Alle regeringen hebben last van een steeds terugkerend probleem: macht trekt ziekelijke persoonlijkheden aan. Het punt is niet dat macht corrumpeert, maar dat macht magnetisch is voor corrumpeerbaren. Zulke mensen zijn geneigd om dronken te worden van geweld, een toestand waaraan ze heel snel verslaafd raken.
Missionaria Protectiva, tekst qiv (decto)
Rebecca knielde op de gele tegelvloer zoals haar bevolen was. Ze durfde niet omhoog te kijken naar de Grote Achtenswaarde Mater die zo ver en zo hoog op haar zetel zat, zo gevaarlijk. Twee uur had Rebecca hier gewacht, bijna in het hart van een reusachtige zaal terwijl Grote Achtenswaarde Mater en haar metgezellen genoten van een lunch die werd opgediend door onderdanige dienaren. Rebecca nam het gedrag van de dienaren aandachtig op en deed het na.
Haar oogkassen deden nog zeer van de oogtransplantatie die de Rabbi haar iets minder dan een maand geleden had gegeven. Deze ogen vertoonden een blauwe iris en een witte oogrok en lieten niets los over de Speciemarteling in haar verleden. Het was maar een tijdelijke bescherming. Over minder dan een jaar zouden de nieuwe ogen haar verraden door hun volledig blauwe kleur.
Ze schatte dat de pijn in haar ogen nog het minste van haar problemen was. Een organische inplant diende haar afgemeten hoeveelheden melange toe om haar afhankelijkheid verborgen te houden. De voorraad was berekend voor ongeveer zestig dagen. Als deze Achtenswaarde Matres haar langer vasthielden, zou onthouding haar in een marteling storten waarbij vergeleken de oorspronkelijke Speciemarteling onschuldig zou lijken. Het meest onmiddellijke gevaar leverde de scheer op die ze tegelijk met de specie kreeg toegediend. Als deze vrouwen die ontdekten zouden ze stellig argwaan koesteren.
Je doet het prima. Wacht maar geduldig af. Dat was een Andere Herinnering van de horde van Lampadas. De stem klonk zacht in haar hoofd. Zo te horen was het Lucilla's stem, maar Rebecca wist het niet zeker.
Het was een vertrouwd geluid geworden in de maanden na het Delen, toen hij zich had aangediend als 'Spreker van je Moha-lata'. Deze hoeren kunnen onze kennis niet evenaren. Denk daaraan en put er moed uit.
De aanwezigheid van Anderen in haar innerlijk die haar aandacht totaal niet afleidden van wat er om haar heen gebeurde, had haar met ontzag vervuld. Wij noemen het Simultaanstroom, had Spreker gezegd. Simultaanstroom verveelvoudigt je opmerkzaamheid. Toen ze het aan de Rabbi had proberen uit te leggen, had hij boos gereageerd.
'Je bent bezoedeld door onreine gedachten!'
Het was al diep in de nacht en ze bevonden zich in de studeerkamer van de Rabbi. 'Tijd stelen van de ons toegemeten dagen,' noemde hij het. De studeerkamer was een ondergronds vertrek, met langs de wanden overal boeken, ridulische kristallen en rollen. Het vertrek was tegen sondes beveiligd met de beste Ixiaanse apparatuur die door zijn eigen mensen nog was gewijzigd om hem te verbeteren.
Op zulke momenten mocht zij naast zijn bureau zitten terwijl hij achterover leunde in een oude stoel. Een gloeibol die laag naast hem stond wierp een antiek geel licht over zijn gebaarde gezicht en glom in de glazen van de bril, die hij bijna als beroeps kenmerk droeg.
Rebecca wendde verwarring voor. 'Maar u zei dat er van ons verlangd werd dat we deze schat van Lampadas redden. Hebben de Bene Gesserit zich niet rechtschapen jegens ons gedragen?'
Ze zag de zorgelijke blik in zijn ogen. 'Je hebt Levi gisteren horen praten over de vragen die hier gesteld worden. Waarom kwam de Bene Gesserit heks bij ons? Dat vragen ze.'
'Ons verhaal klopt en is geloofwaardig,' bracht Rebecca daar tegenin. 'De Zusters hebben ons manieren geleerd die zelfs voor Waarheidszin niet te doorgronden zijn.'
