5
Het is nog vroeg in de ochtend als Jan Pieterszoon Coen de klopper laat vallen op de voordeur van het statige huis van Jacob Bicker, Amsterdams regent en vooraanstaand bestuurder van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Het regent en er trekt een kil windje van zee door de Warmoesstraat.
Stilte. Ongeduldig laat hij de koperen klopper, die de vorm van een gebalde vuist heeft, nogmaals op het glanzende hout neerkomen. Hij heeft een afspraak waar hij al enkele weken naar uitziet: vandaag zal hij eindelijk te horen krijgen wanneer hij naar Indië kan vertrekken.
De deur gaat een stukje open en een oude man kijkt hem met waterige ogen aan.
‘Admiraal Coen voor Jacob Bicker.’
Coen weet dat hij zich eigenlijk niet meer zo mag noemen. Sinds zijn terugkeer uit de Oost, nu alweer drie jaar geleden, heeft hij geen officiële titels meer, behalve die van voorzitter van de compagniekamer van Hoorn. Of hij ooit weer admiraal of gouverneur-generaal wordt zal afhangen van dit gesprek.
‘De excellentie is nog maar net op,’ zegt de knecht. ‘Hij zit boven te ontbijten in zijn salon. Kunt u straks niet terugkomen?’
‘Geen sprake van. Ik heb een afspraak,’ zegt Coen, en hij duwt de deur open. ‘Boven, zei je?’
‘Ik moet u aankondigen. Wilt u hier wachten,’ zegt de oude man. ‘Zal ik uw jas aannemen?’
‘Niet nodig. Voort maar,’ zegt Coen en hij volgt de bediende naar boven. Op de tweede verdieping klopt de oude man met beverige hand op een deur.
‘Is dat de beschuit, Tinne?’ klinkt het geïrriteerd. ‘Dat is dan rijkelijk laat!’
‘Excellentie, het is Jan Pieterszoon Coen voor u.’
‘Laat die maar beneden wachten. Het is veel te vroeg. Ik ben nog niet eens gekleed. Die zeelui hebben geen manieren, zelfs niet aan de wal. Leg mijn blauwe kostuum met de lubkraag maar klaar. Met de groene sjerp. En doe de Franse schoenen erbij, met de zilveren gespen.’
Coen duwt de knecht opzij en opent met een bruusk gebaar de deur. Bicker, een man van een jaar of dertig met een bleek, ongeschoren gezicht, zit in zijn kamerjas bij het raam van zijn zitkamer en kijkt verrast op. Voor hem op tafel staat een beker dampende thee. In de schouw, waar een stilleven met rode appels boven hangt, brandt een vuur dat zacht knettert.
‘Coen!’ roept Bicker en hij staat haastig op terwijl hij zijn kamerjas dichtstrikt. ‘Wat een eer, zo vroeg in de morgen. En nog wel in mijn zitkamer. Ik ontvang meestal in de vergaderkamer. Dat is toch veel gepaster voor een heer als u.’
Het regenwater druppelt van Coens overjas op het pas geboende parket.
‘Zitkamer, vergaderkamer, wat maakt het uit waar we praten. Als het maar klare taal is,’ zegt Coen, en hij niest. Hij is weer verkouden en heeft pijn op de longen. Nog steeds verdraagt hij het koude, natte Hollandse klimaat niet. Hij verlangt elke dag naar de warme zeeën en de groene eilanden van de Oost. Aan de winters in Holland lijkt geen einde te komen en hij zal er wel nooit meer tegen kunnen. Zelfs zijn eigen huwelijk in de Grote Kerk van Amsterdam heeft hij vorig jaar moeten uitstellen omdat hij weer eens te bed lag met koorts.
‘Hoe was uw reis vanuit Hoorn?’
‘Nat. Gisteravond aangekomen,’ zegt Coen. ‘Bij Tulp gelogeerd. Ik wil vandaag nog terug.’
Sinds zijn terugkeer is Coen het liefst in zijn geboortestad, waar hij met zijn zwangere vrouw en haar moeder in een comfortabel pand aan de haven woont, en hij komt alleen nog voor zaken naar Amsterdam. Eva miste haar vriendinnen en de partijen in Amsterdam aanvankelijk, maar sinds ze in verwachting is blijft ze het liefste thuis. Coen heeft zijn twintig jaar jongere vrouw uit berekening getrouwd, maar inmiddels is hij verliefd op haar geworden en kan hij zich een leven zonder haar niet meer voorstellen, hoewel hij dat alleen aan haar zal toegeven.
