19

 

 

 

 

De volgende avond staan Van Nijenrode en Surishia al buiten te wachten als ik aan kom lopen. Ik ben gespannen, niet om wat er komen gaat, maar vanwege Arend, die ik voor het eerst van mijn leven (en het zijne) alleen heb gelaten. Minako, die normaal met haar baby op de rug vlak voor de nacht valt terugloopt naar het stadje, heeft erin toegestemd om vanavond wat langer te blijven en op hem te passen. Toen ik het haar vroeg weigerde ze eerst, want ze is bang in het donker, maar toen ik haar een kleine zilveren munt gaf van het magere loon dat ik voor mijn nieuwe werk ontvang stemde ze toe. Het kind is volgens mij straatarm. Haar kleren zijn oud en vaak versteld, haar houten klompen zijn versleten en ze is vel over been.

Mijn vrienden dragen prachtige ceremoniële gewaden, en ik heb mijn kimono aangetrokken. In hun handen dragen ze grote papieren lantaarns waar lettertekens op staan. Het gele licht verspreidt een wazig, warm schijnsel. In de diepte zie ik overal lichtpuntjes door de straten van Hirado bewegen, die ongetwijfeld afkomstig zijn van andere eilanders die de graven van hun voorouders gaan bezoeken.

‘Deze lantaarns zijn bedoeld om de geesten van de voorouders aan te roepen. Hier, deze is voor jou,’ zegt Surishia nadat we elkaar begroet hebben.

‘Denk je nog vaak aan de familie die je hebt verloren?’ vraagt ze terwijl we een smal pad in slaan dat door een bamboebos omhoogvoert, en ik begin te vertellen over ons gezin in Breda. Ik praat over de goede dingen, de mooie herinneringen, de liefde van mijn moeder, de kracht van mijn vader, de geborgenheid die een kind voelt als het wordt omringd door andere kinderen, maar als ik op het punt ben aangekomen waarop ik het verhaal van de moord moet vertellen, stokt mijn stem in mijn keel.

Er gaat een windvlaag door het hoge, donkere bamboebos.

‘Daar zijn ze misschien al,’ zegt Surishia. ‘Je verhaal heeft ze geroepen. Laten we het maar niet over hun dood hebben. We willen hun geesten geen angst aanjagen, zodat ze terugvluchten naar de andere wereld.’

Het pad komt uit op een grote open plek, waar tientallen hoge grafzuilen bij elkaar staan. Er zijn al andere mensen met lampionnen. Terwijl we naar hen toe lopen kijk ik even omhoog, en ik zie grijze wolken langs de bijna volle maan trekken.

‘Mijn neven en nichten, en mijn tante, en dit is mijn oudoom,’ begint Surishia, en ik word voorgesteld aan een twintigtal Kobayashi’s. Ook haar broer Akira is er; hij buigt met een nors gezicht voor me zonder een woord te zeggen. De lampion in zijn hand contrasteert vreemd met de twee zwaarden in zijn gordel.

Blijkbaar is er op ons gewacht en is de familie nu compleet, want de jonge mensen stellen zich in een cirkel op en beginnen aan een trage, stijve rondedans, begeleid door een doffe trommel en een schrille fluit. Terwijl ze dansen heffen ze een monotoon gezang aan, en de andere aanwezigen vallen in.

Van Nijenrode en ik staan een beetje opzij met onze lampions.

‘Ik heb hier niet zoveel mee,’ fluistert hij tegen me. ‘Ik vergeet de doden liever. Mensen met een slecht geheugen zijn vaak het gelukkigst. Maar voor mijn vrouw is het erg belangrijk.’

‘Is Surishia echt uw vrouw?’

‘Niet formeel, dat mag niet van de keizer. We hebben elkaar trouw beloofd tijdens een kleine privéceremonie waar al haar familieleden bij waren. Wie weet krijg ik ooit nog toestemming voor een officieel huwelijk. Daar hoopte Jacques Specx ook op, een van mijn voorgangers. Zijn kind was nog geen vier toen hij door de Compagnie werd teruggeroepen naar Batavia, het was een grote tragedie. Hij heeft een petitie naar de keizer gestuurd, helemaal naar Edo, maar het hielp niets. Hij mocht weg en Sara, zijn dochter ook, maar de moeder was Japans en moest blijven. Ze hebben het kind gillend aan boord moeten dragen. Als ik ooit naar Batavia word teruggeroepen neem ik gewoon ontslag en blijf ik hier. Je kind zien opgroeien, dat is het mooiste wat er is op deze wereld.’

