12 – Zo los je een probleem genaamd Maria op
Maria werkte in Grand Canal Dock, in een moderne torenflat die er van de buitenkant uitzag als een schaakbord. Ik zou zorg dragen voor de aflevering van het lelieblad; Adam was ervan overtuigd dat Maria persoonlijk naar de receptie zou komen om voor de ontvangst te tekenen als ze wist dat het cadeau van hem afkomstig was. Hij had strenge instructies gekregen om buiten te blijven, maar dan wel op een plek vanwaar hij haar reactie kon gadeslaan. Aangezien het gebouw helemaal uit glas en staal opgetrokken leek te zijn, had hij de nodige geschikte uitkijkpunten. Wat moeilijker was, was ervoor zorgen dat zij hem niet zou zien. Ik wilde niet dat Adam met Maria herenigd werd voordat hij er klaar voor was. En voorlopig was hij er in de verste verte niet klaar voor.
Ik vond het een raar idee dat ik eindelijk Maria zou ontmoeten. Dé Maria. De vrouw over wie ik zo veel intieme details had gehoord en met wie ik tweemaal aan de telefoon had gesproken en die de reden was, of althans een van de redenen was, dat het voor die razend knappe Adam even kantje boord was geweest. Terwijl ik over de marmeren vloer liep, waarbij mijn hakken zo klakten dat een hele rij receptionistes naar me opkeek, besefte ik, met een geweldig gevoel voor timing, dat ik rancune voelde jegens Maria. Ik kon het haar niet anders dan kwalijk nemen dat ze zo’n invloed uitoefende op een man van wie ze klaarblijkelijk ooit had gehouden, terwijl ze nu geen idee leek te hebben wat voor effect haar afwijzing op hem had gehad. Mijn bloed kolkte bij de gedachte aan wat hij op dit moment allemaal deed om haar terug te krijgen, terwijl zij geen idee had waar hij allemaal mee bezig was. Zoals ik al zei, mijn timing was beroerd, en daarbij was het ongepast dat ik me zo beschermend opstelde ten opzichte van Adam terwijl ik eigenlijk onpartijdig hoorde te zijn. Op dat moment slaagde ik er echter niet in om ook maar enigszins onbevooroordeeld te zijn.
Rationeel gezien wist ik dat het niet de schuld van Maria was. Als Maria een vriendin van me was geweest die me in vertrouwen had genomen over het gedrag van Adam, zou ik het waarschijnlijk met haar eens zijn geweest dat het tijd was om bij hem weg te gaan, zodra eenmaal duidelijk was geworden dat alles wat ze had geprobeerd om de relatie te redden was mislukt. Maar desondanks zat het mens me dwars. Ik wist dat ik eigenlijk tegen Adam moest zeggen dat hij verder moest gaan met zijn leven, in plaats van te proberen Maria terug te krijgen. Zij had inmiddels iemand anders, en wel zijn beste vriend. Zij was verdergegaan met haar leven. Wat zou er gebeuren als ze hem nog eens afwees? Zou hij daar dan nog verder aan onderdoor gaan? Ja. Dat zou het einde voor hem betekenen. Dat was wel duidelijk. Ik had geen keus; ik moest hun relatie weer nieuw leven inblazen om te zorgen dat Adam in leven zou blijven. En dus voelde ik rancune jegens Maria.
‘Ik heb een pakketje voor Maria Harty van Red Lips Productions,’ zei ik tegen de receptioniste.
‘Van wie kan ik zeggen dat het pakketje afkomstig is?’
‘Adam Basil.’
Ik kon Adam buiten zien staan, met zijn wollen muts tot ver over zijn voorhoofd getrokken en zijn houtje-touwtjejas helemaal tot aan zijn kin dichtgeknoopt. Zijn gezicht was ternauwernood zichtbaar, en het beetje huid dat werd blootgesteld aan de elementen was zo langzamerhand knalrood van de kou. Ik herinnerde mezelf eraan dat ik zo moest gaan staan dat Adam Maria’s reactie kon zien. Ik hoopte alleen dat Maria het lelieblad niet op de grond zou smijten en het zou vertrappen. Ik dacht niet dat ik op tijd bij Adam zou kunnen zijn als hij besloot van de kade in het kanaal te duiken.