Ook van zijn laarzen druipt regenwater, maar hij schijnt het niet te merken en beent naar een grote leunstoel, nog voor Bicker hem heeft gevraagd te gaan zitten. Zijn gastheer kijkt afkeurend naar het spoor druppels dat hij op het parket achterlaat.
Coen niest opnieuw, geeft zijn jas aan Tinne en gaat zitten. ‘En?’
‘En wat?’ vraagt Bicker. Hij neemt een slok thee. ‘Ook een beker van deze voortreffelijke thee? Of houdt u niet van dat soort nieuwerwetsigheden? Iets sterkers misschien?’
‘Heeft de raad eindelijk besloten? Kan ik vertrekken?’
‘Tinne, een beker thee voor de heer Coen.’
‘Wijn,’ zegt Coen. ‘Of nee, brandewijn. Dat Chinese kruidendrankje moet ik niet.’
‘Het is niet zo eenvoudig,’ zegt Bicker en hij strijkt over zijn bakkebaarden, terwijl de oude Tinne de kamer verlaat. ‘Eigenlijk is het ja en nee. De Engelse koning…’
‘Ja en nee, dat liedje hoor ik nu al veel te lang. Hoelang dansen de Heren Zeventien nog naar de pijpen van die verwijfde dwaas in Londen en zijn laffe admiraals?’
‘De moeilijkheid ligt bij de Staten-Generaal, Coen. We kunnen ons geen openlijk conflict met de Engelsen veroorloven. Het bloedbad van Ambon…’
‘Om dat oude verhaal gaat het de Engelsen niet en dat weet de hele Compagnie. Het waren verraders die ons garnizoen in de slaap wilden ombrengen en zo ons fort in Ambon overnemen. Dat is slechts een excuus om mij hier te houden, zodat zij rustig onze schepen kunnen beroven en de specerijenhandel naar zich toe kunnen trekken. Het was geen moord, het was een terechtstelling. En toen het gebeurde was ik zelf al terug in Holland. Ik was niet eens gouverneur meer.’
Het bloed gonst Coen in de oren. Even denkt hij aan zijn vriend Tulp, die hem gisteravond bij een pijp goede tabak voor de zoveelste maal heeft bezworen vooral kalm en diplomatiek te blijven tegenover Bicker, maar het is genoeg geweest. Drie jaar manoeuvreren heeft hem nergens gebracht. Hij zit nog steeds thuis, zonder aanstelling, zonder duidelijkheid over zijn terugkeer naar het land waar zijn hart ligt. En zonder geld. Hij is bijna veertig. Niemand heeft het eeuwige leven. Hij heeft lang genoeg gewacht.
Hij slaat met zijn vuist op tafel en de thee van Bicker klotst over de rand van de beker.
‘Kunnen de heren dan helemaal niet rekenen? Hoeveel van onze schepen hebben de Engelsen inmiddels in beslag genomen? Hoeveel honderdduizenden guldens heeft de Compagnie verloren omdat de Engelse koning nog steeds kwaad is over de terechtstelling van tien van zijn onbetrouwbare onderdanen?’
Bicker kijkt verstoord naar het plasje thee op zijn salontafeltje en schraapt zijn keel. ‘De raad heeft de laatste tijd verschillende malen over dit dilemma gedebatteerd. Vooral sinds we een brief uit Batavia hebben ontvangen waarin De Carpentier schrijft dat de vorst van Mataram zich klaarmaakt voor een aanval op onze nederzetting.’
Coen gromt iets. De Carpentier is jarenlang zijn rechterhand geweest. Een betrouwbare kerel, maar geen doorzetter. ‘Dilemma? Er is geen dilemma. De Engelsen moeten uit het water worden geschoten nu we daar de kanonnen nog voor hebben. En de Javaanse vorsten moeten over de kling gejaagd worden.’
‘Het dilemma bestaat erin dat de Heren Zeventien u weliswaar willen uitzenden, maar dat de Engelse regering dit niet zal accepteren. En de Staten-Generaal dus ook niet. Een paar schermutselingen in de Javazee kunnen we wel aan, maar een oorlog op onze eigen Noordzee niet.’
Tinne komt binnen en zet een brandewijn neer voor Coen, die er even aan nipt en het dan terugzet. Te sterk. Hij moet nu een helder hoofd houden.
