12

 

 

 

 

De regen gutst op het erf achter de herberg en de bladeren van de palmen ratelen in de storm. Door het raam van mijn zolderkamer zie ik hoe een zilveren bliksemschicht door de schemering neerflitst, even later gevolgd door een donderslag die zo luid is dat de kippen er verschrikt van beginnen te kakelen. Nooit had ik gedacht dat het hier zo hard kon regenen. Gelukkig duren de buien niet lang en is het water lauw.

Het ergste van de moesson zijn de muggen, die al een paar dagen na de eerste bui op kwamen zetten.

Ik zit in mijn overjas en mijn beste jurk te wachten op het rijtuig van Van Ruyschbrouck. Het is alweer bijna twee maanden geleden dat we samen uit varen gingen en ik had zijn uitnodiging al veel eerder verwacht, maar hij heeft het blijkbaar druk, of hij durft minder dan ik denk. Of er is iets anders aan de hand.

‘Reina!’

Het is de stem van Beers, halverwege de trap.

Snel sta ik op en haast me naar beneden. De klanten in de rokerige gelagkamer kijken me verbaasd aan; ik ben gekleed als een dame, maar ik doe alsof ik hun blikken niet zie. Opgewonden loop ik naar de deur. Als alles vanavond gaat zoals ik hoop, heb ik mijn langste tijd hier gehad.

Beers staat alweer achter zijn toog en geeft me een knipoog. Hij weet waar ik vanavond heen ga.

‘Doe je best, meisje,’ zei hij toen ik hem van de uitnodiging vertelde. ‘Die Van Ruyschbrouck is een prima partij! Een beetje oud voor jou, misschien, maar echt een heel geschikte man. Godvrezend.’ Uit de mond van Beers, weet ik, is dat geen onverdeeld compliment. Ik werk alweer meer dan vier maanden voor hem en ken hem nu wel zo’n beetje.

Een bediende van Van Ruyschbrouck houdt de deur voor me open en ik stap in de koets terwijl ik de zoom van mijn rokken hoog optil, want het straatje waar Het Anker aan ligt is in een modderpoel veranderd.

Er is geen mens te zien, niet alleen vanwege de regen, maar ook omdat men hier gelooft dat het duister krioelt van de demonen. Hollanders weten natuurlijk wel beter, hoewel ik sommigen die al lang in Indië wonen er soms van verdenk dat ze zijn besmet met het inlandse bijgeloof, dat in je bloed kruipt en je betovert zonder dat je het merkt.

De regen roffelt op het dak van de koets. In een plotselinge bliksemflits zie ik door het raampje het hek van de palmentuin waar ik Arnout voor het eerst ontmoet heb. Even zie ik zijn gezicht heel duidelijk voor me, en ik moet denken aan zijn vrolijke, onbezorgde lach. Was hij nog maar hier, gaat het door me heen.

Wat later houden we halt voor het hoge, statige huis van Van Ruyschbrouck aan de Oudekerkgracht en word ik binnengelaten door een bruin meisje met een kapje.

‘Mevrouw!’

Van Ruyschbrouck komt met uitgestoken handen op me af als een bediende me de grote, op z’n Indisch ingerichte salon binnenlaat en drukt een kus op mijn rechterhand. Een moment lang voel ik zijn bakkebaarden kriebelen op mijn pols. Hij is formeel gekleed, in stijve, Hollandse kleren.

Ik ben niet de enige gast. Natuurlijk niet, dat zou ongepast zijn.

Ook Herbert van der Aa, die ik bij de ontvangst op het kasteel heb leren kennen, is aanwezig. Zijn troepen zijn al een tijd bezig met het versterken van de wallen rond de stad. Ik heb wel het een en ander over hem gehoord, want alle nieuws over hooggeplaatste Hollanders bereikt Het Anker vroeg of laat. Hij heeft zijn vrouw in Utrecht gelaten en men zegt dat hij het openlijk houdt met een mesties die niet ouder kan zijn dan ik en zelfs al zwanger schijnt te zijn. Officieel wordt dit soort verbintenissen afgekeurd, maar in het geval van de commandant van de troepen kijkt heel Batavia, inclusief de calvinist Van Ruyschbrouck, de andere kant op.

‘En dit is Walter Berrewijns, mijn hoofdboekhouder, met zijn vrouw Lidewij.’ Een kleine man met krullerig haar en een magere vrouw die langer is dan haar echtgenoot geven me een hand en mompelen iets wat ik niet versta. Het klinkt niet alsof ze er een antwoord op verwachten.

