.9.

Vandaag was het de laatste dag van de eerste serie chemokuren. Lobke had de eerste dagen weinig last gehad van de cytostatica, die door middel van een klein infuus bij haar ingebracht werden. Haar eetlust was goed, ze verveelde zich niet, ze rustte veel. Steven had haar zijn laptop gegeven, zodat ze ook vanuit het ziekenhuis kon mailen. Ze werd overstelpt door kaarten en mails van haar klasgenoten en van familie en kennissen en ze zat regelmatig te msn'en met Roel en met haar vriendinnen. Maar de laatste dagen hoorde Hanneke haar wat vaker over moeheid, pijn in haar botten en gevoelig tandvlees, al klaagde ze daar niet over. Ze constateerde gewoon dat dat zo was en accepteerde het als iets wat erbij hoorde. Ze had ook een paar dagen langer moeten blijven dan twee weken. Het was nu donderdag.

Hanneke keek naar buiten. Toen ze vanmorgen opstond, zag het er al naar uit dat het een mistige dag zou worden, en de mist was sindsdien alleen maar dikker geworden en lag als een dikke, donzige deken over de woonwijk. Ze reed niet graag in de mist, zeker niet op de grote weg. Je had altijd van die idioten die meenden dat ze gewoon honderdtwintig konden blijven rijden op de linkerrijbaan omdat daar toch vast niemand reed. Sommige auto's reden zelfs zonder lichten aan, ook al was het zicht minder dan honderd meter.

Ze pakte haar handtas en deed haar jas aan. Ze wilde eerst even bij haar ouders langs, die net buiten Abcoude woonden. Die waren ook benieuwd hoe het met Lobke was. Daarna zou ze doorrijden naar het ziekenhuis om Lobke te halen.

Ze startte de auto en reed langzaam weg. Hè, vervelend, die mist. Ze tuurde over de weg. Het was gelukkig niet druk buiten.

Even later draaide ze de snelweg op, en ze voegde voorzichtig in. Ze oriënteerde zich op de achterlichten van de auto voor haar en hield op veilige afstand die snelheid aan. Ze vorderde langzaam. Ze besefte ineens het belang van de strepen op de weg, die de weg markeerden binnen het bereik van haar koplampen.

Ze moest onwillekeurig terugdenken aan haar gedachtegang van een tijd geleden. Ze bedacht dat de tijd waarin ze zich nu bevonden, ook wel iets weg had van mist: ze konden niet vooruitkijken, alleen maar bij de dag leven. En daarbij hadden ze 'strepen op de weg' hard nodig om niet van de weg te raken.

Ze vroeg zich af wat voor haar in deze 'mistperiode' haar oriëntatiepunten waren, wat voor haar 'strepen op de weg' waren, die haar weg markeerden, waaraan ze houvast had.

Ze dacht aan de opmerkingen van Steven vorige week, over 'de rechte weg' van opa Schrijver. Bij hem en bij mensen als buurman Jan zouden de oriëntatiepunten wel de tien geboden zijn. Hoewel, geboden? Het leken meer verboden. Er stond vaker 'gij zult niet... ' dan 'gij zult... '

Ze herinnerde zich een preek over de barmhartige Samaritaan, een van de weinige preken die haar echt bijgebleven waren. De priester en de leviet die langs het slachtoffer van de roofoverval kwamen, hielden zich punctueel aan de letter van de wet. Het was hun namelijk verboden in de buurt van een dode te komen.

Dan zouden ze onrein worden en mochten ze geen dienst doen in de tempel. De Samaritaan kende die wet ongetwijfeld ook, al waren Samaritanen in de ogen van de joden een soort tweederangsburgers. Maar hij liet zich er daardoor niet van weerhouden zijn naaste het leven te redden. De farizeeën waren meesters in het leggen van een liniaaltje langs de vele wetten die er waren, en mensen daarop te beoordelen, maar vergaten daardoor het belangrijkste: de liefde. Jezus hield hun door deze gelijkenis voor dat het belangrijker was naar de geest van de wet te leven dan naar de letter van de wet. Dat had ze ook geleerd van haar vader, opa De Bont. Die had haar voorgeleefd wat Jezus ooit de samenvatting van de tien geboden had genoemd: 'heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf.

