We hebben de neiging om net zo te worden als het ergste in onze tegenstanders.

Bene Gesserit Statuut

Weer die beelden van water!

Wij maken verdomme een woestijn van deze hele planeet en ik krijg beelden van water!

Odrade zat in haar werkkamer, omringd door de gewone ochtendrompslomp en voelde Zeekind drijven in de golven, door hen gedragen en gewiegd. De golven hadden de kleur van bloed. Haar Zeekind persoonlijkheid verwachtte bloedige tijden.

Ze wist waar deze beelden hun oorsprong vonden: de tijd voor Eerwaarde Moeders haar leven beheersten; haar jeugd in het mooie huis aan de zeekust op Gammu. Ondanks dringende zorgen kon ze een glimlach niet voorkomen. Oesters door papa klaargemaakt. De stoofpot die ze nog steeds het lekkerst vond.

Wat zij zich uit haar jeugd het best herinnerde waren de tochtjes op zee. Drijven had iets dat het diepste fundament van haar persoonlijkheid aansprak. Het rijzen en dalen van de golven, de ervaring van onbegrensde horizonten met vreemde nieuwe plaatsen net achter de gebogen grenzen van een waterwereld, dat opwindende gevaaraspect dat besloten lag in dezelfde substantie die haar drijvende hield. Alles met elkaar verzekerde haar dat zij Zeekind was.

Papa was daar ook kalmer. En Mama Sibia was gelukkiger, met haar gezicht in de wind en haar wapperende donkere haar. Die dagen straalden een evenwichtige sfeer uit, een geruststellende boodschap in een taal die ouder was dan Odrades oudste Andere Herinnering. 'Dit is mijn plaats, mijn element. Ik ben Zeekind.'

Haar persoonlijke opvatting over gemoedsrust stamde uit die dagen. Het vermogen om )e op vreemde zeeen overeind te houden. Het vermogen om de diepste kern van )e wezen vast te houden in weerwil van onverwachte golven.

Mama Sibia had Odrade dat vermogen geschonken, lang voordat de Eerwaarde Moeders kwamen en hun 'verborgen Atreides-telg' meenamen. Mama Sibia, maar een pleegmoeder, had Odrade geleerd om van zichzelf te houden.

In een Bene Gesserit gemeenschap waar elke vorm van liefde verdacht was, bleef dit Odrades diepste geheim.

In de grond ben ik gelukkig met mezelf. Ik vind het niet erg om alleen te zijn. Niet dat een Eerwaarde Moeder ooit echt alleen was na door de speciemarteling overspoeld te zijn met Andere Herinneringen.

Maar Mama Sibia en, ja, Papa ook, die als pleegouders voor de Bene Gesserit optraden, hadden hun pupil in die verborgen jaren een diepgewortelde kracht meegegeven. De Eerwaarde Moeders hadden niets meer kunnen doen dan die kracht vergroten.

Proctors hadden geprobeerd om Odrades 'diepe hang naar persoonlijke banden' uit te bannen, maar slaagden daar uiteindelijk niet in. Ze waren er niet helemaal zeker van dat het hun niet gelukt was, maar ze bleven altijd achterdochtig. Tenslotte hadden ze haar naar Al Dhanab gestuurd, een plaats die opzettelijk werd gehandhaafd als nabootsing van het ergste van Salusa Secundus, om daar geconditioneerd te worden op een planeet die je voortdurend op de proef stelde. Een oord dat in sommige opzichten erger was dan Duin: hoge rotswanden en droge kloven, hete winden en ijskoude winden, te weinig vocht en te veel. De Zusters hadden het beschouwd als een proefterrein voor degenen die op Duin moesten overleven. Maar niets van dat alles had die geheime kern in Odrades binnenste kunnen aantasten. Zeekind bleef ongeschonden.

En nu is het Zeekind die mi) waarschuwt.

Was het een voorzienige waarschuwing?

