begon te worden. Even dacht hij dat ze maar in de auto moest wachten, maar toen besefte hij dat hij haar nodig had. Voor wat hij van plan was waren beslist twee mensen nodig.
‘Mijn licht schijnt het plafond niet te bereiken. Ik krijg er een heel raar gevoel van.’
‘Het plafond is met opzet donker gemaakt, zodat bezoekers de stalen steunbalken niet zien. Dat is vanwege de sfeer.’
‘Komt het daardoor?’ vroeg Sana. Ze was afgedaald tot het niveau van het oude kerkhof en liet haar licht over de donkere ingangen van de mausoleums spelen.
Shawn rolde met zijn ogen.
‘Deze plek is ’s nachts nog griezeliger dan overdag,’ merkte Sana op.
‘Omdat die klotelampen worden uitgedaan, verdomme,’ gromde Shawn.
‘Wat was dat voor geluid?’ vroeg Sana doodsbang.
‘Welk geluid?’ vroeg Shawn, bijna even geschrokken.
Paniekerig spitsten ze hun oren. De stilte was oorverdovend.
‘Ik hoor niets,’ zei Shawn uiteindelijk. ‘Wat hoorde je dan?’
‘Het klonk als een heel hoge stem.’
‘Goeie genade! Nu ga je je ook al dingen inbeelden.’
‘Weet je het zeker?’
‘Ik weet het zeker, maar ik weet niet zeker of jij dit wel aankunt. We zijn er zo dichtbij.’
‘Als je zeker weet dat ik niets hoorde, laten we dan verdergaan en wegwezen.’
‘Hou je je dan nu rustig?’
‘Ik zal het proberen.’
‘Goed, laten we gaan. Maar blijf in de buurt.’
Shawn ging voorop in westelijke richting naar het graf van Petrus, met Sana een stap achter zich. Ze vermeed het in de mausoleums te kijken toen ze de donkere, griezelige ingangen passeerden.
Plotseling bleef Shawn staan, zodat Sana tegen hem aan botste.
‘Sorry,’ zei Sana. ‘Je moet het even zeggen als je stil blijft staan.’
‘Ik zal proberen daaraan te denken,’ zei Shawn, terwijl hij naar links wees met zijn zaklantaarn. ‘Daar is de Romeinse sarcofaag die ik je vanmiddag heb gewezen. Daar stoppen we de uitgegraven rommel in. We kunnen die niet zomaar laten liggen, dat zou te veel opvallen. Denk je dat jij het hiernaartoe kunt brengen terwijl ik graaf?’
‘Bedoel je alleen?’
Shawn telde inwendig tot tien. ‘Zolang ik graaf, doe je het natuurlijk alleen,’ zei hij ongeduldig.
‘We zullen zien,’ zei Sana. Het idee alleen in de necropolis te moeten rondlopen was behoorlijk eng en niet echt aantrekkelijk. Ze hoopte dat het op de een of andere manier zou lukken.
Shawn hield zijn mond. In plaats van iets te zeggen liep hij verder en sloeg de hoek om bij het noordelijkste puntje van de rode muur. Ondanks de klim bleef Sana vlak achter hem. Even later stonden ze in de grote ruimte aan de oostelijke kant van het grafcomplex van Petrus, vlak bij het oorspronkelijke monument, de Tropaion van Petrus genaamd. Shawn scheen met zijn zaklantaarn door een van de vele glaspanelen van het platform, dat gebouwd was om toeristen de gelegenheid te bieden in de graftombe te kijken.
‘We zijn er bijna,’ zei Shawn opgewonden. ‘We zijn al bijna op het niveau van het graf van Petrus.’
‘Dat neem ik direct van je aan,’ zei Sana. ‘Laten we opschieten.’
‘Heel goed!’ stemde Shawn enthousiast in. Dat was wat hij wilde horen.
Het kostte aanzienlijk meer moeite dan Sana had verwacht om de twee centimeter dikke glasplaat op de hoek die diende als toegang naar het lagergelegen niveau op te tillen. Na een geweldige krachtsinspanning slaagden ze erin het paneel op zijn kant tegen de muur te zetten.
‘Laat mij maar eerst,’ zei Shawn. Sana knikte. De afdaling onder het glazen platform was het gedeelte waar ze het minst naar uitzag, en als ze problemen zou krijgen met haar claustrofobie, dan zouden die daar beginnen.
