14

 

 

 

 

‘Wanneer is je kind nu precies verwekt? In de nacht van je huwelijk, zei je toch?’

Jannigje van Scheltema kijkt me onderzoekend aan.

Ik heb mijn beide armen op mijn onmogelijk dikke buik gelegd en kijk zwetend door het raam van mijn salon uit over de Oudekerkgracht, waar de warme regen in vlagen overheen trekt en de takken van de bomen wild heen en weer zwiepen in de moessonwinden. Grijze wolken jagen langs de hemel van Batavia, dat inmiddels weer geregeerd wordt door Jan Pieterszoon Coen.

De man heeft de zaken voortvarend ter hand genomen. Er wordt koortsachtig gewerkt aan nieuwe versterkingen rond de stad, de soldaten zijn voortdurend met oefeningen bezig en schepen varen af en aan. Al met al heerst er een heel andere sfeer dan onder zijn voorganger. Coen weet de mensen te inspireren, dat moet ik zeggen, hoewel ik hem als persoon niet mag.

De moesson is heviger dan vorig jaar. De paden zijn in modder veranderd en de bestrating langs de grachten is op sommige plekken weggespoeld. De Tjiliwoeng kolkt woest schuimend naar de zee en overal liggen afgerukte takken.

Ook de muggen zijn terug. Het zijn er veel meer dan vorig seizoen en ze wagen zich zelfs overdag uit de schaduwen als ze mensenbloed ruiken. Dokter Bontius zegt, net als de vroedvrouw, dat ik voor hun steken op moet passen. Van Ruyschbrouck heeft nieuwe muskietennetten laten maken en een jongen ingehuurd wiens enige taak het is om de hele dag achter me aan te lopen en me koelte toe te wuiven met een halfronde rieten waaier op een lange stok. Ook nu staat hij achter mijn stoel; gelukkig verstaat hij geen Hollands.

Eindelijk heb ik een jonge vriendin! Jannigje is pas een maand geleden aangekomen met haar man Sicco, een veelbelovende Compagniedienaar die meteen al een belangrijke positie heeft gekregen. Hij schijnt een beschermeling van Coen te zijn.

Jannigje en ik zijn erachter gekomen dat we op dezelfde dag geboren zijn en ook op allerlei andere gebieden lijken we ondanks het enorme verschil in opvoeding en achtergrond zozeer op elkaar, dat we in korte tijd elkaars vertrouwelingen zijn geworden in het wereldje van de blanke Bataviase elite.

‘Misschien is het wel een tweeling,’ zeg ik.

‘Dat vroeg ik niet, liefje.’ Jannigje komt naast me zitten en strijkt even over mijn haar.

‘Het was die eerste nacht, dat moet haast wel. Hij was behoorlijk dronken, maar hij wist van geen ophouden.’

We kijken elkaar even aan en barsten dan in lachen uit. Sicco schijnt ook al van geen ophouden te weten, als ik haar moet geloven. En met resultaat: Jannigje heeft inmiddels twee kinderen, van drie en vier jaar oud, die al even blond zijn als zijzelf.

Van Reinaart heb ik de laatste tijd gelukkig weinig last meer; hij is waarschijnlijk bang dat hij de zoon die zo voorspoedig in mij groeit schade zal toebrengen met zijn gebonk en gestoot. Zijn zoon, want hij is ervan overtuigd dat ik hem een mannelijke nakomeling ga geven. De stamhouder van de Van Ruyschbroucks, hoor ik hem soms trots zeggen tegen een van de heren die we ontmoeten op de vele ontvangsten en etentjes die ik samen met hem moet bezoeken.

‘Laten we dan nog eens rekenen. Je bent half mei getrouwd, en nu is het half december. Dat zijn dus, eens even kijken, dat zijn…’ Jannigje sluit haar ogen een moment en strijkt peinzend langs haar neus. Even zie ik het kleine meisje voor me dat door een privégouvernante onderwezen werd in rekenen, taal en meer van de vakken die een meisje van stand behoort te beheersen op het voorvaderlijke landgoed in Friesland, waar Jannigje is opgegroeid. Ze heeft me veel verteld over haar jeugd sinds we vriendinnen zijn geworden.

