21

 

 

 

 

Verliefdheid is een ziekte, zeggen sommige mensen. Wie verliefd is voelt zich anders, gedraagt zich anders, ziet er zelfs anders uit.

Dat laatste kan ik iedere ochtend constateren in de spiegel van mijn kleedkamer, die ik inmiddels weer in gebruik heb genomen. Mijn ogen schitteren als nooit tevoren, mijn krullen zijn voller en op mijn wangen ligt voortdurend een blos.

Ik ben mooier en het leven is dat ook, honderdmaal mooier sinds Arnout er weer is.

We zien elkaar elke nacht. Overdag werkt hij voor Coen, ’s avonds eet hij bij zijn ouders of met vrienden, en dan, als iedereen denkt dat hij thuis ligt te slapen, sluipt hij door stegen en achtertuintjes naar mijn huis, dat gelukkig niet ver van het familiehuis van de Cronenburgs aan de Prinsestraat ligt, om een uur voor dageraad weer terug te keren naar zijn eigen bed.

Zes maanden zijn we nu al minnaars, en elke nacht is nog steeds nieuw voor me, anders, vuriger en verrassender dan de vorige. Arnout is de knapste man ter wereld, zijn haar is het mooist, zijn huid het zachtst, zijn geur het lekkerst, zijn armen het sterkst… Zo kan ik nog wel even doorgaan. We kunnen uren met elkaar praten, soms over kleine, onbelangrijke dingen, maar ook over de grote zaken in het leven, en het lijkt wel alsof we het overal over eens zijn. Soms weet ik voor hij zijn mond opendoet al wat hij wil gaan zeggen. Hij maakt me aan het lachen met allerlei grappige voorvallen van vroeger en zelf praat ik voor het eerst in mijn leven honderduit over mijn jeugd in Breda.

Ze zeggen dat verliefden dwazen zijn, en zo voel ik me ook, een gelukkige dwaas die leeft in een heerlijke droom. Een droom voor twee, want ik ben er zeker van dat Arnout even gek op mij is als ik op hem.

Niet alleen onze lichamen, maar ook onze zielen zijn verliefd. We voelen ons zo vertrouwd bij elkaar dat het lijkt alsof we al sinds onze jeugd samen zijn, en misschien zit er wel een kern van waarheid in het Javaanse volksgeloof dat beweert dat de zielen van mensen die voor elkaar zijn voorbestemd al vanaf hun geboorte naar de ander op zoek gaan en niet rusten voor ze die hebben gevonden. Als dat gebeurt, herkennen ze elkaar onmiddellijk, en zij die daar niet in slagen blijven hun hele leven onvervuld.

Zo is het ook bij ons gegaan, die eerste dag dat ik hem zag, op zijn paard in de klappertuin aan de rivier. Ik herkende hem meteen als de man van mijn leven.

Zei ik een droom voor twee? Dan heb ik me vergist, want wij leven in een droom voor drie. Onze zoon groeit met de dag, hij kan al papa en mama en nog zo wat woordjes zeggen, hij loopt als de beste en eet alles wat hem wordt voorgezet met graagte. Iedere nacht leg ik hem tussen ons in en soms lig ik urenlang te kijken naar mijn slapende kind en mijn slapende man en kan ik zelf de slaap niet vatten van puur geluk.

Er zijn twee dingen die me benauwen. Het ene is het wachten. Ik wacht nu al een halfjaar, maar volgens Deurloo kan ik mijn erfenis pas officieel in bezit nemen als de rechters daar een uitspraak over hebben gedaan. De Raad van Justitie, waar Coen natuurlijk zware druk op uitoefent, wil pas een zitting houden over de zaak als vaststaat dat er geen levende verwanten van Van Ruyschbrouck meer zijn in Holland. Gelukkig wordt het schip met de brief die daar uitsluitsel over moet geven nu ieder moment verwacht.

Ik heb Deurloo gevraagd waarom de een of andere achterneef uit Zutphen, waar Van Ruyschbrouck vandaan komt, meer recht zou hebben op zijn erfenis dan zijn eigen echtgenote. Dat heeft hij ook niet, antwoordde de advocaat, behalve als er gerede twijfel bestaat over de status van die echtgenote. En daar heeft Coen de rechters blijkbaar van weten te overtuigen.

‘U was verdwenen, u bent een jaar weg geweest, men dacht dat u dood was, vergeet dat niet,’ zei de oude Deurloo. ‘Volgens sommigen bent u de vrouw die ooit met Van Ruyschbrouck trouwde helemaal niet, en is uw zoon zijn kind niet. Pas ter zitting zullen de rechters daarover beslissen. Zo is het recht nu eenmaal.’