Was dat haar oriëntatiepunt? Haar liefde voor God? Wanneer ze aan God dacht, had ze voor Hem niet dat warme, vertrouwde gevoel van liefde dat ze had wanneer ze naar Steven keek, of de onvoorwaardelijke bijna-verliefde liefde die ze nog steeds voelde bij het kijken naar haar dochters. Vergeleken daarbij was wat ze bij God voelde, geen liefde. Wat dan? Het belangrijkste gevoel dat in haar opkwam wanneer ze aan God dacht, was vertrouwen. Vertrouwen in zijn nabijheid, wat er ook gebeurde. In zijn trouw, waarheen de weg ook leidde. Trouw tot in de dood. Die trouw lag ook in zijn naam besloten: 'Ik ben'. Maar was vertrouwen niet net zoiets als liefde?

Bij de afslag Abcoude ging ze van de snelweg af. In Abcoude zelf viel het wel mee met de mist, maar haar ouders woonden buitenaf. Toen ze voorbij de laatste huizen reed, viel de mist weer als een wattendeken over het land.

Stapvoets rijdend bereikte ze het huis van haar ouders. Haar moeder, die wist dat ze langs zou komen, stond al op de uitkijk. Net als vroeger wanneer ik uit school kwam, schoot het door Hanneke heen.

Ze omhelsden elkaar. 'Dag, kind. Wat een mist, hè? Was het druk onderweg?'

'Dat viel wel mee. Zeker op de grote weg was het niet druk,' zei Hanneke. 'Maar ik ben blij dat ik er ben.'

'Kon je wel komen vandaag? Je werkt toch altijd bij Els op donderdag?' vroeg haar moeder.

'Ik heb geruild met gisteren, omdat ik vandaag Lobke moest halen. En in plaats van 's middags ben ik deze keer 's avonds bij Sanne langs geweest,' was de reactie van Hanneke.

Ze liep naar de woonkamer. 'Is pa er niet?' vroeg ze.

'Die is in de schuur bezig,' zei haar moeder geheimzinnig, 'voor Lobke.'

'Voor Lobke? Wat dan?' Ze werd nieuwsgierig. Haar vader kon de prachtigste dingen maken. Sinds zijn pensionering had hij zich toegelegd op beeldhouwen in steen, zoals speksteen, albast en serpentijn. Zowel bij haar thuis als bij Els stonden al diverse producten van zijn hand.

'Mag ik het al zien?' vroeg ze.

'Ga hem maar gedag zeggen. En zeg dan maar meteen dat er koffie is. Of wil je thee?'

'Doe mij maar thee, maar pa zal wel koffie willen,' wist Hanneke.

Ze liep naar de schuur. Daar was haar vader in zijn kaki overall bezig aan zijn werkbank. Zijn geconcentreerde, licht gebogen houding ontroerde haar.

'Ha, pa. Mag ik al kijken?' riep ze uit de verte.

Haar vader draaide zich om. 'Ha, Hanneke. Heb je ons kunnen vinden in die mist?'

'Blindelings,' grapte Hanneke. 'Ik heb weleens gelezen dat pasgeboren baby's uit een grote stapel kleren het ondergoed van hun ouders konden vinden, op de reuk, dus ik ben nu ook maar gewoon mijn neus achternagegaan. Maar mag ik al kijken? Ik hoorde van ma dat je met iets voor Lobke bezig was.'

Haar vader knikte. 'Kom maar kijken. Het is nog niet helemaal klaar, maar je kunt al wel zien wat het wordt.'

Hanneke gaf haar vader een knuffel en keek toen naar de werkbank. Een zucht van bewondering ontsnapte haar.

Op de werkbank stond een beeldje van wit albast. Een ranke figuur van een jonge vrouw, bijna een meisje nog, van zo'n dertig centimeter hoog. De onderkant van het beeldje was ruw gehouden, alsof de vrouw opsteeg uit de steen en pas begon bij haar kuiten. Haar armen waren omhooggeheven, de ene arm wat hoger dan de andere, alsof ze naar iets reikte. De bovenste hand opende zich, alsof die net iets gegeven had of klaarstond om iets te ontvangen. Op het gezicht van de vrouw, dat ook omhooggeheven was, was een vage glimlach te zien.

'Ik vind het schitterend,' zei Hanneke. 'Echt geweldig mooi.'