In de kleine, maar duur ingerichte eetzaal is de ovale tafel al gedekt met porseleinen servies. Nadat we zijn gaan zitten spreekt Van Ruyschbrouck met gebogen hoofd een lang gebed uit en leest hij bovendien een passage uit de Bijbel voor, waarbij hij een gezicht trekt alsof hij dominee is.

Tijdens het eten heeft Van der Aa, die te veel drinkt, het hoogste woord. Hij schept op over zijn heldendaden tijdens een slag tegen de Spanjaarden, waarbij hij minstens dertig vijanden eigenhandig heeft gedood, als je hem moet geloven. De kleine Berrewijns is een saaie man die over niets anders lijkt te kunnen praten dan de prijzen van peper en nootmuskaat, terwijl zijn vrouw, die af en toe een muizenhapje neemt, de wijn weigert en er nogal ziek uitziet, geen mond opendoet.

Ik zwijg voornamelijk bescheiden, zoals dames in de betere kringen dat in het gezelschap van heren volgens Beers horen te doen, en ik observeer Van Ruyschbrouck, die me af en toe met een zweem van een lachje aankijkt als Van der Aa weer met een onwaarschijnlijk verhaal komt.

Hij kan duidelijk niet wachten om met me alleen te zijn en die gelegenheid geef ik hem ook. Bij het afscheid in de hal (de dronken Van der Aa ondersteund door zijn adjudant en de bleke, ziekelijke dame door haar man) herinner ik me plotseling dat ik iets heb laten liggen in de tuinkamer, waar we tot besluit van het diner zoetigheden geserveerd hebben gekregen.

Van Ruyschbrouck roept zijn vertrekkende gasten een laatste groet achterna, volgt me en doet de deuren naar de tuin open. We lopen de veranda op. Buiten is het onweer voorbij. De krekels zingen van blijdschap, de bladeren van de bomen glanzen en er ritselt iets in de struiken.

‘Ik denk vaak aan onze boottocht. Dat was een prachtige middag,’ begint hij.

‘De kris heb ik nog steeds.’

‘Ja, die kris…’

Hij zwijgt en strijkt over zijn bakkebaarden. Vraag het dan, denk ik.

‘Ik voel me erg op mijn gemak bij u.’

‘Ik ook bij u,’ antwoord ik. En het is waar. Hoewel hij tweemaal zo oud is als ik, of misschien wel daarom, geeft hij me een gevoel van vertrouwen en veiligheid. Jonge mannen zijn onvoorspelbaar en grillig, maar deze man zal mij geen kwaad doen en niet teleurstellen. Als ik zijn vrouw word, zal hij me beschermen en koesteren, ik zal worden opgenomen in de hoogste kringen van de kolonie en het zal me nooit meer aan iets ontbreken. En was dat niet waarvoor ik naar Batavia ben gekomen?

‘U heeft een prachtig huis,’ zeg ik als Van Ruyschbrouck verlegen met zichzelf blijft zwijgen.

‘Een van de grootste woningen van Batavia. Drie verdiepingen. Maar het is leeg. Ik gebruik alleen beneden nog sinds de dood van mijn vrouw en mijn dochter.’

Ik laat een veelbetekenende stilte vallen, maar verder komt hij niet. Iets houdt hem tegen om de vraag te stellen waar we allebei op wachten.

 

*

 

Er wordt op mijn deur gebonsd. Beneden klinkt rumoer.

‘Reina!’

Ik doe mijn ogen open. Buiten is de lucht grijs, de zon is nog niet op. Ik ruik de zoete geur van de jacarandabomen, die uitbundig bloeien nu de regens voorbij zijn.

‘Reina! Word wakker!’

Het is de stem van Beers.

‘Beneden staat een vent voor je in de gelagkamer. Ik moest hem wel binnenlaten, hij beukte de deur zo’n beetje uit de sponning. Het is een militair.’

Ik schrik. Komt het gerecht me halen? Ben ik na acht maanden in Batavia alsnog betrapt op de moord op Gart Nuevel? Wat voor straf staat er eigenlijk op het bedriegen van de Compagnie? Op het tijdelijk wisselen van geslacht? Voor dat laatste zullen de calvinisten wel een toepasselijke Bijbelpassage hebben, iets met Sodom en Gomorra of een van die andere oorden van verderf waar mannen als dominee Paulussen zo graag over preken.