‘Kortom: politiek gezien,’ vervolgt Bicker, ‘blijft uw terugkeer als gouverneur zeer gevoelig liggen. Eigenlijk was alleen prins Maurits er voor. Door dat luipaard zeker,’ voegt hij er grinnikend aan toe.
Iedereen kent het verhaal van Coens ontvangst door de prins, toen hij net was teruggekeerd uit de Oost. Hij was rillend van de Hollandse kou naar Den Haag gereisd. Achter op zijn koets zat een grote kist gesjord, met daarin een luipaard voor de menagerie van de prins.
De andere exotische dieren die hij voor Maurits had meegenomen waren allemaal aan boord bezweken. Toen het benoorden de evenaar koud werd, had het luipaard nauwelijks meer willen eten en Coen was bang geweest dat het ook zou sterven, maar het dier had zelfs het gehots over de Hollandse wegen nog weten te overleven.
De prins had een ongeïnteresseerde blik op het beest geworpen. ‘Een kleine olifant zou ook wel aardig zijn geweest,’ had hij gezegd, en was toen over iets heel anders begonnen.
‘Maar aan Maurits heeft u nu niet veel meer,’ vervolgt Bicker. ‘De nieuwe stadhouder heeft zich nog niet uitgesproken over uw positie.’
Coen knikt zwijgend. Hij heeft Frederik Hendrik, de halfbroer en opvolger van de te vroeg overleden Maurits, van een afstandje gezien op de staatsiebegrafenis. Niet de sterkste van de Oranjes. Zijn eerste wapenfeit was het verlies van Breda aan de Spanjaarden. Willem van Oranje zou zich in zijn graf omdraaien als hij het wist. Of eruit opstaan met het zwaard in de hand, om de papen persoonlijk te verdrijven uit dat oude bastion van zijn familie. Coen pakt het glas brandewijn op en neemt een slok.
‘We hebben inmiddels een nieuwe brief van De Carpentier gekregen, en dat is eigenlijk de reden dat ik u hier heb gevraagd,’ vervolgt Bicker. ‘Hij dient zijn ontslag in. Hij wil terug naar Holland. Daarom heeft de Compagnie besloten u toch terug te sturen naar Batavia.’
‘Daar hebben jullie wel heel lang over gedaan,’ zegt Coen, en hij leegt zijn glas en zet het met een klap op tafel. Hij haalt diep adem. Hoewel hij het Bicker niet gunt, kan hij zijn opluchting niet verbergen. Eindelijk weer naar zee. Eindelijk terug naar zijn geliefde Indië, en eindelijk de kans om af te maken waar hij tijdens zijn eerste gouverneurschap aan begonnen is.
Hij zal Indië groot maken, voor God en zijn vaderland. Het bloed van de Engelsen zal de golven rood kleuren. De ongelovige Javanen zullen jammerend de binnenlanden in worden gejaagd, waar ze thuishoren. En zijn Eva zal de koningin van de Oost zijn, een voorbeeld voor alle blanke vrouwen van Batavia.
‘Er is echter één maar, Coen.’
‘Admiraal Coen.’ Eindelijk kan hij het weer zeggen.
‘Nog niet, ben ik bang,’ zegt Bicker met een fijn glimlachje. ‘Nog geen admiraal, en ook nog geen gouverneur-generaal.’
‘Nog geen admiraal? Moet ik soms aanmonsteren als matroos? Wat bedoel je, man? Namens wie spreek je eigenlijk? Ben je nog dronken van gisteravond?’
‘Ik spreek namens de Heren Zeventien, zoals u heel goed weet,’ zegt Bicker afgemeten, en hij neemt een slok van zijn thee, die danig is afgekoeld. Hij trekt aan een zijden koord. ‘Tinne!’ roept hij. ‘De thee is koud.’
De bediende komt binnen en pakt de beker van het blad.
Coen trommelt woedend met zijn vingers op de stoelleuning terwijl hij wacht tot de oude man weer verdwenen is.
‘Doe er nog maar een beschuitje bij. En nog wat brandewijn voor de heer Coen?’
Coen antwoordt niet.
‘Ik ben hier gekomen voor klare taal,’ bijt hij Bicker toe zodra de deur achter Tinne is dichtgevallen. ‘Niet voor brandewijn of raadseltjes.’