Haar vader glunderde. 'Ja, ik vind het zelf ook wel geslaagd. Het is nog niet helemaal af. Ik ben nu net voor de tweede keer klaar met schuren, en dat moet nog een paar keer, met steeds fijner schuurpapier. En dan nog in de was zetten natuurlijk. Zou Lobke het mooi vinden?'

'Dat weet ik wel zeker,' zei Hanneke. 'Niet alleen omdat ze je albasten beeldjes altijd het mooist vindt, maar vooral omdat je kunt zien dat het met zo veel liefde gemaakt is.'

'Kun je zien wat het voorstelt?' vroeg haar vader. Zonder haar antwoord af te wachten ging hij verder: 'Ik heb geprobeerd Lobke uit te beelden zoals ik haar nu zie. Bezig met het hogere, nu de dood en wat daarna komt zo dichtbij gekomen is. Met een open hand, in afwachting of ze haar gezonde leven terugkrijgt of zal moeten inleveren. Met haar voeten en onderbenen vast in de grond, omdat er allerlei krachten zullen zijn die haar hier op aarde willen houden. En met een glimlach om haar mond. Niet omdat het allemaal zo leuk is wat ze nu meemaakt, maar omdat ik zeker weet dat Lobke, hoe het ook zal aflopen, er iets goeds van weet te maken. Gewoon omdat het Lobke is, en door de manier waarop ze in het leven staat. '

Bij Hanneke schoten de tranen in de ogen. 'Ik vind het echt prachtig. ' Ze omhelsde haar vader. 'Dank je wel.'

'Hoe is het nu met Lobke?' vroeg haar vader.

'Tot nu toe goed. Ze krijgt wel iets meer last van de chemokuur, maar dat hoort erbij. En ze draagt het manmoedig, liever gezegd, vrouwmoedig. Ik ga haar zo halen. O ja, ma vroeg of je koffie kwam drinken.'

'Dat is goed, kind. Dit moet nu toch weer even drogen.' Haar vader deed zijn overall uit en liep achter haar aan naar de woonkamer. Daar zat haar moeder al te wachten met koffie en thee.

'En, hoe vind je het?' vroeg haar moeder.

'Ik vind het prachtig, echt heel mooi,' zei Hanneke. 'Het mooiste wat pa tot nu toe gemaakt heeft.'

'Het is dan ook voor een bijzonder iemand,' zei haar vader. 'Maar nog niks tegen Lobke vertellen, hoor.'

'Nee, natuurlijk niet. Wanneer krijgt ze het?'

'Ik denk dat het overmorgen wel klaar is. Kunnen we het dan 's middags komen brengen? We verlangen er allebei naar haar weer te zien, hè, Aaf?' zei haar vader.

Haar moeder knikte.

'Ja, gezellig,' zei Hanneke. 'Blijven jullie dan eten? Dan is het zaterdag. Fijn, dan zien jullie Steven ook. En ik kan vragen of Aafke dan ook komt eten.'

'Is dat niet te druk voor Lobke?' vroeg haar moeder bezorgd.

'We hebben afgesproken dat Lobke zelf haar grenzen zal bewaken en dat ze gewoon naar boven gaat wanneer ze zich moe of niet lekker voelt,' zei Hanneke. 'Wij kunnen niet voelen wat zij voelt. Dat zal ze zelf moeten aangeven.'

'Goed, dat is dan afgesproken. Overmorgen. Wil je nog een kopje thee?'


Even later zat Hanneke weer in de auto, op weg naar het ziekenhuis. Ze dacht weer aan het beeldje dat haar vader van de zieke Lobke gemaakt had, en dat zo treffend weergaf hoe hij Lobke zag.

Hij had gelijk, Lobke was iemand die overal het beste van wist te maken.

Ze had ooit eens een kaart van iemand gekregen waarop stond: de ware levenskunstenaar hoeft niet van alles het beste te hebben, maar weet van alles het beste te maken. Nou, als dat klopte, was Lobke ondanks haar jonge leeftijd de levenskunst al meester.

De mist was nu gelukkig aan het wegtrekken, en ze kon goed doorrijden. Ze parkeerde haar auto op de parkeerplaats bij het ziekenhuis en ging naar binnen. Weer trof haar de sfeer in het ziekenhuis, en de lichte ruimten overal. Waar ze ook kwam, of het nu in het restaurant was, in het lab of op de afdelingen, overal waren de mensen uitermate vriendelijk en behulpzaam. Hier waren tijd en aandacht nog wezenlijke begrippen. Hier was 'kwaliteit van zorg' zichtbaar in de houding en het handelen van het verplegend personeel, in plaats van in allerlei lijstjes die ingevuld en afgevinkt moesten worden en waarlangs de liniaaltjes van de politiek gelegd konden worden.