Ondertussen is Coen brutaalweg begonnen met het aanleggen van verdedigingswerken op de voormalige landerijen van Van Ruyschbrouck, mijn landerijen, omdat de sultan van Mataram zijn nederlaag niet wil aanvaarden en nu een nog veel groter leger bijeenbrengt om Batavia aan te vallen.

De andere zaak die me benauwt is dit huis. Hoe groot het ook is, hoe mooi ook, ik kan er niet uit. Ik durf er niet uit. Ik ben een gevangene in mijn eigen droom. Ik dwaal door de kamers, ik zit op de veranda, ik loop een rondje over het achtererf, maar het blijft een gevangenis.

Als ik daar op een hete ochtend weer eens over na zit te denken, terwijl ik uit het raam van de salon kijk naar twee mannen die aan de overkant van de gracht vaten van een kar laden, hoor ik plotseling zware voetstappen op de achterveranda.

‘Krijntje!’

Het is de stem van Arnout en ik ren verrast naar beneden. Overdag komt hij hier nooit.

Hij heeft een grote zak over zijn schouder, die hij op de planken laat ploffen als hij me omarmt.

‘Ik heb een verrassing voor je.’

‘Verrassing?’

‘Maak maar open.’

In de zak zitten rijlaarzen, mannenkleren en een hoed.

‘Jouw maat, denk ik. En onder die hoed past al je haar, lijkt me. Om de hoek heb ik twee paarden staan. Perdana kan toch wel op Arend passen? We gaan uit. Vandaag is een bijzondere dag.’

 

Het paard is hetzelfde als de dag dat we samen naar Arnouts melkmoeder gingen. De merrie herkent me nog en onder het rijden flitsen er allerlei herinneringen door mijn hoofd. Alleen voert onze weg ditmaal niet het binnenland in, maar volgen we een ruiterpad langs de kust dat na een uur stijgt in de richting van een heuvel, die op heldere dagen zichtbaar is vanuit Batavia. Nadat we een paar dorpen zijn gepasseerd wordt de begroeiing dichter en algauw rijden we door wouden vol oeroude bomen. In de takken zitten gekuifde vogels, die bij onze nadering niet opvliegen, maar met gedraaide koppen heen en weer trippelen en met hun glinsterogen nieuwsgierig op ons neerkijken.

Bij een poel waar het heldere water met groot geraas in stort zie ik plotseling een vreemd dier met een spitse snuit en een lange staart, dat voornamelijk uit bruine, glanzende schubben lijkt te bestaan. Het zit op een boomstronk en kijkt ons onbeweeglijk aan. We houden onze paarden in.

‘Let op,’ fluistert Arnout.

Hij richt zich op in zijn zadel en zwaait met zijn arm. Het dier rent niet weg, zoals ik had verwacht, maar rolt zich razendsnel op tot een bal, die wel wat lijkt op een enorme kanonskogel.

‘Een Javaanse miereneter,’ zegt hij terwijl hij weer gaat zitten. ‘Ongevaarlijk. De inlanders doen ze geen kwaad, want ze voeden zich met de termieten die de palen van hun huizen aanvreten.’

We rijden verder en het pad begint weer te stijgen. Na een halfuur dunnen de bomen uit en dan staan we plotseling op de top van de heuvel. In de diepte schittert de zee in de heldere middagzon, die een gouden baan trekt over de onmetelijke oceaan, en in de verte ligt Batavia als een onooglijk stipje aan de horizon.

We dalen af langs de andere kant van de heuvel, tot ik beneden een baai zie met een smal strand, dat wordt omgeven door hoge zwarte rotsen. We binden onze paarden vast aan een boom.

‘Dit is het. Deze plek wilde ik je laten zien,’ zegt Arnout. ‘Mijn geheime strand. Ik kwam hier vroeger vaak, in mijn jeugd.’

We laten ons het laatste, steile stukje aan lianen en boomwortels naar beneden zakken en landen met een plof in het witte zand. Aan de waterlijn liggen schildpadden te zonnen, die zich niets van onze komst aantrekken.

We schoppen onze laarzen uit en lopen op blote voeten een stuk langs de branding. Ik vind een glanzende, gekartelde schelp met een bolle rug vol gouden vlekken, die ik aan Arnout geef.

‘Voor jou. Als herinnering.’

‘Ik heb ook iets voor jou,’ zegt Arnout terwijl hij de schelp bij zich steekt. ‘Daarvoor heb ik je hier mee naartoe genomen.’

Hij zoekt even in zijn zakken en steekt me dan met een verlegen gezicht een ring toe, die glanst in de zon.

‘Dit was de trouwring van mijn moeder. Wil je met me trouwen?’