Op dat moment gingen de liftdeuren open, waarop er een poppetje tevoorschijn kwam in een skinny zwarte spijkerbroek, motorlaarzen en een T-shirt met een blote vrouw in een suggestieve pose erop. Ze had gitzwart, dik, glanzend haar dat een perfecte omlijsting vormde voor haar beeldschoon gevormde kin, plus een strenge pony, grote blauwe ogen, een volmaakte neus en ongelofelijk rode lippen. Ik moest toegeven: zo had ik me Maria niet voorgesteld. Ik had me haar voorgesteld als een zakelijk type in een strak pak, maar zodra ik haar zag, wist ik dat zij het was, dankzij de rode lippen. Ineens was de naam van haar bedrijf compleet logisch. Hoewel ik wist dat zij het was, kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om haar te roepen toen ze door de foyer naar de receptie liep. Ik kon me zo voorstellen dat Adam en zij een schitterend stel vormden dat overal hoofden deed omdraaien, en op dat moment kreeg ik een nog grotere hekel aan Maria. Ja hoor, typisch geval van vrouwelijke jaloezie. Ik ergerde me aan mezelf; ik was nog nooit eerder ten prooi gevallen aan dit soort jaloezie. Daar was ik het type niet voor. Maar goed, ik was altijd gelukkig geweest, tevreden met mijn leventje, en nu was ik dat niet meer, dus als anderen wel goed in hun vel zaten, deed dat mijn toch al gammele zelfvertrouwen geen goed.
De receptioniste wees naar mij, waarop Maria me in zich opnam. Toen Peter en Paul nog tegen me gesproken hadden, hadden ze me ’s ochtends bij binnenkomst altijd ‘Casual Friday’ genoemd, omdat ik bijna altijd een spijkerbroek aanhad. En geen huis-, tuin- en keukenspijkerbroeken; ik had ze in bijna alle kleuren van de regenboog. De rest van mijn garderobe was al even kleurrijk. Hij was één grote caleidoscoop, erop gericht om mijn dag iets vrolijker te maken, zelfs wanneer de rest van de wereld niet veel vrolijks voor me in petto had. Halverwege de twintig was ik van een sobere garderobe vol zwart en beige overgestapt op een pure kleurenexplosie. Sinds ik het boek Zo verrijken we onze ziel door de kleren die we dragen had gelezen, dat me had geleerd dat onze huid en ziel energie putten uit de kleuren die we dragen en dat donkere kleuren ons eerder leegzuigen dan energie geven, had ik altijd ten minste één kleurrijk kledingstuk aan. Ons lichaam heeft evenzeer behoefte aan kleur als aan zonlicht. Maar goed, hier was Maria dus, die juist alleen maar zwart aanhad en er supercool uitzag, alsof ze net uit een All Saints-winkel was gestapt, terwijl ik er zelf eerder uitzag als een zakje Skittles. Mijn lange, golvende, zandkleurige haar zat verstopt onder een gestreepte wollen muts die eruitzag alsof ik hem van de set van een kinder-tv-programma had gestolen. De highlights van mijn ‘strandcoupe’ werden zorgvuldig bijgehouden en elke week bijgewerkt, en mijn haar werd in de war gebracht en getoupeerd totdat het eruitzag alsof het werkelijk geen zier om iets gaf, en alsof niks het ooit van zijn stuk kon brengen, maar geloof me, in werkelijkheid gaf mijn haar wel degelijk om dingen; het deed alleen maar alsof het nergens om gaf. Mijn haar giechelde en flirtte en ging op en neer in de wind, terwijl het haar van Maria – een trendy bob met een strenge pony – het gevaar gewoon vierkant uitlachte. Maria’s haar eiste rebellie.
Zodra Maria het lelieblad in mijn armen zag, dat behoorlijk in het oog sprong, begon haar gezicht te stralen. Ik werd overspoeld door opluchting, maar durfde me niet om te draaien om te kijken hoe Adam reageerde, want dan zou Maria hem waarschijnlijk zien. Ze sloeg haar handen voor haar mond en begon te lachen. Ze probeerde niet te veel aandacht naar zich toe te trekken, maar ik had zo’n vermoeden dat het hele kantoor binnen de kortste keren zou weten dat Maria Harty een lelieblad bezorgd had gekregen.
