waarbij elk van hen een klein geschenk van schelpen kreeg die ze uit haar haren trok, waarna ze zich suggestief tussen de benen van de volwassen mannen door wrong, ondertussen met haar hand of mond of wang langs hun mannelijkheid strijkend. Als laatste kwam ze bij de Meester van het Feest.

Ze ging voor hem staan. Er steeg een gemompel op uit de menigte. Ze haalde zijn handen van de trommel af. De menigte begon het ritme van de dans te klappen die, dat wist hij, M'alsum nu samen met haar moest dansen. Hij was Man, Meester van het Feest. Zij was Sjamaan. Vrouw getransformeerd tot Zeehond. Met haar paren zou betekenen één met haar worden; één met haar worden zou de betekenis van het feest voor iedereen bekrachtigen. En zo gebeurde het.

Op de koude, bebloede, nu bijna gesmolten sneeuw die het symbool was voor het pakijs waarop de zeehonden paarden, wierpen, en zichzelf aanboden als voedsel voor het volk, ging Puwo'win op haar rug liggen op haar vreemde cape van geitenleer en opende zich voor de Meester van het Feest. M'alsum stond voor haar, zag haar wilde grijze haar verward als zeeschuim op de cape uitgespreid liggen - even grijs en mooi als Meya'kwés haar op de dag dat hij haar voor het laatst had gezien - zag hoe ze haar borsten naar hem omhoogduwde en hoorde haar lange, zachte mond uitnodigend zijn naam fluisteren. De toekijkende menigte gaf luidkeels blijk van waardering voor zijn erectie, want zelfs voor een zoon van Asticou was die zo reusachtig dat hij er zelf verbaasd van stond, en dat de mensen van het Land van de Dageraad die niet snel zouden vergeten. Hij stootte toe. Zij kromde zich en kwam hem tegemoet, spande zich om hem heen, hield hem vast, toen ontspande ze en spande ze opnieuw, telkens weer. Terwijl hij op haar bewoog klapte de menigte in het ritme van hun vereniging tot de ejaculatie kwam. Een voor een wendden de mannen zich tot hun eigen vrouw en terwijl de ouderen de zorg voor de kinderen op zich namen, zette de voortplantingsdans zich voort.

Totdat van buiten de feesttent de kreten van een man de nacht verscheurden.

De mist lag zwaar op het strand.

De spekstenen lampen waren gedoofd en lagen over het strand verspreid, de olie was over de stenen uitgelopen en vermengde zich met het bloed van Ami'ck. De man zelf was nergens te zien. Op het strand lagen her en der verspreid een paar bevertanden en ook de tas van vossenhuid waarin de jongeman zijn speelstukken bewaarde. 'De Machtige heeft ons gewaarschuwd!' hijgde Onen'ia. 'Hij stond daar op de landtong aan de rand van het woud! Zijn schaduw moest hebben gewezen op Dood die van daar buiten op het ijs naar ons op weg was! Maar we konden onze ogen niet geloven!'

Er leek zich een holte te hebben geopend in M'alsums buik toen hij haastig zijn kleren aantrok en neerkeek op de radeloze jongeman. 'Machtige! Welke Machtige?' 'Diegene die jij beweert te hebben gedood!' 'En héb gedood!'

'De mammoet die wij op de landtong zagen, was wit! Zoals in alle legendes! Zoals Puwo'win vertelde! In het donker wisten we niet zeker of het gezichtsbedrog was door het maanlicht... Licht weerkaatst op de sneeuw op de rotsen tussen de bomen... maar ik zeg jullie nu dat het een mammoet moet zijn geweest... een manitoemammoet even wit als de grote beer die geruisloos in de mist uit de zee kwam en Ami'ck te pakken had voordat ik zelfs maar naar mijn speer kon grijpen!'

'De Machtige is dood!' hield M'alsum vol. 'je hebt waarschijnlijk de beer op de landtong gezien... of een manifestatie van je eigen angst, een visioen van Ktci'awa, het Grote Beest dat aan iemand verschijnt als een waarschuwing dat ze spoedig Dood zullen ontmoeten!'

'Witte beren zijn nog nooit zo ver naar het zuiden gekomen!' Ogeh'ma schudde zijn hoofd alsof hij probeerde een kwade droom kwijt te raken. 'En ik ken geen enkele man die Ktci'awa ooit heeft gezien. Nee... nee...' Hij sprak onsamenhangend en was zo overrompeld dat zijn toon noch zijn houding die van een jachtopperhoofd was van wie werd verwacht dat hij de situatie meester was.

M'alsums kaak verkrampte. De witte mammoet? Nee! Wat hij zojuist tegen de jonge jager had gezegd, moest toch zeker waar zijn? Het kon niet! Hij wilde het niet geloven! En hij kon het zich niet veroorloven de anderen toe te staan het wel te geloven, want dan zou hij niet lang meer Meester van het Feest zijn. Nu, indachtig Kinaps woorden over Hasu'u, die naar het noorden werd meegevoerd, gekleed in de huid van een witte beer, werd hij getroffen door de ironie van de situatie, evenals door de herinnering aan iets wat hij van handelaren had gehoord die ver naar het noorden waren gereisd. 'Ze zeggen dat witte beren ijsberen zijn, dat ze zeehonden volgen die werpen op het drijfijs. Waarom zouden ze dus niet hier komen? Ogeh'ma had zijn mensen voor dit gevaar moeten waarschuwen.'