‘De Raad stuurt u uit naar Indië. Met versterkingen. Soldaten, kanonnen, alles wat er nodig is om orde op zaken te stellen. En zilver om nieuwe specerijen in te kopen. Zeven schepen. Maar u zult geen commissiebrief ontvangen waarin u tot gouverneur of admiraal wordt benoemd. Op die manier geven wij de prins en de Staten-Generaal de mogelijkheid om elke betrokkenheid bij uw vertrek te ontkennen tegenover de Engelsen. Het enige wat u meekrijgt is een brief, ondertekend door zes van de zeventien leden van het bestuur van de Compagnie, waarin staat dat u bent benoemd tot gouverneur zodra De Carpentier zijn post neerlegt. Zo zult u zich pas in Batavia weer kunnen tooien met uw oude titels.’
Coen staart met opeengeklemde tanden uit het raam terwijl hij de woorden van Bicker op zich in laat werken.
‘Dus als wat vaar ik dan uit?’
‘U zult incognito uit Holland moeten vertrekken. Als passagier, in het geheim, met uw vrouw.’ Bicker kan het genoegen dat deze woorden hem bezorgen niet verbergen. ‘U scheept zich de nacht voor de vloot vertrekt in op de rede van Texel zonder dat iemand weet wie u bent, behalve de kapitein van uw schip. U zult moeten uitvaren als niemand.’
*
Ik zit met Berend Halstad tegenover kapitein Rood, die wordt geflankeerd door de eerste stuurman en de opperkoopman. De scheepsraad is bij elkaar gekomen om recht te spreken over de mannen die Maeyken hebben verkracht. Op de grote tafel in de kapiteinskajuit ligt de houten hamer waarmee de kapitein straks het vonnis zal bevestigen.
We hebben op de bijbel moeten zweren dat we de waarheid en niets dan de waarheid zullen spreken, zo waarlijk helpe ons God.
De zes geboeide gevangenen worden bewaakt door twee gewapende soldaten en kijken stuurs voor zich uit. Bilt, met de zwarte baard, heeft een uitdagende blik in zijn ogen.
‘Dokter Halstad, u heeft het woord.’
De scheepschirurgijn schrikt op. De kapitein kijkt hem afwachtend aan.
‘Ik werd geroepen door koksmaat Nuevel hier,’ begint Berend, ‘en volgde hem naar het ruim. Zijn maat had hoge koorts en was niet bij bewustzijn. Ik onderzocht hem, dat wil zeggen, haar.’
‘Haar?’ Het is de hoge, schelle stem van dominee Paulussen, die ook aanwezig is. Hij maakt als passagier geen deel uit van de scheepsraad die de gevangenen moet vonnissen maar heeft de kapitein verzocht bij de zitting te mogen zijn.
‘Laat de dokter uitpraten, eerwaarde,’ zegt kapitein Rood geërgerd. ‘U bent toehoorder, meer niet. Wij vellen hier het oordeel.’
‘Ik vertegenwoordig God, de hoogste rechter,’ mompelt Paulussen, maar houdt dan zijn mond.
‘In een hoek van het ruim zaten zes mannen te kaarten,’ gaat Berend verder.
‘Deze zes?’ vraagt de eerste stuurman.
‘Ja.’
‘Hoe kunt u dat weten? Het was toch halfdonker?’ zegt de opperkoopman.
‘Tussen hen in stond een lamp op de grond, hun gezichten werden erdoor verlicht,’ zeg ik snel en ik kijk even naar de lange, blonde man met de lichtgrijze ogen naast me. Halstad en ik zijn de enige getuigen en onze verhalen mogen elkaar niet tegenspreken.
Ik ben bang en woedend tegelijk, een gevaarlijke combinatie. Daaronder zit het verdriet. Hoewel ik tijdens mijn vlucht uit Breda heb besloten om nooit meer van iemand te houden, rouw ik om Maeyken alsof ik een zuster heb verloren. Nu ben ik opnieuw alleen, op dit schip en op de hele wereld.
Ik houd mijn stem zo laag mogelijk. Ook ik weet niet helemaal zeker of dit de zes verkrachters van Maeyken zijn, maar over de man met de baard en een van zijn maten, een lange, magere kerel met uitpuilende ogen, heb ik geen enkele twijfel. De anderen zijn misschien schuldig en misschien niet, maar Maeyken moet gewroken worden.
‘Ik herken in ieder geval drie van hen,’ zegt Halstad. Hij wijst op de twee mannen die ik ook heb herkend, en een derde, die lang zwart haar heeft.
‘Die herken ik ook,’ zeg ik.
‘De anderen kunnen vertrekken,’ zegt de kapitein tegen de soldaten. ‘Of wil er soms iemand een bekentenis afleggen?’ De mannen zwijgen.
