15
Lang hoefde Van Ruyschbrouck niet na te denken over de vraag wat hij met me aan moest. Al de volgende ochtend verscheen hij opnieuw in mijn slaapkamer, waar ik na mijn eerste nacht als moeder opzat bij het raam met Arend aan de borst.
‘Weet je wat de straf voor overspelige vrouwen is?’ beet hij me toe, zonder acht te slaan op de verschrikte gezichten van Perdana en de andere meisjes.
Arend begon te huilen.
‘Geseling!’ vervolgde hij zonder op antwoord te wachten. ‘Publieke geseling en verstoting! Eigenlijk zou het de dood moeten zijn!’
Hij was nog steeds buiten zichzelf van woede, maar nu probeerde hij dat niet meer te verbergen. Hij was onberispelijk gekleed, want hij ging natuurlijk naar kantoor, maar zijn gezicht was gezwollen en zijn ogen waren rood van de doorwaakte nacht die hij net als ik moest hebben gehad.
Er hadden allerlei angstvisioenen door mijn hoofd gespookt. Ik wist dat de straffen van de calvinistische rechters in Batavia veel zwaarder waren dan die in Holland, omdat zij vonden dat hun oordelen de inlandse bevolking tot voorbeeld moesten dienen. Ik had al eens gehoord over een luitenant die het met de vrouw van een hoge Compagniedienaar had aangelegd en daarvoor terechtgesteld was. Overspelig was ik natuurlijk niet geweest, maar ik had Van Ruyschbrouck wel bedrogen en dat zou de rechtbank waarschijnlijk even hoog opnemen.
Arend zette het op een krijsen en Perdana nam hem van me over, maar haar sussende geluidjes wisten hem niet te kalmeren.
Ik had nog een kleine hoop gehad dat Van Ruyschbrouck zich zou bedenken en hij mijn kind als zijn zoon zou aanvaarden om niet publiekelijk te schande gemaakt te worden, maar de rest van Batavia kon natuurlijk ook rekenen en wist waarschijnlijk inmiddels al dat hij door mij misleid was.
Zou hij vermoeden wie de vader van Arend was? Gelukkig zat Arnout ver weg in Formosa en Ivo Beers, de enige man die bij het nieuws van mijn bevalling onmiddellijk zou begrijpen wie mijn kind had verwekt, was een vriend die weinig moest hebben van hoge heren en hopelijk zou zwijgen.
Waarschijnlijk dacht Van Ruyschbrouck dat ik op mijn knieën zou vallen om hem om vergeving te smeken, maar dat gunde ik hem niet, hoewel ik in mijn herinnering de kat van kapitein Rood nog hoorde knallen en het bloed zag stromen over de rug van de man die Maeyken had verkracht. Wat moest er van Arend worden als ik een geseling niet zou overleven? Slaven werden regelmatig op die manier gestraft, en vooral vrouwen stierven nogal eens door de hand van een al te ijverige soldaat of gerechtsdienaar.
De wetenschap dat Van Ruyschbrouck mijn geseling graag persoonlijk zou hebben uitgevoerd deed me een moment huiveren. Ik draaide mijn hoofd af en keek uit het raam, terwijl ik het trillen van mijn handen probeerde te verbergen door ze in mijn schoot te leggen. Hij kwam een paar stappen dichterbij en ik kromp onwillekeurig in elkaar, maar hij raakte me niet aan. Ik hoorde hem hijgen en rook de stank van zijn zweet.
‘Slet,’ siste hij. ‘Denk maar niet dat je je straf zult ontlopen. Vanaf dit moment staat er een wacht voor je deur. Je komt deze kamer niet meer af tot je voor de rechter staat. Als het aan mij ligt, zul je je straf niet overleven. Je bent mijn vrouw niet meer.’
Arend kwam pas weer tot rust toen Van Ruyschbrouck de kamer had verlaten. Inderdaad had hij een soldaat voor de kamerdeur gestationeerd, want toen Perdana naar buiten wilde voor warm water moest ze hem eerst om toestemming vragen.
