- 4 -
Duisternis en vuur.
Het pulserende ritme van een trommel.
Ne'gauni kreunde. Hij zweefde in koortsige duisternis, zijn lichaam stond in brand, zijn hart bonsde. Ergens van buiten de wazige begrenzing van zijn geest hoorde hij een uil. De stem van Dood! Licht vlamde op achter zijn ogen en binnen in dat innerlijke licht, dat hij nog niet herkende als Visioen, zag de jongeling het gezicht van zijn broeder M'ingwé. Een uitdrukking van schok en afgrijzen trok over het brede, norse gelaat van de man, die plotseling, met opengesperde ogen, verwijde pupillen en een gapende mond gilde, terwijl het bloed uit zijn keel spoot. Heel veel bloed!
Ne'gauni snakte naar adem. Het innerlijke licht vervaagde. En tegelijk met het licht vervaagde M'ingwés gezicht. Toen de jongeling wanhopig uit de dikke zwarte brij van zijn ijltoestand omhoogzwom, had hij kunnen zweren dat hij weer bij de kreek lag, languit, niet op zijn rug maar op zijn buik, en hulpeloos toekeek terwijl Wmdigo, Grote Geest Kannibaal, zich van hem verwijderde, met Hasu'u in zijn armen. Over de met bloed bevlekte sneeuw van een winterjachtgebied bewoog het opperhoofd van de manitoes zich voort met de lange, zekere, tartend minachtende tred van een veroveraar. Langzaam, de speer met de koperen punt van Asticou in een bebloede hand geklemd, stapte hij over de van ledematen ontdane lichamen van de doden heen en trapte hij de afgehakte hoofden van M'ingwé en Sac voor zijn voeten weg, waarna hij bleef staan, zijn ravenkop omdraaide en Ne'gauni met zijn vuurrode oogjes vragend aankeek. 'Kom,' zei de manitoe uitnodigend. 'Ik ben de Meester van het Feest des Levens. Volg mij. Als je durft.' Ne'gauni was geschokt. De grote zwarte snavel van de manitoe sperde zich open, wijd open, en onthulde de brede, diepe krop van een roofvogelbek. Naar adem snakkend zag de jongeling een piepklein mensje in elkaar gedoken in die bek zitten dat het bovenste deel van de snavel met zijn schouders omhoogduwde, die met bloederige handen openhield en met een van inspanning vertrokken gezicht snauwde: 'Waarom kijk je me zo aan? Ken je me niet?'
Ne'gauni's mond viel open van verbazing. Het snauwende mensengezicht binnen het gezicht van Windigo, Grote Geest Kannibaal, was niet het gezicht van een manitoe. Het was het gezicht van zijn oudste broer.
'M'alsum!' riep hij uit. 'Ik heb je overal gezocht! En ook de vrouw uit het Land van de Dageraad. En Sac en M'ingwé. Ach, vergeef me, Broeder! Het was niet mijn opzet jou de dood in te drijven! Wacht op mij, M'alsum! Laat me niet achter als een gevangene in het leger van Mowea'qua! We zullen samen naar de wereld voorbij deze wereld gaan, mijn broeder! We zullen...'
'Jij bent geen broeder van mij,' hoonde M'alsum. Hij stond rechtop in de bek van de manitoe en een ogenblik later was hij op de een of andere manier van gedaante veranderd. Grote Geest Kannibaal was verdwenen. M'alsum - luisterrijk in het van zwarte veren vervaardigde gewaad van Bedrieger - had zijn plaats ingenomen. Hij was Raaf geworden. De drie-eenheid van man, manitoe en roofvogel vloog op en streek neer op Ne'gauni's borst. 'Sterf!' beval hij. Hij boog zijn roofvogelkop om zich aan Ne'gauni's vlees te goed te doen en uit het niets verscheen een tweetal wolven die aanschoven en zorgelijk tegen elkaar gromden terwijl ze van het feestmaal genoten dat M'alsum hun had opgedist ten koste van het leven van de jongeling.
Ne'gauni snikte. Pijn verzengde zijn zintuigen. Hij had het gevoel of er een mes onder zijn borstbeen zijn borst in werd gedreven en toen zijn hart in zijn lichaam een sprong maakte, ontplofte er een enkel, fel, gloeiend, folterend korreltje ondraaglijke marteling in de kern van zijn brein waardoor hij snikkend omhoog werd gebracht uit de diepte van de rivier des doods.
'Rust... Slaap... Als leven en genezen jij wil, niet meer nare dromen jij moet dromen! Verzwakken doen die jou en bloed doen vloeien als jij woelt en hechtingen openscheuren en...' 'Dromen?'
'Ja, Gewonde Man, dromen. Kwade dromen jij hebt... Heel kwade.'
'Ik leef dus nog?' 'Ja, ik zeg jij nog leven.'
Hij zuchtte, getroost noch overtuigd, maar de zachte vrouwenstem was bijna even kalmerend als het medicijnlapje dat zachtjes over zijn voorhoofd gleed. Hij beefde. Zijn pijn nam af en hij voelde dat zijn lichaam zich begon te ontspannen. Hij rook de doordringende geur van medicinale kruiden, oliën en fijngestampte wortels, en de lekkere lucht van rook van een houtvuur en goed opgerakelde kolen en een onbekend soort vlees dat geroosterd werd. Zijn maag rammelde van de honger. Zijn oogleden gingen trillend omhoog. Ze zat er nog, vlak naast hem in de duisternis, afgetekend tegen het vuur.
Hij zuchtte nogmaals. Ze was er telkens weer, een visioen dat voortkwam uit koortsdromen. 'Jij...' verzuchtte hij. 'Ja,' bevestigde ze zachtjes toen ze het medicijnlapje wegtrok en haar hoofd schuin hield. De gecombineerde gloed van het vuur en een olielamp die vlakbij stond bescheen haar bleke gelaatstrekken, zodat het langwerpige, gladde ovaal van haar kinderlijke gezicht in de pikzwarte omlijsting van haar haar even koel en mooi was als een wintermaan. Verward en betoverd strekte Ne'gauni zijn hand naar haar uit. 'Hasu'u? Ben jij dat, Hasu'u? Ik heb naar je gezocht in de donkere wereld voorbij deze wereld. Ik heb je zoveel te vertellen, Vrouw uit het Land van de Dageraad. En mijn broeders. Zoveel dat ik...' 'Yah!'
De uitroep schokte Ne'gauni's zintuigen met de meedogenloze kracht van een strijdknots. De opnieuw opvlammende pijn deed hem naar adem snakken. Zijn hand viel naar beneden. Zijn rechterschouder voelde aan alsof er een brandend stuk kool in zat. Zijn linkerbeen klopte genadeloos. Zijn gezicht, dik ingepakt in verband, deed pijn. Terwijl het meisje met het maangezicht zich van hem verwijderde, duizelde het hem. Misschien was die mooie vrouw helemaal niet echt? In plaats van het meisje kwam er nu een oude spookverschijning naast hem op haar knieën zitten. Hij staarde vol afgrijzen en walging naar de lelijkheid van: 'Mowea'qua... Wolfvrouw... manitoe!'
De spookverschijning siste honend en krulde een harige bovenlip omhoog, waardoor de jammerlijke resten van versleten tanden te voorschijn kwamen. 'Hoe gemakkelijk om jullie te laten zien wat wij willen dat jullie zien! Dom! Angstig! Goedgelovig en verachtelijk beest! Bekijkt de wereld door vertekenende ogen. Zo zijn jullie. Alles verfoeien wat afwijkt van jezelf... alles wat je niet begrijpt... alles waar je geen greep op hebt. Mmph! Maar dit vraag ik jou: als ik manitoe ben... een geest in jouw ogen... wat ben jij dan in die van mij, Vreemdeling, zoals jij het dodenrijk in en uit wandelt?' 'Ik... Ik ben Ne'gauni! Ik ben de vierde en jongste zoon van Asticou, jachtopperhoofd van het inlandse woud, enige zoon van Wawautaésie van het Volk van het Meer! Ik ben Hij Die Vooroploopt! Ik ben...'
'Hij Die Vooroploopt? Nee. Nooit meer zal die naam jou passen.' Ze snoof honend en beantwoordde haar eigen vraag. 'Jij bent niet veel meer dan een geest, Gewonde Man, niets meer of minder dan een spookbeeld in de herinnering van hen die jou achterlieten om te sterven op de jachtvelden van Mowea'qua.'
Ne'gauni kromp in elkaar. Hoewel spreken zijn gewonde gezicht pijn deed, kon hij niet anders dan zijn broers verdedigen. 'Natuurlijk lieten ze me achter! Wat kunnen dode mannen anders? Mijn broeders werden gedood door dezelfde fantomen die mij hebben neergeslagen.' 'Fantomen, zeg je? De gemaskerden? Ha! Nog onnozeler ben jij dan ik mogelijk achtte! En broeders, zeg je? Mmph. Dat zegt genoeg over de loyaliteit van Vreemdelingen! Tegen de tijd dat de kreten van de Gewonde Man mij naar de kreek lokten, hadden je broeders je sneeuwschoenen en het raamwerk van je rugbepakking al van je afgenomen en waren ze er, jou achterlatend om te sterven, als bange honden vandoor gegaan. Duidelijk heb ik ze gezien. Rennen konden ze goed en snel... voor doden.'