Ogeh'ma, die zich herinnerde dat hij jachtopperhoofd was in dit kamp, zette in zijn vachten verontwaardigd een hoge borst op. 'Mijn stamleden wéten dat ze voor beren moeten uitkijken!'

'Maar je zoon weet niet hoe hij zich ertegen moet verdedigen!'

'De wind was gaan liggen. De honden hebben geen onraad geroken en niets gehoord en hebben geen alarm geslagen,' sputterde Onen'ia. 'En wie zou nu ooit hebben geacht dat een beer uit de zee zou komen in plaats van uit het woud... uit de mist? Tegen de tijd dat ik een speer had geworpen, was hij al één met de mist... verdwenen en...' 'En wie zou ooit hebben gedacht dat de zoon van een jachtopperhoofd gillend om hulp naar zijn vader zou rennen in plaats van achter Ami'ck aan te gaan voordat de beer een man van zijn stam het water in zou sleuren en onder het ijs tussen de vaargeulen zou trekken?' vroeg Puwo'win, die geen enkele moeite deed de minachting in haar stem te verbloemen.

Onen'ia uitte een onverstaanbare jammerklacht. Er waren geen woorden om uit te drukken wat hij nu voelde.

Op het strand was het stil.

Op het ijs hadden een paar jongere mannen zich de mist in gewaagd en ze worstelden nu met de oude Ko'ram, die ze hadden ingehaald toen hij jammerend en om zijn verloren zoon roepend het ijs op was gegaan. Hij werd door Kanio'te tegengehouden om te voorkomen dat hij zou uitglijden en in het donkere water van de vaargeulen zou vallen en verdrinken, of dat hij te ver het ijs op zou gaan en het risico zou lopen door dezelfde beer te worden gegrepen die hem zijn zoon had afgenomen - hoewel ze het met elkaar eens waren dat die kans nu bijzonder klein was. Ondanks de buitensporige eetlust van zijn soort, zou de beer na het verslinden van een man waarschijnlijk een aantal dagen geen honger hebben.

M'alsum fronste. Hij wist het antwoord op Puwo'wins vraag, hij kon het ruiken. 'De zoon van Ogeh'ma riekt naar angst. Hij heeft over zichzelf en zijn stam schande gebracht. Hij heeft in feite over iedereen schande gebracht die hem deze nacht hun vertrouwen heeft geschonken!' 'Nog nooit had ik een dergelijke beer gezien! Nooit! Het ene ogenblik was hij er niet en het volgende had hij Ami'cks hoofd in zijn bek en stroomden zijn ingewanden over het strand en... en... Is M'alsum dan nooit bang geweest?' Onen'ia was verslagen en hunkerde wanhopig naar vergeving en begrip.

M'alsum keek de jongeman met een ijzige blik aan toen hij loog met een gemak dat zijn tweede natuur was geworden. 'Ik heb nog nooit een vriend de rug toegedraaid en ben nog nooit gevlucht terwijl ik een lid van mijn groep achterliet om te sterven. Ik heb Katcheetohüskw gedood! Ik heb gegeten van het hart van het Grote Beest! Ik vrees niéts!' Met opgeheven hoofd liet hij zijn blik over de gezichten glijden van hen die op het strand bijeenstonden. Ze geloofden elk woord. 'Kom,' zei hij, Ogeh'ma's verongelijkte blik negerend. Zowel uitnodigend als bevelend sprak hij de groep toe, met het gezag van iemand die weet dat hij erin geslaagd is zichzelf opperhoofd over mindere mannen te maken. 'Er is niets meer wat wij voor Ami'ck kunnen doen. Zoek nu warmte, mijn volk. Zoek nu beschutting. Zoek nu rust. Morgen zullen wij rouwen.'

'En Onen'ia?' De vraag van de sjamaan hing in de lucht, even kil als de mist die nu bijna het hele strand en de baai en de omliggende landtongen in duisternis hulde. M'alsum verstrakte. Zijn blik ontmoette die van Puwo'win. Haar woorden waren een open uitdaging, en dat besefte hij maar al te goed. Ze hield haar hoofd even hoog als hij het zijne. Haar lichaam was even gespannen. Haar getatoeëerde gelaatstrekken stonden strak door haar ademloze verwachting. Hij wist dat ze zijn blik toestond bij haar binnen te dringen en dat ze die even vurig verwelkomde als het binnendringen van zijn hartstocht, en ze deelde hem met haar blik mee dat wat hij nu zou zeggen en doen bepalend zou zijn voor zijn uiteindelijke waarde in haar ogen. Opnieuw stonden ze als roofdieren elk aan een kant van een prooi. En ditmaal wist M'alsum zeker, nog voordat hij sprak, dat ze van nu af aan zouden delen in het feest van macht dat voor hen lag.

'Onen'ia is verstoten!' verklaarde hij. Een gemompel voer door de menigte. M'alsum wachtte tot het was bedaard.

'Het zou menslievender zijn om hem hier op het strand dood te knuppelen,' zei Puwo'win, hem met samengeknepen ogen taxerend.