Later op de ochtend hoorde ik beneden in de hal Jannigje van Scheltema, die op hoge toon eiste dat ze tot mijn kamer zou worden toegelaten, maar ze werd afgeblaft door de een of andere harde mannenstem, en even later kwam Perdana me vertellen dat een soldaat haar de deur uit had gezet. Blijkbaar had Van Ruyschbrouck ook beneden een bewaker gestationeerd.
Het ging allemaal in een roes aan me voorbij. Ik was nog uitgeput van de bevalling en de slapeloze nacht die erop was gevolgd, en kon eigenlijk aan niets anders denken dan aan mijn kind, dat ik voortdurend in mijn armen hield. Arend was het stralende middelpunt van mijn wereld, het enige wat echt leek, en ik kon er geen genoeg van krijgen om naar hem te kijken terwijl hij aan mijn borst lag te slapen. Wat moest ik bovendien doen?
Daarover had Perdana blijkbaar wel nagedacht, want toen het donker werd kwam ze samen met een ander meisje naar boven met een enorme wasmand. De soldaat liet hen binnen en vergrendelde de deur daarna weer met het grote slot dat Van Ruyschbrouck er in de loop van de ochtend door een timmerman op had laten aanbrengen. Arend had pas gedronken en was in slaap gevallen. Toen de meisjes binnenkwamen, deed hij zijn ogen open maar hij gaf geen kik, en hij keek samen met mij toe hoe Perdana de lakens uit de mand haalde. Veel waren het er niet, want eronder had ze schoenen en een stapeltje schone kleren verstopt, en nadat ze die op een stoel had gelegd, haalde ze met een triomfantelijk gezicht een lang touw tevoorschijn.
‘Mijnheer niet goed,’ zei ze, en het andere meisje knikte. Terwijl ze me een kom pap voerde, vertelde ze me in haar gebroken Nederlands hoe Van Ruyschbrouck de meisjes in de smalle gangen van ons huis altijd probeerde te betasten en hen voortdurend lastigviel als ik er niet was. ‘Mevrouw Jannigje goed,’ besloot ze haar verhaal, en ze wees naar de kleren. ‘Mevrouw Jannigje.’
‘Heeft zij…’ begon ik, en Perdana knikte. Blijkbaar was Jannigje nadat ze de voordeur uit was gezet om het huis heen gelopen en via de achteringang weer naar binnen gekomen, waarna ze Perdana instructies had gegeven.
En zo stond ik om middernacht, terwijl alles in huis doodstil was, volledig aangekleed bij het open raam van mijn slaapkamer. De smalle steeg langs ons huis die aan de achterkant uitkwam op het erf was donker en verlaten. Van Ruyschbrouck was niet komen opdagen; ik vermoedde dat hij na zijn werk naar Coen was gegaan om te praten en te drinken en daar zou blijven overnachten. Hij kon het niet meer verdragen om in hetzelfde huis te slapen als de vrouw die hij, de toegewijde echtgenoot die eerst niet kon wachten op het moment dat zijn stamhouder geboren werd, nu plotseling zo haatte.
Op mijn rug droeg ik Arend in het soort omslagdoek dat de inlandse vrouwen gebruiken. Hij had net gedronken en ik kon alleen maar hopen dat hij het niet op een schreeuwen zou zetten als we eenmaal buiten waren. Aan de andere kant van de deur stond de wacht, die om zes uur was afgelost en inmiddels hopelijk slaperig was. Hij hoestte.
Ik haalde diep adem en greep het touw vast dat aan een poot van het bed was vastgebonden. Op dat moment hoorde ik voetstappen naar boven komen. Ik schrok. Zou Van Ruyschbrouck toch thuisgekomen zijn? Maar nee, het was de wacht die bij de benedendeur was gestationeerd en blijkbaar even een praatje kwam maken met zijn collega. Met trillende handen schoof ik zo geruisloos mogelijk het touw onder het bed en ging er op mijn zij weer in liggen, waarna ik een laken over me heen trok. Perdana zou wel wachten. Achter de slaapkamerdeur hoorde ik gemompel, het ontkurken van een fles en even later dreef de geur van tabak mijn kamer binnen. Drink maar goed door, dacht ik bij mezelf, en val dan in slaap.