Ja, ik geef het toe, ik ben geregeld op mijn vrije zondag naar de kerk geweest. Daar zat ik dan in mijn beste goed, ergens op een harde houten bank in het midden, tussen het gewone volk natuurlijk, met zicht op de ruggen van de gegoede burgerij van Batavia in hun zondagse jassen van het beste laken en hun smaakvolle, stemmige jurken van de duurste zijde.

Ik ging natuurlijk niet om de preek. Net als de meeste anderen kwam ik om gezien te worden, zodat men zou weten dat ik een goed christen ben. En ik kwam vooral ook om Van Ruyschbrouck te zien. Hij maakte na afloop buiten de kerk altijd een praatje met andere voorname heren, groette me steeds beleefd en nam zelfs zijn hoed voor me af, maar kwam nooit naar me toe. Dat begrijp ik wel, ik ben maar een eenvoudige kokkin en de kerktrappen zijn wel een erg publieke plek, maar hij had toch een bediende kunnen sturen voor een afspraak.

Ik weet zeker dat hij me wil. Of vergis ik me, en speelt dit soort mannen spelletjes waar een meisje als ik niets van begrijpt? Lang moet hij niet meer wachten, want dan ga ik op zoek naar een andere partij.

‘Reina!’

‘Ik kom eraan,’ roep ik, en ik trek het muskietennet dat Van Ruyschbrouck me ooit heeft gegeven opzij en sta op.

‘Ik ga terug naar bed!’ roept Ivo. ‘Het is zondag. Je zoekt het maar uit met die sergeant of wat het ook is.’

‘Reina!’

Het is een stem van beneden, en niet die van Beers. Ik kleed me snel verder aan, haast me de trap af, en daar in de gelagkamer, in de eerste zonnestralen die door de halfopen deur naar binnen vallen, staat Arnout Cronenburg. De nachtwaker staat angstig naar hem te kijken. Op het moment dat ik Arnouts gestalte zie, begint mijn hart als een razende te kloppen en stijgt er vanuit mijn hals een warme gloed van vreugde op naar mijn gezicht. Ik wist niet dat ik hem zo had gemist.

‘Ik heb twee paarden bij me. Je kunt toch rijden, zei je?’

Ik heb hem een halfjaar niet gezien, maar hij doet net alsof het gisteren was dat we elkaar voor het laatst spraken.

‘We moeten nu vertrekken, anders wordt het te heet.’

‘Waarheen?’

‘Naar het oerwoud.’ Hij lacht van opwinding. ‘Of durf je soms niet?’

Dat had hij niet moeten zeggen. Ik ren terug naar boven, haal mijn laarzen en sta een paar minuten later buiten, waar Arnout al op zijn paard zit. Hij houdt een kleine bruine merrie met een witte bles bij de leidsels.

‘Aya, Reina. Reina, Aya,’ zegt Arnout en hij gooit me de teugels toe.

Het paard snuffelt even aan me en hinnikt dan. Ik zwaai me in het zadel en even later rijden we op een kalm drafje in de richting van de rivier. Het is heerlijk om weer eens op een paard te zitten en de frisse ochtendlucht diep in te ademen. Vroege voorbijgangers kijken ons verbaasd na.

‘Ik heb dit gemist,’ zegt Arnout. ‘De geuren, de kleuren, die lauwe, vochtige warmte. Formosa is koud! Maar ik heb het overleefd. Met een promotie. En jij?’

‘Ik leef nog, zoals je ziet. Ik heb hard gewerkt. En ik heb wat mensen leren kennen.’

Arnout voelt meteen vertrouwd, het is alsof ik praat met een oude vriend. Misschien komt het doordat we leeftijdgenoten zijn.

In de bocht van de Tjiliwoeng, waar de rivier de stad aan de zuidkant begrenst, is een doorwaadbare plaats. We rijden het ondiepe water in en een paar vroege wasvrouwen roepen een groet. Druppels spatten hoog op en weerkaatsen het licht van de opkomende zon, die de oostelijke hemel in een rode gloed zet.

Aan de overkant begint een karrenpad dat zich door de landerijen slingert. Links en rechts van ons zijn rijstvelden, en af en toe passeren we modderpoelen waar zwarte karbouwen snuivend in rondplassen. Tussen de velden staan de hutten van de boeren die het land bewerken.