Ne'gauni kon niet geloven wat hij hoorde. Hij wilde het niet geloven. De woorden van de spookverschijning konden niet anders dan een wrede misleiding zijn met de bedoeling hem te verwarren en meer pijn te bezorgen! Maar had hij zich niet verbeeld, voordat Mowea'qua de tweede keer naar hem toe was gekomen, dat zijn broers zich over hem heen bogen terwijl hij hulpeloos in de kreek lag? Had hij ze niet onder elkaar horen mompelen, gevoeld dat ze aan hem trokken, hem pijn deden en daarna weer waren vertrokken, waren verdwenen in de sneeuw en de duisternis en hem alleen hadden achtergelaten om te sterven?
Zijn adem stokte. Hoop welde op in zijn borst. Was het mogelijk dat ze nog leefden? Waren ze toch teruggekomen om hem te zoeken, en werden ze verdreven door de manitoes die hem nu gevangenhielden? Ze moesten tenslotte aan de lastvrouw denken. En aan de honden. En aan de handelswaar. Maar als ze nog leefden, zouden ze hem misschien toch nog komen zoeken... en als hij in leven bleef, zou hij hen misschien wel vinden. Samen zouden ze de beenderen van Hasu'u zoeken. Samen zouden ze haar geest eer bewijzen. Samen zouden ze...
Opnieuw kromp hij in elkaar. Iets beroerde zijn linkerbeen, leidde hem af, een zachte aanraking vlak onder zijn knie. Heel voorzichtig, en toch was de pijn die daaruit voortvloeide ondraaglijk. 'Hou op!' beval hij toen hij voelde hoe de warmte van lange, vochtige windsels werd afgestroopt.
Wat - of wie - er aan zijn been zat, hield niet op. Door zijn woede werd zijn hoofd helder. Hij was weer de oude Ne'gauni. Hij liet niet met zich sollen! Zelfs niet door een paar manitoes! Zij waren vrouw. Hij was man. En hij was de jongste en stoutmoedigste en beste van de zonen van Asticou.
'Laat me met rust!' beval hij terwijl hij probeerde te gaan zitten, op zijn linkerelleboog te leunen, zijn been weg te trekken van ongewenste helpende handen. Maar hoe hij ook zijn best deed, zijn arm wilde zijn gewicht niet dragen en zijn been gehoorzaamde evenmin aan zijn wil.
Hij vervloekte zijn zwakheid. En zijn been. Wat was ermee aan de hand? En wat deed de manitoe waardoor hij zo'n verschrikkelijke pijn voelde?
'Laat dat!' brulde hij. Gesterkt door pijn en woede slaagde hij er ten slotte in om zijn elleboog ver genoeg naar achteren te brengen om het gewicht van zijn bovenlichaam te dragen. Hij duwde zich omhoog en verstarde door de felle schok toen de blootliggende zenuwuiteinden van een rauwe en pas dichtgebrande wond plotseling met lucht in aanraking kwamen. Hij staarde naar de wond... naar de stomp van zijn linkerbeen... en hij verloor het bewustzijn.
Het jong huiverde. Ze voelde zijn pijn als was het de hare. Rechts van haar, in de nissen van het gewelfde hol, was de wolf door de kreet van de Vreemdeling wakker geworden en ze was zich plotseling bewust van zijn blik. De lont van de olielamp flikkerde bij gebrek aan brandstof en met halfdichtgeknepen ogen in de schaduw turend, zag ze het dier de oren achteroverleggen en met een schuine kop nieuwsgierig naar haar kijken vanaf de plaats waar ze hem op veilige afstand van de vuurkuil had vastgelegd. 'De gewonde onder mijn handen zal genezen, zoals jij bijna bent genezen, dierbare vriendin,' zei ze tegen de wolf. 'Ga maar weer slapen, U'na'li. Droom van je verloren kinderen en van hoe het zal zijn als je weer over de sneeuw kunt rennen op zoek naar soortgenoten.'
'Jij moet ook slapen,' beet de Oude haar toe. Ze zat in kleermakerszit op haar gevlochten slaapmat dicht bij de vuurkuil en strekte haar hand uit om het vuur van de olielamp af te knijpen, waarna ze haar zware bontdekens om zich heen sloeg en een lange, smartelijke zucht slaakte. 'Een nacht en een dag en nu weer het grootste deel van een volgende nacht zijn verstreken sinds we zo dwaas waren deze gewonde mee te brengen. In al die tijd jij amper geslapen hebt, Mowea'qua! Niets meer jij kunt doen voor de gewonde man vannacht. Nu hij de omvang van zijn letsel heeft gezien, hij sterven zal, daarvan ben ik zeker.' 'Ik sta hem niet toe te sterven.'
'Zijn kami hem in de steek gelaten hebben, en zijn hart wij van hem hebben genomen, kind.'
'Nee! Zijn béén wij hebben genomen! Hetzelfde is dat niet. En zijn kami hem niet in de steek hebben gelaten. De geesten van ons woud hebben tot hem mij geleid. Ik ben zijn kami nu, zijn geest, en ik zal aan hem teruggeven zijn hart om te leven.'
'Mmph.' In deze enkele woordeloze klank lag dezelfde betekenis besloten als had de Oude het jong Dwaas genoemd. Woedend de rokerige duisternis in starend, keek het jong fronsend naar de met bont omwikkelde ineengedoken gestalte van haar grootmoeder, voelde ze de kleine, felle ogen op zich gericht, en wist ze dat de brede, gerimpelde mondhoeken afkeurend naar beneden waren getrokken, net als die van haarzelf. Ergernis vermengd met opstandigheid vormde woorden in haar mond. 'Leven zal hij! Jij zullen zien! Als sterk genoeg hij is, wij zullen samen reizen naar de heilige bron. Baden zal hij in het water waar heldere kristallen groeien, en het zal zijn als in de verhalen die Kinap vertelt. Zijn been zal weer aangroeien en mooi zal zijn gezicht weer zijn.' De oude lachte schamper. 'Kinap en zijn verhalen! Heilige bronnen! Magische kristallen! Water is water. Steen is steen. De heilige bron ontspringt in je vaders geest, kind, niet op enige plaats die jij of ik ooit mag hopen te zien. Dat wat we van het lichaam van de Vreemdeling hebben afgesneden is voor altijd verloren, en mooi kan zijn soort nooit zijn! Zijn leven of sterven is niet afhankelijk van toverkracht, maar van de kracht of zwakte van zijn eigen geest, niet de jouwe. Dus slaap, Jong. Rust. Spoedig is het weer dag en zijn wondwindsels zullen opnieuw verschoond moeten worden. Ach, de dageraad! Zullen we ooit nog de zon zien in al die eindeloos vallende sneeuw?' Ze huiverde en klappertandde voordat ze fluisterde: 'Ik zeg jou, dierbaar kind, in de wereld voorbij onze wereld is er iets verschoven. Veranderd. In mijn botten gevoeld heb ik dit sinds voor de komst van deze gewonde in ons hol: de terugkeer van de eeuwige kou, de komst van de lange duisternis die de Oerouden van alle stammen hebben voorspeld. Het is alsof ik mijn ogen op een ochtend opendeed en uitkeek over de tijd voor het begin der tijden... naar een wereld van eeuwige sneeuw en ijs.' 'Lange winters hebben wij eerder meegemaakt!’ bracht het jong haar in herinnering. 'Als mijn vader komt, zal hij de zon meebrengen. Dat zul je zien!' Haar dringende woorden ontlokten de oude een geknor van berusting, maar deden weinig om haar eigen zorgelijke hart op te vrolijken. Haar lange, donkere wenkbrauwen vormden een frons. De wereld was inderdaad veranderd. Ze vroeg zich af wat Kinap te zeggen zou hebben over de eindeloze kou en deze gewonde Vreemdeling, deze Vijand die ze in de steek gelaten in hun woud had aangetroffen. Haar hoofd schuin houdend op de manier van de nog steeds toekijkende wolf, hoorde ze de stem van de oude verhalenverteller door haar herinneringen krassen, een diep, rauw, raspend geluid dat door het door rook en hitte beschadigde en met dik littekenweefsel bedekte strottenhoofd werd geperst, waardoor het altijd klonk of hij probeerde zand uit zijn keel te schrapen.