De dansers hebben nu een rij gevormd en houden hun lampionnen omhoog terwijl ze met statige passen op de toegangspoort van het kerkhof af lopen. De trommel slaat onafgebroken zijn trage, duistere klacht en wij volgen de jonge mensen de begraafplaats op, waar we een rondgang maken langs de deels met mos begroeide zuilen. Ze hebben allerlei vormen, sommige kort en dik, andere smal en meer dan twee meter hoog, sommige met een gebeeldhouwde stenen voet, andere lukraak in de aarde gedreven, sommige stijf rechtop en andere scheefgezakt.

Het licht van de lampionnen werpt dansende schaduwen over de stenen en de lettertekens waar ze mee bedekt zijn.

‘Ik heb dit al een paar maal meegemaakt,’ fluistert Van Nijenrode. ‘Er gebeurt nu iets wat wij nooit kunnen begrijpen… Alle leden van de clan zingen mee en hun persoonlijkheden versmelten tot een enkel wezen, dat de essentie van de Kobayashi’s belichaamt. Hun geest roept de geesten aan van de doden die voor hen kwamen, en ze worden gehoord. Surishia heeft geprobeerd het me uit te leggen, maar hier moet je toch echt een Japanner voor zijn.’

Van Nijenrode begrijpt het misschien niet, maar terwijl ik naar de zingende processie kijk, voel ik plotseling dat ook mijn eigen beschermengelen bij me zijn, mijn twee vriendinnen die zo afschuwelijk zijn gestorven en mijn moeder, die ik in mijn droom op Fort Nassau heb gezien.

Het lijkt wel een uur te duren voor we alle grafstenen af zijn gegaan. Dan houdt iedereen op met zingen, alsof er een geheim teken is gegeven dat door ons tweeën niet waargenomen is, simpelweg omdat we geen Japanners zijn, en er daalt een vreemde stilte neer over het kerkhof.

Nu loopt het hele gezelschap, met hun lampions aan stokken voor zich uit gestoken, de heuvel af op weg naar het grote huis, waar de levende leden van de Kobayashi-clan met hun voorouders zullen verkeren en hun offers brengen op het familiealtaar.

Als we bij de voordeur zijn, neem ik afscheid van mijn vrienden. De rest van de ceremonie, voel ik, is niet voor mijn ogen bestemd. Ik ga naar huis, naar Arend.

Terwijl ik terugloop, realiseer ik me dat ik geluk heb gehad met Van Nijenrode, die het goed met me meent, en met zijn vrouw, die me een glimp heeft laten zien van een wereld die ik niet kende. Mijn werk in de keuken is zwaar, maar het kan niet lang meer duren voor De Peerl naar Batavia vertrekt. Hooguit nog een week, zegt Van Nijenrode, die als opperkoopman precies weet hoeveel van haar lading er al is geruild tegen het Japanse zilver waar Batavia op zit te wachten. Mijn enige vrees is dat de erfenis van Van Ruyschbrouck al verdeeld zal zijn tegen de tijd dat ik aankom.

Als ik thuiskom, ligt Minako op mijn bed te slapen met de twee kinderen.

‘Je kunt nu wel weer gaan,’ zeg ik, nadat ik haar wakker heb geschud.

‘Hoe was de Obon?’

‘Heel bijzonder. Zoiets kennen wij niet. Doet jouw familie er niet aan?’

‘Sommigen. Maar ik geloof niet in geesten,’ zegt ze met een frons. ‘Mag ik hier blijven slapen? Ik durf niet meer terug, zo laat. Mijn man en mijn zuster begrijpen het wel.’

Minako is getrouwd, weet ik, met een man die de kost verdient door zeewier bij elkaar te zoeken op de stenige stranden van het eiland. Een smerig, slechtbetaald werkje.

