- 2 -

Dood was een rivier.

Ne'gauni gaf zich over aan de stroom. Koud, zwart, fluisterend, voerde die hem mee. Drijvend op een innerlijke duisternis even dicht en stroperig als het vocht in het midden van een oog, Dood de jongeling geen weerstand aar de dodelijke stroming van zijn lot. Dat had geen zin. In het rijk van de manitoes was Dood de enige werkelijkheid; hij had zijn bestemming bereikt.

Hij zag de twee behaarde gedaantes niet uit het woud komen. Door de storm en de duisternis kwamen ze langzaam naderbij. Onzeker. Ineengedoken. Stap voor stap verlieten ze achter elkaar lopend de beschutting van de bomen en even geruisloos als vallende sneeuw naderden ze de kreek. Toen ze die hadden bereikt, bleef de ene op de oever staan terwijl de andere even soepel en moeiteloos als de wind naar voren sprong. Hij kwam op de omgevallen boom terecht en kroop op handen en voeten tot de plek boven de vooroverliggende gestalte van Ne'gauni, waarna hij een ogenblik naar beneden keek en vervolgens zijn hoofd hief en een ijl, onvast gehuil liet horen.

Het bewustzijn roerde zich in de jongeling. Zijn lichaam gaf geen zichtbaar teken van leven, maar diep in zijn hersenschors namen de beelden van wolven vorm aan, en tevens een vluchtige herinnering aan zijn broers die over hem heen gebogen zachtjes met elkaar spraken, aan hem trokken, hem pijn deden. De beelden vervaagden toen het gehuil van de wolf wegstierf. Andere geluiden dreven door zijn gedachten. Het zachte gorgelen van de kreek. De eenzame kreten van een uil. De af en toe rommelende donder. Bonzende trommelslagen in de verte.

Ne'gauni luisterde. Geleidelijk keerde zijn bewustzijn terug. Hij concentreerde zich op de geluiden. De kreek leek minder snel te stromen. De roep van de uil kwam van heel ver weg.

En de langzame, harde, aritmische trommelslagen kwamen niet van buiten maar van zijn eigen hart. Klopte dat nog? Dat kwam hem onwaarschijnlijk voor. Als een paling die wanhopig over de bodem van een bevroren vijver kronkelt die de toegang tot warmer water verspert, gleed deze gedachte door de troebele kanalen van Ne'gauni's stervende geest en voerde zijn gedachten steeds dieper de rivier van de dood in, totdat uiteindelijk alle geluid wegebde en de trommelslagen verstomden. 'Kom! Het is nu veilig om hem mee te nemen! De Vreemdelingen zijn allemaal heengegaan! Het is goed dat je uit het leger bent gekomen. Totdat jij antwoordde, wist ik niet zeker of je mijn gehuil had gehoord!'

De stem was weliswaar zacht, maar intens dwingend. Hij sneed door het water van de rivier des doods. Andermaal roerde zich in de jongeling zijn bewustzijn. Boven Ne'gauni op de omgevallen boom hurkte nu een tweede harige gedaante naast de eerste, en toen stonden ze plotseling allebei in de kreek, aan weerszijden van zijn lichaam één. 'Hmm. Hij is dood.' 'Nee!'

'Bijna. En des te beter voor hem.' 'Nee!'

De stemmen drongen door een innerlijke duisternis tot Ne'gauni door. Vrouwenstemmen. De ene zo licht en vluchtig als de eerste adem van de dageraad, en toch zo ernstig in zijn ontkenning van de andere dat hij bijna een snik was. De andere was zo zwaar als de af en toe rollende donder, zo koud als de kreek, zo dreigend als de rivier des doods. 'Kom mee, zeg ik. Laat hem als vlees voor Raaf achter. Koud ben ik. Twee troepen Vreemdelingen deze nacht door ons woud dwalen. Misschien z;jn ze nog dichtbij. En ik heb gehoord de stem van de Machtige. Veilig is het niet voor ons soort om hier te blijven. Laat deze gewonde achter. Beschutting zoeken moeten wij van sneeuw en storm voordat wij gezien worden.'

'Uit het water moeten wij hem halen!' 'Waarom? We hebben vlees genoeg mee te dragen. Deze kreek heeft hem gedwongen tot een paring met deze omgevallen boom. Onder water voelen mijn handen nu dit: onder zijn knie been is gebroken en pees, vlees, spier en huid zijn allemaal gemeen gescheurd. De takken van deze boom houden stevig in hun greep dit verwoeste been dat ontspringt aan de hartzijde van zijn lichaam. Eén manier is er om de verbinding te breken. En waarom, zeg ik? Door vreemdelingen werd hij neergeslagen en door zijn eigen soort achtergelaten om te sterven. Kom. Sta deze stervende toe op twee sterke benen naar het land van de manitoes te reizen.' De woorden - zo ongewoon gerangschikt en in elke nuance en toon afwijkend van het dialect van zijn eigen stam - wekten een subtiele, ondefinieerbare waarschuwing in een klein nog altijd bewust deel van Ne'gauni's geest. Land van de manitoes? Was hij niet al daarheen op weg? Of had hij nog een keus? Leven, sterven - het onderscheid was eens voor hem van belang geweest. Nu niet meer. De rivier des doods stroomde voort. En toen weerklonk er een andere stem uit de duisternis. Je bent nog geen opperhoofd in dit deel van het woud, Kleine Broeder! Waarom treuzel je in het land van de dood? Ben je niet mans genoeg om mij te beschermen?