Aya draaft op een kalm gangetje achter Arnouts paard aan, en hoewel ik al jaren niet meer heb gereden weet ik me zonder moeite in het zadel te houden. Paardrijden is iets wat je niet verleert, zeggen ze, net als schaatsen.

In de verte doemen de eerste heuvels op, die naar het binnenland toe steeds hoger worden. De hoogste toppen verliezen zich in de mist.

Na een uur rijden houdt Arnout halt bij een meertje. De ochtendlucht is fris en uit de bomen aan de oever klinkt het zingen van verborgen vogels. Op het water drijven grote lila bloemen met gele harten.

‘Lotussen,’ wijst Arnout, terwijl hij zijn paard op de hals klopt. ‘Ken je ze?’

Ik schud mijn hoofd in verwondering over de prachtige kransen van volmaakt gevormde bloembladeren, die naar de toppen toe steeds donkerder van kleur worden.

‘De heilige bloem van de inlanders.’

Hij stijgt af, waadt het ondiepe water in en snijdt er twee af. De ene geeft hij met een buiginkje aan mij. ‘Een mooie bloem voor een mooie vrouw.’

Ik pak hem aan en voel opnieuw een blos opkomen.

De andere lotus steekt hij in de band van zijn hoed.

‘Die is voor straks.’

‘Waar gaan we eigenlijk heen?’

‘We gaan iemand bezoeken. Iemand die heel belangrijk voor me is en die ik nu al zeven maanden niet heb gezien. Voor haar is die andere bloem.’

Voor ik hem kan vragen wie die vrouw dan wel is, zit hij alweer op zijn paard en geeft het de sporen.

Even later bereiken we het einde van het bewerkte land en rijden we een tunnel van groen binnen. Links en rechts rijzen dikke bomen op, met kruinen die zich zo ver boven ons moeten bevinden dat ik ze niet eens kan zien; het zicht erop wordt me ontnomen door een wirwar van lager geboomte, struiken en lianen. Hier heerst een schemering waar de zon maar af en toe met een enkele straal doordringt. Oeroude stammen, waar strengen mos als baarden van afhangen, glinsteren van het water dat overal om ons heen uit de hogere lagen van het woud naar beneden druppelt. Er hangt een zoete geur, die afkomstig lijkt te zijn van de rode bloemen die in de holtes van sommige takken groeien. Af en toe vliegt er bij onze nadering een vogel op, met een schorre kreet, maar verder heerst er een gedempte stilte.

Nadat we een tijdje gereden hebben door deze wonderlijke wereld van vochtig groen begint het modderige pad te dalen. We bevinden ons in een schaduwrijk dal waar het gesnerp van onzichtbare insecten klinkt, en plotseling staan we oog in oog met een bruin dwerghertje, dat niet groter is dan een hond. Het kijkt ons een moment onbeweeglijk aan, met grote, verbaasde ogen, en verdwijnt dan met een sprongetje tussen het gebladerte.

‘Een kantjil,’ zegt Arnout. ‘Jammer, hij is ons te snel af. Ik had hem wel willen schieten. Aninda is er dol op.’

‘Aninda? Is dat je vriendin?’

‘Aninda is de belangrijkste vrouw in mijn leven. Ze heeft me gezoogd, ze heeft me als klein kind gewassen, gekleed en gevoed, ze is mijn hele jeugd bij me geweest, ze was als een moeder voor me. Toen ik zestien werd heeft mijn vader haar laten gaan en is ze teruggekeerd naar haar dorp en haar mensen. Daar zijn we nu naar onderweg.’

‘En je eigen moeder dan?’

‘Die kan ik me niet herinneren. Ze is gestorven toen ik drie maanden oud was. Binnen twee dagen bezweken aan de koorts. Net als de vrouwen van veel andere Compagniedienaren. Die van je vriend Van Ruyschbrouck bijvoorbeeld.’

‘Van Ruyschbrouck mijn vriend? Wat bedoel je? Waarom begin je daar nu over?’

‘Hij maakt je toch het hof? Ontken het maar niet, heel Batavia weet het. Zelfs ik weet het en ik ben nog maar twee dagen terug uit China. Wat ga je doen? Hij is een goede partij.’

‘Maar wel een beetje oud, vind je niet?’ Ik merk dat ik me plotseling schaam.

‘Een man van vijfenveertig is nog tot alles in staat waartoe mannen in staat behoren te zijn,’ antwoordt Arnout en hij lacht er een beetje plagerig bij.