‘Ben je bang?’ vraag ik plagerig. ‘Je gelooft toch niet in geesten?’

‘Dat niet, maar wel in rovers. De weg naar Hirado loopt door een bos. Laatst is daar nog iemand de keel doorgesneden. Er zijn veel arme, wanhopige mensen in de stad.’

‘Ik ben er nooit geweest.’

‘Nog nooit in Hirado geweest? Heb je onze stad nooit gezien? Het kasteel van de daimio is heel mooi, ook al is het klein. Je moet een keer bij onze familie komen eten. We zijn met veel en hebben het niet breed, maar er is altijd wel plaats voor een extra gast.’ Ze wrijft in haar ogen.

‘Afgesproken. En schuif nu maar op,’ zeg ik, en zo slapen we die nacht met z’n vieren in mijn kleine bed, terwijl de luiken klapperen in de wind van zee.

 

Twee dagen later gaan we op weg naar het stadje, nadat we de tafels hebben afgeruimd en de keuken schoongemaakt. Gelukkig is het een lange zomeravond en nog licht, zodat we niet hoeven te vrezen voor rovers in het bos waar we doorheen moeten. Als we met onze kinderen in hun rugkorven halverwege zijn verschijnt er een groepje boeren met strohoeden, die terugkomen van het veld en sikkels en bundels rijst bij zich hebben. Minako stapt haastig van het pad af en blijft tussen de bomen staan, met haar blik op de grond gericht, tot ze voorbij zijn. De boeren lopen pratend en lachend langs ons heen en doen alsof we niet bestaan.

‘Wat heeft dit te betekenen?’

‘Als wij andere Japanners zien, moeten we aan de kant, want ze mogen ons niet aanraken. Als dat wel gebeurt, moeten ze ritueel gereinigd worden door een Shinto-priester. En we mogen ze niet aankijken tenzij ze ons een rechtstreekse vraag stellen.’

‘Wij?’

‘Wij, de Eta. De onaanraakbaren. Eta betekent smerig in het Japans. Wij zijn onrein. De andere kasten in Japan doen het liefst alsof we niet bestaan, hoewel ze ons nodig hebben, want wij knappen de smerige werkjes op die niemand anders wil doen. Daarom werk ik graag voor de Hollanders, die weten niet wat een Eta is en behandelen me tenminste als een mens, ook al zijn de uren vaak lang en krijg ik weinig betaald. Jullie blanken worden trouwens ook als onrein beschouwd, maar dat wist je misschien al.’

‘Ik weet dat de Japanners ons vinden stinken, en ik weet ook dat ze ons minachten, maar ze hebben ons nodig voor de handel.’

‘Net zoals ze ons nodig hebben om hun straten te vegen, hun strontputten leeg te scheppen en meer van dat soort karweitjes te klaren die voor anderen taboe zijn.’

Terwijl we verder lopen, denk ik aan Cornelis en zijn vrouw. Surishia’s liefde voor haar man is blijkbaar zo sterk dat ze over al die vooroordelen heen is gestapt, en dat bewonder ik.

‘Wat doet jouw familie dan?’

‘Mijn man verzamelt zeewier, dat wist je al. En mijn zwager en mijn vader… Dat zul je zo wel zien. Of ruiken, moet ik misschien zeggen.’

Inmiddels zijn we het bos uit en naderen we het stadje, dat gedomineerd wordt door het kasteel van de daimio. Het is opgetrokken uit blokken grijze steen en op de hoogste torens wapperen banieren.

We moeten steeds vaker van het pad af stappen om plaats te maken voor Japanners van hogere kasten, en ik begin een beetje te begrijpen hoe het moet voelen om een onaanraakbare te zijn.

Rond Hirado ligt een verdedigingsgracht met een brug die naar de stadspoort leidt. Ook de poortwachters doen alsof ze ons niet zien, we lopen ze voorbij alsof we niet bestaan. Ik zie hoe Minako haar best doet om ze niet per ongeluk aan te raken en volg onwillekeurig haar voorbeeld.