Ze had deze gave altijd al bezeten, die innerlijke zenuwtrekjes die op onmiddellijk gevaar voor de Zusters wezen. Atreides-genen die haar aan hun aanwezigheid herinnerden. Liep de Kapittelplaneet gevaar? Nee... de pijn die ze niet kon aanraken zei dat anderen in gevaar verkeerden. Maar het was wel belangrijk.

Lampadas? Haar gave kon het haar niet zeggen.

De teeltleidsters hadden geprobeerd deze gevaarlijke voorzienigheid uit hun Atreides-lijn weg te fokken, maar dat was slechts gedeeltelijk gelukt. 'We durven niet nog eens een Kwisatz Haderach te riskeren!' Ze waren op de hoogte van deze 'fout' in hun Moeder Superior, maar Odrades overleden voorganger, Taraza, had een 'voorzichtig gebruik van haar gave' aangeraden. Taraza was van mening geweest dat Odrades voorzienigheid alleen in werking trad om te waarschuwen voor gevaren die de Bene Gesserit bedreigden.

Odrade was het daarmee eens. Ze ervoer ongewenste ogenblikken waarin ze flarden van bedreigingen zag. Hele korte flarden. En de laatste tijd droomde ze ook.

Het was een steeds terugkerende, zeer levendige droom waarin al haar zintuigen waren toegespitst op dat ding dat in haar geest plaatsvond. Ze liep op een strak gespannen touw over een kloof en achter haar rug naderde iemand (ze durfde zich niet om te draaien om te kijken wie het was) met een bijl die het touw kwam stukhakken. Ze kon de ruwe vezelstrengen onder haar blote voeten voelen. Ze voelde een koude wind waaien die een brandlucht meevoerde. En ze wist dat de persoon met de bijl naderde.

Elke gevaarlijke stap vergde al haar energie. Stap! Stap! Het touw zwaaide en zij strekte haar armen opzij om haar evenwicht te bewaren.

Als ik val, vallen de Zusters!

De Bene Gesserit zou in de kloof onder het touw aan zijn eind komen. Zoals elk levend ding, zou de Bene Gesserit ooit eens moeten sterven. Een Eerwaarde Moeder durfde dat niet te ontkennen.

Maar niet hier. Niet door te vallen, niet doordat het touw wordt doorgehakt. We moeten verhinderen dat dat touw wordt doorgehakt. Ik moet de overkant van de kloof bereiken voor de bijl zwaaier komt. 'Ik moet! Ik moet!'

Daarmee eindigde de droom altijd, met haar eigen stem die nog in haar oren naklonk als ze in haar slaapkamer ontwaakte. Verkleumd. Ze zweette nooit. Zelfs in de greep van een nachtmerrie stond haar Bene Gesserit beheersing geen overbodige uitspattingen toe.

Is het niet nodig dat het lijf zweet? Dan wordt er door het lijf niet gezweten.

Terwijl ze in haar werkkamer aan die droom zat terug te denken, voelde Odrade een diepe werkelijkheid achter dat beeld van een enkel dun touw: De tere draad waaraan ik het lot van mijn Zusters draag. Zeekind voelde de nachtmerrie naderen en drong zich aan haar op met beelden van bloedige golven. Dit was geen onbeduidende waarschuwing. Onheilspellend. Ze wilde overeind springen en schreeuwen: 'Verstop je tussen de planten, mijn kuikentjes! Vlucht! Vlucht!'

En zou dat geen schok zijn voor de waakhonden!

De plichten van een Moeder Superior eisten dat ze haar angsten achter een masker verborg en handelde alsof er niets anders belangrijk was dan de formele beslissingen die voor haar lagen. Paniek moest vermeden worden! Niet dat haar onmiddellijke beslissingen tegenwoordig ook maar een van alle echt onbeduidend waren. Maar kalm optreden was vereist.

Sommige van haar kuikens waren al op de vlucht, verdwenen in het onbekende. Deelden hun leven in Andere Herinneringen.