'Ik ben Mammoetdoder, Brenger van Alle Goede Dingen Voor Het Volk. Ik zal mijn gastheeropperhoofd niet de schande aandoen het leven te nemen van zijn onwaardige zoon! Dat mag hij zelf doen. Of niet doen. Maar iedereen moet weten dat ik geen lafaard tolereer in mijn kamp.' 'Zijn kamp?' 'Dat zei hij, mijn man.'

Ogeh'ma hoorde Segub'uns bevestiging. Hij wilde nog iets zeggen maar was niet bij machte te spreken. Hij stond als aan het strand vastgenageld en keek toe terwijl M'alsum en Puwo'win de mensen voorgingen het smalle uitgesleten pad op naar de klippen. Terneergeslagen zag hij ze gaan. Iedereen.

Behalve Segub'un natuurlijk, en Onen'ia's vrouw, Goh'beet, met de uitstekende boventanden, en hun kleine kinderen. En Suda'li, de kersverse weduwe van Ami'ck en haar nu vaderloze tweelingzoontjes.

Dat was alles. Behalve voor Kanio'te en de drie jongemannen die nog steeds met Ko'ram op het ijs waren, waren dit de enige mensen die waren achtergebleven om hem te troosten in deze troosteloze ogenblikken. En nu lag Segub'un op haar knieën voor Onen'ia. Ze boog haar hoofd en vergoot stilletjes de tranen van een moeder die op het punt stond een zoon te verliezen die ofwel door de hand van zijn vader zou worden gedood, ofwel met zijn vrouw en kleintjes weggestuurd zou worden. Als een man die uit de stam werd verstoten omdat hij de dood van een ander op zijn geweten had, zou hem niet worden toegestaan zijn bezittingen mee te nemen, en waar hij ook ging, zouden behoedzame lieden hem mijden. Er liep een rilling langs Ogeh'ma's ruggengraat. Het zachte geluid van zijn huilende vrouw raakte hem meer dan hij zich kon veroorloven geraakt te worden. Hij moest nadenken. Hij moest zijn spraak terugvinden. En zijn verstand! Hij was woest op zichzelf dat hij M'alsum niet had uitgedaagd. De man had dagenlang zijn gezag ondermijnd en hem moedwillig vernederd met kleine maar niet altijd zo subtiele gebaren. En waarom had hij de sjamaanvrouw van de machtige Squam niet recht in haar inhalige ogen gekeken en haar eens en voor altijd verteld hoe hij dacht over haar doortrapte en obscene voorwendsel van magie!

'Puwo'win.' De naam bracht zuur naar zijn mond. Hij verzamelde wat speeksel en spoog het uit vanaf het puntje van zijn tong om te voorkomen dat de fragmenten van de klank ervan zijn lippen besmetten. Hij wist dat hij lang geleden al uiting had moeten geven aan zijn twijfels over haar, toen de winters langer begonnen te worden, toen de periodieke bezoeken van Squam tot een eind kwamen, toen zij en haar afgezanten van het eiland kwamen en steeds meer vlees en huiden verlangden en zo af en toe een jong meisje om de behoeftes van de grote Squam te honoreren. Dat laatste ergerde hem altijd want hij wist dat bij andere stammen eveneens een vergelijkbaar verzoek werd gedaan, en hij vroeg zich boos af hoeveel jonge meisjes er tegenwoordig dan wel nodig waren om de jachtstaf van een oude sjamaan omhoog te krijgen. Waarschijnlijker was dat zij de jongemannen van dienst waren die Squams vrouw bewaakten en in haar naam onderhandelden. Maar aangezien de families van de uitverkoren meisjes geen bezwaar maakten, en de menselijke bijdrage zich altijd vereerd voelde, had hij zijn gedachten voor zich gehouden. Hij was tenslotte lang genoeg jachtopperhoofd om te weten dat in tijden van verandering en onzekerheid de mensen meer behoefte aan magie en rituelen hadden dan ooit.

Sinds de tijd voor het begin der tijden had het Volk hun sjamanen aanbeden, die magische mannen en vrouwen die hun verveling verdreven, die troost brachten bij hartzeer als mannen bij de jacht de dood vonden, of als kinderen verdronken bij het oversteken van een rivier, of als vrouwen tijdens een bevalling doodbloedden, of als kleintjes dood werden geboren of als het Volk zwijgzaam en apathisch in het midden van een winter voor zich zat uit te staren terwijl de honger aan hun ingewanden knaagde. En sinds de tijd voor het begin der tijden, sinds Eerste Man en Eerste Vrouw volgens de overlevering hun laatste kamp hadden opgeslagen op het heilige eiland in het Land van de Dageraad, in het aangezicht van de rijzende zon, had er altijd een sjamaan op het heilige eiland geleefd. Een Squam. Een magische man als geen ander. Een man die in staat was het wild te laten verschijnen en de winter van Grote Geest Kannibaal te verdrijven. Een sjamaan even wijs en mysterieus en even gul met de geschenken des levens - aan hen die hem eerden - als de grote geschubde vis naar wie hij was genoemd. Want het was van oudsher bekend dat, toen de zeespiegel steeg, waardoor wat vroeger een heilige berg was geweest een eiland werd, Eerste Man en Eerste Vrouw hun beenderen toevertrouwden aan de zorg van hun sjamaan en hun geest aan de zalm, zodat zij, als Squam ze ontbood, elk jaar zouden terugkeren uit het zoute water van de zee om te paren en zich voort te planten in het zoete water dat uit het land stroomde, en hun vlees zouden afstaan, samen met het vlees van alle dieren van het land en de zee en de lucht, om het leven van de stammen van het Land van de Dageraad voor eeuwig te laten voortbestaan.