De smalle, kronkelende straten van Hirado zijn druk en rumoerig. De houten huizen zijn dicht op elkaar gebouwd en hellen van ouderdom naar elkaar toe. Het is vandaag marktdag geweest, heeft Minako me verteld, en het is nog druk met dorpelingen van het omringende platteland. Huisvrouwen, handelslui en boertjes verdringen elkaar, kinderen schreeuwen, straatverkopers prijzen hun handel luidkeels aan, sjouwers met ruglasten aan leren riemen rond hun voorhoofd werken zich moeizaam door de menigte, mompelende bedelaars houden hun hand op en overal om ons heen klinkt het geklepper van houten Japanse klompen op de keien. Het is hier ondoenlijk om niemand aan te raken of te worden aangeraakt, maar in dit gedrang weet waarschijnlijk geen mens dat Minako een Eta is. Hoewel ik minstens een kop boven de Japanners om me heen uitsteek kijkt niemand me aan; het lijkt wel of ik ook niet besta.

Af en toe wijkt de menigte uit voor een samoerai die met een arrogante blik aan komt rijden, omgeven door zijn gevolg, of voor een draagstoel waar een rijke Japanse dame in moet zitten.

Al snel slaan we een smalle straat in die langs een modderige gracht loopt. Hier zijn veel minder mensen.

‘Daar is ons buurtje,’ zegt Minako en ze wijst naar een kleine stenen poort. ‘Er wonen alleen Eta. Daar mag iedereen elkaar aanraken,’ voegt ze er lachend aan toe.

Als we het poortje door zijn, worden we voor het eerst sinds ons vertrek gegroet. Gezien, moet ik bijna zeggen. Naarmate we verder in de Eta-wijk doordringen begint het steeds smeriger te ruiken, een mengeling van afval, rioollucht en een andere, nog sterkere stank die ik niet kan thuisbrengen, tot we stilhouden voor een bouwvallig houten huis met gebarsten planken die grijs zijn van de ouderdom.

‘Hier is het,’ zegt Minako. ‘Ons familiehuis. Kom maar mee naar binnen, je wordt verwacht.’

We lopen door een donker gangetje en komen uit op een kleine binnenplaats van aangestampte aarde. De stank is overweldigend en ik moet mijn neus dichtknijpen om niet over te geven. Op houten staketsels hangen tientallen vers gestroopte huiden te drogen die bedekt zijn met zoemende vliegen.

‘Leer bewerken. Dat is een van de weinige beroepen die ze ons toestaan. Zoals je weet vinden Japanners dierenvlees onrein, maar leer heeft iedereen nodig, voor schoenen, zadels, tassen en ga zo maar door, dus valt ons de taak toe om dieren te slachten, te stropen, de huiden af te schrapen en ze dan te looien.’

Ik haal diep adem, mijn ogen tranen, ik wankel en een moment lang denk ik dat de stank me te machtig zal worden.

‘Ik wist niet dat je het zo erg zou vinden,’ zegt Minako verontschuldigend terwijl ze mijn elleboog pakt. ‘Ik ben ermee opgegroeid, mijn vader en mijn zwager zijn looiers, net als veel andere bewoners van onze wijk. Trouwens, de stank van drogend zeewier is net zo erg, maar wier drogen doet mijn man op het dak.’

Uit een lage deuropening komt een klein, krom vrouwtje met een grijze knot tevoorschijn dat nauwelijks tot mijn middel reikt. Ze pakt met een snelle beweging mijn handen, laat zich op haar knieën zakken en begint mijn vingers te kussen. Achter haar in de deuropening staat een man van een jaar of dertig met dik zwart haar.

‘Mijn moeder. En mijn man.’

Ik probeer mijn handen terug te trekken, maar het oude vrouwtje omklemt ze stevig met haar knokige klauwtjes en wil me niet loslaten.

‘Laat haar maar even. Er is hier nog nooit een blanke geweest. Nog nooit iemand die geen Eta is. Je bewijst ons huis vandaag een grote eer.’

Minako’s man tilt Arend van mijn rug, en als zijn schoonmoeder me eindelijk heeft losgelaten maakt hij een diepe buiging voor me.

‘Daiki,’ zegt hij terwijl hij op zichzelf wijst. ‘Daiki.’