De rest van haar kuikens hier op de Kapittelplaneet zou weten wanneer ze moesten vluchten. Wanneer ze ontdekt worden. Dan zou hun gedrag gestuurd worden door de noodzaken van het ogenblik. Het enige dat echt belangrijk was was hun geweldige vaardigheid. Dat was hun meest betrouwbare voorbereiding.

Elke nieuwe Bene Gesserit cel, waar die uiteindelijk ook heenging, was op dezelfde manier voorbereid als de Kapittelplaneet: liever totale vernietiging dan overgave. Het krijsende vuur zou zich tegoed doen aan kostbare lijven en documenten. Alles wat een veroveraar zou vinden zou een onbruikbare puinhoop zijn: verwrongen flarden doorspekt met as.

Misschien zouden een aantal Kapittelzusters ontkomen. Maar vluchten op het moment van de aanval - wat zinloos!

Mensen op sleutelposities deelden toch mee in Andere Herinneringen. Voorbereiding. Moeder Superior vermeed het. Om redenen van moreel!

Waarheen te vluchten en wie zou mogelijk ontkomen en wie zou mogelijk gevangen genomen worden? Dat waren de werkelijke problemen. Stel dat ze Sheeana gevangen namen, daar aan de rand van de woestijn waar ze zat te wachten op zandwormen die misschien wel nooit zouden verschijnen? Sheeana met de zandwormen: een machtige religieuze kracht die de Achtenswaarde Matres mogelijk zouden kunnen uitbuiten. En stel dat Achtenswaarde Matres ghola Idaho of ghola Teg gevangen namen? Als een van die mogelijkheden zou plaatsvinden zouden ze wel eens nooit meer een schuilplaats kunnen vinden.

Stel dat? Stel dat?

Boze teleurstelling zei: 'We hadden Idaho meteen moeten doden zodra we hem in handen kregen! We hadden nooit een ghola Teg moeten kweken!'

Alleen haar Raadsleden, rechtstreekse adviseurs en een aantal van de waakhonden deelden haar achterdocht. Voorlopig hielden ze die onder voorbehoud voor zich. Geen van hen was helemaal zeker van die twee ghola's, zelfs niet nadat ze het non-schip ondermijnd hadden zodat het ook ten prooi zou vallen aan het krijsende vuur.

Had Teg in die laatste uren voor zijn heldhaftige opoffering het onzichtbare kunnen zien (met inbegrip van non-schepen)?

Hoe wist hij waar hij ons in die woestijn van Duin moest opwachten?

En als Teg het kon, dan zou de gevaarlijk begaafde Duncan Idaho met zijn talloze generaties van bijeengegaarde Atreides-genen (en onbekende) door toeval ook het vermogen kunnen ontdekken.

Ik zou het zelf kunnen ontdekken!

Met een plotseling inzicht dat haar ontzette, besefte Odrade voor het eerst dat Tamalane en Bellonda hun Moeder Superior bekeken met dezelfde angst die Odrade voelde als ze naar de twee ghola's keek.

Alleen al de wetenschap dat het mogelijk was - dat een mens een zin kon ontwikkelen voor het opsporen van non-schepen en de andere verschijningsvormen van die dekking - zou een evenwicht verstorend effect op hun heelal hebben. Het zou in ieder geval de Achtenswaarde Matres helemaal op hol doen slaan. Er zwierven talloze nakomelingen van Idaho door het heelal. Hij had altijd geklaagd dat hij 'verdomme geen dekhengst voor de Zusters' was, maar hij was hun heel wat keren ter wille geweest.

Dacht altijd dat hij het voor zichzelf deed. En misschien was dat ook wel zo.

Elke afstammeling van de hoofdtak van de Atreides zou in het bezit kunnen zijn van deze gave waarvan de Raad vermoedde dat hij in Teg tot wasdom was gekomen.