'Ik weet het niet... Ik weet het niet.' De Rabbi schudde zijn hoofd. 'Wat is een leugen? Wat is waarheid? Veroordelen wij onszelf met onze eigen mond?'
'Het ding waartegen we ons verzetten is pogrom, Rabbi!' Gewoonlijk herstelde dat zijn vastberadenheid.
'Kozakken! Ja, je hebt gelijk dochter. Elke eeuw heeft zijn Kozakken gekend en wij zijn niet de enigen die hun knoeten en zwaarden gevoeld hebben toen ze met moordlust in hun hart het dorp binnenreden.'
Eigenaardig, dacht Rebecca, hoe hij er altijd in slaagde om de indruk te wekken dat deze voorvallen nog maar kortgeleden gebeurd waren en dat hij ze met eigen ogen had gezien. Nimmer vergeven, nimmer vergeten. Lidice was gisteren. Wat was dat een krachtig iets in de herinnering van Geheim Israel. Pogrom! Bijna even krachtig in zijn continuiteit als deze Bene Gesserit persoonlijkheden die ze in haar bewustzijn meedroeg. Bijna. Dat was het ding waartegen de Rabbi zich verzette, hield ze zichzelf voor.
'Ik ben bang dat ze je van ons hebben afgenomen,' zei de Rabbi. 'Wat heb ik je aangedaan? En allemaal uit naam van eer.'
Hij keek naar de instrumenten langs de wand van zijn studeerkamer die de nachtelijke energieopslag aangaven van de windmolens met verticale as die rondom de boerderij stonden opgesteld. De instrumenten vertelden dat de machines daarboven rustig zoemend energie opzamelden voor morgen. Dat was een gift van de Bene Gesserit: onafhankelijkheid van lx. Onafhankelijkheid. Wat een eigenaardig woord.
Zonder Rebecca aan te kijken zei hij: 'Ik vind dit ding van Andere Herinneringen erg moeilijk en dat heb ik altijd gevonden. Herinneringen zouden wijsheid moeten brengen maar dat doen ze niet. Het gaat erom hoe we de herinneringen rangschikken en waar we onze kennis toepassen.'
Hij draaide zich om en keek haar aan, waarbij zijn gezicht in de schaduw verdween. 'Wat is het dat deze persoon in jouw binnenste zegt? Deze persoon waaraan jij denkt als Lucilla?'
Rebecca kon zien dat het hem genoegen deed om Lucilla's naam te noemen. Als Lucilla kon spreken via een dochter van Geheim Israel, dan leefde ze nog en was niet verraden.
Rebecca sloeg haar ogen neer toen ze begon te spreken. 'Ze zegt dat wij deze innerlijke beelden hebben, geluiden en ervaringen die opgeroepen kunnen worden of door noodzaak gedreven zich vanzelf opdringen.'
'Noodzaak, ja! En wat is dat anders dan berichten van zintuigen van lichamen die geweest kunnen zijn waar jij niet geweest had mogen zijn en kwalijke dingen gedaan kunnen hebben?'
Andere lichamen, andere herinneringen, dacht Rebecca. Nu ze dit eenmaal had ervaren wist ze dat ze het nooit meer vrijwillig kon opgeven. Misschien hen ik inderdaad Bene Gesserit geworden. Daar is hij natuurlijk bang voor.
'Ik zal je iets vertellen,' zei de Rabbi. 'Dit "beslissende knooppunt van levend bewustzijn" zoals zij het noemen, dat is niets tenzij je weet hoe je eigen beslissingen voor je uitgaan als draden naar de levens van anderen.'
'Je eigen daden herkennen in de reacties van anderen, ja, zo beschouwen de Zusters het.'
'Dat is wijsheid. Wat streven ze volgens de vrouwe uiteindelijk na?'
'Invloed op het tot wasdom komen van de mensheid.' 'Mmm. En zij meent dat gebeurtenissen niet buiten het bereik van haar invloed vallen, maar louter buiten dat van haar zintuigen. Dat is bijna wijs. Maar wasdom... ach, Rebecca. Mengen wij ons in een hoger plan? Hebben mensen het recht om grenzen op te leggen aan het karakter van Yaweh? Volgens mij begreep Leto ii dat. Deze vrouwe in jou ontkent het.' 'Zij zegt dat hij een vervloekte tiran was.'