Binnen is de stank van de huiden wat minder. De woonkamer heeft meer weg van een hol dan van een kamer. Ook hier is de vloer van aarde, en de planken zijn zwart uitgeslagen van de rook en het vet. In een hoek walmt een vuur. Hier moeten generaties Eta’s hebben geleefd.

Er is voor mij een ereplaats ingericht in een hoek van het vertrek, met twee niet al te schone kussens op een nieuwe stromat, waar ik met Arend ga zitten. Terwijl het donker wordt komt de rest van de familie thuis; Minako’s vader, haar broer en zijn vrouw, die drie kinderen bij zich hebben.

De kleren van de hele familie zijn versleten, hun klompen zijn kapot, en ook de huisraad spreekt van armoede en ellende. De stank en het vuil schijnen Arend niet te deren; hij kruipt kraaiend van plezier over de vloer met Minako’s dochtertje.

Als het helemaal donker is, verschijnt de moeder van Minako met een houten schaal dampende rijst waar hier en daar een stukje vis in zit en een tweede schaal met rolletjes zeewier. Ik ben de eregast en mag als eerste toetasten, maar ik durf niet te veel te eten. Het is me niet ontgaan dat niet alleen Minako, maar ook haar familieleden broodmager zijn.

Na het armoedige eten druppelen er andere mensen binnen. Soms zijn ze alleen, soms met z’n tweeën. Ik word aan iedereen voorgesteld. Het zijn allemaal Eta’s uit de wijk en eerst denk ik dat het nieuwsgierige familieleden zijn die de blanke vreemdeling komen bekijken, maar als het aantal bezoekers is aangegroeid tot wel twintig en de kamer zo vol is dat een aantal van hen op het binnenplaatsje hurkt, begrijp ik dat dat niet zo kan zijn. Het lijkt alsof ze ergens op wachten.

‘Wat komen al die mensen hier toch doen? Komen ze voor mij?’

Minako vertaalt de vraag voor haar vader, die een ernstig gezicht trekt.

‘Ze komen een beetje voor u, maar vooral voor de Heer,’ zegt de oude man.

Ik schrik. ‘De Heer?’

‘Voor God. Wij zijn christenen, mevrouw, want God heeft ons bevrijd. Onze voorouders dachten werkelijk dat ze een minderwaardige mensensoort waren, omdat iedereen ze dat vertelde: smerig, onaanraakbaar, niets waard. Maar toen kwam er hier een Portugese missionaris, die ons vertelde dat alle mensen gelijk zijn in de ogen van de God van de christenen. Dat God ook van ons houdt en dat onze ziel even belangrijk is voor Jezus als die van een samoerai of iemand van een andere hoge kaste. Ook een Eta kan in het paradijs komen, zei hij. Hij heeft ons geleerd om te bidden en onze eigen diensten te houden. Op een dag zullen de Eta’s van Japan opstaan en in naam van Christus hun rechten opeisen!’

De man zegt het met een strijdlustige blik en ik zie verschillende andere mensen in de schemerige kamer driftig knikken.

‘Inmiddels is pater Flores gestorven,’ vervolgt Minako’s vader, ‘en hebben we in geen jaren meer een Portugees gezien. Maar ons geloof is niet dood. En nu heeft God u gezonden. U bent toch opgegroeid met het ware geloof? Gaat u in uw eigen land niet elke dag naar de kerk? Daar hangen toch overal kruizen en beelden van Maria en Jezus?’

Ik weet niet wat ik moet zeggen; ik denk aan het verbeten gezicht van Surishia’s broer en knik maar zo’n beetje. Arend is bij me op schoot gekropen, alsof hij mijn verwarring en angst voelt.

‘Daarom willen wij u vragen vandaag een dienst met ons te houden. U bent de enige hier die al die glorie in de kerken van het ware geloof met eigen ogen heeft gezien. Wij willen graag dat u ons voorgaat in het gebed.’

De oude man staat op, pakt een stuk houtskool, tekent een kruis op de muur en knielt. Terwijl de anderen nu ook binnenkomen en iedereen knielt, neem ik Arend in mijn armen en loop het plaatsje op. Ik wil hier weg. Maar als ik eenmaal buiten sta, realiseer ik me dat de lange zomeravond voorbij is. De nacht is inmiddels gevallen en waarschijnlijk zou ik in het bos worden overvallen als ik nu nog terug zou gaan naar de Hollandse factorij. Misschien is de stadspoort zelfs al gesloten.