‘O, mijn god!’ Ze pinkte een paar tranen weg uit haar ogen. Het waren tranen van blijdschap, maar ook vanwege de plotselinge herinnering aan iemand die ze in een eerder leven had gekend. Ze stak haar hand uit om het blad van me aan te nemen. ‘Dit is vast het raarste wat je ooit bij iemand hebt afgeleverd.’ Ze glimlachte naar me. ‘Jemig, zeg, niet te geloven dat hij dat heeft gedaan. Ik dacht dat hij het helemaal vergeten was. Het is ook alweer zo lang geleden.’ Ze nam het lelieblad in haar armen. Toen zei ze, ineens duidelijk opgelaten: ‘Het spijt me, waarschijnlijk zit je helemaal niet te wachten op mensen die je zo nodig hun hele levensverhaal moeten vertellen. Je moet vast ergens je volgende pakketje afleveren. Waar moet ik mijn handtekening zetten?’
‘Maria, ik ben Christine. We hebben elkaar aan de telefoon gesproken.’
‘Christine…’ Ze fronste haar wenkbrauwen zo dat er een rimpel in haar voorhoofd verscheen. Toen begon het besef te dagen. ‘O. Christine. Heet je zo? Ben jij degene die de hele tijd Adams telefoon opneemt?’
‘Dat ben ik, ja.’
‘O.’ Maria nam me van top tot teen op, en had in een paar tellen haar oordeel over me geveld. ‘Ik had niet gedacht dat je nog zo jong was. Je klinkt veel ouder aan de telefoon.’
‘Goh.’ Vanbinnen kreeg ik een heerlijk warm gevoel. Ik was blij met haar reactie, maar wist dat ik dat eigenlijk niet hoorde te zijn.
Er viel een ongemakkelijke stilte.
‘Heeft hij het blad echt helemaal zelf voor me geplukt?’
‘Zeker weten. Hij is in de vrieskou het water ingedoken. Zeiknat, blauw aangelopen lippen, dat werk,’ zei ik, me maar al te goed bewust van de verkoudheid die zich op dat moment in mijn hoofd aan het ontwikkelen was.
Maria schudde haar hoofd. ‘Hij is gestoord, die jongen.’
‘Nee, hoor. Gewoon gek op jou.’
‘Is dat de boodschap die hij probeert over te brengen? Dat hij nog altijd van me houdt?’
Ik knikte. ‘Inderdaad.’ Om de een of andere reden had ik een brok in mijn keel. Alweer zo slecht getimed. Ik schraapte mijn keel. ‘Ik vond eigenlijk dat hij er bloemen bij moest doen, maar hij stond erop je deze te geven. Ik weet niet of ze een bijzondere betekenis voor je hebben.’
Maria keek naar beneden, naar het lelieblad, en merkte toen pas de kleine, in rode folie gewikkelde mondjes op. Adam had ze op het laatste moment, net voordat ik het gebouw was binnengelopen, op het lelieblad gelegd, en ineens begon ik het allemaal te begrijpen. Dit waren de chocolaatjes die in het Gresham Hotel verspreid over het bed hadden gelegen.
‘Jemig,’ fluisterde Maria, die ze nu voor het eerst opmerkte. Ze probeerde ze van het blad te halen, maar kon het enorme lelieblad niet met één hand vasthouden.
Ik nam het blad van haar over zodat zij de kleine mondjes aan een onderzoek kon onderwerpen.
‘Niet te geloven dat hij er nog een paar over had. Weet je wat het zijn?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Hij heeft ze speciaal voor mij gemaakt in het jaar dat we elkaar leerden kennen. Rode lippen zijn mijn handelsmerk, zeg maar.’ Ze begon de folie open te vouwen. Toen ze binnenin de chocola zag, begon ze te lachen. ‘Jemig, ze zijn echt!’
‘Adam kan chocola maken?’ zei ik lachend. Ik had daar zo mijn twijfels over. Als Maria dat zo nodig wilde geloven, dan moest ik haar natuurlijk vooral in die waan laten, maar zelf zette ik er zo mijn vraagtekens bij.
‘Nou, hijzelf niet natuurlijk, maar het bedrijf.’ Ze bleef de chocolaatjes nader onderzoeken. ‘Het was een prototype, niet bedoeld om ooit op de markt gebracht te worden. Ik dacht dat we ze allemaal opgegeten hadden.’
‘Het bedrijf…’ zei ik. Ik probeerde wegwijs te worden uit wat ze me allemaal vertelde.