Ik word gered uit mijn verlegenheid door een plotseling windvlaagje dat door het dal trekt en een hoog, tinkelend geluid met zich meevoert.

‘Wat is dat voor geluid?’

‘Dat zie je zo wel.’

Als we even later een bocht in het pad ronden, komen we bij een open plek, waar een paar woudreuzen rond een heuvel staan die is begroeid met struikgewas en lianen. Hier en daar steken er zwarte stenen uit het groen en als we dichterbij komen, zie ik dat het niet zomaar rotsen zijn, maar gebeeldhouwde gestaltes, sommige groot, andere klein, sommige in nissen, andere op een plateau, maar allemaal met dezelfde serene gelaatsuitdrukking en dezelfde gevouwen handen, in aanbidding voor het gezicht geheven.

‘Een tempel van de god Boeddha,’ zegt Arnout terwijl hij afstijgt. ‘Veel mensen komen er niet meer sinds de grote vorstendommen zoals Bantam en Mataram bekeerd zijn tot de islam. Vroeger kwamen alle Javanen in dit soort tempels bidden, maar binnenkort zal iedereen wel moslim zijn. Er is hier nog maar één monnik over.’

‘Van Ruyschbrouck zegt dat wij de inlanders allemaal tot het christendom gaan bekeren.’

‘Ik denk niet dat onze god in Indië veel kans heeft. Veel te streng voor de mensen hier.’

Opnieuw klinkt het getinkel dat ik al eerder hoorde.

‘Kijk daar, bij de bovenste stoepa,’ zegt Arnout, en hij wijst naar een klein plateau vlak bij de top. Ik zie een flits oranje.

Hij loopt naar de voet van de tempel, waar een smalle trap in de zwarte steen is uitgehakt, en we beklimmen de bemoste treden.

Helemaal boven is het uitzicht over het omringende oerwoud wijds, met aan de ene kant de verre schittering van de zee en aan de andere de toppen van de vulkanen in het binnenland.

In een nis zit een kleine man in een oranje omslagdoek met zijn benen onder zijn lichaam gevouwen. Hij heeft een kaalgeschoren hoofd en op zijn gezicht ligt dezelfde kalme, verheven uitdrukking als op die van de beelden. Heel even moet ik denken aan het van woede vertrokken gelaat van dominee Paulussen als hij zijn gemeente waarschuwt voor het oordeel van zijn wraakzuchtige God. Dit moet wel een heel andere godsdienst zijn.

Strengen van koperen belletjes hangen tussen de takken van een boompje voor de ingang van de nis. Hoewel de man ons moet hebben gehoord, reageert hij niet op onze komst. Hij kijkt strak naar de bloem die hij vlak voor zijn gezicht in zijn geheven hand houdt. Het is een kleine bloem, onaanzienlijk bijna, met een witte kelk en een rood hart.

‘Aha, de Stille Preek,’ fluistert Arnout. ‘We kunnen maar beter weer gaan.’

Hij tast in zijn leren heuptas en haalt er wat vruchten uit. Hij geeft mij twee pisangs en samen leggen we de vruchten aan de voeten van de monnik, die er niet op reageert. Hij moet ver weg zijn, in een andere wereld.

Wanneer we ons oprichten, raken onze handen elkaar even en begint mijn hart sneller te slaan. Op hetzelfde moment doet een plotselinge windvlaag de belletjes tinkelen.

Dan dalen we stil de trappen van de tempel af en vervolgen onze weg over een steeds smaller, steiler pad door het oerwoud.

Tegen het middaguur stoppen we bij een poeltje aan de voet van een grote boom, om de paarden te laten drinken en zelf wat te eten. Arnout maakt een van zijn zadeltassen open en haalt er een rieten korfje met koude rijst en wat fruit uit.

‘Wat is de Stille Preek?’ vraag ik als we zitten te eten, op een van de enorme wortels van de boom.

‘Boeddha was ooit een mens, net als Jezus. Hij had ook discipelen die aan zijn voeten zaten en luisterden naar zijn wijze woorden. Zij bouwden tempels en stichtten kloosters om alles wat hij heeft gezegd door te geven en te leven volgens zijn voorschriften. Op een dag kwamen de leerlingen van Boeddha op het gebruikelijke uur bij hun meester om zijn preek aan te horen. Maar die dag sprak de meester niet. Ze troffen hem aan met een lotusbloem in zijn hand, die hij met een zwijgende glimlach bestudeerde. Bewonderde, zou je kunnen zeggen. De leerlingen gingen aan zijn voeten zitten en hoopten dat hij zou gaan spreken, maar dat deed hij niet. Na een paar uur gingen de leerlingen weer uit elkaar en er was er maar één onder hen die begreep wat de betekenis van de Stille Preek was.’