Ze ging met de lift naar de afdeling waar Lobke lag. Lobke lag aangekleed op bed en was net aan het bellen met iemand. Haar tas stond al klaar bij de tafel die voor het raam stond. Het bed tegenover haar was leeg; haar overbuurman was gisteren al naar huis gegaan.

'Hé, ik ga ophangen. Mijn moeder komt me net halen,' zei Lobke.

'Doei, tot morgen.' Ze keerde zich naar Hanneke. 'Hoi, mam. Dat was Roel,' zei ze toen. 'Hij komt morgenmiddag even langs.'

Ze stapte van het bed af en liep naar de kast waar haar jas hing. 'Ben je er helemaal klaar voor?' vroeg Hanneke.

'Ja, ik heb medicijnen voor de eerste paar dagen meegekregen, en recepten en formulieren voor het lab. Vanmorgen is de dokter nog even langs geweest. Hij was tevreden, en ik ook. Deze kuur is goed gegaan, ' zei Lobke.

'Nou, laten we hopen dat het vervolg net zo goed gaat,' zei Hanneke. 'Moet je nog gedag zeggen?'

'Heb ik ook al gedaan. Gisteren is Trea nog langs geweest, een soort pb'er, en die heeft wel een uur met me zitten praten over wat dit allemaal met me doet en zo. Dat was fijn. Ze nemen hier echt de tijd voor je.'

'Ja,' zei Hanneke, 'hier is gelukkig nog niets te merken van al die negatieve verhalen over de zorg. Hier is nog tijd en aandacht voor de patiënten.' Ze pakte de tas op en liep met Lobke naar de lift.

'Het was mistig vanmorgen, hè?' zei Lobke toen ze in de auto zaten. 'Niks voor jou. Jij rijdt toch niet graag in de mist?'

'Nee, maar nu is de mist gelukkig bijna weer weg. Je moet de groeten hebben van opa en oma. Daar ben ik op de heenweg even langs gereden.'

'Alles goed met mijn lievelingsopa?'

Hanneke lachte. 'Je hebt maar één opa en oma.'

'Nou ja, je weet hoe dol opa en ik op elkaar zijn. Oma is ook lief, hoor,' vervolgde ze, 'maar opa en ik zijn een soort soulmates.'

'Met opa en oma is alles goed. Ze komen overmorgen eten,' zei Hanneke.

'Sellie,' zei Lobke. 'En hoe is het met Sanne? Aafke is nog langs geweest in het ziekenhuis, maar ik verlang best wel naar Sanne.'

'Met Sanne is het ook goed. Alleen mag je haar niet opzoeken de komende dagen, want er heerst griep op De Roos, en het is beter voor je dat je niet in aanraking komt met zieke mensen. Sanne mag ook niet naar huis. Ze is zelf wel niet ziek, maar ze kan het virus misschien meebrengen. Je bent nu een stuk vatbaarder voor infecties, en dat moeten we niet hebben. Ik ben gisteravond naar De Roos geweest om schone was te brengen, maar ik ben daarna ook meteen teruggegaan.'

'Dan bel ik haar wel wanneer we thuis zijn. Hè, ik heb echt zin om weer naar huis te gaan. Al waren ze allemaal erg lief voor me daar. Maar there's no place like home.' 'Heb je nog geen last van misselijkheid?' vroeg Hanneke. 'Daar hadden ze je toch voor gewaarschuwd?'

'Vanmorgen een beetje. Maar toen ik wat gegeten had, was het over. Ze hebben gezegd dat ik beter regelmatig kleine beetjes kan eten dan drie keer op een dag heel veel. Wat eten we vanavond?'

'Stamppot zuurkool met worst, je lievelingskostje, ' zei Hanneke. 'Daar vond ik het echt weer voor, met die mist.'

'Lekker. ' Lobke zat tevreden voor zich uit te kijken.

Afgezien van haar witte gezicht was aan niets te merken dat ze zo ziek was. Als je niet beter wist, zou je zeggen dat er gewoon een gezonde jonge meid zat, dacht Hanneke.