‘Hij heeft ze zelf voor me ontworpen, en vervolgens heeft hij ervoor gezorgd dat Basil ze maakte. Hij heeft er rum in verwerkt omdat hij zei dat ik bedwelmend was.’ Ze lachte, maar haar lach bleef steken in haar keel, en vervolgens sprongen er tranen in haar ogen. ‘Shit. Sorry, hoor.’ Ze keerde de receptie haar rug toe en wapperde met haar hand voor haar ogen om de tranen tegen te houden.
Tegen die tijd stond ik compleet paf, maar ik deed mijn best om dat niet te laten blijken. Natuurlijk had ik Maria vragen over Adam kunnen stellen om zo meer over hem te weten te komen, maar om de een of andere reden wilde ik niet dat Maria erachter kwam hoe weinig ik over hem wist; de onzekerheid die ik al voelde sinds ze uit de lift was gestapt weerhield me er nu dus van mijn werk naar behoren uit te voeren.
‘Je hoeft je niet te verontschuldigen, hoor. Het valt niet mee om terug te denken aan de goede tijden. Maar daar wou hij je wel aan herinneren.’
Ze knikte. ‘Zeg maar tegen hem dat ik het me allemaal nog herinner als de dag van gisteren.’
‘Hij bestaat nog steeds, weet je,’ zei ik ernstig. ‘Hij is nog altijd even grappig en spontaan als je je herinnert. Nou ja, misschien niet meer helemaal precies hetzelfde als toen jullie elkaar net kenden. Ik denk niet dat het mogelijk voor een mens is om zo lang hetzelfde te blijven. Maar hij maakt mij voortdurend aan het lachen.’
Maria keek me strak aan. ‘Echt waar?’
Ik voelde mijn wangen warmer worden. Dat zou de wollen muts wel zijn, waarmee ik van de extreme kou een heet kantoorgebouw was ingegaan, of misschien de verkoudheid die ik op voelde komen na mijn bezoek aan de ijskoude vijver. Ik was echter niet van plan om mijn muts af te zetten, niet terwijl Maria met haar supersteile haar voor me stond. Wie wist wat zich schuilhield onder mijn muts?
‘Je zorgt echt voor hem, hè?’
‘Ja, zeker.’ Ik kon haar niet langer aankijken, dus besloot ik haar het lelieblad terug te geven. ‘Het wordt waarschijnlijk tijd dat ik je terug laat gaan naar je werk.’
‘Ik hoop dat hij weet hoeveel mazzel hij heeft dat hij jou heeft,’ zei Maria, waarvan ik me alleen nog maar beroerder voelde.
Ik kon het niet helpen: er sprongen een paar tranen in mijn ogen. ‘Ik doe gewoon mijn werk, meer niet.’ Ik wierp Maria een vrolijke, opgewekte glimlach toe en deed mijn best om ervoor te zorgen dat mijn antwoord niet klonk als een afgezaagde superheldenreactie.
‘En wat is dat voor werk, als ik vragen mag?’
‘Vriendschap,’ zei ik terwijl ik een paar stappen naar achteren deed. ‘Ik ben gewoon een vriendin van hem, meer niet.’
Toen draaide ik me om en liep weg. Het vuur sloeg me inmiddels aan alle kanten uit. Ik was blij dat de ijzige wind me in mijn gezicht sloeg zodra ik buiten stond. Ik liep verder, me al die tijd bewust van de priemende blik van Maria op mijn rug. Ik was blij toen ik eenmaal de hoek om kon, zodat ik weg kon bij al die transparante muren. Zodra er een stevige bakstenen muur tussen ons stond, stond ik stil en ging ik met mijn rug tegen de muur aan staan. Terwijl ik mijn ogen dichtdeed, dacht ik paniekerig terug aan ons onderhoud. Wat had me in godsnaam bezield? Waarom had ik op die manier gereageerd? Maria had net gedaan alsof ze iets over mijn gevoelens wist waarvan ik zelf niet eens op de hoogte was. Ze had gezorgd dat ik me stom en schuldig voelde omdat ik heel eventjes iets had gevoeld dat ik eigenlijk helemaal niet voelde, dat ik absoluut niet hóórde te voelen. Ik had een doel, en dat doel was om Adam en Maria weer bij elkaar te brengen, niet om zelf gevoelens voor Adam te krijgen. Onmogelijk. Belachelijk.