‘En wat was die betekenis dan?’

‘In de Stille Preek zegt Boeddha dat alles wat bestaat heilig is, en dat de schoonheid van bijvoorbeeld een bloem een groot mysterie is dat ons begrip te boven gaat en ons leert wat nederigheid is.’

‘Hoe weet je dat allemaal?’

‘Dat heeft Pravesh me uitgelegd, de monnik die je net zag. Hij zwijgt echt niet altijd, hoor.’

 

‘Kijk, daar is de kampong,’ zegt Arnout een halfuur later.

Hij houdt zijn paard in en wijst op een klein dorp dat zichtbaar is door een opening tussen de bomen en zich tegen de bergwand aan klemt als een kind tegen de borst van zijn moeder.

Even later rijden we het dorpje binnen, dat bestaat uit enkele tientallen bamboe huizen en omgeven is door een paar kleine rijstterrassen. Kinderen rennen opgewonden voor ons uit en staren ons met grote ogen aan als we in de schaduw van een banyanboom met enorme luchtwortels afstijgen voor het grootste huis van het dorp, dat een houten veranda heeft en een lang puntdak van gevlochten bladeren.

Al snel staat er een handvol volwassenen om ons heen. Arnout kent ze allemaal, dat is duidelijk, en hij begroet iedereen in het Javaans. Af en toe wijst hij op mij.

Dan verschijnt er op de veranda een oudere man met een ernstig gezicht in een lange sarong.

‘Het dorpshoofd, Aninda’s oom,’ fluistert Arnout, en hij loopt op hem toe, neemt zijn hoed af en begroet de oude man respectvol. Achter hem komen twee vrouwen naar buiten. De ene moet een jaar of veertig zijn en de andere, een mooi, slank meisje met lange vlechten, is ongeveer even oud als wij. Arnout laat zich op zijn knieën zakken voor de oudere vrouw en kust haar hand. Ze streelt Arnouts blonde haar terwijl haar ronde, gerimpelde gezicht straalt van ingehouden blijdschap.

Ik ben verlegen bij de paarden blijven staan, terwijl de kinderen inmiddels zoveel moed hebben gevat dat ze mijn rokken voorzichtig aanraken, maar nu staat Arnout op en wenkt me.

‘Dit zijn Bulan, het dorpshoofd, en mijn moeder Aninda,’ zegt hij. ‘En dit is mijn melkzuster, Lintang.’

Het dorpshoofd trekt een plechtig gezicht en zegt iets in het Javaans.

‘Hij zegt dat hij blij is dat hij nu eindelijk de toekomstige vrouw van zijn zoon te zien krijgt,’ vertaalt Arnout en hij zegt iets terug in het Javaans, waarop iedereen begint te lachen.

‘Wat zei je?’

‘Dat ik te lelijk ben om de mooiste vrouw van Batavia te mogen trouwen.’

Ondertussen heeft zich aan de voet van de veranda een groepje dorpsbewoners verzameld, dat nieuwsgierig staat toe te kijken.

‘Ik haal mijn bagage en dan eten we wat,’ zegt Arnout. ‘Help je me even? Ik heb allerlei cadeaus bij me.’

‘Je hebt een mooie moeder,’ zeg ik als we naar de paarden lopen. ‘Maar wat is een melkzuster?’

‘We zijn op hetzelfde moment geboren, onder hetzelfde gesternte. Haar naam betekent in het Javaans niet toevallig “ster”. Terwijl mijn moeder mij het leven gaf, kreeg Aninda op ons erf in de bediendenvertrekken haar dochter. Wij dronken dezelfde moedermelk en daarom zijn onze levens voorgoed met elkaar verbonden. Dat bedoelen de Javanen met een melkzuster en hoewel ik blond ben en mijn lichaam grof en groot is in vergelijking met haar sierlijke gestalte, voel ik me toch diep verbonden met Lintang, haar volk en haar land. Ik kan het niet goed onder woorden brengen, maar de mensen hier voelen en herkennen het ook. Ik heb de liefde voor Java opgezogen met de melk van Aninda, vandaar dat ik me even thuis voel in het oerwoud en in deze eenvoudige hutten als in de stenen huizen van Batavia.’