'Er komt een dag, Jong, dat jij in het woud een geschenk zult vinden. Een zeldzaam en speciaal geschenk. Een metgezel die je naar een nieuw leven zal leiden, die aan jouw zijde zal lopen wanneer de Oude en ik niets meer zijn dan dromen op de wind van je gedachten. Dus moet je oplettend zijn als je wild in het woud op het spoor bent en je je strikken en vallen uitzet. Onder gevallen schors en onder de regenhoedjes van paddestoelen, tussen polletjes van die kleine, blauwe grasklokjes die groeien op de rotsen vlak bij de waterval, of hoog boven je hoofd in het nest van een zangvogel, of laag verstopt onder kariboemos, zal op een dag een metgezel op je zitten wachten, een man uit het woud, een mikahmuwesu, een onsterfelijke voor mijn Mowea'qua.' Het jong beet op haar onderlip. De Vreemdeling was veel te groot om onder paddestoelenhoedjes te schuilen, of in vogelnesten of tussen bloempolletjes, en ze had te veel bloed en letsel gezien om te geloven dat hij onsterfelijk zou blijken te zijn. Toen ze hem had zien vallen door de kracht van de vliegende stokken van de overvallers, was Kinaps belofte wel het laatste geweest wat in haar hoofd was opgekomen. Dat moment stond haar buitengewoon helder voor de geest. Boven op die sneeuwbank liggend had ze de aanval aandachtig gevolgd, ernaar verlangend de Vreemdelingen te zien sterven, hopend dat de twee troepen Vijanden elkaar zouden afmaken zodat ze nooit meer inbreuk zouden maken op haar woud. Dat was niet gebeurd. De ene troep was gevlucht. De andere had een paar achterblijvers overvallen. Haar teleurstelling wegslikkend had ze ongeduldig gewacht tot de slachtpartij voorbij was, en de overvallers waren verdwenen. Hoewel ze wist dat de Oude het zou hebben verboden, was ze vastbesloten om het slagveld te betreden, en niet alleen de pijl die de bomen in was gevlogen voor zichzelf op te eisen, maar tevens de pijl die uit de borst van de gewonde stak. De scherpe kleine stenen projectielpunten aan het uiteinde van de vliegende stokken van de Vreemdelingen waren voor talloze doeleinden van onschatbare waarde. Toen ze zag hoe de gewonde man stroomafwaarts door de kreek werd meegevoerd, was ze zelfs even bang geweest dat een deel van haar buit voor haar verloren zou gaan, maar de uitgestrekte armen van de omgevallen boom hadden zijn lichaam vastgehouden. Ze had de kami daarvoor bedankt en had, zelfs toen de overvallers waren weggelopen met de vrouwelijke Vreemdeling, nog een tijd gewacht tot ze er zeker van was dat de gewonde man dood was. Ze had de vaak herhaalde waarschuwingen van de Oude over de bedrieglijk gevaarlijke en moordende toverkracht van hun soort niet vergeten.
Vreemdelingen konden ongezien uit mist en schaduwen opdoemen en aanvallen!
Vijanden konden van het ene moment op het andere veranderen in verscheurende beesten!
Maar de gewonde had even stil gelegen als een dode salamander, en had spoedig bewezen niet over magische krachten te beschikken.
En toch had ze daar nu haar twijfels over, want toen ze uiteindelijk genoeg moed had verzameld om hem zo dicht te naderen dat ze in zijn ogen kon kijken, in zijn langwerpige, donkere, levende ogen, was ze in haar hart getroffen door de gelijkenis met de ogen van die ander... die mooie, van hem wiens gezicht in haar hoofd en hart en geest stond gebrand. Op dat moment had ze zich Kinaps belofte herinnerd en had ze geweten dat ze niet domweg de pijl uit de borst van de Vreemdeling kon rukken en hem in de kreek achterlaten om dood te bloeden.
Haar adem stokte in haar keel. Wat miste ze die onverschrokken oude reus! Wat verlangde ze naar zijn aanwezigheid om haar te troosten en haar gedachten te ordenen! Wat belette hem dit jaar de winter bij hen door te brengen? Waarom was hij niet stoutmoedig op zijn reusachtige sneeuwschoenen door het woud aan komen lopen, met hoge vreugdekreten zijn komst aankondigend, zijn dierbare gezicht een glimmende wirwar van littekens van brandwonden, honderduit pratend over nieuwtjes uit de wereld buiten hun wereld, zijn enorme schouders bepakt met de vele wonderbaarlijke verrassingen die hij tijdens zijn jaarlijkse trektocht had vergaard om haar en de Oude gedurende de lange, koude winter te amuseren?
'Hij komt wel!' zei ze volhardend, evenzeer tegen zichzelf als tegen haar grootmoeder. 'Hij móét komen! En als hij komt, zal hij een blik werpen op de gewonde en je vertellen dat hij inderdaad degene is die hij mij beloofde, degene die...' 'Mmph! Kinap en zijn mooie woorden! Kinap en zijn zoete beloftes! Probeert altijd het jong te laten lachen en de zorgen- last van het hart van deze oude te verminderen! Ja, ik herinner me zijn belofte over iemand die jouw metgezel voor altijd zou zijn, iemand die aan jouw zijde zou lopen in de lange dagen en nachten die zullen komen wanneer hij en ik onze laatste adem hebben uitgeblazen en jij het vlees van onze beenderen hebt gehaald en ze hebt schoongebrand en ze in een kring in het hart van het heilige bosje hebt gelegd. Maar heb geen haast om mijn beenderen schoon te krabben en te branden, dierbare, want hoewel ik getuige ben geweest van het opgaan van vele zonnen, ben ik van plan om van nog vele hierna getuige te zijn! En ik zeg je nu dat niets voor eeuwig is. In dit woud - in deze wereld - verandert alles. De voorbije winters te lang geduurd hebben. Te kort waren de zomers. De bomen van ons heilig bosje verspreiden niet langer hun zaad. Ze worden oud en ziek en sterven om ons heen, zoals ook de grote mammoets uit de dagen van mijn jeugd ziek werden en stierven.'
'Maar er is een mammoet in ons woud! De Machtige! De Wereldschudder! Donderspreker! In de storm hoorden we zijn stem, zijn machtige, donderende mammoetstem. En jij weet wat Kinap zegt: zolang de mammoet op onze wereld loopt, zullen wij ook leven en sterk worden.'
'Weer Kinap! Misschien is het wel goed dat hij niet bij ons is komen overwinteren. Zijn verhalen vullen je hoofd met onzin. En wat de Machtige aangaat, van de slagtanden en beenderen van zijn gestorven verwanten hebben wij dit hol gebouwd uit eerbied voor zijn soort. Wanneer hij is nabij, ruik ik de stank van ziekte die vreet aan zijn oeroude botten, en hoor ik gerommel van pijn en eenzaamheid in zijn stem. Waar zijn de stieren die met hem in dit woud de winter doorbrachten? Waar is de grote witte koe die ooit naast hem liep? Waar zijn haar zusters? Waar zijn zijn kalveren? Hoe lang kan zijn soort leven, als hij, net als de machtige bomen van het heilige bos, geen zaad uitzet? Ik zeg jou, kind, de dingen veranderen. Overal om ons heen veranderen ze. En nu opnieuw komen er Vreemdelingen uit het noorden met hun maskers en hun vliegende stokken. En uit het diepe woud komen Vreemdelingen uit het zuiden en westen. Wat zoeken zij in ons deel van het woud? Is er geen vlees genoeg op hun eigen jachtvelden? Maken ze jacht op de Machtige? Zullen we opnieuw door hun soort gedwongen worden dieper de duisternis van onze wereld in te vluchten totdat zelfs jij en ik het kenmerk van de Oude Stam op onszelf niet meer kunnen zien?'
Het jong sloeg haar armen om zich heen alsof ze werd getroffen door de kilte van een onzichtbare wind. Zonder na te denken over wat ze zei, flapte ze eruit: 'Dat kenmerk draag ik niet!'
'Wat zeg je? Natuurlijk draag jij dat kenmerk ook! Jij werd geboren met evenveel beharing als de wol venkind eren van U'na'li en zult als je ouder wordt even veel beharing hebben als ik. Mmph! Je hebt veel te lang niet geslapen. Rust nu. In het ochtendlicht zul jij opnieuw verstandig spreken, Mowea'qua.'
Het jong hield haar hoofd weer schuin. 'De gewonde noemt jou bij mijn naam, Grootmoeder. Waarom doet hij dat?' 'Jij weet net zo goed als ik dat voor de Vreemdelingen er maar één naam is voor vrouwen van ons soort: Mowea'qua, Wilde Vrouw, Wolfvrouw. Mmph. Het is een naam die wij altijd met trots hebben aangehoord!'
'Maar hij spreekt hem uit alsof hij zijn tong bevuilt en draagt hem met vrees en walging in zijn geest. Zijn we dan zo afschuwelijk om aan te zien?'