'Hasu'u?' Had hij de naam van zijn broers vrouw uit het Land van de Dageraad hardop geroepen? Hij wist het niet zeker. Logica vertelde hem dat de doden niet konden spreken. Die vertelde hem tevens dat de doden geen pijn voelden, maar zijn gezicht deed zeer en zijn lichaam schrijnde, en opnieuw hoorde hij duidelijk de stem van Hasu'u. Waarom roep je mij in het land van de manitoes, Kleine Broeder? Ik ben nog steeds de dochter van een jachtopperhoofd en de vrouw van een hoofdman! Ik blijf niet staan zingen waar het mij niet behaagt te blijven staan zingen! Ik sta niet op om mijn weg te vervolgen als het mij niet behaagt op te staan en mijn weg te vervolgen! En ik zal niet zwemmen in de rivier des doods zolang de rivier des levens zo zoet en warm en uitnodigend is! M'alsum, Sac en M'ingwé zullen dat vast ook wel hebben bedacht!

Ne'gauni begreep het niet. Hij wist niet wat de woorden betekenden. Maar terwijl het beeld van Hasu'u in zijn geest duidelijke vormen aannam, begon de trommel in zijn borst weer te slaan. Ze was niet bleek van angst of gekleed in de dikke lagen winterse huiden die ze droeg toen hij had toegezien hoe zij de dood vond. Ze verscheen voor zijn geestesoog zoals ze eruit had gezien op die laat-zomerse dag toen M'alsum met een kleine groep handelaren was teruggekeerd uit het Land van de Dageraad en voor de eerste keer vol trots zijn bruid het dorp van zijn vader had binnengeleid. Ne'gauni snikte van verlangen naar wat, zo wist hij, nooit meer zou zijn. Was er ooit een mooiere dag geweest? Helder en heet en midden in de tijd dat de bosbessen en veenbessen in het moeras rijp werden en het woud was versierd met vlammend gekleurde vlinders zo groot als kolibries. Zo'n dag zou hij zeker nooit meer beleven. En was er ooit een meer bijzondere bruid geweest? Hij snikte opnieuw toen hij voor zijn geestesoog de vrouw van zijn oudste broer, de vrouw uit het Land van de Dageraad, op zich toe zag lopen met een van de vlinders boven op haar hoofd die haar voorhoofd bewaaierde alsof hij haar in erkenning van haar schoonheid hulde wilde bewijzen.

'Hasu'u!' Nogmaals riep hij haar naam, verlamd, niet door de fragiele schoonheid van het levende ornament, maar door de stralende aantrekkelijkheid van de jonge vrouw die het droeg. 

Met naakte borsten, haar geoliede tepels glanzend in het zonlicht als twee niet-knipperende bruine ogen in een zetting van een cirkelvormige diepzwarte tatoeage, was ze gekleed in de zomerdracht van een vrouw uit het Land van de Dageraad. Met uitzondering van M'alsum, die verre trektochten ondernam, had niemand van Asticous kleine woudstam ooit iemand als zij gezien. Een knielange rok gemaakt van zwarte en witte veren week met elke buiging van haar knie uiteen en onthulde de geoliede bruine huid van haar dijbenen en buik. Haar ovale gezicht was beschilderd met verticale lijnen van witte as en rode oker. Een kunstig uitgesneden drinkhuis hing aan een gevlochten koord dat om haar naakte taille was gebonden. Oranje strengen van sierlijk gerangschikte gedroogde poten en snavels van zeldzame vogels tooiden haar hals en polsen. Haar haar was in twee glanzende donkere knotten gedraaid en vastgezet met kammen van gepolijst bot boven haar kleine met schelpen versierde oortjes. En een enkele heldere koperen kraal was ter versiering aangebracht op de naaldenkoker gemaakt van een holle stekel van een stekelvarken die door het tussenschot van haar welgevormde neusje stak.