Minako is achter me aan gekomen en legt een hand op mijn arm. ‘Blijf toch.’ Ik hoor de verborgen christenen achter me fluisteren. ‘Geloof je dan niet in Jezus? Bid alsjeblieft met ons mee.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Daar staat de doodstraf op in Japan,’ zeg ik uiteindelijk.

‘Maar niemand hier zal je verraden. Wie jou verraadt, verraadt ook zichzelf.’

Ik besef dat ik niet veel keus heb. ‘Goed dan. Ik bid met jullie mee, maar ik ga niet voor. Ik ben geen dominee, dat is aan mannen voorbehouden. Ook onder ons christenen is niet iedereen gelijk. Zeg dat maar tegen je vader.’

 

De volgende middag word ik gewekt door gebons op mijn kamerdeur. Ik ben na het afruimen van het middageten even gaan liggen met Arend, want ik heb slecht geslapen op de dunne stromat in het huis van Minako en was al voor dageraad op om met haar terug te lopen naar de factorij.

Slaperig kom ik uit bed en doe open.

Het is Akira, de broer van Surishia, die zonder iets te vragen naar binnen marcheert en midden in de kamer met een dreigend gezicht blijft staan.

‘Weet u dat ik samoerai ben?’ snauwt hij op een toon die ik nog niet eerder van hem heb gehoord en die me angst aanjaagt. Hij heeft iemand bij zich om te vertalen, een kleine, benauwd kijkende Japanner die ik wel ken uit het magazijn van de factorij.

‘Natuurlijk, heer…’ In mijn verwarring ben ik zijn achternaam even vergeten.

Hij zet een stap naar me toe en brengt zijn gezicht zo dicht bij het mijne dat ik zijn zure adem kan ruiken.

‘Samoerai worden niet alleen jarenlang getraind om meester in de vechtkunst te worden, maar ook om ieder detail op te merken. Het oog van een samoerai is scherper dan dat van een gewoon mens, zo scherp als dat van een valk.’

Zijn blik daalt even af naar mijn borst, en dat is het moment dat ik weet waar hij voor komt. Mijn hart begint als een razende te kloppen en ik voel hoe het bloed me naar het gezicht stijgt.

‘Ik heb uw medaillon gezien bij het diner, toen uw kimono openviel. Een kort moment, maar het was genoeg. Het licht viel erop. Dacht u dat wij alleen maar weten van jullie kruizen en heilige boeken, van jullie Jezus? U draagt een christelijk symbool op uw hart dat minstens even machtig is, een afbeelding van de moedergodin van de blanken. U weet welke straf daarop staat?’

Ik zeg niets en kan alleen maar aan Arend denken. Wat moet er van hem worden als ik word onthoofd? Zal hij ook worden gedood?

‘Maar u heeft nog een kans. Christenen zijn nooit alleen, het is net als met ongedierte, ze vermenigvuldigen zich en hun nesten worden steeds groter. Dus heb ik u laten volgen om erachter te komen waar dat nest is, en sinds gisteravond weten we dat. U bent aanwezig geweest bij een gebedsdienst van verborgen christenen.’

‘Een kans?’ Ik kijk op en zie dat het gezicht van de samoerai vertrokken is van triomf en boosaardigheid.

‘Ik wil precies weten wie er allemaal bij die gebedsdienst aanwezig waren, en als ze dan zijn gearresteerd, zet ik ze op een rij tussen een stel andere stedelingen en gaat u ze aanwijzen. Pas dan mag ik ze terechtstellen, want zonder bewijs geen recht, zegt de code van de samoerai.’

‘En ik?’

‘Als u dat doet, spaar ik uw leven en zet ik u op het eerste schip naar Batavia.’

Ik buig mijn hoofd en staar naar de grond. Twintig mensen overleveren aan de religieuze politie? Aan de dood?

‘U zegt niets?’