Waar bleven de maanden en de jaren? En de dagen? Een nieuw oogstseizoen en nog verkeerde de Bene Gesserit in haar verschrikkelijke onzekerheid. De ochtend was al half voorbij, besefte Odrade. De geluiden en de geuren van het Hoofdkwartier maakten zich kenbaar. In de gang liepen mensen. In de gemeenschappelijke keuken werd kip en kool gekookt. Alles heel gewoon.

Wat was gewoon voor iemand die zelfs als ze zat te werken in waterbedden vertoefde? Zeekind kon Gammu niet vergeten, de geuren, de substantie van door de wind voortgeblazen zeewier, de ozon die iedere ademteug rijk aan zuurstof maakte en de stralende vrijheid in de mensen om haar heen die zo duidelijk zichtbaar was in de manier waarop ze liepen en praatten. Gesprekken op zee waren diepzinniger op een manier die zij nooit had doorgrond. Zelfs onnozele babbeltjes hadden daar hun onderaardse elementen, een oceanische manier van spreken die mee vloeide met de stromingen onder hen.

Odrade voelde een drang om zich te herinneren hoe haar eigen lijf in die zee uit haar jeugd had gedreven. Ze had er behoefte aan om zich de krachten die ze daar had gekend weer eigen te maken, om de versterkende eigenschappen in zich op te nemen die ze in onschuldiger tijden had leren kennen.

Met haar gezicht in zilt water, haar adem inhoudend zolang ze kon, dreef ze in een door de zee schoongespoeld nu dat alle narigheid wegwaste. Dit was spanningsbeheersing teruggebracht tot zijn naakte kern. Een grote kalmte vervulde haar.

Ik drijf, dus ik besta.

Zeekind waarschuwde en Zeekind gaf nieuwe kracht. Zonder het ooit te willen toegeven, had ze vernieuwing van haar krachten hard nodig gehad.

Odrade had de avond ervoor haar eigen gezicht weerspiegeld gezien in een raam van haar werkkamer en ze was geschrokken van de manier waarop ouderdom en verantwoordelijkheid in combinatie met vermoeidheid haar wangen hadden doen invallen en haar mondhoeken omlaag getrokken: de zinnelijke lippen waren dunner, de zachte rondingen van haar gezicht langer. Alleen de volkomen blauwe ogen straalden met hun gebruikelijke felheid en ze was nog altijd lang en gespierd.

In een opwelling toetste Odrade een oproepcode in en ze staarde naar een boven de tafel geprojecteerd beeld: het non-schip dat op de Kapittel ruimtehaven aan de grond stond, een reusachtige bobbel van geheimzinnige machinerieen, van de tijd afgescheiden. In de lange jaren van zijn winterslaapachtige toestand had het een grote diepe kuil in het vlakke landingsterrein gedrukt, waarin het bijna klem zat. De motoren van de grote bult maakten net genoeg toeren om hem verborgen te houden voor voorzienige speurders, vooral voor Gildenavigatoren die met bijzonder veel genoegen de Bene Gesserit zouden uitleveren.

Waarom had ze dit beeld op dit moment opgeroepen?

Vanwege de drie mensen die daar opgesloten zaten - Scytale, de laatste nog levende Tleilaxu Meester, Murbella en Duncan Idaho, het seksueel gebonden paar, evenzeer gevangen door hun wederzijdse verstriktheid als door het non-schip.

Niet eenvoudig, in geen enkel opzicht.

Er waren maar zelden eenvoudige verklaringen voor een belangrijke Bene Gesserit onderneming. Het non-schip met zijn sterfelijke inhoud kon niet anders dan een enorme krachtsinspanning genoemd worden. Duur. Erg duur in energieverbruik, zelfs als het stationair draaide.

De schijn van spaarzame rantsoenering aan al dat verbruik wees op een energiecrisis. Een van Bells zorgen. Je kon het aan haar stem horen, zelfs als ze op haar objectiefst was: 'We zitten al op het bot en er valt nergens meer iets weg te snijden.' Elke Bene Gesserit wist dat het waakzame oog van de Boekhouding hen dezer dagen in de gaten hield, wakend over de wegvloeiende levenskracht van de Bene Gesserit.