Ogeh'ma balde zijn vuisten. Hij wist niet zeker of hij dat allemaal wel moest geloven. Van nature was hij een pragmatisch en opmerkzaam man en de ervaringen die hij in zijn lange en behoedzaam geleefde leven had opgedaan, gaven hem geen reden om vertrouwen in de magie te hebben, noch in diegenen die beweerden in staat te zijn het getij van het leven te beïnvloeden door middel van een dans of een lied of door een veer te laten vallen of een steen om te keren of een bot te verbranden, of met de hoop op iets goeds of slechts in ruil voor vlees of mooie pelzen of mooie vrouwen. Je kon beter de sterren volgen en het lengen of korter worden van de schaduw van de zon op de aarde om te weten wanneer je de terugkomst van het wild en de moerasvogels en de zeehonden kon verwachten. Je kon je beter voor ogen houden welke paden de herten en elanden en kariboes door het woud volgden, en waar ze veilig de stromen en rivieren overstaken, en waar het volk elk jaar zijn dammen en netten kon uitzetten met de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de lodde in het voorjaar zou komen om als voedsel voor hen te dienen, spoedig gevolgd door de zalm en zalmforel en forel, en witte walvissen! En als de vis niet in voldoende groten getale verscheen om ieders buik te vullen, kon je maar beter weten hoe en waar je ander vlees kon vinden en hoe je dat veilig kon bemachtigen in een land waar Mens niet de enige vleeseter was en zelf weleens als vlees zou kunnen eindigen als hij - zoals die arme Ami'ck - zich in een ogenblik van onvoorzichtigheid afwendde van het gevaar van een ongeziene roofvijand.

Segub'un snikte nu luider.

'Hou op met je gesnotter, Vrouw!' gebood hij. Hij kon haar gehuil niet langer aanhoren. Het ontmande hem. Onen'ia was nog niet dood! En het was niet goed dat Segub'un moest treuren om hem terwijl ze nog in de rouw was voor een dochter die haar zo dierbaar was geweest dat ze van vertwijfeling haar haren had afgesneden uit verdriet om het verlies van het meisje. Zijn mond verstrakte. M'alsum had nagelaten Hasu'u's leven te redden. Ogeh'ma had de man niet uit zijn kamp verjaagd! Hij had zijn leven niet genomen in ruil voor dat van zijn verloren gegane en - hoewel hij dat nooit aan iemand had toegegeven - liefste dochter. Toen het meisje ermee had ingestemd om weg te gaan met de knappe, slimme handelaar uit de inlandse wouden, had Segub'un, evenals hijzelf, eindeloze manen lang in stilte geleden. En nu volgden Nee'nah, Ane'pemin'an en Chi'co'pee diezelfde man en lieten ze hun moeder achter om afscheid te nemen van een broeder die ze waarschijnlijk nooit meer zouden zien. En Nee'nah was de enige die achteromkeek! Wat voor dochters had hij grootgebracht? En wat voor een man was deze M'alsum dat hij ze zo gemakkelijk kon weglokken van degenen die ze liefhadden? Een golf van verontwaardiging trok door zijn lichaam. Hij wist wat voor een man hij was: een overweldiger. En ach, wat was hij slim!

'Niet slim genoeg!' verklaarde Ogeh'ma. 'Ik ben te vriendelijk voor hem geweest. Ik heb te gemakkelijk zijn woorden voor waarheid aangenomen. Maar ik laat me niet vernederen in mijn eigen kamp! Ik zal niet als een slaafse hond achter hem aan lopen! Nee! Ik zal voor hem noch voor welke andere man ook ooit nog buigen! Onen'ia, omhels je moeder en neem je speren op.'

De jongeman keek naar zijn vader, verward, met droevige ogen. 'Ik ben onwaardig ze op te nemen,' zei hij zachtjes. Ogeh'ma walgde plotseling van zijn zoon, en nog meer van zichzelf. 'Ga dan maar het ijs op en roep die witte beer terug! Niet om hem te doden, want je beweert dat je dat onwaardig bent, maar om hem te zeggen dat jij vannacht een tweede portie vlees voor hem wilt zijn! Ga, Onen'ia! Waarom ook niet? Want ik zal geen zoon van mij doodknuppelen of uit mijn familie verstoten die, tot vannacht, een van de sterkste en moedigste jagers in mijn groep was. Hoe durft M'alsum mij zo sluw en hooghartig te manipuleren en mij voor de hele menigte te kijk te zetten en er met mijn trots vandoor te gaan? Dood een zoon... Verstoot een zoon... Wat voor keus is dat om een man in zijn eigen jachtkamp te geven? Welk van de twee ik ook kies, ik zou in zijn ogen en in de ogen van mijn volk voor altijd een hond zijn!'