Na een goed uur kloste de soldaat de trap weer af en was alles stil. Ik wachtte nog vijf minuten en liet me toen uit bed glijden. Arend had gelukkig al die tijd geen geluid gemaakt; hij lag diep te slapen in zijn draagdoek, die hem blijkbaar wel beviel. Ik rolde het touw uit en klom voorzichtig naar buiten. Ik was erger verslapt dan ik had gedacht, ik kon me nauwelijks vasthouden aan het dikke, ruwe touw, maar gelukkig lag de steeg niet ver onder me.
Het laatste stuk gleed ik meer dan dat ik klom, en ik maakte met brandende handen een zachte landing op de modderige grond en strompelde naar het achtererf, waar Perdana op me wachtte om me door de wirwar van erven, tuinen en steegjes die alleen de inlanders kennen onder dekking van de nacht ongezien naar het huis van Jannigje te brengen.
Onderweg gingen er allerlei gedachten door me heen. Ik was opgelucht dat ik nu van Van Ruyschbrouck af zou zijn, bang dat hij zou proberen me terug te halen, en verdrietig omdat ik Batavia voorgoed moest verlaten en ik Arnout waarschijnlijk nooit meer zou zien. Ik was hier gekomen met grote verwachtingen en ik vertrok als een vluchteling in het duister.
Twee dagen later scheepte ik me onder een valse naam samen met Jannigjes gezin en mijn zoon in als kindermeisje van de kersverse gouverneur van de Banda-eilanden, op het schip dat hem naar zijn nieuwe post zou brengen.
*
Jannigje en ik zijn er vandaag vroeg op uitgetrokken op onze paarden. Haar man Sicco is op Fort Nassau gebleven, waar wij wonen, want hij moet hard werken. We verwachten elk moment een schip van de Compagnie dat hier specerijen komt laden.
Ons nieuwe thuis, Banda Neira, is nog niet zo lang geleden veroverd door de Hollanders. Deze eilanden, die op drie weken varen van Batavia als kleine, verloren stipjes in de onmetelijke oceaan liggen, bezitten een grote schat die zowel hun rijkdom als hun vloek is. Dit is de enige plek ter wereld waar de kostbare nootmuskaat groeit, en vandaag gaan we op weg om een plantage van die zeldzame bomen te bekijken.
Het eerste stuk vanaf het fort, dat aan het strand ligt, is vlak en makkelijk te berijden, maar al snel moeten we onze weg zoeken over smalle, steile rotspaden tussen dicht struikgewas en geboomte, langs hoge richels. Gelukkig kennen de twee soldaten die ons escorteren de weg. Sicco heeft ze ons meegegeven, want de eilanders zijn niet te vertrouwen, en hoewel er niet veel meer over zijn sinds de massaslachting die gouverneur Coen hier zeven jaar geleden heeft aangericht schijnen sommigen zich toch nog schuil te houden in de meest ontoegankelijke heuvels.
Terwijl we verder klimmen krijgen we steeds beter zicht op de eilanden om ons heen, die als kleine groene juwelen in de blauw schitterende zee lijken te zijn uitgestrooid door de hand van een achteloze god.
Vlak tegenover ons rijst de vulkaan Goenoeng Api met zijn dichtbeboste hellingen als een kegel op uit het water. Hij wordt van ons eigen eilandje gescheiden door een zeestraat die zo smal is dat het lijkt alsof je hem zwemmend zou kunnen oversteken, maar de stromingen zijn gevaarlijk en men zegt dat er monsters in die wateren huizen.