Bellonda beende onaangekondigd de werkkamer binnen met een rol op ridulisch kristal genoteerde verslagen onder haar linkerarm. Ze liep alsof ze de vloer haatte en ze stampte erop alsof ze wilde zeggen: 'Daar! Pak aan! En nog een!' Ze strafte de vloer omdat hij schuldig was aan onder haar voeten liggen.

Odrade voelde haar hart ineenkrimpen toen ze de blik in Bells ogen zag. De rol ridulisch papier deed 'Pats!' toen Bellonda hem op de tafel smeet.

'Lampadas!' zei Bellonda met een stem vol leed.

Odrade hoefde de rol niet open te maken. De bloedige golven van "Zeekind waren werkelijkheid geworden.

'Overlevenden?' Haar stem klonk gespannen.

'Geen enkele.' Bellonda liet zich in de stoelhond vallen die ze altijd op haar plaats aan Odrades tafel had staan.

Vervolgens kwam Tamalane binnen en ging naast Bellonda zitten. Ze zagen er allebei verslagen uit.

Geen overlevenden.

Odrade permitteerde zich een trage huivering die van haar borst naar haar voetzolen trok. Het kon haar niet schelen dat de anderen zo'n onthullende reactie zagen. Deze werkkamer had wel erger gedrag van Zusters meegemaakt.

'Wie heeft het gerapporteerd?' vroeg Odrade.

Bellonda zei: 'Het bericht bereikte ons via onze spionnen in choam en was voorzien van het speciale merkteken. De Rabbi heeft de informatie verstrekt, daar is geen twijfel aan.'

Odrade wist niet hoe ze moest reageren. Ze keek naar het brede erkerraam achter haar metgezellen en zag zachte sneeuwvlokken omlaag dansen. Ja, dit nieuws kwam met recht op het tijdstip dat de winter daarbuiten zijn krachten bundelde.

De Zusters van het Kapittel waren niet blij met het feit dat ze plotseling midden in de winter zaten. Door noodzaken gedwongen had Klimaatbeheer de temperatuur steil moeten laten dalen. Geen geleidelijke overgang naar de winter, geen consideratie voor groeiende dingen die nu hun ijskoude winterslaap moesten doormaken. Dat betekende iedere nacht drie of vier graden kouder. De hele zaak moest met een week of zo achter de rug zijn waarna ze allemaal in schijnbaar eindeloze koude gedompeld zouden zijn.

Vrieskou als passende begeleiding voor het nieuws over Lampadas.

Een van de gevolgen van deze plotselinge weeromslag was mist. Ze zag hoe de flarden zich verspreidden toen het korte sneeuwbuitje ophield. Erg verwarrend weer. Ze brachten het dauwpunt heel dicht bij de luchttemperatuur en de mist rolde de overgebleven natte plekken binnen. Hij steeg van de grond op in gazen slierten die door bladloze boomgaarden zwierven als een gifgas.

Helemaal geen enkele overlevende?

Bellonda schudde haar hoofd heen en weer als antwoord op Odrades vragende blik.

Lampadas - een juweel in het planetennetwerk van de Zusters, zetel van hun meest gewaardeerde school, nu ook een levenloze bal van as en gestold gesteente. En Bashar Alef Burzmali met zijn hele uitgelezen verdedigingsmacht. Allemaal dood?

'Allemaal dood,' zei Bellonda.

Burzmali, meest geliefde leerling van de oude Bashar Teg, gesneuveld zonder dat er iets mee gewonnen werd. Lampadas - de geweldige bibliotheek, de briljante onderwijzers, de begaafde leerlingen... allemaal verloren.

'Zelfs Lucilla?' vroeg Odrade. Eerwaarde Moeder Lucilla, rector magnificus van Lampadas, had opdracht om bij het eerste teken van moeilijkheden op de vlucht te slaan, met medeneming van zo veel mogelijk van de ten ondergang gedoemden als ze in haar Andere Herinneringen kon opnemen.