Kobayashi buigt zich voorover, rukt mijn medaillon los, snauwt iets tegen de tolk en een moment later word ik vastgegrepen door ruwe handen. Twee soldaten duwen me de trap af, terwijl Arend het achter me op een krijsen zet. Ze sleuren me de binnenplaats van de factorij over en de poort door. Ik zie hoe een paar Hollanders me verbaasd nakijken. Terwijl ik in een gesloten draagstoel word geduwd is Arend de enige aan wie ik kan denken. Wie zal er voor hem zorgen? Minako is natuurlijk ook opgepakt.

Een halfuur later zit ik in een ondergrondse cel waar geen straaltje licht doordringt. Het enige wat ik heb gezien is de binnenplaats van het grote huis waar ik heen ben gebracht.

‘U heeft tot zonsondergang,’ zegt Kobayashi. Dan wordt de deur dichtgesmeten en knarst de sleutel in het slot.

 

Alles is donker. Ik weet niet hoelang ik hier al ben. Ik heb de wanden van mijn cel afgetast: niets dan ruwe steen, net als de vloer. Geen mat, geen kussen. De tijd gaat voorbij, snel of langzaam, ik weet het niet. Af en toe klinkt er een vaag, gedempt geluid dat afkomstig moet zijn uit het huis boven mij. De stenen muren om me heen wasemen vochtige kou en een lichte schimmelgeur uit.

Ik zit tegen de muur met mijn armen om mijn knieën geslagen. Heb ik het recht om twintig mensen tot de dood te veroordelen? Is het niet beter om zelf te sterven? Ik probeer te bidden, maar de woorden die ik prevel, de paar gebeden die ik me herinner uit mijn jeugd, klinken hol en betekenisloos. Als ik niets zeg en sterf, wat moet er dan van Arend worden? Van Nijenrode zal hem niet overleveren aan de samoerai, een onschuldig kind. Hij zal hem in huis nemen of naar Batavia sturen, net als met Sara Specx is gebeurd. Maar kan ik daar zeker van zijn? Misschien eisen de barbaarse wetten van dit land wel dat de kinderen van een verborgen christen ook gedood moeten worden.

Ik sta op, doe een paar passen, ga weer zitten. Uiteindelijk ga ik op de koude grond liggen en raak in een onrustige droomtoestand waarin er allerlei beelden aan me voorbijtrekken: de gezichten van Maeyken en mijn moeder, het schip dat me naar Batavia heeft gebracht, mijn slaapkamer in het huis van Van Ruyschbrouck, een grijnzende Berte, de vulkaan op Banda. Dan duisternis, en een slaap waaruit ik plotseling wakker schrik met de zekerheid dat Arend het niet zal overleven als ik sterf.

Is zijn leven meer waard dan dat van twintig anderen? Mijn hart zegt onmiddellijk ja.

Hoe vaak heb ik me nu al beklaagd over een wereld waarin geen mens te vertrouwen is? Ik ben er altijd van uitgegaan dat ik zelf anders ben, dat ik zoiets nooit zou doen. Blijkbaar ben ik geen haar beter dan al die mannen en vrouwen die mij op de een of andere manier hebben bedrogen als de prijs hoog genoeg was. Ik dacht dat ik boven hen stond, maar nu weet ik dat ook ik mijn prijs heb, en die heet Arend.

Ik sta op. Als ik nu op de celdeur begin te bonzen, sta ik over een paar uur tegenover een rij Japanners waarvan ik er met mijn wijzende vinger twintig ter dood zal veroordelen.

Ik zie het voor me en ga weer zitten.

Er naderen voetstappen, de sleutel wordt omgedraaid en Kobayashi staat voor me met zijn vertaler.

‘De zon is bijna onder,’ zegt hij met een kille blik.

‘Nu al? Ik heb… ik heb meer tijd nodig,’ stamel ik. ‘Waar is mijn kind? Ik zeg niets voor ik mijn kind heb gezien.’

‘Uw kind doet niet ter zake. Ik heb u…’

Kobayashi wordt onderbroken door uitroepen die van ergens boven ons komen, en dan hoor ik iemand de trap naar mijn cel af rennen. Een moment later staat Cornelis van Nijenrode in de deuropening.