'Ahhh!' riep Ne'gauni uit in een uitbarsting van wroeging omdat hij de dood van een dergelijke schoonheid veroorzaakt had. Nogmaals riep hij in zijn ijltoestand naar Hasu'u: 'Ik zou mijn leven hebben gegeven in ruil voor het jouwe! Ik zou je baby hebben gered! Hadden de ijsgeesten zich maar niet geopend onder mijn voeten! Hadden de watergeesten me maar niet meegevoerd en me verhinderd naar jou terug te keren! Ik zou de manitoes bevochten hebben! Ik zou even moedig en fier als de beste van de zonen van Asticou zijn geweest! Dat zou ik! Ik weet dat ik dat zou hebben gedaan! Voor jou, Hasu'u, zou ik alles hebben gewaagd!' 'Moedig moet je ook nu weer zijn,' zei het visioen. Ne'gauni's hart maakte een sprongetje van vreugde. De vrouw uit het Land van de Dageraad deed iets wat ze nooit eerder had gedaan: ze glimlachte naar hem! Het was een trieste, oneindig tedere glimlach en in de aarzelende welving bespeurde hij wroeging, maar het was niettemin een glimlach, en helemaal alleen voor hem! Het bloed stroomde weer door zijn aderen. Het licht van vol bewustzijn vlamde helder op in zijn hoofd. Hij slaagde erin zijn hoofd op te tillen. Plotseling veranderde het visioen van Hasu'u in een heel ander visioen. Een ander gezicht doemde voor Ne'gauni op. Hij staarde ernaar. Het gezicht staarde terug.

Een bewegend scherm van vallende sneeuw was het enige wat de jongeling en de verschijning scheidde. Ne'gauni rook de warme dierlijke geur van haar adem en lichaam. En hoewel haar gelaatstrekken amper te onderscheiden waren vanwege de sneeuw en de duisternis, zag hij genoeg beharing en scherpe hoektanden om het gezicht te herkennen.

'Je bent me komen halen!’ zei hij tegen Mowea'qua, wolf-vrouw van het noordelijke woud. Hij wist dat zij de bode van zijn dood was.

'Jou achterlaten kon ik niet!’ bevestigde zij. 'Spoedig voor jou alles voorbij zal zijn. Jong ben jij, maar sterk genoeg om het te ondergaan moet je zijn.'

Ne'gauni had te lang in het ijskoude water van de kreek gelegen. Hij was te ernstig gewond om zich nog te verzetten of zijn lot te betwisten. Het scheen hem toe dat hij minstens twee keer gestorven was en weer was teruggekeerd uit de wereld voorbij deze wereld sinds Grote Geest Kannibaal, winteropperhoofd van de manitoes, het woud uit was gelopen. Nu wachtte hem opnieuw de zwarte rivier des doods. Hij was niet langer bang om de diepte in te zwemmen. Sterker nog, terwijl hij Mowea'qua in de langgerekte bleke ogen keek, zei hij tot zichzelf dat hij had kunnen weten dat de krachten van de Schepping vonden dat hij het niet verdiende een zachte dood te sterven na alles wat hij over de handelsgroep van zijn broeder had afgeroepen. 'Ik zal sterk genoeg zijn om het te ondergaan!’ bezwoer hij de manitoe, en zichzelf.

'We zullen zien!’ zei een andere, diepere stem bedenkelijk - zonder gevoel.

Plotseling was Ne'gauni zich bewust van het gewicht van iets op zijn rug. Wat het ook was, het leek op hem geknield te zitten en het zwaaide heen en weer en gromde in zichzelf terwijl het ergens mee bezig was, waarbij het hem hard neerdrukte. Voor het eerst sinds het ijs was gescheurd en hem aan de kreek had gevoederd, voelde de jongeling nu iets in zijn linkeronderbeen. Het was een flauwe, oppervlakkige prikkeling van de huid, een dof, regelmatig schuren, een langzame maar zekere neerwaartse druk tegen het bot. Pijn? Nee. Het was niet echt pijn. Nog niet.

Het gewicht op zijn rug verplaatste zich, leek zich te centreren, zich aan te passen aan een nieuwe taak. Ne'gauni probeerde zijn hoofd om te draaien om te zien wat het was, maar hij was te zwak om meer te doen dan de zijkant van zijn gezicht in het ondiepe water terug te laten zakken.

'Vergeef?' vroeg Mowea'qua.

Het leek een vreemde vraag voor een roofdier aan zijn prooi. De jongeling kreeg geen kans erover na te denken. In een uitbarsting van folterende pijn, erger dan hij ooit had meegemaakt, hoorde en voelde hij een afgrijselijke, misselijkmakende krak. Vuur schoot uit zijn linkerbeen en schroeide elk zenuwuiteinde in zijn lichaam. Zijn hart maakte een wilde, huiverende sprong en een ogenblik lang voelde hij zich boven een diepe, donkere afgrond hangen. Toen gilde er iemand. En terwijl Ne'gauni nogmaals de donkere diepte van de rivier des doods in dook, was hij zich er niet van bewust dat die hoge, waanzinnige kreet van hemzelf afkomstig was.

Sac bleef stokstijf staan. 'Hoorden jullie dat?' M'alsum noch M'ingwé reageerde terwijl ze voortsnelden door het woud naar de plek waar ze Kichawan bij de honden en de slee hadden achtergelaten.