'Alle Vreemdelingen zien ons zo. Zoals wij hen zien. Maar in werkelijkheid zijn zij de enige walgelijke, smerige en afschrikwekkende beesten in deze hele wereld!' Het jong wendde haar blik naar waar de gewonde in het donker lag, dicht bij haar, maar niet zo dicht bij de vuurkuil dat hij als hij weer eens in ijltoestand wild om zich heen lag te maaien, zijn arm aan een hete steen zou kunnen branden. 'Hij is niet zo afschrikwekkend of smerig of walgelijk nu we zijn kleren hebben weggesneden en zijn lichaam hebben gewassen. Soms, als hij aankijkt mij, lelijk ik niet ben in zijn ogen. Nodig heeft hij mij, Oude. Net zoals U'na'li mij nodig had toen de grote beer haar toetakelde en haar wolvenmeute haar voor dood achterliet. Zoals U'wo'hi'li de adelaar mij nodig had toen die adder hem in zijn oog trof. En dus slapen kan ik niet. Wakker kan hij worden en roepen mijn naam.' 'Mmph. Hij roept vaak om haar die hij nodig heeft... om haar naar wie hij verlangt... om haar die niet lelijk is in zijn ogen. "Hasu'u! Hasu'u!" roept hij. Die naam is niet jouw naam, Mowea'qua. Werkelijk oud moet ik zijn en zwak van geest om ermee ingestemd te hebben jou te helpen hem hier te brengen! Tevreden hadden wij moeten zijn te doen wat wij altijd doen wanneer zijn soort door ons deel van het woud trekt: geduldig wachten in een schuilplaats totdat zij weer hun weg vervolgen, om daarna, als het weer veilig is, te zoeken voor ons eigen gebruik vliegende stokken met stenen punten die ze misschien hebben achtergelaten, en om te gebruiken als naalden en priemen de stenen splinters die om de rand van hun verlaten vuurkringen liggen. Maar nee! Jij moest hebben de speer met de glimmende punt en naar ons eigen hol meenemen deze gewonde! Ach! We hadden de vliegende stok uit zijn borst moeten trekken en hem in de kreek moeten laten liggen om te sterven! Dwaas! Dwaas! Een Vreemdeling is hij! Een Vijand! In zijn aderen stroomt het bloed van hen die jouw moeder hebben gedood!' 'Veel bloed hij niet meer heeft, Grootmoeder.' 'Bah! Stel dat zijn eigen soort komt hem zoeken?' De vreemdste onsamenhangende emoties golfden door het hart van het jong. Ze vroeg zich af of ze zich ooit zo verdrietig had gevoeld. 'Waarom naar hem zouden zij zoeken als zij tweemaal al hebben verkozen hem achter te laten?' 'Omdat Vreemdelingen even onvoorspelbaar als lelijk zijn. Hoe kon je deze les vergeten, Mowea'qua? Gezien door de Vreemdelingen had je kunnen zijn! Opgejaagd! Gevangengenomen! Gedood, zoals je moeder werd gedood. En dan, zonder jou, welke betekenis zou mijn leven voor mij hebben? Jij en ik en de oude Kinap - misschien zijn wij wel de laatsten van onze soort!'
Weer slaakte het jong een zucht. 'Lelijk waren de Vreemdelingen niet in mijn ogen, Grootmoeder,' gaf ze zachtjes toe, en ze voelde opnieuw de pijnlijke steek in haar borst toen ze eraan dacht hoe ze omhoog had gekeken van onder aan de sneeuwbank en had gezien hoe de leider van de Vreemdelingentroep zijn zweep liet knallen, met zijn heuplange zwarte haar door de wind achter zich aan wapperend en een vastberaden uitdrukking op zijn gezicht - zo sterk, zo glad, zo wonderlijk en volmaakt prachtig! Haar adem stokte in haar keel. Het bloed van Moederdoders stroomde door zijn aderen. Hoe kon ze iets anders voor hem voelen dan haat en walging? Waarom deed het haar zo'n pijn als ze aan hem dacht? Waarom bracht de gedachte dat ze hem nooit meer zou zien tranen in haar ogen?
Hunkerend om hem weer te zien dwaalden haar handen naar haar gezicht, naar haar sterke, gladde gezicht. Onrustig door haar verwarring deed ze een poging die van zich af te zetten door de Oude te verzekeren: 'Voorzichtig was ik. Gezien ben ik niet. Dus doe je ogen dicht en rust jij nu, Grootmoeder. Vermoeid moet je zijn. Maak je geen zorgen. De Vreemdelingen zijn ver weg. Hij... Zij zullen hier niet komen.'
'Bah! Hoe kan ik slapen? Er is nu een Vreemdeling in ons midden! In ons eigen leger een Vijand slaapt!'
De Oude beefde. Maak je geen zorgen! Wat voor advies was dat? Het advies van een kind. Het advies van een onwetend, onervaren en maar al te lichtgelovig kind. Het advies van iemand die niets wist van het leven of van de wereld buiten het woud.
Ze voelde zich misselijk van wanhoop. Als Mowea'qua onwetend was van de wereld, wiens schuld was dat dan? Aan wie was de onschuld van het kind anders te wijten dan aan degene die haar had grootgebracht? Diep in de borst van de Oude maakte haar hart een vreemd, onrustig sprongetje. Haar gebogen knieën werden plotseling zwak. Haar handpalmen tintelden en werden klam. Ze herkende de kenmerken van paniek en wetend hoe ze die de baas moest worden, ademde ze een poosje langzaam en diep, en zei tegen zichzelf dat het jong op één punt gelijk had: ze was erg moe, veel erger dan ze tegenover haar kleinkind wilde toegeven. Nog steeds overeind zittend, in elkaar gedoken vlak naast de vuurkuil, sloot de Oude haar ogen. Jaren van zich verschuilen en op de vlucht zijn hadden haar geleerd hoe ze de slaap moest vatten en hoe ze er op commando haar voordeel mee kon doen. Hij kwam onmiddellijk, een abrupt verlies van bewustzijn, een gedachteloze toestand van waakzame ontspanning. Dromen deed ze niet, maar ze had rust. Het was echter de lichte, gemakkelijk verstoorde slaap van de eeuwige piekeraar, en het sissen van een kooltje in de vuurkuil was genoeg om haar wakker te maken.
Haar ogen gingen knipperend open. Er was tijd verstreken. Ze hoorde het diepe, ontspannen gesnurk van U'na'li de wolf. En ze bespeurde een verandering in de substantie van de nacht. De duisternis in het hol was iets minder diep en het zachte geritsel van piepkleine voetkussentjes over een hoge balk deed haar omhoogkijken.
Ergens in de grijzer wordende schaduwen van het gewelfde dak zat een muis aan een stukje riet of band te knagen, of misschien op een zaadje dat hij naar een geheime bergplaats had meegenomen, of op een insect met een hard schild dat hij had gevangen of gestolen uit een van de talloze spinnenwebben die als gaas tussen de daksparren waren gespannen. Het geknaag klonk langzaam, volhardend, ongehaast. Het scheen dat de muis vannacht ongestoord in zijn levensbehoeften kon voorzien. De Oude wenste dat hetzelfde voor haarzelf opging.
Een harde windvlaag sloeg tegen de buitenkant van de hut. Koude lucht kwam door het rookgat naar beneden. Ze keek langs de slapende adelaar en zag de spinnenwebben trillen toen die werden beroerd door neerdwarrelende sneeuwvlokken. Hangende manden, bundels gedroogde grassen en kruiden, gedraaide banden en pezen en ranken, stukken gedroogd vlees, en de karkassen van verschillende kleine vogels, reptielen en zoogdieren zwaaiden zachtjes aan de daksparren heen en weer.
Afgekoeld door de plotselinge koude tocht, trok de Oude haar haveloze slaapvachten over haar naakte schouders. Zich ontspannend in hun vertrouwde warmte keek ze naar de hoge, kegelvormige rookoven van berkenbast die het jong met grote zorg had opgericht boven de stenen rand aan de andere kant van de vuurkuil. Geïnjecteerd met nieuw leven door de verdwaalde koude windvlaag waren de kooltjes onder het hardhouten raamwerk weer aangewakkerd en lagen ze helder te gloeien onder hun asdeken terwijl het jong op haar knieën ernaast zat en het vuur verzorgde. De Oude schudde haar hoofd, zorgelijk, en ze vroeg zich af of Mowea'qua ooit weer zou slapen. Fronsend keek ze toe hoe ze een van de roerbotten pakte die rechtop stonden tegen een randsteen en zachtjes de kooltjes oprakelde om ervoor te zorgen dat er een zachte, constante warmte onder de rookoven oprees. Van een vlakbij liggende stapel pas gesneden balsemtoppen, nam het jong een paar plukjes groene naalden en gooide die op de kooltjes vlak onder het raamwerk. Het resultaat liet niet lang op zich wachten: een prikkelende stoomwolk steeg op uit de naalden, vonken van sap en oliën, en vervolgens een ijle blauwe rookpluim even zoet en riekend naar het arctische woud als de inhoud van de rookoven van haar kleindochter uiteindelijk zou zijn.
'Ah, Grootmoeder, wakker ben je weer. Je hebt lang niet genoeg geslapen.' Mowea'qua ging terug naar de gewonde, ontdeed zich met een schouderbeweging van haar binnenmantel van wolvenhuid, en ging naast de Vreemdeling liggen.
De Oude mopperde. Het jong had hem weer gewassen. Zijn beddenvachten waren teruggeslagen en ze rook de doordringende lucht van medicinale olie.
'Kom,' zei Mowea'qua uitnodigend. 'Erg koud is het geworden. De warmte van onze lichamen moet medicijn voor hem zijn nu. Is dat niet wat de genezende gebruiken ons nu zouden voorschrijven?'