'Dat was hij ook, maar ook voor hem zijn er wijze tirannen geweest en die zullen er ongetwijfeld na ons ook nog wel komen.' 'Zij noemen hem Shaitan.'
'Hij bezat de vermogens van Satan zelf. De angst daarvoor deel ik met hen. Hij was niet zozeer voorzienig maar eerder een soort lijm. Hij bevestigde de vorm van wat hij zag.'
'Dat zegt de vrouwe ook. Maar zij zegt dat het hun graal is die hij bewaarde.'
'Weer zijn ze bijna wijs.'
De Rabbi slaakte huiverend een grote zucht en weer keek hij naar de instrumenten langs de wand. Energie voor morgen.
Hij richtte zijn aandacht weer op Rebecca. Ze was veranderd. Hij kon niet om die wetenschap heen. Ze was erg veel op de Bene Gesserit gaan lijken. Dat was begrijpelijk. Haar hoofd was gevuld met al die mensen van Lampadas. Maar ze waren geen Gadareense zwijnen die de zee in gedreven moesten worden met hun duivelarij erbij. En ik ben geen nieuwe Jezus.
'Wat ze je over de Moeder Superior Odrade vertellen - dat ze vaak haar eigen Archivarissen vervloekt met het hele Archief erbij. Dat is toch niet niets! Archieven zijn immers net zoiets als de boeken waarin wij onze wijsheid bewaren.'
'Ben ik dan een Archivaris, Rabbi?'
Haar vraag verbijsterde hem, maar maakte het probleem duidelijker. Hij lachte. 'Ik zal je iets vertellen, dochter. Ik moet toegeven dat ik wel een beetje met deze Odrade kan meevoelen. Archivarissen hebben altijd iets knorrigs.'
'Is dat wijsheid, Rabbi?' Wat vroeg ze dat sluw!
'Neem maar van mij aan dochter, dat het dat inderdaad is. Wat doet de Archivaris altijd een moeite om zelfs de geringste schijn van oordeel te vermijden. Het ene woord na het andere. Wat een aanmatiging!'
'Hoe beoordelen ze welke woorden ze moeten gebruiken, Rabbi?'
'Aha, ook jij bent een beetje wijs geworden, dochter. Maar deze Bene Gesserit hebben geen wijsheid verworven en het is hun graal die dat verhindert.'
Ze las het op zijn gezicht. Hij probeert me te wapenen met twijfels over deze levens die ik meedraag.
'Ik zal je eens iets over de Bene Gesserit vertellen,' zei hij. Maar er kwam hem niets voor de geest. Geen woorden, geen wijze raad. Dit was hem al jaren niet meer overkomen. Er stond hem maar een weg open: recht uit het hart spreken.
'Misschien bevinden ze zich al te lang op de weg naar Damascus zonder omstraald te zijn door een hemels licht, Rebecca. Ik hoor hen zeggen dat ze handelen voor het welzijn van de mensheid. Op een of andere manier kan ik dat niet in hen bespeuren en ik geloof ook niet dat de Dwingeland het zag.'
Toen Rebecca antwoord wilde geven, legde hij haar met een opgeheven hand het zwijgen op. 'Een gerijpte mensheid? Dat is hun graal? Is het niet juist het rijpe fruit dat men plukt en opeet?'
Op de vloer van de Grote Zaal op Junction, herinnerde Rebecca zich deze woorden en ze zag de verpersoonlijking ervan niet in de levens die zij bewaarde maar in de handelingen van degenen die haar gevangen hielden.
Grote Achtenswaarde Mater was klaar met eten. Ze veegde haar handen af aan het gewaad van een bediende.
'Laat haar nader komen,' zei Grote Achtenswaarde Mater.
Pijn vlijmde door Rebecca's linkerschouder en ze viel naar voren op haar knieen. Het schepsel dat Logno heette was met de steelsheid van een jager van achter aan komen sluipen en had een drijfprikkel in het vlees van de gevangene gestoken.
Gelach echode door het vertrek.
Rebecca krabbelde wankelend overeind en zorgde dat ze de prikkel net voorbleef tot ze bij de voet van de trap kwam die omhoog leidde naar de Grote Achtenswaarde Mater, waar de prikkel haar tot staan bracht.
'Neer!' Logno benadrukte het bevel met een extra stoot met de prikkel.