Langs de kust liggen smalle, witte stranden en het water is daar zo helder dat het wel vloeibaar glas lijkt. Waar het dieper wordt, is het van een rijk azuurblauw dat de hemel in pracht bijna overtreft. Een paar mijl verderop ligt Lontor, het grootste eiland, dat de vorm heeft van een halvemaan en bekroond wordt door een dichtbegroeide, steile bergrug. Aan de horizon liggen nog een paar kleine eilanden, die alleen bij helder weer te zien zijn. Bij elkaar maken deze vlekjes land nog niet de helft van de oppervlakte van Texel uit, zegt Sicco, en toch brengen ze de Compagnie jaarlijks miljoenen guldens op.
Na een uur komen we bij het grote houten huis van Bernard Mourik, een voormalige kapitein die deze grond heeft gepacht van de Compagnie. Volgens Sicco houdt hij er een paar Bandanese vrouwen op na, met wie hij een hele kinderschaar heeft. Hij heet ons welkom, en nadat een slavin ons water en fruit heeft gebracht neemt hij ons mee naar zijn perk, zoals een plantage hier genoemd wordt.
‘We kunnen wel driemaal per jaar oogsten, zo vruchtbaar zijn deze gronden,’ zegt hij terwijl hij ons trots rondleidt.
De nootmuskaatbomen zijn zo groot als een volwassen appelboom en hebben buigzame takken met dikke, glanzende bladeren die lijken op de laurier in Holland. Sommige staan in bloei, met witte, klokvormige bloemen die een heerlijke geur verspreiden, andere dragen ronde, heldergele vruchten.
Rond de bomen zijn slaven aan het werk, die de grond moeten schoonhouden en de takken snoeien. Sommigen zijn zwart, anderen hebben de bruine kleur van de Indiërs van Coromandel, en weer anderen de spleetogen van de mensen van Siam en Pegu. Bandanezen zijn er nauwelijks meer sinds Coen hier heeft huisgehouden, daarom moet alle arbeid van ver komen.
‘Nootmuskaat is de kostbaarste specerij die we kennen,’ zegt Mourik, terwijl hij twee rijpe vruchten van een boom plukt en aan ons geeft. Het vruchtvlees is al opengespleten en de rode noot puilt naar buiten. Ik houd hem bij mijn neus en snuif de kruidige, prikkelende geur diep op. ‘Vroeger werd nootmuskaat vooral in de keuken gebruikt, maar sinds de chirurgijns hebben ontdekt dat het een probaat middel is tegen de haastige ziekte is het bijna onbetaalbaar geworden.’
‘De haastige ziekte?’
Jannigje houdt haar hoed vast tegen een plotselinge windvlaag, die de bomen op dit vlakke stuk grond tussen de heuvels doet ruisen. Op Neira waait het altijd, en daarom is het er een stuk aangenamer dan in Batavia, hoewel de zon hier even fel schijnt.
‘De zwarte dood, mevrouw, de pest. In Vlaanderen, waar ik vandaan kom, noemen we die de haastige ziekte, omdat hij een gezond mens binnen twee dagen na het eerste kuchje het graf in kan sleuren. Maar wie een pomander van nootmuskaat bij de hand heeft hoeft niets te vrezen. Als hij het kan betalen.’
‘Is het dan zo duur?’ vraag ik.
‘Een paar pond nootmuskaat is in Holland voldoende om een stenen huis van te kunnen kopen. Hier betaalt de Compagnie mij natuurlijk slechts een bescheiden bedragje, maar in Europa bedraagt de prijs meer dan het tweehonderdvoudige.’
Hij kijkt even naar Jannigje.
‘Ik beklaag me niet over de Compagnie, laat dat duidelijk zijn, want ik kan er hier goed van leven. Ik heb twee perken en dat is meer dan voldoende.’
Op dat moment begint Arend te huilen.