'Dat is zo,' beaamde de Oude, maar ze maakte geen aanstalten om zich bij haar kleindochter te voegen. De rook deed haar ogen tranen en branden, maar ze kon haar blik niet afwenden van schoonheid en jeugd: het jong, zo slank en elke gladde welving van haar lichaam rijp met de belofte van volwassenheid in de niet al te verre toekomst, en de Vreemdeling, die zo stil lag en zo oppervlakkig ademhaalde dat de Oude ervan overtuigd was dat zijn levensgeest op het punt stond uit de beslotenheid van zijn lichaam weg te dwalen.
Een golf van emoties verontrustte haar geest. Het was lang geleden dat ze een naakte man van zijn soort had gezien. Ze was vergeten hoe verward en onverklaarbaar onrustig ze altijd werd door hun gladde, praktisch onbehaarde uiterlijk. Ze fronste haar voorhoofd, waardoor de diepe V van haar haarlijn samenvloeide met de dikke, weerbarstige plukken van haar grijzende wenkbrauwen. Ze zei tegen zichzelf dat als zij de levensgeest van deze gewonde jongeling zou zijn, ze zijn lichaam zeker zou verlaten. Waarom blijven? Twee dagen geleden moest hij een gladde huid hebben gehad en veerkrachtig gezond zijn geweest, even sterk en, voor zijn stamgenoten, mooi om te zien als een boskat. En voor haar soortgenoten even gevaarlijk!
Een rilling trok door het lichaam van de oude vrouw. Nu lag hij daar, gebroken en verscheurd, met hechtingen in zijn gezicht vanaf de bovenkant van zijn ene oor tot de onderkant van zijn andere. Onder zijn verband waren zijn gelaatstrekken dermate gezwollen en verkleurd dat hij nog lelijker en weerzinwekkender was dan de beschilderde houten vermommingen van de gemaskerde Vreemdelingen als ze door het woud slopen, elkaar toesprekend met de stemmen van raven en zich voordoend als manitoes om argeloze reizigers van hun eigen soort te overvallen.
'Je rilt, Grootmoeder, en vermoeidheid staat te lezen op je gezicht boven je baard. Kom, zeg ik. Naast de gewonde jij moet gaan liggen en weer rusten.'
Dankbaar dat ze van haar akelige dagdromen werd bevrijd, kwam de Oude, bibberend in de toenemende kilte die aan de dageraad voorafging, in beweging om met haar knokige, behaarde lichaam naast de Vreemdeling te gaan liggen. Mowea'qua lag aan zijn andere zij en de Oude trok haar berenhuid en andere beddenvachten over hem, zichzelf en het jong heen.
'Hij nog steeds leven, Grootmoeder! Jij tegen mij hebt gezegd dat hij zeker zou sterven door de schok van het zien van ons snijwerk. Maar raak hem aan. Voel hem. Troost hem met je handpalmen. Zie met eigen ogen dat wij hem niet gedood hebben.'
De Oude rilde nog steeds. Tegen haar licht behaarde lichaam voelde ze het koortsig hete, droge lichaam van de Vreemdeling. Met haar hand tastte ze het zachtjes af. Hij kreunde. Het jong had gelijk: hij leefde nog. Zijn gladde, onbehaarde huid golfde onder haar aanraking en dat deel van hem dat hem als man kenmerkte stak uit zijn karig behaarde nestje en lag warm tegen de welving van zijn dijbeen. Daar kwam ze in aanraking met de hand van haar kleindochter en ze trok de hare weg.
Toen de Oude haar ogen sloot, besefte ze dat de tijd nabij was dat Mowea'qua hier behoefte aan zou krijgen, er recht op zou hebben, koste wat het kost. Ze dacht daar niet graag aan. Haar kleindochter was nog een kind! Maar wat had Kinap ook alweer gezegd voordat hij de laatste keer vertrok, wat haar zo van streek had gemaakt? Iets over het feit dat het jong spoedig zou ontluiken en zou bloeien als een bloem? Ja. Over het feit dat het leven voor haar alleen draaglijk zou zijn als het maar het kleinste zweempje vreugde en bevrediging zou bevatten, hoe zeldzaam ook, en hoe vluchtig? Ja. Iets dat had geprobeerd haar oude hart te raken en haar te laten begrijpen dat tegen de zomer bloemzaadjes op de wind, die anders geen houvast zouden vinden op de eeuwig in de schaduw liggende grond van het woud, wortel zouden schieten en zouden bloeien overal waar dunne straaltjes ochtendzonlicht rotsspleten beroerden en ze voldoende verwarmden om leven te vormen.
'Leven moet leven zoeken!' had hij tegen haar gezegd. 'Al zou het jong maar een enkele keer opbloeien, een enkele moment van zoetheid kennen, dan zou dat al genoeg zijn om haar te sterken en haar de rest van haar dagen staande houden. Dit kun je haar niet weigeren, dierbare oude vriendin, want als je dat doet, zeg ik je, dan had ze beter niet geboren kunnen worden.' De gewonde zuchtte.
De Oude, afgeleid, slaakte eveneens een zucht en ze wilde maar al te graag Kinaps woorden uit haar hoofd zetten. Ze maakten haar nog steeds van streek, vormden een dreiging voor haar nu al ernstig overschaduwde gevoel van welzijn.
Dichter naar de Vreemdeling onder de slaapvachten toe schuivend, begon ze het warmer te krijgen, werd ze slaperig, en haar geest opende zich voor herinneringen aan andere jonge mannenlichamen die warm dicht tegen haar aan hadden gelegen in de donkere winter. Zo lang geleden! Zo ver weg!
Achter haar gesloten oogleden zag ze zichzelf weer als jonge vrouw, reizend met haar soortgenoten over een weids, stenig land van permafrost, onvolgroeide bomen, koperkleurige luchten en eindeloze kudden kariboes... onder het altijd aanwezige oog van een zomerzon die nooit ver genoeg achter de horizon verdween om helemaal onder te gaan... onder de koude hemel bezaaid met rusteloze sterren die eeuwig de maan najoegen in winternachten zonder einde. Zo lang geleden! Zo ver weg, zo vreselijk ver! Soms, zoals nu, kwam het de Oude voor dat er in die dagen een ander in haar huid moest hebben geleefd. Toen was ze nog niet de Oude geweest. Toen was ze Kelet, een jong met de naam Levensgeest, die gelukkig en tevreden leefde met haar soortgenoten, altijd onderweg naar het oosten vanuit het oeroude land van hun sterke, stevige, behaarde voorouders, reizend van het ene kleine familiejachtkamp naar het volgende, de kariboes volgend van het ene jachtveld naar het andere, de wolfse liederen van de Oude Stam zingend, hun dansen dansend, hun spelen spelend, luisterend naar hun verhalen, hun talloze vijanden uit de weg gaand, en telkens weer met vreugde haar vruchtbaarheid bewijzend voordat haar jeugd voorbij was.
Zo lang geleden! Zo ver weg, zo ver, zo verschrikkelijk ver! Voor die zonovergoten ochtend bij het snijpunt van de rivieren, toen Vreemdelingen een bijeenkomst van haar soortgenoten overvielen en de oeroude jachtroute voor zichzelf opeisten. Voordat haar dierbaren werden afgeslacht. Voordat haar kleintjes uit haar armen werden gerukt en voor haar ogen werden doodgeslagen. Voordat de wervelende Sjamaan op de grote trom sloeg en van de paddestoelen van krankzinnigheid at terwijl hij ronddanste in de witte huiden van in de winter gedode kariboes en nieuwe geesten aanriep in een onzichtbare wereld die alleen bestond in de hemel boven die plek.
Zo lang geleden! Zo ver, zo ver! Nu voor altijd verloren voor haarzelf en haar soortgenoten.
Voordat ze werd verkracht en tot slavin gemaakt en - ze begreep nog steeds niet door welke zwarte magie - midden in de nacht uit haar bed werd getrokken door een reus van een jongeling die haar voor de vlammen uit droeg van de in brand staande weidse barre gronden, waar iedereen behalve zij en Kinap de dood had gevonden! Alleen het ongeboren kind in haar buik en de behoeftes van die arme, met brandwonden overdekte Kinap hadden haar reden gegeven om te leven. Voor hen had zij overleefd. Voor hen was zij naar soortgenoten op zoek gegaan, waarbij ze per ongeluk in het jachtgebied van Vreemdelingen was terechtgekomen. Die hadden haar opgenomen, maar later, als ze de kenmerken van de Oude Stam bij haar pasgeborene zouden ontdekken, zouden ze haar hebben gedood en dus had ze haar kind opgepakt en was ze gevlucht, lang voordat haar gezichts- en lichaamsbeharing die tegen haar tweede jaar was verdwenen, weer zou terugkomen om haar oeroude afkomst te verraden en haar ouder wordende huid te beschermen tegen het begin van een innerlijke kilte die weinig met winter te maken had. 'Zijn mannendeel groeit in mijn hand, Grootmoeder!' Uit haar dagdromen opgeschrikt door de uitspraak van het jong, moest de Oude ondanks haar innerlijke triestheid glimlachen. 'Haal dan je hand weg, Mowea'qua. Alleen het mannenbeen van een lijk zou niet overeind gaan staan en opzwellen door de warmte van een vrouwenhand die het streelt. Laat hem slapen. Wij moeten ook slapen. Maar dit zeg ik je voordat je tevreden naast hem gaat liggen dromen: als deze gewonde in leven blijft, zal hij zich niet gemakkelijk laten kooien of aan banden leggen zoals een van je gevangen vogels of dieren. Een Vreemdeling is hij. Vijand is hij. Ik zeg nog eens dat het een vergissing was hem hiernaartoe te brengen, want geloof jij niet dat hij, als hij daartoe in staat is, zal proberen weg te hinkelen achter zijn soortgenoten aan als een eenpotige raaf, krassend tegen wie het maar wil horen, iedereen de weg naar ons woud wijzend, naar ons leger, waar zij ons zullen afslachten en villen als dank voor onze vriendelijkheid?'
