•44•
George Masters keek aandachtig naar het dossier. Hij zat in zijn kamer in het Hoover Building in Washington, het hoofdkantoor van de fbi . Masters werkte al meer dan vijfentwintig jaar voor de fbi . Tien van die jaren had hij in de New Yorkse vestiging van de dienst doorgebracht. En nu keek hij naar een naam die hem tien jaar geleden erg vertrouwd was geweest: LuAnn Tyler. Masters had meegewerkt aan het fbi -onderzoek naar Tylers vlucht uit de Verenigde Staten, en hoewel het onderzoek jaren geleden officieel was afgesloten omdat er niets meer uitkwam, had het Masters nooit helemaal losgelaten, want het was onlogisch. En voor onlogische dingen had de ervaren fbi -agent altijd grote belangstelling. Zelfs na zijn overplaatsing naar Washington had hij de zaak altijd in zijn achterhoofd gehouden. En nu waren er dingen gebeurd die zijn smeulende belangstelling weer hadden laten oplaaien. Matt Riggs had geïnformeerd naar LuAnn Tyler. Riggs, wist Masters, woonde in Charlottesville, Virginia. Masters kende Riggs, althans de Riggs van vroeger, erg goed. Wanneer iemand als Riggs in Tyler geïnteresseerd was, was Masters dat ook.
Nadat het Masters en zijn team niet was gelukt LuAnn Tylers ontsnapping uit New York te voorkomen, hadden ze langdurig geprobeerd een reconstructie te maken van de laatste dagen voor haar verdwijning. Hij had verondersteld dat ze per trein of per auto van Georgia naar New York was gegaan. Ze had geen rijbewijs en geen auto. De grote convertible waarin ze was gezien, was voor de caravan aangetroffen, dus die had ze ook niet gebruikt. Masters had zich dan ook op de treinen geconcentreerd. Op het station in Atlanta was het raak geweest. Op de dag van de moorden had LuAnn Tyler de Amtrak Crescent naar New York genomen. Maar dat was niet het enige wat ze had gedaan. LuAnn had de autotelefoon van Otis Burns gebruikt. Burns was de andere dode in de caravan. De fbi had dat telefoontje achterhaald. Het was een 800-nummer dat inmiddels was opgeheven. Ze hadden geprobeerd te onderzoeken wie dat nummer had gehuurd, maar dat had niets opgeleverd. Dat had Masters nog nieuwsgieriger gemaakt dan hij al was.
Nu hij zich weer met LuAnn Tyler bezighield, had hij zijn mannen opdracht gegeven in de archieven van de New Yorkse politie naar eventuele ongewone gebeurtenissen te zoeken die zich omstreeks de tijd van LuAnns verdwijning hadden voorgedaan. En zojuist hadden zijn mannen iets ontdekt wat Masters erg interesseerde. Op de avond voor de persconferentie waarop LuAnn als lottowinnares was gepresenteerd, was een zekere Anthony Romanello dood aangetroffen in zijn New Yorkse woning. De ontdekking van een dode was in New York niet bepaald groot nieuws, maar de politie had extra aandacht aan Romanello’s dood geschonken omdat hij een lang strafblad had en ervan verdacht werd dat hij als huurmoordenaar werkte. De politie had zich verdiept in wat hij op de laatste dag van zijn leven had gedaan. Kort voordat Romanello stierf, was hij samen met een vrouw in een restaurant gezien; volgens getuigen hadden ze grote onenigheid gehad. Amper twee uur later was Romanello dood. De officiële doodsoorzaak was een hartstilstand geweest, maar op de sectie was bij de jeugdige en krachtig gebouwde man geen spoor van hartklachten aan het licht gebracht. Deze gegevens deden Masters niet veel. Wat hem fascineerde, was de beschrijving van de vrouw: die voldeed precies aan het signalement van LuAnn Tyler.
Masters zat onbehaaglijk op zijn stoel te schuiven en stak een sigaret op. En toen kwam het: op Romanello’s lichaam was een treinkaartje gevonden. Romanello was in Georgia geweest en hij was met dezelfde trein naar New York gereisd als LuAnn, al hadden ze in verschillende treinstellen gezeten. Was er verband? Aan de hand van informatie die al jaren in zijn geheugen begraven lag, begon de ervaren fbi -agent verschillende puzzelstukjes samen te voegen. Het beeld werd duidelijker. Misschien was het juist wel goed dat hij zich al die jaren niet met deze zaak had beziggehouden.