‘Dat zijn negenentwintig weken! Als je exact op tijd zou zijn, zou de kleine dus begin februari worden geboren. Of eind januari, als je een beetje te vroeg bent. Eerder lijkt me uitgesloten. Of misschien ben je laat en wordt het half februari. Wat maakt het eigenlijk uit? Als je kindje maar gezond is. Ik begrijp niet waar je je zorgen over maakt.’

Hoezeer ik je inmiddels ook vertrouw, dat kan ik je niet vertellen, denk ik, terwijl ik naar haar lieve gezicht kijk. Ik zal geluk moeten hebben. Of moeten weglopen met Arnout.

Hij is kort na mijn trouwen teruggekeerd uit Malakka en ik heb hem een paar maal uit de verte gezien. Op de grote diners die af en toe op het kasteel worden gegeven bleef ik angstvallig dicht in de buurt van mijn man als Arnout ook aanwezig was, en ik probeerde niet naar hem te kijken. Passeerde hij op straat met een patrouille, dan keek ik naar de grond en liep haastig door. Natuurlijk zag hij dat ik zwanger was.

Ik heb hem nog éénmaal gesproken.

De spionne die me normaal begeleidde had die dag de koorts, en ik was brutaalweg met een ander meisje op mijn dagelijkse wandeling gegaan. Dat was mijn geluk, want het kind verstaat geen Hollands.

Bij de Tjiliwoeng reed Arnout plotseling langs, aan het hoofd van een patrouille. Hij hield in en steeg af, terwijl hij zijn manschappen opdroeg om op hem te wachten bij het bastion dat verderop in aanbouw was. Ik zag dat mijn bediende geen idee had wie hij was. Hij hurkte, tilde het voorbeen van zijn paard op en bekeek de hoef aandachtig, alsof daar iets mis mee was. Ik wist dat ik door moest lopen, maar een kracht die sterker was dan ik hield me tegen.

‘Ik mis je,’ siste hij, terwijl hij zijn mes trok en aan de hoef begon te krabben.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik had hem immers verraden.

‘Hou je van me?’

Ik zweeg.

‘Is het ons kind?’ Zijn ogen bleven gericht op zijn handen en de hoef die hij uitkrabde.

‘Natuurlijk.’ Het was een antwoord op beide vragen.

‘Over een week moet ik weer naar Formosa. Minstens voor een halfjaar. Ga met me mee. Loop met me weg. Er varen elke dag jonken van Formosa naar het vasteland. China is groot. Zo ver reikt de arm van de Compagnie niet.’

Hij wist natuurlijk dat zijn voorstel waanzin was.

‘Nee,’ fluisterde ik terug. ‘Ik kan…’

Op dat moment hield een van de soldaten vlak naast ons halt met zijn paard. Hij was teruggekeerd om te zien of hij zijn commandant kon helpen,

‘Zit het hoefijzer los?’

‘Het is alweer goed,’ zei Arnout, en hij besteeg zijn paard en reed weg zonder nog een blik op me te werpen. Onze ogen hadden elkaar geen moment ontmoet.

De rest van de weg was ik zo verward dat ik nauwelijks wist waar ik was en liep ik zonder iets te zien achter het meisje aan. Toen we eindelijk weer thuis waren, gaf ik haar een zilveren carolusgulden.

 

Jannigje van Scheltema heeft een rond gezicht met een klein neusje, blauwe poppenogen en wimpers die zo blond zijn dat je pas van dichtbij kunt zien hoe lang ze zijn. Ze draagt haar fijne, bijna witte haar altijd in een lange vlecht die ze om haar hoofd windt.

‘Als ik de geboorte nog maar meemaak,’ zegt ze. ‘Ik zou zo graag bij je zijn als het zover is. Maar gisteren vertelde Sicco me dat hij waarschijnlijk rond nieuwjaar wordt overgeplaatst. Heb je al gehoord dat Pieter Vlack, de gouverneur van Banda, is ontvoerd door de eilanders daar? En nu wil Coen mijn man erheen sturen om orde op zaken te stellen. Dus hij wordt daar gouverneur! En ik word gouverneursvrouw! Stel je voor. Maar het schijnt daar wel eenzaam te zijn. Als er tien Hollanders zijn is het veel. En gevaarlijk. De Bandanezen zijn kannibalen. Wist je dat? En gifmengers. We moeten binnenkort al vertrekken, maar ik hoop dat ik Kerstmis nog in Batavia kan vieren. Ik zal je missen, hoor!’