'Maar waarom zouden ze ons zo haten, Grootmoeder?' 'Omdat ze in ons zien wat zij eens waren - wat zij nog steeds zijn achter hun maskers en binnen in de felbeschilderde en met kralen versierde huiden van de beesten die ze dragen: dieren zoals jij en ik, verwant aan elk ander behaard en met scherpe hoektanden uitgerust roofdier dat hongerig door deze wereld trekt!'
'Dan zullen wij hem laten inzien dat wij vijanden niet hoeven zijn. Hij zal niet vluchten. Hij zal niet weghinkelen. Hij zal blijven. Samen zullen we ervoor zorgen dat hij blijven wil.'
'En als we dat niet kunnen?'
Het jong hield even haar adem in, niet als iemand die schrikt van een vraag, maar als iemand die een antwoord op het puntje van haar tong probeert tegen te houden, om niet uit te spreken wat waarschijnlijk afkeuring zou opwekken, waardoor haar naam bezoedeld zou zijn en zij voor altijd ontmoedigd.
Opnieuw dook de diepe V van de haarlijn van de Oude naar de weerbarstige plukken van haar wenkbrauwen. Ze voelde dat er een geheim werd bewaard in de beslotenheid van het stilzwijgen van haar kleindochter. Dit verontrustte haar nog meer dan de aanwezigheid van de Vreemdeling. Het was niets voor het jong om geheimen voor haar te hebben. Integendeel zelfs. Elke gedachte die in Mowea'qua's hoofd opkwam, ongeacht of het hoop of vreugde of angst of grillige ideeën betrof, was altijd even vrij en openhartig uit haar mond opgeborreld als water uit een bron. Een kilte beroerde het hart van de Oude. Ze wist wat dat betekende: akelige voorgevoelens. Het jong was veranderd sinds ze de gewonde had gevonden. Het was geen verandering ten goede. 'Mowea'qua?' zei ze dringend. Een ogenblik later, toen er geen reactie kwam, zei ze onomwonden: 'Er is maar één manier om deze gewonde vondeling zonder gevaar bij ons te houden. Ik heb veel nagedacht hierover. Veel! Een Vreemdeling is hij, en hoewel zijn lichaam misschien jij kunt genezen, hij zal altijd Vijand voor ons soort zijn. Dus geef hem zijn leven terug als je dat zo nodig moet, maar weet dat op de dag dat hij probeert te ontsnappen naar zijn soortgenoten, ik zijn ogen zal dichtbranden zoals we met zijn wonden hebben gedaan.'
Het jong veerde met een snik van afschuw overeind. 'Blind zal hij dan zijn!'
'Ja. Maar dan zal het zijn zoals Kinap heeft beloofd. De gewonde zal moeten blijven. De jouwe zal hij zijn "voor altijd". En dan, misschien, gelukkig en tevreden zul jij zijn.' 'Nee, Oude, nooit! Hij zou ons het niet kunnen - niet willen - vergeven als wij hem blind maken!'
'Nee, dierbaar kind, dat zou hij zeker niet. En dus zeg ik, zou het beter zijn geweest als je hem niet gevonden had, want ziende of blind, altijd zal hij een Vreemdeling zijn, een Vijand, en vergiffenis leeft niet in de harten van zijn soort. Hij zal jou niet dankbaar zijn dat je zijn leven hebt gered. Hij zal je haten omdat je zijn been hebt afgesneden en zijn gezicht even lelijk als een manitoemasker hebt gemaakt. En hoewel hij misschien wel jouw "geschenk uit het woud" is, Mowea'qua, hij zal altijd toebehoren aan haar wier naam hij hardop roept. Aan degene die hij liefheeft. Aan deze Hasu'u die in zijn hart woont, een hart waarin hij nooit plaats voor jou zal maken.'
Het jong bleef in geschokt stilzwijgen zitten. Ze dacht diep na. Dieper dan ze in haar hele leven ooit had nagedacht. Ze omklemde haar knieën om te voorkomen dat haar benen zouden trilden, en hield haar lippen stijf op elkaar zodat er geen woorden konden ontsnappen om haar gedachten te verraden.
De Oude leek uitgeput te zijn door haar waarschuwingen en dreigementen. Ze krulde zich nu, onrustig binnensmonds mompelend, op onder haar vachten en maakte de smakkende geluidjes van iemand die probeert weer in slaap te vallen. Woede vormde een gevoelig plekje in de geest van het jong. Het groeide uit tot een hete, pijnlijke prop achter in haar keel, waardoor ze amper kon slikken zonder het uit te schreeuwen. Ze wilde haar grootmoeder haar gedachten niet onthouden. Dat ontnam haar hun eerdere intimiteit. Het maakte haar verdrietig en ze voelde zich klein, even bedrieglijk en geheimzinnig als een spinnetje dat zich schuilhield in de schaduwen van voornemens die ze niet durfde te delen. Maar welke keus had ze? Na de fijne draden van zijn web te hebben gesponnen kon een spin niet anders dan zich verschuilen, want als hij zichtbaar zou zijn, zou een mogelijke prooi zich niet in de buurt van het web wagen en zou de spin onherroepelijk de hongerdood sterven. Als het jong haar voornemens aan haar grootmoeder zou blootgeven, zou dat de Oude choqueren en pijn doen en zou zij vastbesloten zijn haar plan te dwarsbomen met alle middelen die daarvoor nodig zouden zijn, en dan zou het jong zeker sterven, van puur verlangen. De gewonde kreunde zachtjes in zijn slaap. Ze luisterde en vroeg zich af of hij ooit vrede en rust zou vinden in zijn dromen. Spoedig, zei ze tegen zichzelf, spoedig zal hij dat. Daar zal ik voor zorgen. De Oude zal hem niet blind maken.... Nooit!
Door een plotseling neerwaartse koude luchtstroom beroerd trok ze haar beddenvachten dichter om zich heen en ze keek naar de grote rookoven van berkenbast die ze zo zorgvuldig boven de randsteen aan de overzijde van de vuurkuil had opgericht. Het was niet gemakkelijk geweest om de inhoud klaar te maken en op te hangen zonder dat de Oude doorkreeg waar ze mee bezig was. Hoe lang zou het nodig hebben om te drogen? Toch zeker minder lang dan de gewonde nodig zou hebben om te genezen. Ze had de tijd, verzekerde ze zichzelf, ruim de tijd. Het proces moest niet overhaast worden. Huid en vlees, pezen en aderen, merg en beenderen moesten langzaam en uiterst nauwkeurig verduurzaamd worden door hitte en rook voordat ze het uit de rookoven kon halen en als een geschenk van welwillendheid van haar aan de Vijand kon aanbieden, een offergave om het hart van de Vreemdeling te versterken en zijn gewonde geest - en tevens de hare - nieuwe hoop in te blazen voordat ze samen op weg gingen naar de heilige bron.
Ze kneep haar lippen zorgelijk op elkaar. Wanneer zou Kinap komen? Zonder zijn aanwijzingen wist ze niet zeker of ze de weg naar de heilige bron kon vinden. En wat zou de Oude zeggen als ze zou weten dat er meer dan het karkas van een van de gevangen hazen in haar rookoven hing te drogen? Stel dat ze argwaan zou krijgen... De gewonde woelde met zijn hoofd en snikte even. De blik van het jong ging naar zijn vage gestalte. Ondanks de opgloeiende kooltjes kon ze hem amper in de duisternis van het hol ontwaren. Des te beter, dacht ze. De Oude had gelijk met wat ze over hem zei: onder de verbanden was zijn gezicht inderdaad even lelijk als een manitoemasker. Zelfs als de zwelling afnam, de kneuzingen rondom zijn ogen verdwenen en zijn vele hechtingen waren verwijderd, zou de wond in zijn gezicht een lang, grillig litteken achterlaten dat zijn gelaatstrekken gruwelijk zou vervormen. Het zou alle toverkracht vergen van de kristallen die groeiden rondom het water van Kinaps heilige bron om hem weer het uiterlijk te geven dat hij had gehad toen ze hem voor het eerst had gezien, toen hij zo stoutmoedig aan de zij van de vrouw van zijn soort stond met de speer met de glimmende punt in zijn hand, zijn hoofdbedekking naar achteren geslagen, zijn gladde, onbehaarde, nog niet ontsierde gezicht blootgesteld aan het vervagende daglicht... Bijna even oogstrelend als het gezicht van de prachtige meester van de slee en leider van zijn troep.