Arnout kijkt me recht in de ogen zonder zich voor zijn gevoelens te schamen. Dan gespt hij zijn zadeltassen los en geeft me er een.

Op de veranda wacht Aninda op ons met rieten sandalen in haar hand.

‘In het huis van een Javaan mag je niet naar binnen op schoenen,’ zegt Arnout, terwijl hij zijn laarzen uitdoet. Ik buk me om zijn voorbeeld te volgen en terwijl ik mijn rechterlaars uittrek, valt de kris die ik bij mijn haastige vertrek in een opwelling in de schacht heb gestoken kletterend op de planken. Aninda doet een stap terug als ze het wapen ziet en achter me hoor ik het groepje dorpelingen geschrokken uitroepen slaken.

‘Wat is dat in hemelsnaam?’ Arnout kijkt me verbijsterd aan. ‘Hoe kom je daaraan?’

‘Van een Javaanse prins gekregen. Een van de zoons van de sultan van Bantam,’ zeg ik. ‘Best mooi, toch?’

‘Stop hem terug in de laars. Snel. Je kan wel merken dat je hier nog maar heel kort bent,’ fluistert hij dringend. ‘En laten we hopen dat er niets van komt.’

‘Wat…’

Maar hij laat me niet uitpraten, grijpt mijn hand en trekt me mee naar binnen.

Daar zit het dorpshoofd samen met Lintang op een rieten mat op ons te wachten. Meubels zoals wij die kennen – stoelen, tafels of kasten – zijn er niet in het lange, schemerige vertrek, waar hier en daar een zonnestraal door de gevlochten bamboe naar binnen valt. Wel hangen er aan de wanden enkele kunstig geweven kleden en ook de matten en kussens zijn prachtig gemaakt.

Samen met Aninda gaan we bij hen zitten. Aan de rand van de mat gaan ook de sandalen uit, en iedereen kruist zijn benen onder zich met de voetzolen naar boven, net als de monnik in de tempel. Ook Arnout vouwt zijn benen soepel onder zijn lichaam, maar ik krijg het niet voor elkaar. Ik heb dit nooit van mijn leven gedaan, en ten slotte ga ik maar op mijn hurken zitten, wat ik veel inlanders op de markt heb zien doen.

Gelukkig is er niet veel aandacht voor mijn gestuntel, want Arnout is ondertussen begonnen aan een lang verhaal, dat wel over Formosa zal gaan, en hij deelt de cadeaus uit die hij uit dat verre land heeft meegenomen. Er is een lakkistje voor zijn moeder, een zilveren ring voor Lintang en voor het dorpshoofd een porseleinen drinkbeker waar een pauw op is geschilderd. Iedereen is verrukt.

Terwijl ik me een beetje dromerig afvraag of hij soms ook iets voor mij heeft meegebracht, betrap ik mezelf erop dat ik voortdurend naar hem zit te kijken, naar zijn armen en zijn handen, naar de spieren in zijn nek, naar de manier waarop hij zijn blonde haar af en toe uit zijn gezicht veegt, naar zijn mond en naar zijn blauwe ogen, waarvan ik zou willen dat hij ze wat vaker op mij zou richten.

Als de cadeaus zijn uitgedeeld, verdwijnen Lintang en haar moeder naar het erf met de rest van de inhoud van de zadeltassen, die voornamelijk uit voedsel bestaat.

‘We gaan voor jullie koken. Er is al een kip geslacht,’ zegt Lintang.

‘Maar daar is helemaal geen tijd voor,’ zeg ik geschrokken tegen Arnout. ‘We moeten straks terug, anders halen we Batavia nooit voor het donker.’

‘Geen nood. Een kip is zo geroosterd, binnen een half uur zitten we te eten.’

 

Ik word gewekt doordat iemand over mijn haar strijkt. Ik doe mijn ogen open en zie dat het Arnout is. Ik lig nog op dezelfde mat, maar er is tot mijn verbazing verder niemand in het vertrek. Ik moet in slaap gevallen zijn. Aan het licht zie ik, dat de middag al ver gevorderd is. Ik moet een paar uur hebben geslapen en Arnout heeft me niet gewekt.

‘Moeten we niet terug naar Batavia?’ vraag ik geschrokken.

‘Ik wilde je niet wakker maken. En we moeten nog eten, het zou een grote belediging van de gastvrijheid zijn om hier te vertrekken zonder te eten. Ze zijn al uren bezig.’