Ik haal hem van mijn rug, loop naar een schaduwrijk plekje onder een grote muskaatboom, waar twee zwarte vrouwen noten van hun vruchtvlees zitten te ontdoen, en knoop mijn hemd open terwijl Mourik geschrokken kucht en zijn hoofd afwendt. De twee slavinnen houden een moment op met hun werk en kijken met een glimlach van verstandhouding toe hoe ik Arend aanleg.
De blanke vrouwen in Batavia hebben allemaal een min en nog tien andere bediendes om op hun kinderen te passen, zodat zij de handen vrij hebben om zich aan andere bezigheden te wijden. Ik begrijp dat niet. Soms lijkt het wel alsof ze vies zijn van hun eigen pasgeboren kinderen en ze stoppen dan ook zo snel mogelijk met borstvoeding, maar ik neem Arend overal mee naartoe en geef hem nog steeds zelf de borst, hoewel hij nu al een paar maanden oud is. Ik kan het niet verdragen om ook maar een moment van hem gescheiden te zijn.
Ik ging naar Indië om aan de armoede te ontsnappen en een rijke man te trouwen, maar ik vond een nog veel grotere rijkdom, iets waarvan een vrouw die geen moeder is zich geen voorstelling kan maken. Mijn kind is mijn alles, mijn vreugde en mijn troost, het middelpunt van mijn wereld en mijn leven. Sinds ik Arend heb is het verdriet om het verlies van mijn ouders en mijn broers draaglijk geworden, want nu heb ik een nieuwe familie en een nieuwe reden om te leven. Ook de dingen die er in Batavia zijn gebeurd deren me niet nu ik hem heb.
Arnout is ver weg. Af en toe denk ik nog aan hem met een gevoel van tederheid, maar ik zal hem wel nooit meer zien. Naar Batavia wil ik van mijn leven niet meer; van Van Ruyschbrouck en al die andere zure, calvinistische oude mannen ben ik nu godzijdank af. Hier op Banda, op drie weken varen van Batavia, zal hij me niet komen halen, want hij weet niet waar ik ben gebleven. Op het schip dat ons bracht kende niemand me en ik sta hier bekend onder de naam Jacoba van Velden. Alleen Jannigje en haar man kennen mijn ware identiteit.
En de toekomst? Die is onzeker; het leven op deze eilanden is gevaarlijk. We worden bedreigd door de Engelsen, onze handelsrivalen die ons elk moment kunnen aanvallen, door wraakzuchtige inlanders die ons willen doden, door de vulkaan die iedere dag kan uitbarsten, of pas over tien jaar, en nog door allerlei ziektes, want ook hier heerst de koorts. Maar anders dan in Amsterdam en tijdens de overtocht op De Dankbaarheid leef ik niet meer voor de toekomst maar in het heden. Elk moment met mijn zoon is een eeuwigheid van geluk, op deze plek die zo ver van de wereld verwijderd is dat het bijna lijkt alsof die niet meer bestaat.
*
Jan Pieterszoon Coen gooit een blok hout op het vuur in de grote eetkamer van het kasteel en loopt dan terug naar de tafel.
Dokter Bontius, die met dominee Heurnius en Reinaart van Ruyschbrouck aanzit aan het avondmaal van het gouverneursechtpaar, wist het zweet van zijn voorhoofd.
‘Ik begrijp u niet, Coen. We zitten niet in Holland. Het is hier warmer dan in onze zomer, ook al is het regentijd.’
Door de openstaande ramen van de eetzaal is het onweersgerommel dat de volgende bui aankondigt in de verte al te horen.
‘Ik word somber van die duistere luchten,’ antwoordt Coen, waarna hij gaat zitten en zijn mes in een stuk varkensvlees zet. ‘Een vuur vrolijkt me op, het doet me denken aan mijn jeugd in Hoorn.’
Eva, die tegenover hem zit, zwijgt en neemt een slok wijn. Ook haar benauwt het vuur, maar ze heeft inmiddels geleerd om de eigenaardigheden van haar man te accepteren. Wie Coen tegen de haren in strijkt heeft geen gemakkelijk leven. In de kleine dingen geeft ze hem zijn zin, in de grote zet ze haar eigen wil door, zonder dat hij het merkt.