Rebecca zakte op haar knieen en keek recht voor zich uit naar de stootborden van de traptreden. De gele tegels vertoonden kleine krasjes. Op een of andere manier stelden deze foutjes haar gerust.
Grote Achtenswaarde Mater zei: 'Laat haar met rust, Logno. Ik wil antwoorden, geen gegil.' En vervolgens tegen Rebecca: 'Kijk me aan, vrouw!'
Rebecca sloeg haar ogen op en staarde naar het gezicht van de dood. Wat een onopvallend gezicht om die dreiging te bevatten. Zo... zo regelmatig. Bijna saai. Zo'n kleine gestalte. Dit vergrootte het gevaar dat Rebecca voelde. Wat moest de kleine vrouw een macht bezitten om deze verschrikkelijke mensen te overheersen.
'Weet je waarom je hier bent?' vroeg Grote Achtenswaarde Mater.
Op haar meest onderdanige toon zei Rebecca: 'Er is mij verteld, o Grote Achtenswaarde Mater, dat u mij wilde laten vertellen wat ik weet over Waarheidszin en andere zaken betreffende Gammu.'
'Jij was getrouwd met een Waarheidszegger!' Het was een beschuldiging.
'Hij is dood, Grote Achtenswaarde Mater.'
'Nee Logno!' Dit was gericht tegen de assistent die naar voren sprong met de prikkel. 'Deze stakker kent onze gebruiken niet. Ga nu aan de kant staan Logno, waar ik me niet aan je onstuimigheid kan ergeren.
Jij spreekt voortaan alleen tegen mij om een vraag te beantwoorden of als ik het gebied, stakker!' schreeuwde Grote Achtenswaarde Mater.
Rebecca kromp in elkaar.
Spreker fluisterde in Rebecca's hoofd: Dat was bijna Stem. Wees op je hoede.
'Heb jij ooit een van degenen ontmoet die zich Bene Gesserit noemen?' vroeg Grote Achtenswaarde Mater.
Waarachtig zeg! 'Iedereen heeft de heksen wel eens ontmoet, Grote Achtenswaarde Mater.'
'Wat weet je over hen?'
Dit is het dus waarvoor ze me hierheen gehaald hebben. 'Alleen wat ik heb gehoord, Grote Achtenswaarde Mater.' 'Zijn ze dapper?'
'Men zegt dat ze altijd risico's proberen te vermijden, Grote Achtenswaarde Mater.'
Je bent ons waardig, Rebecca. Dat is het patroon van deze hoeren. De knikker rolt keurig in zijn gootje langs de helling omlaag. Ze denken dat je ons niet mag.
'Zijn deze Bene Gesserit rijk?' vroeg Grote Achtenswaarde Mater.
'Volgens mij zijn de heksen arm bij u vergeleken, Achtenswaarde Mater,' zei Rebecca.
'Waarom zeg je dat. Zeg geen dingen louter om mij te behagen!'
'Maar Achtenswaarde Mater, zouden de heksen een groot schip van Gammu kunnen laten vertrekken alleen maar om mij hierheen te brengen? En waar zijn de heksen nu? Ze verstoppen zich voor u.'
'Ja, waar zijn ze?' wilde Achtenswaarde Mater weten. Rebecca haalde haar schouders op.
'Was jij op Gammu toen de man die ze de Bashar noemden ons ontsnapte?' vroeg Achtenswaarde Mater.
Ze weet dat )e daar was. 'Ik was daar, Grote Achtenswaarde Mater, en ik heb de verhalen gehoord. Ik geloof ze niet.'
'Geloof wat wij je opdragen te geloven, stakker! Wat zijn dat voor verhalen die je hebt gehoord?'
'Dat hij zich verplaatste met een snelheid die het oog niet kon waarnemen. Dat hij vele... mensen doodde met zijn blote handen. Dat hij een non-schip stal en de Verstrooiing in vluchtte.'
'Geloof dat hij vluchtte, stakker.' Kijk eens hoe bang ze is! Ze trilt zo dat iedereen het kan zien.
'Vertel over de Waarheidszin,' gebood Grote Achtenswaarde Mater.
'Grote Achtenswaarde Mater, ik begrijp de Waarheidszin niet. Ik ken alleen de woorden van Sholem, mijn echtgenoot. Ik kan zijn woorden herhalen als u dat wenst.'