‘Hoi,’ hoorde ik een opgewonden stem vlak naast mijn oor zeggen.
Ik maakte een sprongetje van schrik. ‘Jezus, Adam.’
‘Wat is er? Sta je nou te janken?’
‘Nee, ik sta niet te janken,’ snauwde ik. ‘Volgens mij sta ik gewoon op het punt om verkouden te worden.’ Ik wreef in mijn ogen.
‘Nou, dat verbaast me niks, zoals jij midden in de nacht in vijvers rondzwemt. Maar vertel op, wat zei ze?’ Hij was zo opgewonden en wilde zo graag horen wat Maria had gezegd dat hij praktisch met zijn neus boven op de mijne stond.
‘Je hebt zelf gezien hoe ze reageerde.’
‘Ja!’ Hij stak triomfantelijk zijn vuist in de lucht. ‘Perfect gewoon. Echt perfect. Zag ik nou dat ze stond te huilen? Ze zag eruit alsof ze stond te huilen. Da’s heel wat, want Maria huilt nooit. Wat hebben jullie een tijd staan praten, zeg. Wat zei ze allemaal?’ Hij stond letterlijk te dansen van opwinding, en keek onderzoekend naar mijn gezicht, op zoek naar tekenen van hoe het precies in zijn werk was gegaan.
Ik zette resoluut mijn emoties opzij en vertelde hem het hele verhaal, minus mijn eigen getormenteerde innerlijke gedachten. ‘Ze vroeg of je haar probeerde te vertellen dat je nog altijd van haar hield. Ze zei dat iemand die in de vrieskou in het water springt om een lelieblad voor een ander te plukken echt wel veel van die ander moet houden. Waarop ik zei dat je inderdaad veel van haar houdt.’
‘Alleen was ik niet degene die in de vijver is gesprongen.’ Adam keek me strak aan met zijn blauwe ogen, waarvan mijn hart normaal gesproken een vreugdesprongetje maakte, maar wat nu alleen maar pijn deed. ‘Dat heb jij voor me gedaan.’
Even keken we elkaar aan. Toen keek ik de andere kant op. ‘Daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat is dat zij snapt waar het om gaat.’ Ik kwam in beweging. Ik had geen keus. Ik moest gewoon bij hem vandaan.
‘Christine? Waar ga je heen?’
‘Eh… maakt niet uit. Ik heb het koud. Ik moet in beweging blijven.’
‘Oké, goed plan. Vond ze de chocolaatjes leuk?’
‘Ze was dolblij met de chocolaatjes. Dat was de reden waarom ze zo stond te huilen. Jemig, zeg, heb je echt chocoláátjes voor haar gemaakt? Ben jij Adam Basil, van “With Basil you’ll dazzle”?’
Hij rolde met zijn ogen maar was duidelijk in de zevende hemel met de manier waarop dit was afgelopen. ‘Wat zei ze allemaal?’
‘Ze was zo blij ze weer te zien dat ze ze praktisch zoende. Maar echt hoor, heb je chocolaatjes voor een vrouw gemaakt? Jezus, Adam, jij wist waar je mee bezig was.’
‘Wist?’
‘Je snapt best wat ik bedoel. Je krijgt het wel weer in de vingers.’
‘Er zat rum in, omdat ze bedwelmend is,’ zei hij trots.
‘Weet ik. Dat zei ze al.’
‘Echt waar? Wat zei ze allemaal?’
Hij wilde zo vreselijk graag alles horen dat ik ons hele gesprek herhaalde, behalve het gedeelte waar Maria me vragen had gesteld over mijn rol in zijn leven. Dat gedeelte begreep ik zelf nog steeds niet helemaal.
‘Dus jij bent Adam Basil van chocoladefabriek Basil.’ Ik schudde ongelovig mijn hoofd. ‘Dat had je me gisteren moeten vertellen. Je ontkende het.’
‘Ik heb niks ontkend. Als ik het me goed herinner, zei ik: “Ja, en net zoals basilicum.”’
‘O. Nou, als dit straks allemaal achter de rug is, moet je voor mij ook maar een chocolaatje maken, als teken van waardering.’
‘Makkie. Chocolade met koffiesmaak. Zonder melk.’
Ik rolde met mijn ogen. ‘Lekker origineel, zeg.’