Sac bleef staan waar hij stond. Hij moest even rusten. En hij moest nadenken. 'We hadden allang bij de slee terug moeten zijn,' mompelde hij in zichzelf, zoals hij altijd deed als hij alleen was. 'Maar M'alsum heeft zo'n haast om afstand te scheppen tussen zichzelf en de kreek waar hij een broeder alleen heeft achtergelaten om te sterven dat hij de verkeerde weg tussen de berken heeft gevolgd. Niet dat hij een vergissing zou toegeven. Nee! Zelfs niet een vergissing die zo duidelijk was als deze!'

Hij blies met een hard, rauw gepuf zijn adem uit, met de bedoeling zijn toenemende ongerustheid te verminderen. Het was vergeefse moeite. Sterker nog, Sacs gevoel van onrust werd heviger. Bij zonsopgang van diezelfde ochtend zou hij trots voor elke man van elke groep of clan of stam hebben gestaan en zonder aarzeling hebben gezworen dat het onmogelijk was dat zijn oudste broer ook maar de geringste inschattingsfout zou maken.' Nu, volslagen alleen in de sneeuw en de duisternis, wist Sac dat hij het bij het verkeerde eind zou hebben gehad. M'alsum was in zijn ogen niet langer onfeilbaar. Die wetenschap kwam hem op de een of andere manier als verraad voor. De last van zijn zorg en vermoeidheid nam hierdoor toe.

M'alsum was Eerstgeborene! M'alsum was Oudste Zoon! M'alsum was Oudste Broeder! En hoewel Sac en M'ingwé nooit onder elkaar toegaven dat hij duidelijk de beste van de zonen van Asticou was, hadden ze de waarheid die hierin school instinctief beseft, ondanks het feit dat hun vader ervoor had gezorgd dat niemand anders zich daarvan bewust was geweest. Hoe had het voor hen anders kunnen zijn? M'alsum had zijn best gedaan zich tot het middelpunt van hun leven te maken in een wereld waarin, sinds de geboorte van Ne'gauni, zoon van Wawautaésie, Asticou zich nog amper bekommerde om de zonen die Meya'kwé hem had geschonken. M'alsum was zowel broer als vader voor hen geweest. Hij was de schaduw van de zomerzon en de warmte van de wintermaan geweest. Toen hij op zestienjarige leeftijd tijdens zijn Vuurproef zonder een krimp te geven voor de stam had gestaan en in stoïcijnse stilte de pijn en ontbering van ritueel vasten en insnijding had ondergaan, had hij een voorbeeld gesteld waarnaar zij sindsdien hadden geleefd. En toen hij het dorp zonder hen verliet, en op een nacht verdween en zijn dreigement om zich aan te sluiten bij een groep handelaren die noordwaarts trokken waarmaakte, was er een helder en fundamenteel element van hun bestaan weggevallen. Ze hadden hun vrouwen en kinderen om hen te troosten, maar zonder M'alsum verloor de zon zijn glans. Zonder M'alsum verflauwde het maanlicht. Niets was hetzelfde tot hij terugkwam.

En diezelfde M'alsum had vandaag, teneinde de honden en de handelswaar in veiligheid te brengen, zijn vrouw en baby de rug toegekeerd en had toegestaan dat ze ten prooi vielen aan manitoes. Bovendien had hij Ne'gauni bijna verdronken alvorens ermee in te stemmen hem achter te laten om in zijn eentje te sterven. Verward probeerde Sac de kreet die hem ertoe had gebracht te blijven staan uit zijn geest te bannen. Tevergeefs. Die kreet zou voor altijd in zijn gedachte en dromen blijven hangen. Hij was ervan overtuigd dat het de doodskreet van zijn jongste broeder was geweest.

'Halfbroeder’ mompelde hij, in een poging zowel zijn zenuwen als zijn geweten te sussen. Die werden niet gesust. De rillingen liepen over zijn rug. Halfbroer of volle broer, bloed was bloed in Sacs ogen, en ongeacht zijn pogingen om te rechtvaardigen dat ze Ne'gauni zijn bezittingen hadden afgenomen en hem hadden achtergelaten om levend verslonden te worden door wolven of manitoes, het was niet goed te praten. Het was helemaal, verschrikkelijk verkeerd. De nacht werd verscheurd door gehuil. Een wolfs geluid. Een vrouwelijk geluid. Sacs nekharen gingen weer overeind staan. 'Dat is geen wolf!’ fluisterde hij. Zich de legende van Mowea'qua voor de geest halend, klemde hij zijn tanden op elkaar om te voorkomen dat hij per ongeluk haar naam hardop zou uitspreken of per ongeluk iets over haar zou zeggen. Het laatste wat hij wilde, was een manitoe aanroepen. Turend door de neervallende witheid, voelde hij overal om zich heen de mensenetende aanwezigheid van de wolfvrouw. Nee! Ze zal mij niet komen halen! Ze voedt zich met Kleine Broeder! Maar als ze aan hem haar buik rond heeft gegeten, zal zijn geest dan niet in haar voortleven? Zo gaat dat toch bij de jacht? De zwakkere valt toch ten prooi aan de sterkere om wedergeboren te worden in het lichaam van de vleeseter die hem heeft verslonden? Ach, M'alsum heeft daar niet aan gedacht! Wat zal er van de zonen van Asticou worden als Kleine Broeder in het lichaam van een kannibaalse manitoe voortleeft? Zal hij ons achtervolgen? Zal hij ons vinden? Zal hij ons aan stukken scheuren en onze lichamen over het land verspreiden als vlees voor aaseters, als straf voor wat wij vanavond hebben nagelaten voor hem te doen? Als dat gebeurt, zullen we misschien moeten voortleven in het lichaam van een veelvraat of vos of marter, of nog waarschijnlijker: zullen we worden herboren als knaagdieren, als insecten, als schimmel die groeit op de uiteindelijke resten van onze rottende beenderen - of als... De mogelijkheden waren te afschuwelijk om bij stil te staan.