'Maar, vader, ik was bang. Toen de beer uit de mist opdook, kon ik me niet bewegen. Ik keek naar hem. Hij keek naar mij. En op de een of andere manier leken zijn ogen mij te vertellen: "Jij bent niet degene die mij tot voedsel zal dienen, zolang je niet beweegt, zolang je niets zegt." En toen keek Ami'ck op van het spel en zag hij de blik op mijn gezicht, en toen hij zich omdraaide om te zien wat ik zag...' 'Maak de kinderen niet bang,' onderbrak Ogeh'ma hem streng. De anderen kwamen nu van het ijs. Zijn gezicht vertrok van medeleven toen hij zag hoe Ko'ram door Kanio'te werd ondersteund. Toen ze dichterbij kwamen, sprak hij hen allen toe, maar hij keek de kleintjes aan toen hij zei: 'Onthou dit en vergeet het nooit: soms, als een jager wordt geconfronteerd met een verschrikkelijk en onverwachts gevaar, verschrompelt zijn geest bij de aanblik daarvan. Soms laten zijn moed en kracht hem in de steek. Het is net als je hand in ijskoud water steken om iets te pakken wat je hebt laten vallen. Wat gebeurt er met de huid van de reikende hand bij de eerste schok van het koude water?' 'Die verschrompelt!' antwoordde een van de kleintjes. 'Ja!' bevestigde Ogeh'ma. 'Omdat hij bang is voor de kou. Hij zou zichzelf binnenstebuiten keren en zich tussen de botjes van de reikende hand verstoppen als hij dat kon. Maar de hand blijft uitgestoken, ondanks de bange verschrompelde huid. Moedige hand! Het is hetzelfde met het hart van een jager. Een moedig hart moet zich over de schok heen zetten die zijn lichaam bevangt als hij iets voor zich ziet dat de huid van zijn geest laat verschrompelen. Jullie vader is daar vaak in geslaagd! Héél vaak! Vannacht... was niet een van die keren.'

Ko'ram schudde zijn hoofd. 'Het was mijn schuld, niet die van Onen'ia. Ik heb slecht gesproken over de sjamaan. Zij heeft de beer uit de mist laten opdoemen om mij door mijn zoon te straffen. De macht van Puwo'win is groot! Zij...' 'Dat is precies wat ze je wil laten geloven! Dat is precies wat ze ons allemaal wil laten geloven! Maar geloof mij als ik zeg dat de lucht en het licht van de olielampen de beer hebben aangetrokken!' Ogeh'ma sprak met overtuiging. 'Als Ami'ck niet met zijn rug naar de zee had gezeten, hadden hij en Onen'ia hem kunnen verjagen! Nu was het een onvoorzien gevaar. Een gevaar dat nooit meer over het hoofd zal worden gezien. Het verlies van Ami'cks leven zal daarvoor zorgen! En na vannacht, als Ami'cks familie zo wenst, zal Onen'ia in zijn plaats op jacht gaan voor zijn vader en vrouwen en kinderen! Maar laat geen man of vrouw ooit een zoon of dochter van Ogeh'ma Lafaard noemen! Moedig is mijn Hasu'u bij deze stam vertrokken met een nieuwe man die bezwoer dat hij haar zou beschermen en haar veilig bij ons terug zou brengen. En alle jagers die 's nachts tegenover een beest met grote tanden komen te staan zijn bang! Allemaal! En ik zeg jullie nu dat Ogeh'ma niet zal zwichten voor een jachtopperhoofd die iets anders beweert... noch zal hij naast hem lopen, want die man is een leugenaar of een dwaas!' 'Die man is geen dwaas,' zei Goh'beet somber. Huiverend trok ze haar kinderen dicht tegen haar aan. 'Hij heeft me pijn gedaan toen hij op mij lag... Om mij zijn kracht te laten voelen, zei hij. En in de ogen van de sjamaan Puwo'win schittert hij. Ik geloof, vader van mijn man, dat hij nu voor altijd jachtopperhoofd en Meester van het Feest van jouw stam zal zijn.' 'Alleen Squam leeft voor altijd!' zei Ko'ram. Zijn stem klonk bitter, vermoeid en verdrietig - de diepe en onuitsprekelijke droefheid van een vader die de laatste van zijn kinderen heeft overleefd. Toen, met een zucht, besloot hij: 'En de Mammoetdoder die Katcheetohüskw heeft gedood!' 'Wie weet wat M'alsum heeft gedood?' snauwde Ogeh'ma. 'En wie heeft Squam gedurende de voorbije winters, het aantal van de vingers van één hand, nog gezien? Ik zeg dat er misschien geen Squam meer is! Misschien is hij lang geleden al gestorven en is daar alleen nog maar zijn sluwe en hebzuchtige vrouw die vasthoudt aan zijn reputatie en zo listig is zichzelf te verbinden met een ambitieuze handelaar uit het inlandse woud die verhalen durft te vertellen die even vergezocht zijn als de vertellingen van de reus met het hoofd vol littekens die ons bezoekt om vlees te verdienen in ruil voor zijn verhalen en kennis van de geneeskunst!' 'Squam zal voortleven in zijn zoon.' Ko'ram uitte de herinnering met een zucht. 'Als ze die jongen vinden, ook als Squam zelf dood is, zal hij voortleven, niet zoals andere mannen voortleven in hun zonen, maar volledig: dezelfde man, dezelfde herinneringen, dezelfde wijsheid - een waarachtige en magische wedergeboorte. De macht van de heilige steen van de Voorouders zal daarvoor zorgen.'