‘U was aan het vertellen over uw onderzoek van de zieke,’ vervolgt de kapitein, nadat drie van de zeelui met opgeluchte gezichten de kajuit uit geleid zijn. Het schip rolt op een plotselinge golf en de bijbel schuift naar de rand van de tafel.
‘Ik knoopte de bovenkleding van de zieke open en stelde vast dat het een verklede vrouw was. Voor ik het wist werd ik opzij gestoten door deze man hier.’ Halstad knikt naar Bilt. ‘Ze smeten haar op de grond en hij verkrachtte haar als eerste. Daarna heeft iemand me bewusteloos geslagen.’
‘Maar jij hebt alles gezien, Nuevel?’
Ik vertel hoe ik aan een stut werd vastgebonden en heb moeten toekijken hoe Maeyken misbruikt werd. Ik moet moeite doen om mijn stem niet te laten overslaan van emotie. ‘Toen ze klaar met haar waren sleepten ze haar de trap op. Niemand lette op ze, het stro stond in brand en iedereen liep in paniek rond. Ik wist me los te rukken en volgde ze aan dek. Daar zag ik hoe ze het lichaam over het boeisel zetten.’
‘In het donker?’
Ik knik. ‘Ik hoorde de plons en zag het wegdrijven.’
Bilt, de man met de baard, kijkt me woedend aan en ik denk aan zijn dreigement.
De opperkoopman fluistert iets in het oor van de kapitein.
‘Dus u bent het erover eens dat Bilt hier de leider was?’
Halstad en ik knikken eendrachtig.
‘Hebben jullie nog wat te zeggen voor jezelf, voor ik tot een oordeel kom?’ vraagt Rood aan de drie mannen.
‘Het was een verklede vrouw,’ zegt Bilt.
‘Een verstekeling dus,’ voegt zijn maat eraan toe.
‘En die hebben geen rechten,’ zegt de man met het zwarte haar.
‘Misschien leeft ze nog wel,’ zegt Bilt brutaal. ‘Ze dreef toen ik haar voor het laatst zag.’
De kapitein slaat met zijn hamer op tafel. ‘Genoeg! Veertig zweepslagen voor Bilt, twintig voor de twee anderen en alle drie een week in het cachot.’
De mannen worden met gebogen hoofd naar buiten begeleid. Halstad en ik volgen en terwijl de deur van de kajuit dichtvalt, hoor ik achter me de verontwaardigde stem van de dominee.
‘Wat, zweepslagen? Voor moord? In Amsterdam zouden ze worden opgehangen!’
‘Ik kan niet zonder ze, dominee,’ antwoordt de kapitein. ‘Straks, als de scheurbuik toeslaat, hebben we iedere man die nog op zijn benen kan staan hard nodig.’
‘Ik wil nog even naar je oog kijken,’ zegt Halstad tegen me. ‘Dat ziet er lelijk uit. Kom maar mee naar mijn kajuit.’
‘Waar kom je eigenlijk vandaan?’ vraagt hij even later. Hij schenkt wat witte brandewijn uit in een schaaltje en drenkt er een schone lap in.
‘Breda, meneer.’
‘Mooie stad,’ zegt Halstad en hij trekt mijn ooglid naar beneden. ‘Komen mooie vrouwen vandaan.’ Hij neuriet een deuntje terwijl hij begint te deppen. De alcohol doet gemeen pijn.
‘Ken je dat liedje?’ vervolgt hij, terwijl hij de wond op mijn kaak schoonmaakt.
Ik zeg niets. Ik heb het vaak genoeg gehoord in de kroeg bij Berte, maar dat gaat Halstad niets aan.
‘Daar was laatst een meisje loos,’ begint hij zachtjes te zingen. ‘Die wou gaan varen, die wou gaan varen als lichtmatroos…’
Dan zwijgt hij, maar ik weet hoe het liedje verder gaat, en Halstad ongetwijfeld ook. De kapitein komt achter haar ware identiteit, en dan zingt het meisje: Kapiteintje, sla mij niet, ik word uw liefje, ik word uw liefje…
In een plotselinge opwelling van woede duw ik de hand van Halstad weg. Zijn alle mannen in deze wereld er dan alleen maar op uit mij te sarren en te belagen?
De dokter pakt mijn hand vast. ‘Rustig maar,’ fluistert hij. ‘Je hoeft me niets uit te leggen. Ik zal je niet verraden. Ik ben je vriend.’