Hoofdstuk 17
Kat rilde en trok de wollen deken dichter over haar schouders. Ze zat op de trap naar het huis en hoorde hoe het water door de goot naar beneden drupte. De regen was opgehouden en de brand was geblust. Ze had steeds hevige hoestbuien als gevolg van rookinademing. Harry zat naast haar en knikte instemmend toen de brandweercommandant haar uitfoeterde omdat ze het huis weer in was gegaan. Een voor een keerden de buren terug naar hun huis en deden het licht weer uit, opgelucht dat de brand zich niet had verspreid.
Jace sjokte over het gazon, langs een paar brandweermannen, die bezig waren hun spullen bij elkaar te pakken. Zijn rechterhand en rechterarm waren verbonden en er zat wit gaas omheen. Hij had de ruit in het woonkamerraam kapotgeslagen, was erdoor gesprongen en was daarna in de tuin beland. Kat stond op en liep de trap af, op weg naar hem toe.
Ze omhelsde hem, dankbaar dat hij aan het vuur was ontsnapt. ‘Doe dat nooit meer, Jace. Ik dacht dat je daarbinnen om het leven was gekomen.’
Hij maakte zich los en keek haar aan. Hij kneep zijn ogen samen. ‘Je had niet meer naar binnen moeten gaan. Ik kan goed voor mezelf zorgen.’
Ze was het niet met hem eens, maar ze zei niets. Ze was gewoon blij dat hij niet ernstiger gewond was geraakt. Ze haakte haar arm in zijn niet-verbonden arm. Samen liepen ze de trap op naar de voordeur. Ze bleven staan en keken naar binnen, de hal in.
‘Waarom zou iemand dit doen?’ Kat keek naar de smeulende resten van de molotovcocktail. Het leek erop dat die zelfgemaakt was; een zwarte lap stak nog steeds uit de hals van de gebroken wijnfles.
Jace gaf geen antwoord. Hij ging op zijn hurken zitten en bestudeerde de beschadigde vloer.
Een verbrande, zwarte cirkel was alles wat nog restte van het antieke kleed uit Brits-Indië. Dat kleed was net zo oud geweest als het huis zelf. De trapleuningen en de houten bekleding van de overloop waren zwartgeblakerd en op de vloerplanken die Jace met zo veel moeite had gerestaureerd lagen plassen water. De brandweerlieden hadden de brand snel geblust, maar er was veel schade.
‘Ik weet het niet.’ Jace ging staan en draaide zich naar haar toe. ‘Misschien is het een geval van persoonsverwisseling en hebben ze zich vergist in het huis.’
‘De meeste buren zijn al over de zeventig, Jace. Ik kan me niet voorstellen dat zij een doelwit zouden kunnen vormen.’ De gepensioneerde bewoners van de buurt Queen’s Park maakten alcoholvrije cocktails; geen molotovcocktails.
‘Iemand heeft het op jullie gemunt.’ Harry kwam achter hen staan. Hij staarde naar de rotzooi binnen. ‘Misschien moet ik hier niet blijven.’
‘Wat hebben we hier?’ Met de punt van zijn schoen schopte Jace tegen een metalen busje. Het lag gedeeltelijk verborgen onder de kledingkast in de hal en was over het hoofd gezien door de mensen die naar sporen van brandstichting hadden gezocht. Hij bukte zich voorover en pakte het op. Hij draaide het dekseltje van het busje en trok er een briefje uit.
‘Wat is het?’ vroeg Kat. ‘Misschien moet je het daar laten liggen.’
Jace luisterde niet naar haar. Zijn gezicht verschoot van kleur toen hij las wat er stond en hij deed het briefje in zijn zak.
‘Laat dat eens zien.’ Kat stak haar hand uit.
Jace schudde zijn hoofd. ‘Het is niks.’
‘Wat bedoel je met niks?’ Het metalen busje moest in de molotovcocktail hebben gezeten. ‘Ik woon hier ook. Ik wil weten wat er op staat.’
Jace haalde zijn schouders op en haalde het briefje uit zijn zak.
Kat las het getypte briefje. Ga niet door met het artikel. ‘Dus het gaat over jouw artikel. Maar de Sentinel heeft het toch niet gepubliceerd?
‘Dat klopt.’
‘Is er een artikel waar ik nog niets vanaf weet?’ Kat huiverde toen ze het briefje teruggaf. Ze trok de deken dichter over zich heen.