'Magische stenen! Magische mannen! Magische vrouwen!' Ogeh'ma was buiten zichzelf van woede, zijn geduld was op. 'Wat voor magie kan Puwo'win of Squam bezitten als ze niet eens konden voorkomen dat hun zoon werd gestolen? En hoe kon ze dansen zoals ze danste in de feesttent terwijl haar een kind van haar eigen vlees en bloed is ontnomen?' 'Voor het volk... Als eerbetoon aan de geesten van de gedode zeehonden... heeft ze ter wille van ons haar verdriet opzij gezet,' zei Onen'ia.

Ogeh'ma keek naar zijn zoon alsof hij niet kon geloven wat hij hem had horen zeggen. 'Misschien heeft ze gelijk. Misschien moet ik je inderdaad de hersens inslaan! Als er tenminste hersens zitten in het hoofd van een man die gelooft dat een vrouw de zeehonden eer kan bewijzen door een dans, of dat een man werkelijk het wild kan ontbieden en het weer kan beïnvloeden, of dat een enkele haar geplukt uit het vlees van een dood dier aan de man die die haar in zijn bezit heeft de kracht van dat dier zal schenken! Nee! Ik zou mezelf moeten doodknuppelen dat ik je heb toegestaan die dingen te geloven terwijl ik er in mijn eigen hart aan twijfelde!' 'Ogeh'ma!' Segub'un was overeind gekomen. 'Je hebt je volk altijd naar een vleesrijk kamp geleid. Altijd! Jouw zonen en dochters zijn de kinderen van een groot jachtopperhoofd! Wij zullen altijd geloven wat jij ons vertelt... omdat jij ons nooit reden hebt gegeven om je woorden in twijfel te trekken!' Hij rechtte zijn rug. Ze was nog steeds sterk en koppig, zijn Segub'un, net als al haar dochters. Zoals Hasu'u ongetwijfeld sterk en koppig moet zijn geweest toen de manitoes haar kwamen halen. Ze zal dapper weerstand hebben geboden!

Ze zal haar hoofd hoog hebben gehouden en ze tot het bittere eind hebben bevochten! Door de gedachte nam zijn bitterheid jegens M'alsum nog meer toe. Hij had haar laten sterven! En vervolgens was hij naar haar volk teruggekomen, had hij haar vader vernederd, hem beroofd van zijn gezag over de bij elkaar gekomen stammen, en nu verwachtte hij zelfs dat hij een van haar broeders zou kunnen doden of verstoten, alleen maar omdat hij dat wilde. Zijn blik ontmoette die van Segub'un en hield hem vast. Een vrouw als zij was in staat een man elk gevoel van trots terug te geven dat hij verloren had.

'De krachten der Schepping hebben mij de ogen en de wijsheid geschonken om de tekenen van veranderend weer en nieuwe wildsporen te herkennen. Ik behoef geen magische man of magische vrouw of magische stenen om mij te laten zien hoe ik mezelf of mijn volk moet voeden en kleden! We zullen Ami'ck beweeklagen. Hier op het strand zullen we rouwen. Daarna zal ik mijn familie en iedereen die met mij mee wil voorgaan en dit kamp verlaten. Ik zal de kariboes zoeken. Ja! We zullen ze noordwaarts volgen! Ver weg van dit kamp! Het is lang geleden dat ik onze neven bij de verre Rivier van de Witte Walvissen heb bezocht.' 'Maar, vader... ik heb Ktci'awa gezien!' Ogeh'ma keek met een harde blik naar Onen'ia. 'Als je de witte beer op tijd had gezien om Ami'ck te waarschuwen, zou ik nog je vader zijn! Nu ben je de zoon van Ko'ram. Hij is oud. Door jouw schuld heeft hij geen zonen meer. Geen familie. Jij zult nu voor hem op jacht gaan en hem verzorgen. Jouw familie zal zijn familie zijn. En wat betreft hetgeen je op de landtong hebt gezien, dat weet ik niet en dat wil ik ook niet weten. Ik wil in mijn kamp niets meer horen over manitoes - of over mammoets!'

Hij moest het weten.

Alleen in het donker met twee speren in zijn ene hand en een derde klaar om te werpen in de andere, sloop M'alsum het slapende kamp uit en hij durfde amper te geloven dat hij de honden niet had gewekt toen hij van de klip naar beneden klom en tussen de bomen door in de richting van de landtong liep.

De maan was allang ondergegaan. Er was een zwakke bries opgestoken die de mist voor zich uit dreef, waardoor er in het woud alleen nog wat mistsluiers hingen en een kille, vochtige geur. Ergens in de buurt krijste een lynx. Het geluid sneed door elk zenuwuiteinde in M'alsums lichaam. Hij was bang, maar niet voor de lynx. Maar wel voor iets dat veel groter en veel gevaarlijker was.

Zijn mond was droog, zijn maag verkrampt, maar hij trok verder. Hij moest eenvoudigweg weten wat die twee wachters op het strand hadden gezien.