'De spionnen zijn allemaal dood,' zei Bellonda nadrukkelijk.

Het was een beklemmend sein voor overlevende Bene Gesserit leden: 'Jij kan de volgende zijn!'

Hoe was het mogelijk dat een mensengemeenschap gevoelloos gemaakt werd voor zulke wreedheid? vroeg Odrade zich af. Ze stelde zich voor hoe het nieuws bekend gemaakt werd tijdens het ontbijt in een of ander honk van Achtenswaarde Matres: 'We hebben weer een Bene Gesserit planeet vernietigd. Tien miljard doden, zeggen ze. Dat brengt het totaal van deze maand op zes, he? Wil je me de room even aangeven, m'n beste?'

Met een blik bijna glazig van afschuw pakte Odrade het verslag op en bladerde het door. Van de Rabbi, geen twijfel aan. Ze legde het behoedzaam neer en keek haar Raadsleden aan.

Bellonda - oud, dik en blozend, mentat Archivaris die tegenwoordig een leesbril droeg zonder dat het haar iets kon schelen wat dat feit over haar onthulde. Bellonda liet haar tanden zien in een brede grimas die meer zei dan woorden. Ze had Odrades reactie op het verslag gezien. Bell zou misschien opnieuw gaan pleiten voor met gelijke munt terugbetalen. Dat was te verwachten van iemand die gewaardeerd werd om haar venijnige natuur. Ze moest in de mentat toestand worden teruggebracht waarin ze veel analytischer functioneerde.

Op haar eigen manier heeft Bell gelijk, dacht Odrade. Maar wat ik van plan ben zal haar helemaal niet aanstaan. Ik moet nu heel voorzichtig mijn woorden kiezen. Het is nog te vroeg om mijn plan kenbaar te maken.

'Er zijn omstandigheden waarin venijn venijn kan afzwakken,' zei Odrade. 'We moeten het heel zorgvuldig overwegen.'

Zo! Dat zou Bells uitbarsting een tijdje opschorten.

Tamalane ging iets verzitten op haar stoel. Odrade keek naar de oudere vrouw. Tam, die daar zo beheerst zat achter haar masker van kritisch geduld. Sneeuwwit haar boven dat smalle gezicht: het toonbeeld van levenswijze ouderdom.

Odrade keek door het masker heen naar Tams uiterste gestrengheid, de houding die zei dat niets van wat ze zag en hoorde haar beviel.

In tegenstelling met de vlezige zachtheid van Bells buitenkant, bezat Tamalane een knokige massiviteit. Ze hield zichzelf nog steeds in vorm, haar spieren zo goed mogelijk geoefend. Maar in haar ogen lag het ding dat met dit alles in tegenspraak was: een bepaalde afzijdigheid, een afstand nemen van het leven. O, ze nam nog wel scherp waar, maar iets was aan de definitieve terugtocht begonnen. Tamalanes befaamde verstand was tot een soort sluwheid verworden die voornamelijk steunde op waarnemingen en beslissingen uit het verleden in plaats van op wat ze in het onmiddellijke heden zag.

We moeten een vervangster gaan voorbereiden. Ik vind dat dat Sheeana moet zijn. Sheeana is gevaarlijk voor ons maar ze is zeer veelbelovend. En Sheeana heeft op Duin haar vuurdoop ondergaan.

Odrade richtte haar blik op Tamalanes borstelige wenkbrauwen. Die hingen meestal als een slordig scherm voor haar oogleden. ]a. Sheeana moet Tamalane gaan vervangen.

Wetend welke ingewikkelde problemen ze moesten oplossen, zou Tam de beslissing aanvaarden. Odrade wist dat ze op het moment van de bekendmaking niet meer zou hoeven doen dan Tams aandacht richten op de enorme hachelijkheid van hun positie.

Verdomme, ik zal haar missen!