Hij had net alle gegevens doorgenomen die hij over LuAnn Tyler had verzameld, inclusief gegevens van de lotto. Het winnende formulier was op de dag van de caravanmoorden in een 7-Eleven in Rikersville, Georgia, gekocht, vermoedelijk door LuAnn Tyler. Je moest wel ijskoud zijn om na een dubbele moord nog even een lottoformulier te kopen, dacht Masters. De winnende lottogetallen waren de woensdag daarna op de trekking in New York bekendgemaakt. De vrouw die aan LuAnns signalement voldeed, was op vrijdagavond met Romanello gezien. En de persconferentie waarop LuAnn als winnares werd gepresenteerd, was op zaterdag gehouden. Maar er deed zich iets vreemds voor: volgens de Amtrak-gegevens en het kaartje dat op Romanello was aangetroffen, had zowel Tyler als Romanello op de zondag daarvóór de Crescent-trein genomen die op maandag in New York aankwam. Dat zou betekenen dat LuAnn naar New York was gegaan vóórdat ze had geweten dat ze de lotto had gewonnen. Was ze alleen maar voor een mogelijke aanklacht wegens moord weggevlucht en had ze toevallig besloten zich in New York te verstoppen, en had ze toen toevallig honderd miljoen dollar gewonnen? In dat geval moest ze wel de grootste geluksvogel van de wereld zijn. George Masters geloofde niet dat iemand zoveel geluk kon hebben. Hij tikte de verschillende punten op zijn vingers af. Moorden. Telefoongesprek. Aankoop van lottoformulier. Trein naar New York voordat de lottotrekking plaatsvindt. LuAnn Tyler wint de lotto. Romanello en Tyler hebben onenigheid. Romanello sterft. LuAnn Tyler, een twintigjarige vrouw met alleen lagere school en een baby, loopt dwars door een uitgebreid politienet heen en ziet kans te verdwijnen. Ze kon dat niet in haar eentje hebben gedaan, dacht Masters. Dit alles was van tevoren gepland. En dat betekende één ding. Masters greep de armleuningen van zijn stoel opeens stevig vast: de conclusie drong tot hem door.
LuAnn Tyler had geweten dat ze de lotto zou winnen.
De implicaties van die laatste gedachte joegen een diepe huivering door de norse agent. Hij kon niet geloven dat hij die mogelijkheid tien jaar geleden over het hoofd had gezien, maar hij moest toegeven dat hij daar nooit op was gekomen. Hij had naar een potentiële moordenares gezocht, en naar niets anders. Hij putte ook troost uit het feit dat hij tien jaar geleden niets van Romanello had geweten.
Masters was natuurlijk niet oud genoeg om zich de lottocorruptie van vroeger tijden te herinneren, maar hij herinnerde zich nog wel de schandalen met spelshows in de jaren vijftig. Die leken hem onbeduidend in vergelijking met het schandaal dat het land nu misschien te wachten stond.
Het was mogelijk dat iemand tien jaar geleden bedrog had gepleegd met de nationale lotto. Minstens één keer, misschien vaker. De implicaties waren ronduit angstaanjagend. De federale overheid was voor talloze projecten afhankelijk van die lotto, projecten die zo’n grote politieke betekenis hadden dat ze niet afgeschaft konden worden. Maar als de bron van die gelden nu eens besmet was? Als het Amerikaanse volk dat ooit te horen kreeg?
Masters’ mond werd droog bij de gedachte. Hij dronk wat water uit een karaf op zijn bureau en slikte een paar aspirientjes om het begin te bestrijden van wat een folterende hoofdpijn zou worden. Hij vermande zich en pakte zijn telefoon. ‘Geef me de directeur,’ zei hij. Terwijl hij wachtte tot hij was doorverbonden, leunde hij in zijn stoel achterover. Hij wist dat dit uiteindelijk tot in het Witte Huis moest worden besproken. Maar hij zou de directeur van de fbi met de minister van Justitie laten praten, en de minister kon het dan met de president opnemen. Als zijn conclusies juist waren, zou het zo’n groot schandaal worden dat bijna niemand er buiten kon blijven.