Maanlicht op met sneeuw bedekte rotsen? Ja! Iedereen was het erover eens dat het dat geweest moest zijn. Niets meer dan dat. Net zoals iedereen het erover eens was dat het niet aannemelijk was dat ijsberen het woud in gingen, maar toch...

Een golf van misselijkheid trok door hem heen toen hij zich de beer voorstelde op het door mist versluierde ijs terwijl hij zich in het donker te goed deed aan Ami'ck. En toch was zijn angst voor de witte beer niet half zo groot als voor die andere verschijning die nu voor zijn geestesoog stond en die dreigde alles te verwoesten wat hij vannacht voor zichzelf had gewonnen. De zvitte mammoet!

Als hij echt was, zou hij sporen hebben achtergelaten in de sneeuw. Er zouden tekenen zijn van zijn aanwezigheid. Hij moest het zien! Hij moest het weten! En als de nachtmerrie er een van vlees en bloed bleek te zijn, moest hij alle sporen uitwissen voordat iemand anders deze kant op kwam en de waarheid van zijn leugens zou ontdekken. En als de mammoet er nog steeds is? Jou staat op te wachten? Jou volgt?

Hij bleef stokstijf staan terwijl hij de doodsangst die hij had gevoeld in het ravijn opnieuw beleefde, en hij bracht zichzelf in herinnering dat hij al eens een aanvallende mammoet het hoofd had geboden en het kon navertellen. Wat hij had gedaan, zou hij nog eens kunnen als de noodzaak zich voordeed! Is dat wel zo?

'Ah!' Nooit!

De misselijkheid overweldigde hem. Hij liet zich op zijn knieën vallen en begon krampachtig te kokhalzen. 'Wat een verspilling van een goed feestmaal. Een man moet zich zo snel na het eten niet zo druk maken. De zeehonden zouden vast beledigd zijn... als ik verkoos het ze te vertellen.' M'alsum keek op, veegde braaksel van zijn mond en tuurde de duisternis in - naar: 'Puwo'win?'

'Wie anders had je gedacht in het woud te ontmoeten in het holst van de nacht, Mammoetdoder? De maagdelijke dochters van Ogeh'ma? Die zouden wel komen als je het ze zou vragen. Maar ik vermoed dat je op zoek bent naar iets anders... iets groters... iets gevaarlijkers. Een witte mammoet misschien?' Hij verstijfde.

'Wij denken eender, jij en ik,' zei ze terwijl ze door de duisternis naar hem toe liep, een vrouw in het wit met losse haren even grijs als de slierten mist, net als het haar van Meya'kwé. 'Er was niets op de landtong, Mammoetdoder. Alleen bomen en met sneeuw bedekte rotsen. En in de sneeuw is niets anders te zien dan de sporen van hazen en eekhoorntjes en vogels.'

Opluchting trok door hem heen. Hij voelde zich nu beter. Veel beter. Hij draaide de speer om in zijn rechterhand en gebruikte de stenen punt om het harde oppervlak van de sneeuwlaag te breken, waarna hij een vuistvol losgewerkte sneeuw oppakte, zijn mond ermee schoonmaakte en de sneeuw weer uitspuugde. Hij voelde zich in het nadeel zoals hij op zijn knieën voor haar zat en hij kwam overeind, waarna hij koel en achterdochtig vroeg: 'Waarom zou de vrouw van Squam zich daar druk om maken?' 'Om dezelfde reden dat jij je er druk om maakt. Als de witte mammoet echt is, kun je hem niet hebben gedood, wel dan? En als je hem niet hebt gedood, ben je niet wie je beweert te zijn. Maar aangezien het niets anders was dan een zinsbegoocheling in het maanlicht in de hoofden van angstige mannen, hebben wij niets te vrezen.'

'Ik vrees niets!' Zijn maag kromp samen door die leugen en door nog iets anders, een woord dat ze had gebruikt. 'Wij?' 'Ja. Wij. Jij begrijpt de betekenis van tovenarij even goed als ik. Jij weet hoe je de gedachten van anderen kunt manipuleren om aan jouw wensen tegemoet te komen.' 'Ik ben geen sjamaan!'

Ze lachte zachtjes, vreugdeloos. 'Het gaat er niet om wat je bént, Onbevreesde Mammoetdoder en Brenger Van Alle Goede Dingen Voor Het Volk. Het gaat erom wat anderen gelóven wat je bent!'

'En wat ben ik volgens jou, Puwo'win, vrouw van Squam?'

'Een gevaarlijke man voor iedereen die jouw wil niet dient.'

'En wat is mijn wil?'

'Om alles te hebben - te nemen.'

'Geen enkele man kan alles hebben of nemen.'

'Squam wel.'

'Ik ben Squam niet.'

'Je zou hem kunnen zijn.'

Hij lachte. Toen besefte hij dat ze niet in scherts sprak. 'Wat wil je daarmee zeggen, Puwo'win?

'Dat we het Volk kunnen laten geloven dat de krachten der Schepping jou naar het Land van de Dageraad hebben gebracht om in de plaats van Squam op het heilige eiland te leven. Zijn macht wordt al in twijfel getrokken. Maar ze hebben geen reden om aan die van jou te twijfelen. Jij hebt de zon en de zeehonden meegebracht! Ze zouden ons met eerbewijzen overladen zoals ze dat altijd hem hebben gedaan, de beste vachten en...' 'Ons?'