‘Mij doen die vlammen plotseling denken aan de verbranding van een ketter die ik ooit heb bijgewoond,’ zegt dominee Heurnius terwijl hij met smaak op een stuk kip kauwt.
De man heeft weliswaar theologie gestudeerd in Leiden, gaat het door Coen heen, maar zijn tafelmanieren laten te wensen over.
‘Dat was op de Grote Markt in Antwerpen, waar de Spanjaard heerste en de inquisitie iedereen in de boeien sloeg die van protestantse sympathieën werd verdacht. De man schreeuwde het uit van de pijn, natuurlijk, tot een barmhartige soldaat een paar emmers water op het hout gooide en hij stikte in de rook.’
Eva zet haar glas hard neer. ‘Dominee. Alstublieft. We zitten te eten.’
‘U was zelf toch ook protestants?’ vraagt Van Ruyschbrouck, die bij uitzondering is verschenen aan de tafel van de gouverneur en lusteloos in zijn eten zit te prikken.
De man is bovenmatig aangeslagen door de verdwijning van zijn vrouw, vindt Coen, terwijl hij naar het grauwe, ingevallen gelaat van zijn vriend kijkt. Hij lijkt in enkele maanden wel tien jaar ouder te zijn geworden. Wie kan er nu zo diep treuren over zo’n jong, onbenullig ding? Hij vindt wel weer een ander, en hij zou wat meer ruggengraat moeten tonen, juist nu, want Coen heeft de oude opperkoopman en zijn ervaring hard nodig voor zijn nieuwe handelsplannen.
‘Dat wist niemand daar. Ik was op doorreis naar Leiden. En ik heb nog diezelfde middag een koets genomen, dat begrijpt u wel.’
‘Hoe wreed de Spanjaarden ook zijn, toch zijn we ze veel verschuldigd. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we onze Republiek, ja, ons hele rijk in de Oost aan ze te danken hebben,’ zegt Coen met een twinkeling in zijn ogen.
‘U bedoelt?’ Bontius kijkt hem verrast aan. ‘Zij zijn in Holland toch al meer dan honderd jaar onze erfvijand? En ook hier in de Oost komen we regelmatig in gevecht met hun schepen, al varen die dan onder Portugese vlag, maar dat is één pot nat. Portugal en Spanje hebben tenslotte dezelfde koning.’
‘Ik bedoel dat al onze verschillende gewesten, al die provincies met hun eigen dialecten en gewoontes, zich nooit zouden hebben verenigd tot een Republiek der Nederlanden als ze geen gemeenschappelijke vijand hadden gehad. En ik meen dat juist die onderdrukking de geest van de Hollander heeft gescherpt en ons heeft gedwongen onze mogelijkheden tot het uiterste te benutten. Wij zijn niet alleen naar de Oost getrokken om het handelsrijk op te zetten dat we in Europa niet konden opbouwen, maar ook om de strijd tegen de Spanjaard hierheen te verplaatsen en hem in Azië te verslaan. En daar zijn we in geslaagd, want zoals u weet domineren wij de zeeën in dit deel van de wereld en zijn het onze schepen die de rijkste ladingen met specerijen terugbrengen naar Europa. Spanje is niet alleen geknakt door de militaire successen van onze stadhouders in de Nederlanden, maar ook doordat wij ons meester hebben gemaakt van een van zijn rijkste wingewesten.’
Hij kijkt met een voldane knik in het rond. Uit zijn blik is duidelijk op te maken dat deze successen in zijn opinie vooral aan zijn eigen beleid te danken zijn.
Coen heeft de zaken dan ook voortvarend ter hand genomen sinds hij terug is in Batavia. Hij heeft de stad verder versterkt en uitgebouwd en werkt met grote inzet aan de expansie van de handel. Er zijn delegaties uitgezonden naar de keizers van China en Japan en er is een blokkade gelegd voor de haven van de sultan van Bantam, de weerspannige westerbuur van Batavia, om hem te dwingen rijst te leveren aan de Hollanders en zijn peper voor een goede prijs aan de Compagnie te verkopen.