Van schrik doe ik een stap achteruit. ‘Nee,’ zeg ik dan.

‘Nee? Hou je niet van me?’ Arnout kijkt me verbijsterd aan.

‘Dat wel. Natuurlijk hou ik van je. Weet je hoe vaak ik me onze huwelijksdag al heb voorgesteld? Maar we moeten wachten.’

‘Wachten? Het leven is kort, Krijntje.’

‘Zou je me nog steeds willen als ik geen erfgenaam was van het grootste fortuin van Batavia? Als de Raad van Justitie tegen me beslist? Zelf heb je niets, je bent een arme soldaat.’

‘Zelfs in de armoedigste hut zouden we nog gelukkig zijn, dat weet jij ook. En mijn vader is rijk. Denk je echt dat het me om het geld gaat?’

‘Nee, dat denk ik niet. Maar ik wil het zeker weten. En daarom wil ik pas met je trouwen als de rechters hun uitspraak hebben gedaan.’

 

*

 

Eva Ment kan het niet aanzien. Ik blijf binnen, denkt ze, en gebruik mijn toestand als excuus. Zes maanden zwanger, zoiets kan verkeerd aflopen.

Haar man zit in de woonkamer kalm te praten met dominee Heurnius en dokter Bontius terwijl beneden op de binnenplaats van het kasteel de laatste hand wordt gelegd aan het schavot. Straks worden Eva en haar man geacht plaats te nemen op de eerste rij van de tribune die daar gisteren is opgericht. De meeste banken zijn al bezet, met volk dat belust is op bloed. Openbare geseling, denkt ze, is dat het loon der liefde?

Gek zijn ze. Coen wilde zelfs dat Sara voor straf verdronken zou worden, maar daar heeft de Raad van Justitie een stokje voor gestoken. Wie jonger is dan zestien jaar mag volgens de wet niet ter dood gebracht worden. De arme Pieter had die leeftijd net bereikt en zal dus worden onthoofd. Ze ziet de beul al heen en weer lopen. Het is een van die afschuwelijke Japanners met hun uitdrukkingsloze gezichten.

Toegegeven, Sara heeft haar ook teleurgesteld. Eva dacht dat ze oppassender was. Maar wat hebben die twee nu eigenlijk precies misdaan dat zo’n gruwelijke straf rechtvaardigt?

Het was liefde op het eerste gezicht, dat vertelde Sara haar al op de eerste dag dat Pieter zich kwam presenteren. Een halfbloed, net als zijzelf, de zoon van een Hollander en een Javaanse, een knappe, rijzige jongen met een lichte huid en mooi lang haar. Coen kende zijn overleden vader en Pieter kwam vragen om een commissie in het leger.

‘Als je zestien bent praten we nog een keer,’ zei hij niet onvriendelijk. ‘Waar dacht je aan? De zee?’

‘Iets met paarden, excellentie,’ zei de jongen, die niet bepaald verlegen maar wel respectvol was. ‘Daar ga ik al sinds mijn vroegste jeugd mee om. Ik kan in volle galop met mijn musket een doelwit raken op honderd meter.’

‘We zien wel,’ zei Coen en hij wuifde met zijn hand. ‘Het komt wel goed.’

Sinds die tijd kwam Pieter regelmatig aan. Hij nam altijd iets voor Eva mee, een bloem, een mooi stuk stof of een andere kleinigheid, hoewel ze natuurlijk ook wel wist dat het hem om Sara ging. Maar dat het zo snel zou gaan had ze niet verwacht. Nog geen twee maanden na zijn eerste bezoek kwam Sara opgewonden bij haar boven.

‘Hij heeft het gevraagd,’ zei ze met van opwinding glanzende ogen.

‘Gevraagd? Wat bedoel je, kind?’

‘Of ik met hem wil trouwen natuurlijk. We houden van elkaar.’

Eva begon te lachen. ‘Kind, wat zeg je nu toch. Wat bespottelijk. Je bent pas dertien. En hij is…’

‘Over een week zestien. Ik ben volwassen! En hij ook! Waarom zouden we zelf niet mogen kiezen?’

Ze stampvoette en in haar ogen zag Eva de onverzettelijkheid die ze van haar Japanse moeder heeft geërfd. Van Jacques Specx kan ze die niet hebben, want dat is volgens Coen een windvaan, een opportunist die nu eens dit en dan weer dat wil, naargelang het hem uitkomt. Niet voor niets heeft hij gefraudeerd met de boekhouding toen hij nog hoofd van de factorij op Hirado was.

Hij schijnt nu weer onderweg naar Batavia te zijn met nieuwe instructies uit Amsterdam van de Heren Zeventien en Coen zegt dat hij hem waarschijnlijk een hoge post zal moeten geven, hoewel hij de man niet kan luchten of zien.