Shawn nam de tijd om zijn kniebeschermers om te binden en zijn werkhandschoenen aan te trekken, en adviseerde Sana hetzelfde te doen. Vanaf dat punt zouden ze moeten kruipen, want de afstand tussen de uitgegraven vloer en het glazen platform liet niet toe dat ze rechtop konden lopen. Zittend op de rand van het platform, met zijn benen door het gat bungelend, schoof Shawn centimeter voor centimeter naar voren en sprong toen naar beneden op de aarden vloer. Nadat hij zich voorover had gebogen en de opening had vrijgemaakt, deed Sana hetzelfde, en al snel kropen ze samen vooruit, terwijl ze hun emmers voor zich uit duwden.
De vloer bestond zoals Shawn eerder had beschreven uit een soort aangestampte klei, vermengd met steentjes. Hoewel Sana zich steeds ongemakkelijker begon te voelen terwijl ze van de opening in het platform wegkropen, gaf één ding haar moed: de vloer was, in tegenstelling tot andere delen in de necropolis, kurkdroog, wat haar de hoop gaf dat het ossuarium, als ze het vonden, dat ook zou zijn.
Nadat ze diagonaal onder het platform door waren gekropen, kwamen ze bij het deel van de opgraving dat zich onder het niveau erboven uitstrekte. Het plafond was de harde grond van de vloer. Sana zag dat er geen steunbalken waren en ze hield op met kruipen, wantrouwig naar het plafond kijkend.
Shawn kroop nog ongeveer drie meter verder en stopte toen om zijn zaklantaarn in een tunnel aan zijn linkerhand te laten schijnen. ‘We zijn er,’ zei hij. Hij draaide zich om en zag dat Sana een paar meter achter hem had stilgehouden. Hij gebaarde dat ze hem moest volgen. Hij wilde haar laten zien waar ze volgens hem het ossuarium zouden vinden.
‘Is het veilig?’ vroeg Sana terwijl ze naar het plafond keek.
‘Absoluut,’ zei Shawn, haar blik volgend. ‘Het zand is op dit niveau zo hard als beton. Geloof me! Je bent al zo ver gekomen. Ik wil laten zien waar ik ga graven.’
Met tegenzin kroop Sana naar voren tot ze in een smalle tunnel kon kijken van ongeveer een meter twintig breed, negentig centimeter hoog en anderhalve meter diep. Aan het begin en aan het eind stonden steunbalken van ruw hout, elk bestaand uit twee stevige verticale delen en een dikke dwarsbalk.
‘Waarom zijn er daarbinnen steunbalken en hier niet?’ vroeg Sana. Ze vond het doodeng dat het plafond waar Shawn en zij op dit moment onder rondkropen door niets werd ondersteund.
‘De eerste steun hier aan het begin houdt de graffitimuur overeind, terwijl die aan het einde de funderingsmuur voor het gewelf van het graf van Petrus ondersteunt. Achter die steunbalk is het binnenste van het graf. Als je hierin kruipt, kun je aan de rechterkant een uitgehakte nis zien onder in de rode muur. Daar zijn volgens de paus de botten van de heilige Petrus gevonden, die ze een verdieping hoger in die dozen van plexiglas hebben liggen.’
‘Liever niet,’ zei Sana. De gedachte op haar buik door de lage tunnel Petrus’ graf in te moeten kruipen maakte haar misselijk en de claustrofobische gevoelens die ze had geprobeerd te onderdrukken kwamen weer opzetten. Ze kon zich maar met moeite inhouden om niet terug te vluchten naar het deel onder het glazen platform en weer omhoog via de opening naar de galerij erboven.
‘Dan zal ik je iets anders laten zien,’ zei Shawn terwijl hij de tunnel in kroop en op zijn rug rolde. Hij wees met zijn zaklantaarn naar het plafond en klopte ertegenaan. ‘Het ossuarium moet daar boven zijn, als het niet toevallig al ontdekt is toen de rode muur, of de graffitimuur werd gebouwd. Geef me de boor en de bril eens aan. Ik ga een beetje boren om te kijken of ik contact kan maken met steen.’
Sana concentreerde zich op Shawns bevelen om de gedachte te vermijden dat de hele Sint-Pieter boven op haar drukte. Toen Shawn klaar was om te beginnen, zei ze: ‘Als je het niet erg vindt ga ik weer terug naar het gedeelte onder het glazen platform. Ik heb een beetje moeite met ademhalen hier.’