‘Je zei toch dat het hooguit een halfuur zou duren?’

Hij haalt zijn schouders op.

‘Hier in het oerwoud is tijd een rekbaar begrip. Van klokken hebben ze nog nooit gehoord, dat is meer iets voor Hollanders. Bovendien, achter op het erf is een gastenhuisje voor bezoekende familieleden waar je kunt logeren. Ik slaap wel bij Bulan en zijn zonen, dat ben ik gewend.’

‘Dat vergeeft Ivo me nooit. Ik moet morgenvroeg naar de markt. Er komt ’s middags zeker dertig, veertig man eten in Het Anker.’

‘Maak je daar nu maar geen zorgen over, ik maak het wel goed met hem. In het donker terugrijden naar Batavia is in ieder geval uitgesloten. Er zitten hier tijgers en panters in het bos.’

Hij gebaart dat ik mee moet komen naar de veranda, waar Lintang en Aninda al staan met verraste gezichten. Rond mijn laarzen liggen hoopjes rijst, vruchten, bloemen en zelfs een dode kip.

‘Offers van de dorpelingen,’ zegt Arnout.

Een moment denk ik dat deze gaven voor mij bedoeld zijn, de blonde prinses uit de grote stad, maar hij helpt me snel uit de droom.

‘Ze zijn bang voor je kris. Het moet een oud en machtig exemplaar zijn. Ik dacht al zoiets toen ik de gravures op de schede zag. Wist je niet dat de Javanen dit soort krissen als bezield beschouwen? Ze hebben een eigen persoonlijkheid, en als er niet regelmatig aan ze geofferd wordt kunnen ze zo wraakzuchtig worden dat er doden vallen.’

Ik ben te verbijsterd om iets terug te zeggen.

‘Neem die offers maar aan, dat is het beste.’

 

Met wijd open ogen lig ik te luisteren naar de geluiden van de nacht. Het licht van de maan kiert door de wanden van het hutje op het achtererf waar ik ben ondergebracht en werpt bleke patronen op de vloer. Ik ga verliggen, maar de mat op de houten planken blijft even hard. Buiten gonzen insecten en uit het oerwoud klinken verre kreten van ongeziene wezens. Gelukkig staat het huisje op palen. Toen we klaar waren met eten was de nacht al gevallen, en inmiddels heb ik er spijt van dat ik niet ingegaan ben op het aanbod van Lintang om bij de vrouwen van het huis te komen slapen, maar nu durf ik niet meer over het erf te lopen.

Om in slaap te vallen probeer ik me voor de geest te halen hoe De Dankbaarheid er ook alweer uitziet, en ik loop in gedachten van de achtersteven langs het boeisel en de kanonnen naar voren terwijl ik ieder detail voor me probeer te zien. Waar zou het schip nu zijn? Alweer terug in Holland? En Halstad, zou hij nu voorgoed in Veere blijven, bij zijn vrouw? Zou hij nog weleens aan me denken?

Ik word opgeschrikt door gekrabbel aan de deur. Een kat, is mijn eerste gedachte. Snel ga ik half overeind zitten. Er kraakt een plank. Geen kat, denk ik, terwijl ik voel hoe de haartjes in mijn nek overeind gaan staan. Iets groters. Een van de panters waar Arnout het over had? ’s Nachts schijnen ze zich soms binnen de kampongs te wagen om geiten en kippen te roven.

Dan wordt de deur een stukje opengeduwd. Een streep maanlicht valt over mijn slaapmat. In de deuropening verschijnt een hand en mijn hart begint te bonzen. Dit is wat ik niet wil en waar ik tegelijkertijd op heb gehoopt.

Het silhouet van Arnout steekt zwart af tegen de maanverlichte nacht als hij voorzichtig naar binnen kruipt. In een flits besef ik dat hij heel goed wist dat het uren duurt om een Javaanse maaltijd te bereiden, en even komt er een gevoel van woede in me op.

Moet ik gillen? Moet ik hem van me af trappen? Mijn kris ligt naast mijn kussen. Ik doe niets.

Ik ruik zijn geur, ik voel de warmte van zijn lichaam, dat hij langzaam op het mijne laat zakken terwijl hij zacht kreunend mijn gezicht met kussen overdekt. Nadat ik nog een zwakke poging heb gedaan om hem van me af te duwen, geef ik me trillend over aan zijn liefkozingen en de dingen waar mijn hart en mijn lijf naar verlangen.