Ook de Engelsen, die nog steeds proberen om een deel van de Aziatische markt in handen te krijgen, heeft Coen de voet dwars weten te zetten door hun schepen aan te vallen en enkele van hun handelsloges in de Oost plat te branden. De Engelse koning had gelijk toen hij bij de Heren Zeventien bezwaar maakte tegen Coens tweede termijn in Indië, maar de gouverneur heeft tot zijn grote voldoening ook in dat conflict uiteindelijk gezegevierd.
Batavia floreert en de zaken van de Compagnie gaan beter dan ooit. Dat bewijst maar weer eens, bedenkt hij, terwijl onder de muren van het kasteel plotseling geschreeuw klinkt en Eva verstoord opkijkt, dat God aan zijn kant staat. Het vervult Coen met trots dat juist hij is uitverkoren om het instrument in Zijn hand te zijn dat de heidenen en katholieken in de Oost het onderspit doet delven, en het sterkt hem in zijn overtuiging dat ieder middel daartoe geoorloofd is. Hij mag dan door sommigen de slachter van Banda worden genoemd, hij weet zeker dat hij ook daar in zijn recht stond.
De kreten onder het raam worden luider en dokter Bontius staat op. Hij buigt zich uit het raam en draait zich dan geschrokken om.
‘Dit is… dit is… Mevrouw Eva, blijft u vooral zitten,’ zegt hij zichtbaar ontsteld, terwijl ook de anderen zich naar het raam haasten. Dan rent hij naar de deur, waar hij zijn dokterstas grijpt en zich de trap af haast.
Beneden op het kasteelplein ziet Coen een groepje soldaten met fakkels staan bij een kar vol lichamen in het uniform van de Compagnie. Hij draait zich met een ruk om en volgt de dokter.
‘Dertien doden, excellentie,’ zegt een sergeant tegen hem als hij beneden is. ‘Het was een overmacht, ze hebben de hele wacht bij de kasteelbrug afgeslacht.’
‘Wie, stomkop, wie?’ snauwt Coen, terwijl een paar soldaten de gedode Hollanders afladen en Bontius ze begint te onderzoeken om te zien of er nog leven zit in de slappe, met slijk en bloed besmeurde lichamen.
Er klinkt een donderslag en plotseling trekt er een gordijn van regen over het kasteelplein, dat zo dicht is dat de modder rond de mannen opspat.
‘Javaanse krijgers van de sultan, excellentie, een hele groep. Ze moeten in het donker de rivier zijn overgestoken en toen naar de kasteelbrug zijn geslopen.’
‘Javanen? De kasteelbrug? Zo dichtbij?’ zegt Coen met een stem die trilt van de onderdrukte woede.
‘Ze zijn gevlucht voor we ter plaatse waren.’
In gedachten vervloekt Coen de Heren Zeventien. Hij heeft al een aantal malen dringend om extra troepen verzocht in zijn brieven naar Amsterdam, maar de Heren houden de hand op de knip. Ze willen maar niet begrijpen dat er geen handel kan worden gedreven zonder voldoende soldaten. In een opwelling grijpt hij het korte zwaard van een van de soldaten en hakt in een aanval van razernij met zoveel kracht in op het wiel van de kar dat de stukken hout in het rond vliegen. De soldaten kijken verbijsterd en angstig toe, tot Bontius naar voren stapt en een hand op Coens schouder legt. De gouverneur verstart door de plotselinge aanraking, draait zich dan om en kijkt de dokter aan met ogen die zijn razernij nog weerspiegelen. Hij veegt het schuim van zijn lippen en gooit het zwaard op de grond. ‘Zo zal ik hun dood wreken, tot de laatste man. Oog om oog, tand om tand. Zo helpe mij God.’