 

Dikke regendruppels glijden over de ramen. Kerstmis is niet ver meer en ik blijf binnen, ik ben de laatste tijd zo moe dat ik niet lang op mijn benen kan staan. Het huis wil ik niet meer uit, zelfs niet om naar de kerk te gaan.

Gisteren was er een speciale dienst; er waren in de Heerenstraat acht van de onzen vermoord door Javanen die onder dekking van de nacht de stad binnen waren geslopen. Dominee Heurnius, de man die Coen heeft meegenomen om Paulussen te vervangen, ging de gemeente voor in een gebed voor hun zielenheil. De gezichten in de kerk stonden angstig, zei Reinaart toen hij thuiskwam. In de baaien ten westen van de stad, waar ik ooit met hem heen voer op die zonnige dag toen alles nog anders was, schijnen tweehonderd oorlogsprauwen van de sultan van Bantam te liggen. In de velden rond Batavia zwerven krijgers die alle boeren doden om onze landerijen te ontvolken, en ’s nachts in groepjes de wallen over komen om te moorden en te roven. Volgens Reinaart laat Coen nu extra wachtlopen en heeft hij een aantal burgers onder de wapenen geroepen. Ook de Chinezen, die ons altijd trouw zijn geweest en even bang zijn voor de Javanen als wijzelf, worden bewapend om de stad te verdedigen.

‘Volgens Coen is er niets aan de hand,’ zei Reinaart. ‘Hij beweert dat de Bantammers lafaards zijn, die massaal op de vlucht zullen slaan als we onze kanonnen laten spreken. Maar zover is het nog niet.’

Hij ziet Coen vrijwel elke dag; de twee mannen hebben hun oude vriendschap weer opgepakt. Niet verwonderlijk, ze hebben veel gemeen. Ze zijn allebei halverwege de veertig, hebben hun leven gewijd aan de Compagnie, zijn streng calvinistisch en getrouwd met een veel jongere vrouw.

Als Coen komt eten, wat regelmatig voorkomt, excuseer ik me meestal al snel na de maaltijd, want de twee mannen lijken over niets anders te kunnen praten dan over de Compagnie en over Indië, dat land dat hen heeft betoverd en waar ze nooit meer weg willen. Als Coen zijn vrouw meebrengt, kom ik helemaal niet beneden. Ik heb meer dan genoeg van de minachtende blikken en bitse opmerkingen van dat arrogante wicht, en dankzij mijn gezegende staat kan Reinaart er niets van zeggen als ik verstek laat gaan. Haar moeder is al even hooghartig; alleen Gerrit, die inmiddels de nieuwe boekhouder van mijn man is, mag ik wel, met zijn warrige haar, zijn luide lach en zijn jongensachtige manieren.

Terwijl ik met mijn ogen een kraai volg die behendig op de harde wind door de lucht zeilt, wordt er plotseling op mijn deur geklopt en staat Perdana, het eerste dienstmeisje, voor mijn neus voor ik ‘binnen’ heb kunnen zeggen. Ze is tegenwoordig altijd bij me, want Reinaarts spionne is vorige maand aan een koortsaanval overleden. Gelukkig is ze een heel ander soort vrouw; mijn gevoel zegt me dat ze aan mijn kant staat en net zo’n hekel heeft aan Reinaart als ik heb gekregen.

Perdana’s gezicht staat ontsteld en ze hijgt. ‘Mevrouw Eva beneden, nu komen,’ zegt ze in het gebroken Hollands van de mestiezen. ‘Haast haast.’

Ik kom met moeite overeind en laat me door Perdana de trap af helpen. Eva Ment staat met een doorweekte jas op me te wachten in de hal.

‘Godzijdank dat u er bent,’ begint ze met paniekerige stem, en ze strijkt een natte lok uit haar zorgelijke gezicht. Ik zie dat haar handen beven. ‘Uw man stuurt ons. In het gouverneurshuis is niet voldoende ruimte. Wij hebben uw hulp nodig.’

Nu gaat de deur open en komen er vier sterke slaven binnen met een draagstoel, die ze voorzichtig op de plavuizen zetten.