'We hadden hem niet achter mogen laten!' Met schrik besefte Sac dat hij zijn broers niet meer kon zien. 'Jullie zouden doorlopen en mij ook achterlaten?' Woede vermengde zich met gerechtvaardigde verontwaardiging toen hij zich voorthaastte.

De sneeuw bedekte snel de sporen van M'alsum en M'ingwé. In de doorweekte lagen van Sacs kniehoge mocassins van hertenleer begonnen zijn voeten pijn te doen van de kou en de toppen van zijn tenen tintelden als het eerste teken van de gevoelloosheid die aan bevriezing voorafgaat. 'Dat krijg je er nou van als je in een sneeuwstorm een kreek in loopt om zoet sap te bergen! Het is M'alsum geraden dat hij maar snel de slee vindt, met daarin onze droge sokken en mocassins, voordat onze voeten bevriezen en Ne'gauni niet de enige zoon van Asticou is die de dood vindt tijdens de lange reis naar het Land van de Dageraad!'

Sac leunde bij elke stap naar voren. Als hij schuin opzij keek, zag hij het raamwerk van de rugbepakking van zijn dode broer aan zijn schouder hangen. Er lag een laagje sneeuw op de elegant gewelfde takken van het gewei, maar in zijn met vrees vervulde verbeelding leken ze hem even scherp als oude door de wrede kaken van roofdieren versplinterde en van vlees ontdane beenderen. Hij verafschuwde de vergelijking, maar niet half zo erg als hij het verafschuwde dat hij zich door M'alsum had laten overhalen om het raamwerk mee te nemen. 'M'alsum stelt zijn eigen huid niet bloot aan de wraak van de manitoes door de persoonlijke eigendommen van de overledene op zijn eigen rug mee te dragen! Alleen M'ingwé en ik waren zo dwaas om dat te doen. Alleen...' Hij zweeg.

Daar was het weer: dat diepe, afschuwelijke, onstoffelijke dierlijke gebrul dat door het woud had weerklonken vlak voordat Raaf Dood aanriep en voordat Grote Geest Kannibaal, winteropperhoofd van de manitoes, met zijn geestkrijgers was gekomen om Hasu'u aan de overkant van de kreek te overvallen.

Sac werd plotseling misselijk van angst toen het monsterlijke, onstoffelijke geluid zijn hoofd binnendenderde en zijn laatste restje zelfbeheersing verwoestte. Er ontglipte hem een snik van afgrijzen. Katcheetohüskw, het legendarische vijfpotige mensenetende monster dat sprak met de stem van donder, en door het woud stormde en ongelukkige reizigers onder zijn op boomstammen gelijkende poten vertrapte, joeg door Sacs hoofd. Hij was in de greep van paniek. Buiten zinnen frunnikte hij onhandig aan de bevroren band waaraan het bepakkingsraamwerk van zijn dode broer over zijn schouder hing en gooide het de duisternis in, waarna hij op zijn sneeuwschoenen als een waanzinnige achter M'alsum en M'ingwé aan ging.

Het leek alsof hij nooit de afstand tussen zichzelf en zijn broers zou overbruggen, maar het lukte hem wel. Terwijl hij zijn tred aan die van hen aanpaste, flapte hij eruit: 'Er zijn te veel manitoes in dit woud! Grote, hongerige, mensenetende manitoes! We hadden nooit noordwaarts moeten trekken! Nooit! Je zei dat we geen gevaar liepen, M'alsum, zolang we reisden onder de Koude Maan waaronder grote beren nog in winterslaap liggen, zolang we de gepaste offers brachten en liederen zongen. Maar nu zijn we verloren. Hasu'u en de baby zijn dood. En heb je zojuist dat gebrul gehoord? Weet jij wat dat was... wie dat was? Ach! Ik durf er niet eens aan te denken, maar dankzij jou had ik onder de zolen van zijn reusachtige poten verpletterd kunnen worden of weggeslingerd kunnen worden tussen de sterren door één moordende schop van die vijfde poot die uit zijn gezicht groeit! En dat eerdere gehuil, ai! Wat het ook was dat dat geluid voortbracht, het doet zich nu aan Kleine Broeder te goed. Ik weet het zeker! Heb je zijn kreet gehoord? Ik zeg je, M'alsum, onze broeder leefde nog toen wat het ook was dat zich nu voedt met zijn vlees het woud uit kwam om hem te verslinden!' 'Goed,' zei de hoofdman.