‘In de vorm van een espressokopje.’ Hij deed erg zijn best om indruk op me te maken.
‘Ik hoop dat jullie bij Basil een goed ontwerpteam hebben.’
‘Hoezo? Je eet het toch niet op,’ zei hij lachend.
Zonder een woord te zeggen liepen we verder. Ik probeerde zo min mogelijk na te denken. Ik had zo’n hoofdpijn dat het pijn deed om na te denken, dus stond ik toe dat Adam mij voor de afwisseling eens de juiste kant op stuurde. Toen we in de buurt van de Samuel Beckett-brug kwamen, greep ik zijn hand. Het was een instinctieve reactie; ik wilde niet dat Adam ineens zou springen, ook al wist ik dat hij na de reactie van Maria prima in zijn vel zat. Hij protesteerde niet. We liepen hand in hand over de brug. Toen we eenmaal aan de overkant waren, liet Adam mijn hand niet los.
‘Waar denkt iedereen bij Basil eigenlijk dat je uithangt?’ vroeg ik.
‘Op bezoek bij mijn vader. Ze zeiden dat ik zo lang vrij mocht nemen als ik wou. Ik vraag me af of ze akkoord zullen gaan met de rest van mijn leven.’
‘Ik weet zeker dat ze die oplossing vast liever horen dan het alternatief.’
Hij keek me scherp aan. ‘Dat mogen ze nooit te horen krijgen.’
‘Dat je geprobeerd hebt om zelfmoord te plegen?’
Hij liet mijn hand los. ‘Gebruik alsjeblieft niet de hele tijd dat woord. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen?’
‘Adam, als ze wisten dat je zo ongelukkig was dat je er een einde aan wou maken, dan zouden ze dat waarschijnlijk een goede reden vinden om de baan niet aan te nemen.’
‘Dat is geen optie, dat weet je zelf ook wel,’ zei hij. ‘En bovendien is dat niet de reden waarom ik het heb gedaan.’
Er viel een langdurige stilte.
‘Volgens mij is het tijd dat je op bezoek gaat bij je vader.’
‘Niet vandaag. Vandaag is een goede dag,’ zei hij, weer helemaal in de wolken over de manier waarop het met Maria was afgelopen. ‘Waar gaan we nu naartoe?’
‘Ik ben best wel moe, Adam. Volgens mij moet ik gewoon naar huis om wat uit te rusten.’
Hij zag er eerst teleurgesteld uit, toen bezorgd. ‘Gaat het?’
‘Ja.’ Ik knikte. Het was van belang dat ik vrolijk overkwam. ‘Ik moet gewoon even een dutje doen, dan kan ik er wel weer tegenaan.’
‘Ik heb ervoor gezorgd dat Pat ons ophaalt.’
‘Wie is Pat?’
‘De chauffeur van mijn vader.’
‘De chauffeur van je vader?’ herhaalde ik.
‘Nou ja, mijn vader ligt toch in het ziekenhuis, dus die heeft hem niet nodig, en jouw auto is uit de roulatie, dus heb ik Pat maar gebeld. Hij is het toch zat om de hele tijd thuis te zitten wachten.’
Even later stond Pat voor onze neus in een gloednieuwe Rolls Royce van 250.000 euro. Ik wist weinig van auto’s, maar Barry, die geen echte passies had maar wel het een en ander van auto’s wist, had vaak goede auto’s aangewezen, die altijd bestuurd leken te worden door ‘opscheppers’. Barry was van mening dat Rolls Royces de auto’s waren van de grootste opscheppers. Ik begroette de chauffeur, Pat, en nam plaats in de auto, die heerlijk warm was na de vrieskou buiten. Adam, die galant de deur voor me had opengehouden, had het portier nog niet dichtgeslagen; hij stond me met een bedachtzame blik op zijn gezicht aan te staren.
‘Wat?’ vroeg ik.
‘Rozenwateressentie,’ was het enige wat hij zei.
‘Ik hou van rozenwater.’
‘En het chocolaatje wordt in de vorm van een bloemblaadje.’
‘Oké, jij weet inderdaad waar je mee bezig bent,’ gaf ik toe. ‘Reden te meer om je in leven te houden.’
‘Bedoel je dat er meer dan één reden is dan?’ grapte hij. Hij sloeg het portier dicht.
Ja, dacht ik bij mezelf terwijl ik toekeek hoe hij om de auto heen liep.