Grote Achtenswaarde Mater dacht daarover na en keek van links naar rechts naar haar assistenten die tekenen van verveling begonnen te vertonen. Waarom doodt ze die stakker niet gewoon?
Rebecca zag het geweld in de ogen die haar met een oranje gloed aanstaarden en trok zich terug in haar innerlijk. Ze dacht aan haar echtgenoot met zijn koosnaam, Shoel, nu, en zijn woorden troostten. Als kind al had hij blijk gegeven van de 'juiste aanleg'. Sommigen noemden het een instinct maar Shoel had dat woord nooit gebruikt. 'Vertrouw op je boerenverstand. Dat zeiden mijn onderwijzers altijd.'
Het was zo'n laag-bij-de-grondse uitdrukking dat de personen die op zoek waren naar 'het esoterische mysterie' er meestal door werden afgeschrikt, zei hij.
'Er is helemaal geen geheim,' had Shoel gezegd. 'Het is een kwestie van oefenen en zwaar werk, net als alle andere dingen.
Je oefent wat zij petit perception noemen, het vermogen om zeer kleine verschillen in menselijke reacties waar te nemen.'
Rebecca kon zulke kleine reacties bespeuren in de mensen die naar haar stonden te staren. Ze willen me dood hebben. Waarom?
Spreker had goede raad. De grote houdt ervan om haar macht over de anderen te demonstreren. Ze doet niet wat de anderen willen, maar wat ze denkt dat ze niet willen.
'Grote Achtenswaarde Mater,' waagde Rebecca, 'u bent zo rijk en machtig. U heeft vast wel een bediendeplekje vrij waar ik u van dienst kan zijn.'
'Je wilt bij mij in dienst treden?' Wat een roofzuchtige grijns!
'Dat zou me erg gelukkig maken, Grote Achtenswaarde Mater.'
'Ik ben niet hier om jou gelukkig te maken.'
'Dama. Laat ons wat plezier maken met -'
'Zwijg!' Ahhh, dat was een vergissing om haar in het bijzijn van anderen bij haar vriendennaam te noemen.
Logno deinsde achteruit en liet bijna de prikkel vallen.
Grote Achtenswaarde Mater staarde met een oranje gloed in haar ogen naar Rebecca. 'Jij gaat terug naar je ellendige bestaan op Gammu, stakker. Ik zal je niet doden. Dat zou een genade zijn. Nu je gezien hebt wat we je zouden kunnen geven, moet je de rest van je leven zonder doen!'
'Grote Achtenswaarde Mater!' protesteerde Logno. 'We hebben vermoedens over -'
'Ik heb vermoedens over jou, Logno. Stuur haar terug, en levend! Hoor je me. Denk je soms dat we haar niet zouden kunnen vinden als we haar ooit nodig zullen hebben?'
'Nee, Grote Achtenswaarde Mater.'
'We houden je in de gaten, stakker,' zei Grote Achtenswaarde Mater.
Aas! Ze beschouwt jou als iets om groter wild mee te vangen. Interessant. Deze heeft een hoofd en ze gebruikt het ook nog, in weerwil van haar gewelddadige karakter. Zo is ze dus aan de macht gekomen.
De hele terugreis naar Gammu, opgesloten in een stinkende hut in een schip dat ooit het Gilde had gediend, dacht Rebecca na over haar positie. Die hoeren verwachtten toch vast niet dat ze hun bedoeling niet zou doorzien. Maar... misschien toch wel.
Onderdanigheid, kruiperig gedrag. Ze genieten van zulke dingen.
Ze wist dat dit evenzeer afkomstig was van een stukje van haar Shoels Waarheidszin, als van de raadslieden van Lampadas.
'Je verzamelt een heleboel kleine waarnemingen die je wel ervaart maar die niet tot je bewustzijn doordringen,' had Shoel gezegd. 'Bij elkaar gevoegd vertellen ze je dingen, maar niet in een taal die iemand spreekt. Taal is niet nodig.'
Ze had dit destijds een van de eigenaardigste dingen gevonden die ze ooit had gehoord. Maar dat was voor haar eigen Marteling, 's Nachts in bed, getroost door het duister en de aanraking van een geliefd lichaam, hadden ze zonder woorden gehandeld, maar ook woorden gedeeld.
'Taal belemmert je,' had Shoel gezegd. 'Wat je doet is je eigen reacties leren lezen. Soms kan je woorden vinden om dit te omschrijven... soms... niet.'