'Goed?' vroeg Sac ongelovig. 'Stel dat hij een vermoeden had van onze plannen om hem in het Land van de Dageraad als een slaaf te verhandelen? Stel dat hij, voordat hij stierf, ons heeft verwenst omdat we niet zijn teruggegaan om hem te halen? Hij moet hebben geweten dat we hem in de steek hadden gelaten! Hij moet op het laatst om ons geroepen hebben! Hij heeft zeker veel pijn geleden! Stel dat hij, nadat hij is opgegeten, als manitoe wordt herboren en...' 'Je moet je mond houden en je angsten voor je houden, Sac, anders zul jij eveneens veel pijn lijden... door mijn hand!' waarschuwde M'alsum.

Sac kromp in zijn bonthuiden in elkaar. Hij wist dat hij te veel praatte, maar hij had er een hekel aan bedreigd te worden.

'Kijk! Daar zijn de honden en de slee!' M'ingwé wees naar voren. 'Ik begon al te denken dat je ons in een kringetje rondleidde, M'alsum. Maar waar is de lastvrouw?' Na een ogenblik zei M'alsum: 'Daar.'

Sac keek toe hoe zijn broer razend van woede naar voren schoot. Hij plantte zijn sneeuwschoenen vlak achter M'alsums hielen neer en kreeg al snel Kichawan in het oog, die tussen het niet al te dichte kreupelhout weggedoken zat met haar hoofd in haar handen en heen en weer wiegde alsof ze probeerde te voorkomen dat haar hoofd uit elkaar zou barsten.

'Heb ik je niet gezegd om dicht bij de honden te blijven?' vroeg M'alsum.

Uit de mond van de lastvrouw kwam niets dan een onverstaanbaar gejammer.

'Sta op!' beval M'alsum. 'We hebben droge mocassins, binnenvoeringen, sokken en beenkappen nodig. En ook andere wanten. Opstaan, Lastvrouw, en wel nu meteen, anders zal ik er eigenhandig voor zorgen dat je nooit meer zult kunnen opstaan!'

Sac fronste zijn voorhoofd. Alweer een dreigement! Sinds wanneer bediende M'alsum zich zo vrijelijk van intimidatie? Sinds de wind was gedraaid en de geur van ongedefinieerd gevaar tussen de bomen had meegevoerd. Sinds het machtige gebrul voor het eerst in het woud had weerklonken. Sinds de roep van Raaf en het antwoord van Dood uit de samenpakkende stormwolken hadden geklonken en zij, op aandringen van M'alsum, voor hun leven waren weggerend zonder zich te bekommeren om de veiligheid van Ne'gauni, Hasu'u of haar babyzoon. Sacs frons verdiepte zich. Als het niet zijn oudste broer had betroffen, zou hij er zeker van zijn geweest dat hij zich in de nabijheid bevond van een man die voor zijn angsten vluchtte.

Kichawan wankelde overeind en kwam door de sneeuw aangesjokt, haar hoofd nog steeds in haar handen, nog steeds jammerend, ditmaal de klanken in woorden omzettend. 'Ik was bang dat jullie niet terugkwamen! Zo donker! Zo koud! Toen riep Uil. Moest schuilen! Ik hoorde wolven... en nog iets anders... een verschrikkelijke kreet. En mijn hoofd blijft pijn doen... Zoveel pijn... Te veel. Ik moet rusten... om de pijn kwijt te raken... Moet een poosje slapen en...' 'Slapen?' vroeg M'alsum ongelovig. 'Jij gaat naar de slee! Jij brengt ons droge mocassins en...' 'Kan niet!’ jammerde ze.

Woedend sloeg de hoofdman de vrouw met de rug van zijn hand in haar gezicht. Kichawan sloeg tegen de grond. Sac wist zeker dat M'alsum haar had gedood. 'Sta op!' De hoofdman schopte met de harde voorkant van zijn rechtersneeuwschoen tegen de in elkaar gezakte gestalte van de lastvrouw. 'Ik zeg het niet nog eens. Als je de zonen van Asticou niet wilt verzorgen, doen we het zelf en dan laten we jou hier achter!' Kichawan kreunde.