Zoals altijd als ze aan die mooie man dacht, begon haar hart sneller te kloppen. Zoals altijd wanneer zijn schoonheid haar geest vulde, stroomde er een dermate heet verlangen door haar lichaam dat de gedachte dat ze hem misschien nooit meer zou zien, haar bijna in tranen deed uitbarsten. Ze begreep haar gevoelens niet, want tot het moment dat ze zijn gezicht had gezien, was haar leven kalm en zorgeloos geweest. Dagen en nachten waren gekomen en verstreken in langzame, zekere, rustgevende voorspelbaarheid. Ze had nergens naar verlangd wat ze niet al bezat. De Oude en Kinap waren haar vrienden geweest en de dieren in het woud haar metgezellen - U'na'li de wolf en U'wo'hi'li de adelaar en alle andere dieren uit het woud kwamen naar haar toe als ze genezing zochten. Als ze zich zo nu en dan verwonderde over het steeds vaker voorkomende zorgelijke gekibbel van de Oude en Kinap als ze met elkaar bespraken wat er van haar moest worden als zij er niet meer waren, weigerde ze serieus over die vraag na te denken. De Oude kon niet sterven! Ze wilde er niet aan denken, en daardoor was het niet zo. Kinap zou altijd bij hen de winter doorbrengen. Er zouden altijd dieren zijn om te genezen. En de oude verhalenverteller en Grootmoeder zouden altijd samen plannetjes smeden om ervoor te zorgen dat er altijd genoeg geschenken en vrolijkheid en spelletjes en liedjes waren om de donkere winter met vreugde te vullen. Altijd.
En toen, onder samenpakkende stormwolken, had ze ineengedoken in dat berkenbosje gezeten en had ze gezien hoe de Vreemdelingen uit het woud aan de overkant van de kreek te voorschijn waren gekomen. En daarna was alles anders geworden. Alles! Haar handen dwaalden naar haar gezicht - haar gladde, onbehaarde gezicht met de brede mond - en ze herinnerde zich de eerste keer dat haar blik op die mooie man had gerust, en de tweede keer.
Was ze maar naar haar veilige leger teruggerend na de aanval van de gemaskerden; dan zou de wereld nog steeds even ordelijk hebben geleken als voorheen. Maar dat had ze niet gedaan. Nee. Ze had gejankt om de Oude te laten weten waar ze zich bevond, en ze was naar het slagveld van de overvallers gesneld, niet alleen in de hoop verdwaalde vliegende stokken te bergen en de speer met de glimmende punt te vinden, maar tevens - ja, dat wilde ze nu wel toegeven - om van nabij een blik op het gezicht van een Vreemdeling te werpen. Maar toen bleken de gelaatstrekken van de gewonde van oor tot oor opengespleten te zijn. Onthutst door de lelijke, gapende wond wilde ze wegvluchten, ervan overtuigd dat de Oude gelijk had gehad in haar beoordeling van de weerzinwekkendheid van zijn soort, maar op dat moment was zijn troep naar de kreek teruggekeerd. Ze zag het voor zich alsof het op dit moment gebeurde. Ze zag hoe ze zich omdraaide en zo snel mogelijk maakte dat ze wegkwam. Over en door met sneeuw bedekte dode takken heen klauterend, vloog ze zo vlug mogelijk terug naar de dekking van de bomen. In elkaar gedoken, laag bij de grond en vóór de wind ten opzichte van de Vreemdelingen, bleef ze zitten wachten tot ze de gewonde meenamen en weer verdwenen. Daar, vanuit haar schuilplaats, had ze gezien hoe de leider van de troep de oever van de kreek afzocht en stroomafwaarts in haar richting liep. Toen hij met een triomfantelijk gegrom de speer met de glimmende punt opraapte, gromde zij ook, uit teleurstelling en jaloezie. Met een onheilspellende frons op haar gezicht en nog altijd hopend dat ze de speer zou kunnen bemachtigen, keek ze toe terwijl hij verder stroomafwaarts liep en wenste ze dat hij zou uitglijden, zou vallen, en de speer tussen het ijs in de kreek zou laten vallen zoals de gewonde eerder was overkomen. Maar daarvoor was hij veel te vlug en stond hij te vast op zijn voeten. Hij hield de speer met de glimmende punt vast alsof het een natuurlijk verlengstuk van zijn arm was. Terwijl de andere twee van zijn troep hem op de hielen volgden, had hij spoedig de plek bereikt waar de gewonde half onder water in de kreek lag, en slechts de tijd nemend om zijn sneeuwschoenen uit te trekken, zette hij de speer rechtop in de sneeuw en sprong hij met de bevalligheid en soepelheid van een boskat boven op de omgevallen berk.
Ze hield haar adem in terwijl ze zich herinnerde hoe ze had toegekeken, onbeweeglijk, zichzelf dwingend zich niet te verroeren, ervoor zorgend dat er door haar ademhaling geen wolkjes ontstonden. Ze had zonder een geluid te maken zijn lucht opgesnoven, zijn vreemde, onaangename en toch overrompelend fascinerende Vijand-geur. Hij had met zijn gezicht naar haar toe als bevroren de sneeuw en duisternis in staan staren. Toen hij zijn hoofd had geheven, had ze zijn houding herkend, had ze de spanning in zijn in elkaar gedoken gedaante gevoeld, en had ze instinctief geweten dat hij de geuren van de nacht en storm aftastte naar gevaar. Een ogenblik had ze gedacht dat ze ontdekt was, maar de wind had haar niet verraden.
En toen, in die enkele seconde dat hij zijn hoofd had gebogen en zijn volle aandacht had gericht op de taak waarvoor hij was gekomen, was de open cirkel van zijn hoofddeksel van bont naar achteren geschoven. Haar langwerpige lichte ogen waren altijd al scherp geweest; in het donker kon ze even goed zien als een wolf of een kat die op jacht was. Ondanks de sneeuw en de duisternis had ze zijn gezicht gezien, en net als die eerste keer dat ze naar hem had opgekeken vanuit de schaduw onder aan de sneeuwbank, had ze opeens een geestverwantschap met hem gevoeld, en ze had geweten dat hij het mooiste schepsel was dat ze ooit had gezien of ooit zou zien.
Op dat ogenblik was de wereld voor haar veranderd. Het was alsof de speer met de glanzende punt haar in haar hart had geraakt. Het jong beefde, net als toen, verward en kwaad door een gevoel van verraad dat zo intens was dat ze amper kon ademhalen. De Oude had tegen haar gelogen! De Vreemdelingen waren niet lelijk! De Vreemdelingen waren niet weerzinwekkend! Met haar vingertoppen tastte ze de contouren van haar gezicht af en net als toen slaakte ze een zucht. De Vreemdelingen en ik zijn soortgenoten. Ik ben een van hen. Ik behoor niet tot de Oude Stam. Ik draag niet het kenmerk van de Oerouden! Een zucht van de gewonde deed haar ineenkrimpen toen ze naar de werkelijkheid werd teruggeroepen. Ze vroeg zich af of hij haar in zijn koortsdromen had gezien, zoals de Oude had beweerd, als een afschuwelijk weerzinwekkend beest alleen maar geschikt om te doden, of als een soortgenoot. Gaf hij haar de schuld van zijn pijn, of was hij haar dankbaar dat ze zijn leven had gered? Wist hij wat ze allemaal had moeten doen om hem in leven te houden? Hoe ze het grote bloedvat in zijn verminkte been had afgebonden met een streng haar dat ze snel van haar eigen hoofd had afgesneden om te voorkomen dat hij dood zou bloeden op die verschrikkelijke tocht door het woud naar de veiligheid van het leger? Of hoe ze zijn doorgesneden bloedvaten had dichtgebrand en hem had schoongemaakt nadat de Oude met een paar stenen lancetten de vliegende stok uit zijn schouder had gesneden, en hem vervolgens had gehecht en ingesmeerd met olie en elke gehechte wond met spinnenwebben, vochtig mos en de zachte, met medicamenten bevochtigde, van beharing ontdane huiden van kleine dieren uit het woud had ingepakt? Wist hij hoe ze naakt over hem heen had gelegen tijdens die eerste lange uren toen het leek of zijn hart nooit meer zijn normale ritme zou terug weten te vinden, en hoe ze - toen hij ten slotte was opgehouden met beven en zich aan de slaap had overgegeven - haar liefste met gras gevulde geitenleren kussen onder zijn linkerdijbeen had gelegd en een tentachtige constructie van gebogen wilgentwijgjes had gefabriceerd om zijn ergste kwetsuren te ontlasten van het gewicht van de slaapvachten?