'Geen woorden. Zelfs niet voor de vragen?'
'Jij wilt per se woorden horen, he? Wat vind je van deze? Vertrouwen. Geloof. Waarheid. Oprechtheid.'
'Dat zijn goede woorden, Shoel.'
'Maar ze missen het doel. Verlaat je er niet op.'
'Waarop verlaat jij je dan?'
'Op mijn eigen innerlijke reacties. Ik lees mezelf, niet de persoon die voor me staat. Een leugen herken ik altijd doordat ik de leugenaar mijn rug wil toekeren.'
'Zo doe je dat dus!' Met een stomp op zijn blote arm.
'Anderen doen het weer anders. Ik heb eens iemand horen zeggen dat zij een leugen herkende doordat ze haar arm door die van de leugenaar wilde steken en een eindje met hem oplopen om de leugenaar te troosten. Misschien vind jij dat wel onzin, maar het werkt.'
'Ik vind het heel wijs, Shoel.' Dat was haar liefde die sprak. Ze wist eigenlijk niet echt wat hij bedoelde.
'Lieve schat,' zei hij terwijl hij haar hoofd in zijn arm koesterde. 'Waarheidszeggers hebben een Waarheidszin die als hij eenmaal ontwaakt is, altijd werkt. Vertel me dus alsjeblieft niet dat ik wijs ben als het je liefde is die spreekt.'
'Het spijt me, Shoel.' Ze hield van de geur van zijn arm en begroef haar hoofd in zijn oksel zodat ze hem kietelde. 'Maar ik wil alles weten wat jij weet.'
Hij duwde haar hoofd in een prettiger houding. 'Weet je wat mijn onderwijzer Derde Stadium zei? "Weet niets! Leer volledig naief te zijn."'
Ze was verbaasd. 'Helemaal niets?'
'Je treedt alles met een schone lei tegemoet, met niets op je of in je. Alles wat verschijnt is daar door zichzelf neergeschreven.'
Ze begon het te begrijpen. 'Niets dat kan storen.'
'Juist. Je bent de oorspronkelijke onschuldige wilde, zo volledig onbedorven dat je vanzelf uitermate wereldwijs bent. Je vindt het zonder ernaar te hoeven zoeken, zou je kunnen zeggen.'
'Dat is echt wijs, Shoel. Ik wil wedden dat je de beste leerling was die ze ooit hadden, de vlugste en de -'
'Ik vond het eindeloze nonsens.'
'Nee toch!'
'Tot ik op zekere dag een soort trekkend gevoel in mijn binnenste las. Het was geen spiertrekking of iets dat iemand anders zou kunnen bespeuren. Gewoon een... een trekkend gevoel.'
'Waar zat het?'
'Niet op een te beschrijven plaats. Maar mijn onderwijzer Vierde Stadium had me erop voorbereid. "Grijp dat ding met zachte handen. Behoedzaam." Een van de leerlingen dacht dat hij je echte handen bedoelde. Wat hebben we gelachen.'
'Dat was wreed.' Ze streek langs zijn wang en voelde de stoppels van zijn donkere baard. Het was al laat maar ze was niet slaperig.
'Ja, dat was vast wel wreed. Maar toen dat trekken me overkwam, herkende ik het. Ik had nog nooit zoiets gevoeld. Ik werd er ook door verrast, want op het moment dat ik het herkende, wist ik dat het er altijd al geweest was. Het was vertrouwd. Het was mijn Waarheidszin die zich roerde.'
Ze meende dat ze in haar eigen innerlijk ook Waarheidszin in beweging voelde komen. De verwondering in zijn stem maakte iets in haar los.
'Toen had ik hem,' zei hij. 'Hij hoorde bij mij en ik hoorde bij hem. Onlosmakelijk verbonden.'
'Wat moet dat geweldig zijn.' Ontzag en afgunst in haar stem.
'Nee! Soms haat ik het! Als je sommige mensen op deze manier ziet lijkt het wel of je ze ontweid ziet worden zodat al hun darmen eruit hangen.'
'Dat is walgelijk!'
'Ja, maar er staat wat tegenover, liefste. Er zijn mensen die net een bos prachtige bloemen zijn, je aangeboden door een onschuldig kind. Onschuld. Mijn eigen onschuld antwoordt en mijn Waarheidszin wordt gesterkt. Dat is wat jij voor me doet, lieverd.'