Sac was opgelucht toen hij zag dat ze nog leefde, maar toen zijn broers zich van de vrouw wegdraaiden en zich naar de honden en de slee haastten, baarde hun harteloosheid hem zorgen. Zijn gevoelens hadden niets te maken met medeleven voor Kichawan. Hij wist net zo goed als ieder ander dat het soms nodig was om lastvrouwen hardvochtig te behandelen omdat mannelijk overwicht het enige was waar dergelijke voor de rest nutteloze vrouwen kracht en hoop op moed uit konden putten. Maar hoe hij ook probeerde, Sac zag het nut er niet van in dat M'alsum hun enige lastvrouw murw sloeg terwijl hij en zijn broers haar nog steeds konden gebruiken. 'Kom, Sac!' beval de hoofdman. 'Waarom sta je daar zo te kijken? Je moet je natte mocassins uittrekken. Haal droge voetbekleding uit je bedrol en help ons de slee weer op te laden. Hier is geen geschikte beschutting voor ons. Ik wil zo snel mogelijk de kreek en dit deel van het woud achter ons laten... zelfs al moeten we de hele nacht doorreizen.'

Sac betwijfelde of de in hevigheid toenemende sneeuwval hun zou toestaan ook maar tot halverwege de dageraad door te reizen voordat ze gedwongen werden te stoppen en een schuilplaats te zoeken, maar het idee om afstand te scheppen tussen zichzelf en de kreek en wat het ook was dat in dit deel van het woud huilde en brulde, was onweerstaanbaar. Toen hij om de gevelde lastvrouw heen liep en naar zijn broers toe stapte, klaarde zijn stemming ietwat op, totdat hij een bekende lucht opsnoof en besefte dat Kichawan bloedde uit wat M'alsums klappen van haar neus hadden overgelaten. Hij bleef niet staan om haar te troosten, maar toen hij naast de slee stond kon hij zich er niet van weerhouden zijn broer toe te voegen wat hij op zijn hart had: 'Wie zal Kichawans last dragen als je haar zo erg verwond hebt dat ze niet verder kan? Jij? Of moeten M'ingwé en ik opnieuw het gewicht van jouw slechte inzicht dragen?'

'Slecht inzicht?' M'alsum stond tegen de slee geleund. Hij trok zijn natte voetbekleding uit, trok een paar droge sokken en ingevette binnenvoeringen aan en schoof zijn voeten in een paar dik gewatteerde kniehoge mocassins. 'Als een van mijn honden zich ooit bij herhaling zou verzetten tegen het tuig of zou weigeren aan mijn bevelen te gehoorzamen, zou ik dat dier ter plekke slachten en zijn vlees gebruiken om de anderen te voederen. Hoe kan ik anders vooruitkomen? Hoe kan ik anders de orde in de meute handhaven? Waarom zou dat anders zijn bij een lastvrouw... of bij een broeder?' M'ingwé, die de laatste woorden opvatte als een verwijzing naar de handelwijze van de hoofdman ten aanzien van Ne'gauni, knikte instemmend terwijl hij zijn eigen voetbekleding verwisselde.

Sac daarentegen hoorde weer een dreigement. Hij vatte het gezegde op zoals hij wist dat het bedoeld was: persoonlijk. 'Ik krijg genoeg van jouw dreigementen, M'alsum.' 'En ik krijg genoeg van jouw eindeloze vragen en geklaag,' antwoordde de hoofdman terwijl hij zijn mocassins vastsnoerde en vervolgens rechtop ging staan. Met een blik op Sac vroeg hij: 'Waar is het bepakkingsraamwerk van Kleine Broeder?' 'Ik...' Sac was bijna vergeten dat hij het raamwerk van hertengewei had afgeworpen. Nu, terwijl M'alsum hem aanstaarde en M'ingwé verwachtingsvol naar hem opkeek, besefte hij dat dit niet het geschikte moment was om het verlies ervan uit te leggen. Hij had echter geen spijt van wat hij had gedaan en hij aarzelde niet ervoor uit te komen. 'Ik heb het bepakkingsraamwerk van onze dode broeder weggegooid! Om onze levens te redden! Zodat de manitoes niet achter ons aan komen! Zoals we ons nu ook zouden moeten ontdoen van Kleine Broeders sneeuwschoenen! Ik zeg jullie nogmaals, broeders: het is verboden om eigendommen van overledenen mee te nemen!'

De stilte die volgde was zo intens dat Sac elke sneeuwvlok die op zijn pelzen terechtkwam kon horen vallen. Een ogenblik later zei M'alsum tegen M'ingwé: 'Ik geloof dat onze broeder Sac in mijn plaats hoofdman zou willen zijn.' Sacs haren rezen te berge. 'Ik wil als gelijke met mijn broeder overleggen.'