‘Wat jij wilt,’ zei Shawn afwezig. Hij vond het geweldig om weer met veldwerk bezig te zijn. Nadat hij de emmer naast zich had gezet probeerde hij de boor. Het hoge geluid leek ongelooflijk hard in de beperkte ruimte. Tevreden over de werking, duwde hij de punt van de boor tegen het plafond. Hij drong door de aangestampte aarde als een mes door boter. Binnen een paar seconden was de tien centimeter lange schacht helemaal verdwenen. Het droge zand regende voornamelijk op zijn borst, hoewel er ook een deel in de emmer viel. Enigszins teleurgesteld dat hij bij zijn eerste poging niet op steen was gestuit, trok hij de boor eruit en probeerde het een centimeter verder naar links opnieuw.
Na een halfuur had hij nog steeds niets geraakt, hoewel hij al tientallen gaten in het plafond had geboord. Hij stond op het punt verder te gaan met de hamer en beitel toen hij iets zag. De opgravers waren niet onder de steunmuur van het grafgewelf door gegaan, zoals hij had gedacht, maar ze waren direct door de onderkant gestoten. Toen hij goed keek, kon Shawn zelfs de uiteinden van de bakstenen muur zien net buiten de verticale staanders van de steunbalken in de gang.
‘Mijn god!’ riep hij in Sana’s richting. Hij kon haar niet zien, maar hij wist dat ze ergens onder het glazen platform zat. Dat wist hij omdat ze om de vijf minuten ongeduldig vroeg hoe ver hij al was. Uit het geluid van haar stem, kon hij afleiden dat ze steeds banger werd, maar daar kon hij niets aan doen behalve haar op de hoogte te houden van zijn voortgang.
‘Heb je het gevonden?’ antwoordde Sana hoopvol.
‘Nee, nog niet, maar ik heb iets anders ontdekt. De fundering van het gewelf gaat nog dieper. Het ossuarium moet dus ook dieper zitten. Als het er nog is, moet het zich aan de rechterkant van de tunnel bevinden in de richting van de rode muur.’
Nadat hij de boor weer gepakt had en op zijn linkerzij was gaan liggen, begon Shawn gaten te boren in de rechtermuur van de tunnel. Het eerste halverwege tussen de vloer en het plafond en halverwege in de tunnel, met hetzelfde resultaat als in het plafond. Toen hij de boor eruit had getrokken, begon hij een tweede gat te boren op dezelfde hoogte, maar verder de tunnel in. Na vijf centimeter stootte hij op iets wat zo hard was dat de boor bijna uit zijn hand schoot. Daardoor aangemoedigd begon hij aan een volgend gat, vijf centimeter boven het laatste. Hij hield zijn adem in terwijl de boor in de wand verdween. Opnieuw raakte de boorpunt iets hards.
Shawn voelde dat zijn hoofd begon te bonken. Hij boorde nog een gat en voelde weerstand op dezelfde diepte. Zijn opwinding nam met sprongen toe, maar hij wilde niet te vroeg juichen. In plaats daarvan boorde hij nog een aantal gaten, totdat hij in feite de omtrek van een vlakke steen had aangegeven van ongeveer veertig bij veertig die zevenenhalve centimeter in de muur zat. Op dat moment riep hij naar Sana. ‘Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!’ herhaalde hij opgewonden.
‘Weet je het zeker?’ toeterde Sana terug.
‘Voor negentig procent,’ riep Shawn.
Na zulk bemoedigend nieuws overwon Sana haar aarzeling en kroop terug om in de tunnel te kijken. ‘Waar is het?’
‘Hier,’ zei Shawn. Hij klopte weer tegen de muur van de tunnel in het midden van de serie gaten die hij had geboord.
‘Ik zie het niet,’ zei Sana met toenemende teleurstelling.
‘Natuurlijk zie je het niet,’ blafte Shawn. ‘Ik heb het nog niet uitgegraven. Ik heb het alleen maar gelokaliseerd.’
‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn?’
‘Hoor eens, geef me nou maar de hamer en beitel aan. Ik zal het je laten zien, ongelovige Thomas.’
Het was niet dat Sana hem niet geloofde, maar net als hij wilde ze niet te hoge verwachtingen hebben. Sana haalde het gereedschap en overhandigde het aan Shawn.
