27

Twee uur eerder

TIJDENS DE NAZIBEZETTING VAN PARIJS WAS DE UITGESTREKTE HO ningraat van sobere kamers en donkere gangen gebruikt als Gestapo-gevangenis en verhoorcentrum. Nu huisvestte het enorme souterrain onder het hoofdbureau van politie onder andere het forensisch laboratorium en het mortuarium. Het was alsof het gebouw zijn gruwelijke nalatenschap niet kon afschudden.

Luc Simon stond met de forensisch patholoog, de lange, magere, grijze Georges Rudel, in een kale, door neonlampen verlichte onderzoeksruimte. Op de werkbank voor hen lag een lijk onder een wit laken. Alleen de voeten staken er bleek en koud onderuit. Aan een van de tenen hing een label. Simon was niet teergevoelig, maar hij verzette zich tegen de neiging om zijn blik af te wenden toen Rudel het laken nonchalant ver genoeg omlaag schoof om het hoofd, de hals en de borst van het lijk te ontbloten.

Ze hadden Michel gewassen sinds hij hem voor het laatst had gezien, maar het was nog steeds geen prettig gezicht. De kogel was onder de kin binnengedrongen, had een wondkanaal getrokken achter het gezicht en dat grotendeels vernietigd alvorens door de bovenkant van het hoofd naar buiten te komen. Er was nog maar één oog, dat als een hardgekookt ei in de kas lag, met een pupil die hen aan leek te kijken.

‘Wat heb je voor me?’ vroeg Simon aan Rudel.

De patholoog wees naar de ruïne van Michels gezicht. ‘De verwondingen kloppen met de kogel die in het plafond is gevonden,’ zei hij op mechanische toon, alsof hij een verslag dicteerde. ‘Inschotopening hier. Wapen werd tegen de borst gehouden, met de loop losjes tegen de onderkaak. De randen van de inschotopening zijn verbrand door verbrandingsgassen en zwart geblakerd. Het wapen was een Smith & Wesson-revolver, loop van zeven centimeter, .44 Remington Magnum. Het grote kaliber verklaart de schade aan botten en weefsel.’

Simon tikte ongeduldig met zijn voet. Hij hoopte dat dit ergens toe leidde.

‘Dat kaliber gebruikt veel trager brandend kruit dan semiautomatische patronen zoals de negen millimeter,’ ging Rudel zakelijk verder. ‘Met als gevolg veel onverbrande resten, vooral bij een korte loop. Verbrandt minder schoon.’ Hij wees. ‘Je ziet het daar, in de huid ingebed. En ook in de hals.’

Simon knikte. ‘Goed, wat wil je zeggen?’

Rudel draaide zich om en keek hem met waterige ogen aan. ‘De vingerafdrukken van het slachtoffer zitten op de kolf en de trekker van het wapen. We weten dus dat hij het schot afvuurde zonder handschoenen.’

‘Hij is gevonden met het wapen in zijn hand. Geen handschoenen. Dat weten we. Kom je nog ter zake voordat een van ons sterft ?’

Rudel negeerde het sarcasme. ‘Nou, het verbazingwekkende is dat ik, gezien de hoeveelheid onverbrand kruit, zou verwachten er een heleboel van aan te treffen op de hand waarmee hij schoot, plus de normale chemische resten die naar achteren worden geblazen als het wapen wordt afgevuurd. Maar de handen van deze man zijn schoon.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Heel zeker… Het is een kwestie van een simpel uitstrijkje.’ Rudel haalde een bleke, levenloze arm onder het laken uit. ‘Kijk zelf maar.’

‘Je zegt dat hij het schot niet heeft gelost.’

Rudel haalde zijn schouders op en liet de dode hand naast het lijk vallen. ‘Het enige wat op de handen van deze man zit, afgezien van het gewone zweet en vet, zijn enkele sporen van olierijke vis. Sardientjes, om precies te zijn.’

Het trof Simon als absurd en hij lachte. ‘Heb je een test voor sardientjes gedaan?’

Rudel keek hem koel aan. ‘Nee, er stond een halfopen blikje op de keukentafel, naast de voerbak van een kat. Het enige wat is zeg is: wie schiet zichzelf overhoop terwijl hij zijn kat voert?’

De jongen was half bewusteloos toen ze hem van de harde brits sleepten. Hij hoorde stemmen om zich heen, het slaan van metalen deuren en het rinkelen van sleutels. Geluiden weergalmden in de lege ruimte. Een werveling van lichten verblindde hem door zijn verwarring heen. Een plotselinge vlijmende pijn in zijn arm deed hem kreunen.

Het kon minuten later zijn of het kon uren later zijn; alles was wazig, onwerkelijk. Hij was zich vaag ervan bewust dat hij zich niet kon bewegen; zijn armen waren op zijn rug gebonden. Het witte licht brandde in zijn hoofd, zodat hij met zijn ogen knipperde en zijn hoofd omdraaide terwijl hij vastgebonden op de stoel zat.

Hij was niet alleen. Er waren twee mannen bij hem in de kelder, die hem van top tot teen opnamen.

‘Zal ik met hem afrekenen?’ vroeg een stem.

‘Nee, hou hem voorlopig in leven. Hij kan ons van nut zijn.’