M'alsum verwaardigde zich niet hem antwoord te geven. Hij liep naar de honden en sprak hen toe alsof zij eveneens zijn broeders waren. 'Ik geloof dat onze broeder als hij kon het liefst rechtsomkeert zou maken en naar huis terug zou rennen,' zei hij terwijl hij balancerend op de bal van zijn voeten op zijn hurken ging zitten en zich schrap zette voor de onstuimige verwelkoming van de meute. Die kwam. M'alsum moest om de aanval lachen. Terwijl hij elk dier bij zijn naam noemde streek hij vol genegenheid door het haar van de met sneeuw bedekte koppen. De grote zware honden reageerden met een typisch hondse overdaad aan hartelijkheid: grijnzend, jankend en kwispelend besnuffelden ze de man met blij enthousiasme. Hij beantwoordde dit door oren te strelen en onder kaken en borsten te kriebelen, terwijl hij ze vriendelijk toesprak en ze in vertrouwen hem alsof het zijn betrouwbaarste jachtbroeders waren. 'Ja! Jullie liggen hier veel te lang vastgebonden! Ik verlang er ook naar om weer op weg te gaan. Maar ik moet jullie zeggen, mijn hondenbroeders en - zusters, dat ik niet geloof dat onze broeder Sac begrijpt dat wat onze groep is overkomen misschien iets gunstigs zal blijken te zijn. Ik geloof niet dat hij beseft dat we met voorzichtigheid en slimheid misschien tegenslag in voordeel kunnen omzetten. Nee. Onze broeder Sac gelóóft die dingen wel, maar onze broeder Sac heeft geen vertrouwen meer in mijn capaciteiten als leider. Hij zal, vermoed ik, niet al te veel goeds over mij te zeggen hebben als we het Land van de Dageraad bereiken.'

'Als we daar ooit aankomen!' snauwde Sac, die zich doodergerde aan het geterg van zijn broer. 'Je hebt geen reden om de spot met mij te drijven, Broeder. Voor de komst van deze storm heb ik nooit reden gehad om welk besluit van jou dan ook in twijfel te trekken. Maar nu zeg ik je dit: als het mijn vrouw en mijn zoon waren geweest, zou ik zijn teruggegaan. Ik zou met Ne'gauni de manitoes het hoofd hebben geboden. Ik zou een broeder niet alleen achtergelaten hebben om te sterven. En hoewel ik angst zou hebben gevoeld, zou ik die angst hebben getrotseerd zoals ik jou nu trotseer!' M'alsum stond op.

M'ingwés stem klonk benepen toen hij zei: 'Jij praat altijd te veel, Sac!'

'Ja,' beaamde M'alsum. 'Dat is een slechte en dodelijke gewoonte.'

Sac was woedend. 'Je zult me niet weer dreigen!' 'Nee,' antwoordde M'alsum. 'Dat zal ik niet doen.' Sacs mond verstrakte. Hij fronste zijn voorhoofd. Zijn maag kwam in opstand. Verdedigend trok hij zijn pelzen strakker om zich heen en hij bleef stokstijf staan. 'Ik zal niet terugdeinzen voor je dreigementen!' verklaarde hij. 'Goed,' zei M'alsum.

'Je hebt me reden tot zorg gegeven, Broeder, en dat is de reden dat ik...' Sac kreeg niet de kans zijn zin af te maken. M'alsum had een stap naar voren gedaan en had zijn handen op Sacs schouders gelegd. Nu, zonder waarschuwing, werd Sac woest omgedraaid en door de harde, niet-aflatende druk van M'alsums onderarm tegen zijn keel tegen de borst van de hoofdman getrokken. 'Ik krijg... geen... lucht!' zei hij stikkend. 'Goed,' zei M'alsum. M'ingwé sprong overeind.

De honden stonden ook allemaal overeind, met hun oren naar achteren en hun staart tussen de poten. Een van de teven urineerde van angst.

'M'alsum... laat hem los, M'alsum.' M'ingwés verzoek was een harde uitstoot van adem die bijna als een bevel klonk. 'Waarom? Ben jij zijn eindeloze gezeur en gejammer dan niet zat? Wil je dat hij in leven blijft zodat hij kwaad van ons kan spreken, om vervolgens het beste deel van de winst voor zichzelf op te eisen als we het Land van de Dageraad bereiken?'

Sac had niet verwacht dat M'ingwé zou aarzelen. Hij had niet verwacht dat M'ingwé tussen zijn tanden door lucht naar binnen zou zuigen en die vervolgens langzaam zou uitademen, of dat hij besmuikt zou grinniken alsof de clou van een subtiele, obscene en onverwachts bevredigende grap geleidelijk tot hem doordrong. Hij had niet verwacht dat M'ingwé zou zeggen: 'Nee.'

De druk van M'alsums arm was ondraaglijk. Sac vocht ertegen. Tevergeefs. Ergens in de vervagende hoekjes van zijn geest hoorde hij het zachte, ongelukkige gejammer van een vrouw. Sprak Uil weer? Hoorde hij een raaf roepen? Hij wist het niet zeker. Dood liep deze nacht in vele gedaantes door het winterse woud. Toen Sac verslapte in de dodelijke greep van zijn oudste broer, wist hij dat M'alsum er daar een van was.