Ze kneep haar lippen samen. Ze wilde dat hij dat allemaal wist. Ze wilde dat hij wist dat zij het was, en niet degene wier naam hij telkens weer had geroepen - die zelfs nu nog, twee dagen nadat ze hem naar het leger hadden gebracht, nog steeds over hem waakte en in elke behoefte voorzag. Het was Mowea'qua en niet Hasu'u die naast hem geknield zat om zijn koortsige gezicht met genezende doekjes te verkoelen. Het was het Jong, niet de Vrouw uit het Land van de Dageraad die zijn hoofd optilde en hem hielp zoveel mogelijk te drinken uit de mok die zij en de Oude steeds opnieuw vulden met het versterkende brouwsel getrokken van fijngestampte twijgjes van de dollekervel, korstmossen, en de fijngekauwde binnenste bast van iepen.
Een lawine van sneeuwvlokken viel op haar wangen en het puntje van haar neus. Ze veegde ze weg en kneep haar ogen samen tegen de irritante rookontwikkeling, en vervolgens stond ze op en liep ze naar de stok waarmee ze de positie van de rookklep kon regelen. Toen ze ontdekte dat ze er geen beweging in kon krijgen, besefte ze dat het geweven buitenste schot vol moest liggen met sneeuw. Om de koude lucht en de sneeuwvlokken uit het vertrek te houden en het roken tot een minimum te beperken, zou ze er van buitenaf iets aan moeten doen.
Ze reikte naar haar mocassins en binnenvoeringen, trok ze aan en stapte in haar slaapvacht gewikkeld over de slapende wolf heen. Ze negeerde de starende blik van de witkopadelaar die de wakkere roofvogel vanaf zijn roest op haar wierp, waarna hij zijn veren opzette en uitgebreid geeuwde, zijn brede donkere vleugels uitstrekte, en vervolgens eerst zijn ene geklauwde poot en toen de andere. Ze liep op haar tenen naar de windflap, maakte de veters los en ging naar buiten. 'Ah!' riep ze uit toen ze tot haar dijen in de sneeuw stond. Ze liet de windflap achter zich dichtvallen. Met open mond keek ze uit over de door sneeuw bespikkelde grauwheid van de komende dageraad en ze probeerde zich te herinneren wanneer ze ooit zo'n sneeuwbui had gezien. 'Nooit!' De Oude had gelijk dat ze zich zorgen maakte. Aarde en hemel bestonden niet meer. De wereld werd bedekt door een enorme geluidloze wolk, en uit de grijze, zachtjes pulserende kern bleef de sneeuw neerdalen, tot die nu achter de kleine hut van bast en takken en botten lag opgestapeld en alles behalve de grootste rotsen bedekte, en de bomen dermate verzwaarde dat het hele woud gebukt leek te gaan onder de druk van een allesomvattende hemel. In een dergelijke sneeuwbui bewoog zich niets. Ze beet zorgelijk op haar onderlip en hoopte dat de kami de schedels en beenderen had kunnen vinden van het konijn en de hazen die ze in alle haast voor hen had achtergelaten in het heilige bosje. In zoveel sneeuw zouden haar offers bedolven zijn geraakt als de geesten niet onmiddellijk waren gekomen. Ze had langer moeten blijven! Ze had de wilgentakken harder heen en weer moeten zwaaien en luider moeten huilen! Als de schedels en beenderen van haar buit niet waren geaccepteerd door de woudgeesten, zouden haar strikken en vallen in het vervolg leeg blijven en haar speren zouden niet naar vlees smaken, want de konijnen en hazen, beledigd door wat ze zouden aanzien voor gebrek aan eerbied van haar kant, zouden hun voedsel- en nestplaatsen verlaten en wegtrekken uit dit deel van het woud. Nooit meer zouden zij en de Oude kunnen rekenen op het zoete rode vlees van hun soort als ze voor vers vlees wilden zorgen tijdens de lange noordelijke winter. Nooit meer zou haar hart een sprong maken en haar geest zingen van een gelukzalig meevoelen als ze hen door de wereld van het woud zag springen. De konijnen en hazen zouden voor altijd weg zijn en met hun afwezigheid zouden eveneens alle dieren verdwijnen die van hun vlees afhankelijk waren. De grote Cirkel van het Leven zou doorbroken zijn. Vervolgens zouden zij en de Oude en de Vreemdeling van de honger sterven of gedwongen worden om nieuwe jachtvelden in een ander deel van het woud te zoeken.
Ze moest een brok wegslikken. Dat laatste was ondenkbaar. En toch kon ze nergens anders aan denken. Hij bevond zich ergens daar buiten in de storm - die mooie, de meester van de troep van de gewonde, de Vreemdeling die spoedig zijn weg zou vervolgen en voor altijd uit haar leven en wereld van het woud zou verdwijnen. Tenzij... Binnen in het leger kreunde de gewonde. Het jong zocht snel de lange, rechtop staande buitenpaal die zij en de Oude bij de ingang van het leger bewaarden, en gebruikte het kromme uiteinde om de sneeuw van de hut te schrapen, waarna ze met een behendige beweging het schot voor het rookgat schoof en weer vlug naar binnen ging. De adelaar doezelde. De wolf trok met zijn oor, maar bleef tevreden doordromen. Ze hoorde de langzame gelijkmatige ademhaling van de Oude en wist dat ze diep in slaap was. Ze schudde de sneeuw van haar slaapvacht, trok haar mocassins uit en liep naar de vuurkuil, waar ze de medicijnkom zocht, een holle berkenknoest waarin de doordrenkte huiden lagen waarmee ze het koortsige voorhoofd van de gewonde had afgeveegd. Terwijl ze met haar vinger een doorweekte huid opviste, wrong ze het teveel aan vocht eruit en ging ze naast de gewonde op haar hurken op haar slaapmat zitten. Hij was nu rustig, zo rustig dat ze even zeker wist dat hij niet meer ademde. Haar vrije hand vloog naar zijn hals. Haar vingertoppen drukten gebiedend, zochten naar zijn hartslag en vonden die toen hij uitademde en zachtjes snikte: 'Hasu'u! Ik zou je achternagekomen zijn! Dat zou ik hebben gedaan! In deze wereld of in de volgende, ik zou je gevolgd zijn! Ik zou jacht hebben gemaakt op de manitoes die jouw geest hebben onteerd! Maar hoe kan ik je nu volgen? Hoe...?' Zijn woorden zweefden, stierven weg.
Van haar stuk gebracht trok Mowea'qua haar hand weg. Ze legde de medicijnlap terzijde, ging naast hem liggen, trok haar beddenvachten over hen beiden heen en fluisterde in zijn oor: 'Een manier is er wel, mijn gewonde. Degene om wie jij treurt loopt niet in de geestenwereld. Ze leeft! Van de gemaskerden is zij nu gevangene. Dit met mijn eigen ogen ik heb gezien. Dus genezen moet jij, voor haar. Sterk worden moet jij, voor haar. Samen zullen we haar vinden, en ook je broeders. Vertrouw op mijn woorden, en jij zult weer naast Hasu'u lopen.'
Zijn ogen gingen open. Hij draaide zijn hoofd om en keek haar recht in het gezicht. 'Ze hebben mijn been genomen, Hasu'u. Hoe kan ik naast jou lopen met maar één been?' 'Ssst.' Ze legde haar vingers over zijn mond. 'Maak niet de Oude wakker. Ze zal je blind maken als ze mijn woorden hoort. Ons geheim mag zij niet weten. Maar jij moet het weten, want tot Kinap komt moet je de wil vinden om te leven en daar kracht uit putten. Twee benen heb je, mijn gewonde! Een op je lichaam, de andere hangt in mijn rookoven te drogen tot de dag waarop wij samen met Kinap naar de heilige bron zullen reizen. Het toverwater zal je gezicht genezen en zal je been weer laten aangroeien. Dan wij zullen samen vluchten. Kinap zal ons overal zoeken, maar wij zorgen dat hij ons niet vindt. Dan zal hij naar de Oude moeten terugkeren. Dit weet ik. Hij zal haar niet in de steek laten. Altijd komt hij terug uit de wereld van de Vreemdelingen om in haar behoeftes te voorzien. Zoals ik naar hem toe moet, naar die mooie man die jouw broeder is. Nooit meer hoeven Kinap en de Oude zich zorgen te maken wat er met dit jong zal gebeuren als zij geen adem meer halen. Samen zullen wij naar het land van jouw soortgenoten reizen. Jij, mijn geschenk uit het woud, zal mij leiden naar het nieuwe leven dat Kinap mij heeft beloofd. De mooie zal haar die zijn broeder uit het land van de manitoes naar hem heeft teruggebracht toelachen. Verwelkomen zal hij mij bij zijn troep. Weten zal hij dat ik, hoewel ik ben Mowea'qua, geen Vijand ben, geen Vreemdeling, geen manitoe, maar een van zijn soort. En als hij in mijn ogen kijkt, zal hij vast geen reden zien mij te doden, want hij zal weten dat ik recht naar zijn hart kan kijken.'