Het non-schip van de Achtenswaarde Matres arriveerde op Gammu en ze stuurden haar omlaag naar het landingsplatform in de vuilnislichter. Die braakte haar uit naast het afval en de uitwerpselen uit het schip, maar het kon haar niets schelen. Thuis! Ik ben thuis en Lampadas leeft nog.
Maar de Rabbi deelde haar geestdrift geenszins.
Weer zaten ze in zijn studeerkamer, maar nu was ze vertrouwder met de Andere Herinneringen en veel zekerder van zichzelf. Hij kon het zien.
'Je lijkt meer op hen dan ooit! Het is onrein.'
'Rabbi, we hebben allemaal onreine voorouders. Ik heb alleen het geluk sommige van de mijne te kennen.'
'Wat is dit? Wat zeg je daar?'
'We stammen allemaal af van mensen die gemene dingen deden, Rabbi. We denken er niet graag aan dat we barbaren onder onze voorouders tellen, maar ze zijn er toch.'
'Wat een praats!'
'Eerwaarde Moeders kunnen zich al hun voorouders herinneren, Rabbi. Denk eraan dat juist de overwinnaars zich voortplanten. Begrijpt u?'
'Ik heb je nog nooit zo vrijpostig horen spreken. Wat is er met je gebeurd, dochter?'
'Ik heb het overleefd in de wetenschap dat de overwinning soms tegen een morele prijs wordt behaald.'
'Wat is dit? Dit zijn kwaadaardige woorden.'
'Kwaadaardig? De term barbarij is zelfs niet toereikend voor sommige van de kwaadaardige dingen die onze voorouders deden. Ons aller voorouders, Rabbi.'
Ze zag dat ze hem had gekwetst en voelde de wreedheid van haar eigen woorden, maar ze kon niet ophouden. Hoe kon hij onder de waarheid uit van wat ze zei? Hij was een eerbaar man.
Ze sprak wat zachtzinniger, maar haar woorden troffen hem nog veel dieper. 'Rabbi, als u met mij getuige was geweest van een deel van de dingen die ik door Andere Herinneringen gedwongen heb leren kennen, dan zou u daarna nieuwe woorden voor het begrip kwaad zijn gaan zoeken. Sommige dingen die onze voorouders hebben gedaan verlagen nog de ergste benaming die je kunt bedenken.'
'Rebecca... Rebecca... ik weet dat eisen van...'
'Kom mij niet aan boord met "eisen van de tijd"! U, een Rabbi, weet wel beter. Wanneer ontbreekt het ons aan zedelijk besef? We willen gewoon alleen soms niet luisteren.'
Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht en wiegde van voor naar achter in de oude stoel. Die kraakte treurig.
'Rabbi, ik heb u altijd liefgehad en geacht. Ik heb voor u de Marteling ondergaan. Ik heb Lampadas voor u gedeeld. Ontken toch niet wat ik hiervan heb geleerd.'
Hij liet zijn handen zakken. 'Ik ontken het niet, dochter. Maar laat me mijn pijn.'
'Uit al deze feitelijkheden, Rabbi, is er een ding waar ik zeer onmiddellijk en zonder uitstel mee te maken heb en dat is dat er geen onschuldige bestaan.'
'Rebecca!'
'Schuldig is misschien niet het juiste woord, Rabbi, maar onze voorouders hebben dingen gedaan waarvoor betaald moet worden.'
'Dat begrijp ik, Rebecca. Het is een evenwicht dat -'
'Vertel me niet dat u het begrijpt als ik weet dat het niet zo is.' Ze stond op en keek hem kwaad aan. 'Het is geen kasboek dat je kloppend kunt maken. Hoe ver zou u terug willen gaan?'
'Rebecca, ik ben je Rabbi. Je mag niet op deze manier praten en vooral niet tegen mij.'
'Hoe verder je teruggaat, Rabbi, hoe erger de kwaadaardige gruweldaden en hoe hoger de prijs. U kunt niet zo ver teruggaan, maar ik moet wel.'
Ze draaide zich om en liet hem alleen, zonder aandacht te schenken aan de smekende klank van zijn stem, de moeizame manier waarop hij haar naam uitsprak. Toen ze de deur dicht deed hoorde ze hem zeggen: 'Wat hebben we gedaan? Israel, help haar.'