'Zou je niet Meester van het Feest willen zijn in alle kampen, M'alsum? Zou je niet willen dat iedereen jouw kracht en macht erkent zoals iedereen die van hem erkent? We zouden kunnen zeggen dat de grote Squam in jou opnieuw is opgestaan!'

'Waarom niet in jou?'

'Ik ben een vrouw. De legende is mij niet gunstig gezind. De grote Squam moet een man zijn.'

De opwinding kreeg greep op hem, maar toen bedacht hij:

'Die zoon van je waarnaar je op zoek bent, wordt van hem niet verwacht dat hij Squams plaats in zal nemen?' Ze keek hem lang en strak, bedachtzaam en peinzend aan. En toen haalde ze diep adem en had ze een besluit genomen. 'Ik zal je de waarheid vertellen. De jongen die ik zoek is niet van mij. Squam heeft nooit toestaan dat mijn kinderen in leven bleven. Nee, het kind dat ik zoek is het product van zijn ouderdom, niet door mij ter wereld gebracht maar door een van de jonge vrouwen die van ver weg naar het eiland zijn gebracht als eerbetoon aan hem. Wie had ooit kunnen denken dat hij haar kind zou willen behouden terwijl hij zijn leven lang heeft geloofd dat hij slechts zou leven zolang geen zoon van hem werd toegestaan op te groeien tot volwassenheid om hem van zijn macht te beroven? Maar ditmaal - oud en blind en levend in een grot aan de achterkant van het eiland om te voorkomen dat een buitenstaander zijn zwakheid zou zien - heeft zij hem doen geloven dat geen enkele man onsterfelijk is en dat hij alleen in haar kind zou kunnen voortleven, omdat hij toch zeker niet meer in staat was om nog een kind te maken.' Een rilling van walging en woede voer door haar lichaam. 'Zij was een van hén, van de Oude Stam! Tot haar komst dacht ik dat ze allemaal dood waren, verdreven uit het land, verdronken, verbrand. Maar zij droeg het teken! Een kleine donkere vlek onder aan de ruggengraat. Ik zag het toen ze op een dag door de branding liep. En dus heb ik haar vermoord, omdat ons soort nu eenmaal altijd haar soort moet vermoorden. Zij hebben wérkelijke macht. Geen tovenarij. Geen vooruitziendheid. Zij herkennen eenvoudigweg het kwaad in de wereld. Zij zijn onze vijanden, waar we ze ook tegenkomen. Maar Squam zou haar in mijn plaats Puwo'win hebben gemaakt! Stel je voor! Ze zou niet hebben voorgewend te kunnen toveren. In het geheel niet! Wie zou een dergelijke vrouw of haar zoon nog blijken van eerbetoon schenken? En wat zou er van mij zijn geworden en van hen die mij gediend hebben en die al die jaren zo rijkelijk door mij zijn beloond?' 'En dus maak je jacht op de jongen.'

'Hij heeft me zien dansen in de huid van zijn moeder! Hij wist wat het was! Hij wist dat het een verse huid was en niet de oude die mijn sjamaan-moeder mij lang geleden heeft gegeven - een teken van onze macht over hén. Het kind viel me aan en vluchtte weg. Als hij wordt gevonden moet hij worden gedood... voordat hij zijn spraak vindt en Squams zwakheid gaat verkondigen tegen elk levend wezen op deze wereld en in de wereld voorbij deze wereld.' Hij kneep zijn ogen dicht. 'Hem hoef je niet te vrezen. Hij is dood. In het woud. Evenals de reus. Vermoord door dezelfde plunderaars die mijn groep overvielen.' Ze bewoog zich niet. 'Je vertelde me dat je ze niet had gezien.'

'Ik zag een moeder die haar zoon zocht. Ik had het hart niet je pijn te doen.'

Nog steeds bewoog ze zich niet. 'Lieg niet tegen me, Mammoetdoder, want ik verlang al heel lang 's nachts een man in zijn beste jaren naast me te hebben in plaats van een van die mannen die me dienen in ruil voor het gemakkelijke leven dat ze op het eiland leiden. Ik zoek een gelijke, een man die begrijpt hoe gemakkelijk het Volk met magie gemanipuleerd kan worden door hun angst voor alles wat ze hopen ooit te kunnen begrijpen en beheersen - door ons. Maar we moeten elkaar kunnen vertrouwen, M'alsum. Als we hen willen kunnen bedriegen, mogen we elkaar niet bedriegen. We moeten van elkaar weten wat we zijn.' 'En wat zijn we, Puwo'win?'

'Wij zijn Meesters van het Feest van het Leven, Mammoetdoder! Wij zijn de beer komend uit de zee, verborgen in de mist van het bijgeloof van het Volk, goedaardig, mooi, nooit tijdig herkend... tot ze zijn verslonden.' 'Of de beer is gedood.'

Haar hoofd ging de lucht in bij zijn waarschuwende opmerking.

Zag hij blijdschap in haar blik? Hij wist het niet zeker. De wind was gaan liggen. De mist drong weer tussen de bomen door en maakte de duisternis om hen heen grauwer en dieper. Hij kon haar amper nog zien. Hoog in de lucht, verloren in de mist, hoorde hij in de verte de roep van trekkende gan