‘Kobayashi Akira!’ zegt hij hijgend en hij maakt een buiging. ‘Eindelijk heb ik u gevonden. Wat is hier aan de hand?’

‘Deze vrouw staat onder arrest van de religieuze politie wegens de smokkel van verboden voorwerpen en het bijwonen van een dienst van verborgen christenen.’

‘Wacht u toch een moment, alstublieft,’ zegt Van Nijenrode en hij heft een bezwerende hand. ‘Ik heb iets heel belangrijks met u te bespreken. Iets waar u bijzonder geïnteresseerd in zult zijn. U weet dat De Peerl inmiddels bijna afgeladen is met zilver en koper voor Batavia?’

‘U wilt zaken bespreken terwijl ik hier een verraadster ondervraag in mijn functie als hoofd van de godsdienstpolitie van de keizer?’

‘Uiterst belangrijke zaken, die niet kunnen wachten.’

Akira twijfelt een moment en zegt dan iets tegen de tolk, die op een draf verdwijnt en even later terugkomt met een mat, waarop de twee mannen gaan zitten. Ik zit als een bang dier op de koude stenen in de hoek van de cel te rillen en lijk vergeten te zijn.

‘Zoals ik zei,’ begint Van Nijenrode beleefd, ‘is De Peerl bijna geladen, maar er ontbreekt nog twintig kan zilver. Als die er zijn is zij klaar om te vertrekken naar Batavia.’

‘En?’

‘Die twintig kan zijn mij gisteren door de oude Mitayaki aangeboden voor zestig ryo.’

‘Schandalig! Dat is tweemaal te duur!’

‘Inderdaad. Maar ik moet ook aan andere dingen denken. De bemanning van De Peerl eet me hier de oren van het hoofd en Batavia zit dringend op de lading van hun schip te wachten. Het is van Hirado nog acht weken varen naar Java, zoals u weet, en mijn superieuren zullen niet blij zijn als De Peerl te laat op de rede verschijnt.’

‘Schandalig!’ herhaalt Akira. ‘Die Mitayaki is een oplichter. Hij heeft geen eergevoel!’

‘Ik handel ook liever niet met hem. Nee, ik geef de voorkeur aan een partner met wie wij vanaf het begin tot wederzijdse tevredenheid zaken hebben gedaan, het edele huis Kobayashi.’

Akira kijkt hem verbaasd aan.

‘Er is mij verteld dat ook het huis Kobayashi nog enkele tientallen kan zilver in voorraad houdt, in de hoop op verdere prijsstijgingen. Niet ongebruikelijk in tijden van schaarste.’

‘Maar zestig ryo,’ zei Akira, wiens gezicht plotseling niet meer zo bars staat. ‘Tweemaal de marktprijs. Dat is gewoonweg onbeschaamd.’

‘Ik heb weinig keus, maar als het dan toch moet, betaal ik dat bedrag liever aan het nobele huis Kobayashi. Niemand hoeft het te weten, dat kunnen wij hier en nu afspreken. Het woord van een samoerai is natuurlijk boven iedere twijfel verheven, maar ook een opperkoopman van de VOC heeft zijn eer.’

De samoerai denkt een moment na.

‘Als het huis Kobayashi u en de Hollanders in deze zaak kan helpen, dan ben ik daartoe bereid,’ zegt hij dan. ‘Wij kunnen morgen leveren.’

‘Dus dan kan De Peerl overmorgen uitvaren?’ Van Nijenrode werpt een korte blik op mij. ‘Met de volledige bemanning waarmee ze hier is aangekomen, uiteraard. Inclusief vrouwen en kinderen.’

‘Uiteraard.’

De samoerai staat op, buigt kort voor de opperkoopman en schrijdt dan zonder mij een blik waardig te keuren de cel uit.

‘Je ziet het,’ zegt Van Nijenrode met een glimlach als zijn voetstappen en die van de tolk zijn weggestorven. ‘Iedereen is te overreden, als je zijn zwakke plek maar kent. Het is bekend dat het huis Kobayashi in financiële moeilijkheden verkeert; ook bij een samoerai gaat geld soms boven eer. Ieder mens heeft zijn prijs.’