‘Lieve? Kom je mee?’

Coen is opgestaan en vindt het blijkbaar tijd om naar beneden te gaan. Eva werpt een blik uit het raam. De beul staat klaar bij het blok waar Pieter Kortenhoef straks met zijn leven zal moeten boeten voor zijn hete bloed, en even verderop is nu ook de geselpaal voor Sara opgericht.

Ze denkt terug aan de dag dat de twee werden ontdekt in Sara’s bed, nu alweer een maand geleden. Het was het uur van de middagrust, op een hete dag. Eva werd wakker van geschreeuw en gestamp op de trappen, en ze stond op en haastte zich met haar dikke buik naar beneden.

Daar stonden twee wachten met musketten in de hal met Pieter tussen hen in. De jongen had niets aan dan een dun, met bloed bevlekt nachthemd waar zijn dunne benen bleek onderuit staken. Zijn haar hing in zijn gezicht en hij keek haar angstig aan.

‘Mevrouw Eva, help me, ik heb niets verkeerds gedaan, ze vond het goed, we houden van elkaar, we gaan trouwen!’

Terwijl Eva uit het slaapvertrek van Sara schrille kreten en gekrijs hoorde komen – het meisje was blijkbaar buiten zichzelf van woede –, deed een van de wachten zijn verhaal.

‘We werden geroepen door een van Sara’s slaven, die ons meenam naar haar slaapkamer. Daar troffen we haar met haar minnaar aan in bed. Er waren verschillende slaven aanwezig die toekeken hoe ze zich naakt en schaamteloos met elkaar vermaakten. Voor dat soort jonge mensen zijn slaven immers niet ver boven de huisdieren gesteld. Sara was…’

Op dat moment kwam Coen de trap af. Men had hem blijkbaar durven storen in zijn werkkamer. Hij had de laatste woorden van de soldaat opgevangen en vroeg hem op afgemeten toon alles nog eens te herhalen, terwijl Pieter angstig naar hem keek, alsof hij verwachtte dat hij ter plaatse zou worden doodgeslagen. Wie op dat moment het gezicht van Coen had gezien, zou hem daarin gelijk gegeven hebben.

Maar Coen perste zijn lippen op elkaar en beheerste zich. Hij gaf opdracht beide jongelui te arresteren en in het gevang te gooien. Hij gaf de zaak over aan de Raad van Justitie, met de mededeling dat hij voor beide kinderen de doodstraf eiste.

‘Lieve, het is tijd om naar beneden te gaan,’ vervolgt Coen. ‘Het is belangrijk dat we gezien worden door het volk.’

‘Ik voel me niet goed,’ liegt Eva, en ze legt haar hand op haar buik en laat zich op een stoel zakken. ‘De hitte…’

Dan besluit ze nog een laatste poging te wagen om haar pleegdochter te redden.

‘Is er geen andere straf mogelijk voor Sara? Ze is nog zo jong, zo mager. Zo teer. Ik weet niet of ze een geseling wel overleeft.’

Coen snuift. ‘Het zal wat. Tien slagen, dat overleeft zelfs een kind. Zeelieden en soldaten krijgen vaak wel dertig slagen of meer. Bovendien, ze verdient het. Ook als ze het niet overleeft. Besef je wel wat die twee gedaan hebben? De jongen is wederrechtelijk ons huis binnengedrongen door een paar slaven om te kopen en heeft een jonge vrouw beslapen die onder mijn bescherming was gesteld door haar vader en de Compagnie. Onder bescherming van mij, de gouverneur-generaal. Begrijp je waar dat op neerkomt? Majesteitsschennis, zoals de Raad heeft bevestigd. Ben ik niet de koning van Indië? Ik heb al eerder geprobeerd het je uit te leggen, lieve, maar je luistert niet. Het zal wel door je toestand komen.’ Hij kijkt even naar haar buik. ‘Naast mijn eer als huisvader en gezinshoofd gaat het ook om de reputatie van het gouvernement. We moeten een voorbeeld stellen aan de inlandse bevolking. Maar goed, als je onwel bent, blijf dan maar binnen.’

Hij draait zich om en loopt met dokter Bontius en dominee Heurnius naar beneden.

Terwijl Eva uit het raam toekijkt hoe hij als een koning omringd door zijn gevolg plaatsneemt op de tribune, vraagt ze zich af of God ook ditmaal weer handelt via de hand van haar man, zoals die laatste graag denkt. Soms is ze bang dat hij op een dag door diezelfde God gestraft zal worden voor zijn wreedheid, en sneller dan hij zelf denkt.