‘Nee, dat is het enige artikel waar ik mee bezig was. Maar het is niet naar de drukkerij van de krant gegaan. Niemand weet zelfs dat het bestaat.’
‘Niemand behalve de mensen bij de Sentinel. Dezelfde mensen die jou aan de kant hebben gezet.’
‘Denk je dat iemand van de krant een brandbom bij ons naar binnen heeft gegooid? Dat is te gek voor woorden, Kat.’
‘Misschien is het niet iemand van de Sentinel. Misschien heeft iemand jouw verhaal laten uitlekken. Misschien naar de mensen die jij beschuldigt?’
‘Waarom zouden ze dat doen?’ Jace keek nog eens naar het briefje, voordat hij het in zijn zak stopte.
‘Wie zal het zeggen? Misschien om dezelfde reden dat jouw artikel is ingetrokken. Dat betekent nog steeds dat de Sentinel op de een of andere manier betrokken is bij jouw artikel. Ze denken misschien dat jij het artikel sowieso gaat publiceren.’
‘Weet je, misschien is dat nog niet zo’n slecht idee. De Sentinel is uiteindelijk niet de enige krant in de stad.’
‘Het is het niet waard, Jace.’
‘Waarom niet? Ik verkoop het verhaal aan iemand anders. Er zit duidelijk meer achter en ze kunnen mij niet de mond snoeren. Misschien moet ik er nog wat verder in duiken en kijken wat ik nog meer kan vinden.’
‘En opnieuw een doelwit worden?’ Kat wilde dat ze er niet over begonnen was. Jace leek soms op een jachthond die een spoor rook. Hij zou nooit opgeven, totdat hij had achterhaald wie er achter de brandbom zat.
‘Wie het ook is, Kat, hem of haar moet een halt worden toegeroepen. Zeker als het om gewelddadige aanslagen als deze gaat. Als ik er niets aan doe, wat gaat er dan vervolgens gebeuren? Wordt dan alles wat controversieel is onderdrukt? Dat is hoe echte onderdrukking begint.’
Kat zuchtte. Zij wilde ook weten wie er achter de aanslag zat. Het recht moest zegevieren. Maar soms was het beter om zaken te laten rusten. Dat was wat ze had geleerd toen ze opgroeide in het gezin van Harry en Elsie.
Ze wilde in ieder geval geen ruzie maken na alles wat er was gebeurd. Ze veranderde van onderwerp. ‘Ben je gisteravond nog iets te weten gekomen over de accountants van Edgewater, toen ik op hun kantoor was?’
‘Ik heb inderdaad iets gevonden,’ zei Jace. ‘Beecham & Company is een geregistreerd bedrijf, ook al doet het klaarblijkelijk zaken vanaf een bouwterrein.’
Dat was in ieder geval een goed bericht. Wel of geen brand, ze had nog steeds werk. ‘Dus het bestaat echt.’
‘Beecham bestaat wel, maar alleen in naam. Het is eigendom van een holding. En die holding is eigendom van Nathan Barron.’
Kats ergste verdenkingen werden bevestigd. ‘Dat verklaart waarom de accountants de fraude niet hebben ontdekt. Er zijn geen accountants. Het is allemaal oplichterij.’
Natuurlijk kon Nathan Barron niet het risico lopen dat een echte accountant zijn fraude ontdekte. Maar als er miljarden op het spel stonden, waarom had hij zijn zaken dan niet beter geregeld? Een adres van een accountantskantoor op een bouwterrein en een telefoonnummer dat niet kon worden gebeld – dat was gewoon heel slordig.
‘Gaan miljonairs die willen beleggen dingen niet beter na dan de gemiddelde persoon?’ vroeg Jace.
‘Dat zou je wel denken, maar misschien geldt dat niet als je ieder jaar twaalf procent haalt op je belegging. Zachary vertelt me dat beleggers praktisch over elkaar heen vallen om te mogen beleggen in het fonds. En er is trouwens nog iets – er is nog iemand te vinden in de bestanden van Edgewater die hetzelfde adres heeft als Beecham.’
‘O, ja? Wie dan?’
‘Fredrick Svensson. Je moet voor me uitzoeken waar ze hem voor betaalden.’ Dat, en ook hoe Zachary in hemelsnaam kon handelen zonder dat hij geld had. Het zaakje stonk gewoon.