Shawn viel op de muur van de tunnel aan. Het was moeilijker dan hij had verwacht en er waren flink wat klappen met de hamer nodig om de beitel een paar centimeter in de keiharde wand te slaan, waarna hij de beitel weer loswrikte. Het geluid van de stalen hamer tegen de stalen beitel was zo scherp en doordringend in de beperkte ruimte dat het bijna pijn deed aan zijn oren. In een poging het proces te versnellen sloeg Shawn de beitel er bijna helemaal in, waarna hij er zijdelings tegenaan sloeg om de omliggende aarde los te maken. Daar waren een heleboel klappen voor nodig, die met een geluid als van een geweerschot weerkaatsten, waardoor hun oren begonnen te tuiten. Sana moest haar handen voor haar oren houden tegen het bijna pijnlijke lawaai.
Na een halfuur slaan met de hamer, liggend op zijn zij, was Shawn lichtelijk bezweet en begon zijn schouder pijn te doen. Omdat hij even moest rusten na zijn onophoudelijke inspanningen legde hij het gereedschap neer en wreef stevig over zijn protesterende spieren. Even later voegde de lichtbundel van Sana’s hoofdlamp zich bij de zijne. Tot zijn verbazing had ze haar hoofd de tunnel in gestoken.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ze.
‘Langzaam!’ gaf Shawn toe. Met zijn in een handschoen gestoken hand veegde hij over het kalkstenen oppervlak dat hij met moeite aan het licht had gebracht. Ondanks zijn pogingen om het steen niet te raken met de beitel was het toch een paar keer misgegaan. De beschadigingen waren duidelijk zichtbaar als lichtgekleurde afwijkingen tegen een bruin vlak. Als archeoloog speet het hem dat hij een dergelijke grove methode moest gebruiken, maar hij had weinig keus. Hij wist dat de beveiliging om elf uur de ronde deed en dan wilde hij allang vertrokken zijn. Het was al bijna tien uur.
‘Denk je nog steeds dat dat het is?’ vroeg Sana.
‘Nou, laten we het zo stellen. Het is een bewerkt stuk kalksteen dat hier zeker niet hoort, en het zit precies op de plek waar Saturninus zei dat hij het had neergezet. Dus wat denk je?’
Sana voelde zich enigszins beledigd door Shawns neerbuigende toon. Ze had een legitieme vraag gesteld, want het enige wat je kon zien was een vlak stuk steen, en gezien alle bouwsels en veranderingen die in de loop van duizenden jaren rond het graf van Petrus waren aangebracht, waren er waarschijnlijk een heleboel verklaringen mogelijk waarom een stuk steen onbedoeld terechtgekomen was op de plek waar deze steen zat. Enigszins gepikeerd bracht Sana haar gedachten onder woorden.
‘O, dus nu ben jij de expert,’ antwoordde Shawn sarcastisch. ‘Ik zal je eens iets laten zien.’ Shawn richtte de bundel van zijn hoofdlamp op de onderrand van het kalksteen, waar hij was begonnen aan de nog moeilijkere klus om het voorwerp te ondermijnen. Op dat moment lag de hele onderrand bloot. ‘Hier kun je iets vreemds zien,’ zei hij, op dezelfde neerbuigende toon van daarvoor. ‘Het “stuk steen”, zoals jij het noemt, is volmaakt horizontaal en verticaal. Bij een overblijfsel van iets anders is de kans groot dat het niet zo perfect vlak en rechtstandig zou zijn. Dit stuk kalksteen is met zorg geplaatst. Dat is niet bij toeval gebeurd.’
‘Hoe lang nog?’ vroeg Sana vermoeid. Ze was ervan overtuigd dat haar gevecht tegen haar claustrofobie niet werd gewaardeerd. Als ze zich in staat had gevoeld alleen te vertrekken, had ze dat op dat moment zeker gedaan.
Omdat de bloedsomloop in zijn schouder was hersteld ging Shawn, die Sana’s vraag negeerde, weer aan het werk. Snel vulde hij de eerste emmer met aarde. Toen riep hij om de tweede. Twintig minuten later had hij een spleet van ongeveer tien centimeter diep en tien centimeter breed, waardoor het uiteinde zichtbaar was van iets waarvan hij nu zeker wist dat het een kalkstenen kist was. Het deksel was ongeveer twee centimeter dik, en hij was verzegeld met karamelkleurige was.
De hamer opzijleggend vanwege de beperkte ruimte, begon Shawn de beitel als schraper te gebruiken voor hij de rommel er met zijn hand uit veegde.
Plotseling bleef hij doodstil liggen. Hij zoog zijn longen vol lucht terwijl zijn hart een slag oversloeg. Het licht in de necropolis was plotseling aangegaan, vergezeld van het lage gebrom van elektrische transformatoren.