‘Maar wat is er…’

‘Het is de koorts, mevrouw. De koorts.’ Eva bukt zich en doet het deurtje open.

‘Haal hem eruit. Maar voorzichtig!’ zegt ze tegen de slaven. Het bleke gezicht van Gerrit is bedekt met zweet en hij draagt een nachthemd. Als hij me ziet doet hij zijn mond open, maar er komt geen woord uit. Dan sluit hij zijn ogen en laat zich optillen door twee van de mannen. Zijn hoofd valt slap achterover, als dat van een lappenpop.

‘Naar boven,’ zeg ik. ‘De slaapkamer aan de achterkant.’

Het is de kamer van Reinaarts overleden dochter, die er nog precies zo uitziet als op de dag dat zij daar stierf en die sinds die tijd leegstaat.

‘Niemand heeft me gewaarschuwd,’ begint Eva. We lopen achter de slaven aan de trap op. ‘Af en toe zei iemand in Holland of aan boord dat er in Indië soms mensen aan de koorts bezwijken, maar dit… dit is iets heel anders. Coen is ziek, mijn moeder is ziek, mijn dochtertje Geertruyt is ziek en mijn broer ook, zoals u ziet. Heel Batavia lijkt wel ziek te zijn. En nu vertelt men mij zomaar dat dit heel normaal is als de regens komen en dat er altijd wel een paar honderd mensen doodgaan. Een paar honderd!’

Ze ratelt maar door, terwijl ik mezelf met moeite de trap op hijs en Perdana instructies geef om lakens, handdoeken en warm water te halen en dokter Bontius naar ons huis te laten komen.

‘Is Coen ook ziek?’

‘Hij zegt dat het niets is en werkt gewoon door, hoewel het zweet hem op het gezicht staat. Hij zegt dat hij de koorts al wel tien keer heeft gehad. Dat de eerste keer de ergste is, maar dat je het wel overleeft als je verder gezond bent. Is dat zo, gelooft u dat ook, mevrouw?’

Ze kijkt me bijna smekend aan en legt haar hand op mijn arm. Deze Eva is dus toch een mens van vlees en bloed, gaat het door me heen, een vrouw die werkelijk van haar man houdt, van haar dochtertje en haar familie. En bang is voor de dood.

‘Ik weet het niet,’ zeg ik hijgend. We lopen achter de mannen aan de kamer binnen. ‘Misschien. De inlanders hebben er weinig last van, die zijn het van jongs af aan gewend. Maar wij… Het schijnt iets met de regen te maken te hebben, daar wordt de lucht slecht van, zeggen ze.’

Ik zeg Eva maar niet dat het vooral de nieuwkomers zijn die aan de tropenkoorts doodgaan; bij oudgedienden zoals Coen en Reinaart, en mensen zoals Arnout, die hier geboren zijn, verloopt de koorts vaak niet ernstiger dan een griepje.

Gerrit wordt voorzichtig op bed gelegd. Eva gaat bij hem zitten en dept zijn gezicht met de doek die Perdana haar aangeeft. Ze strijkt hem over zijn wang en fluistert geruststellende woordjes. Dan staat ze op.

‘Ik moet nu gaan. Mijn kindje heeft me nodig. En mijn man, en mijn moeder. Kan ik hem…?’ Ze kijkt me aan en ik zie hoeveel moeite het haar kost om een gunst te vragen aan de vrouw die ze zo veracht.

‘Ik zal mijn uiterste best doen om uw broer zo goed mogelijk te verzorgen,’ zeg ik vriendelijk en ik leg mijn hand op de hare. ‘Hij is hier in goede handen. Ik heb dokter Bontius al laten roepen. Als er nieuws is, hoort u het direct.’

Die avond zit ik lang bij Gerrit. Geen nieuws uit het gouverneurshuis; volgens Reinaart is Eva’s moeder sterk verzwakt, maar heeft haar kind wel een kans om het te halen. ‘Kinderen zijn taai,’ zei hij voor hij naar zijn werkkamer verdween. ‘Maar aan de andere kant kunnen ze ook zomaar knakken.’

Hij keek me een moment aan en ik zag dat hij dacht aan zijn eerste vrouw en zijn dochtertje, die onder ditzelfde dak ooit aan de koorts zijn gestorven. Een moment lang had ik medelijden met hem, maar toen dacht ik aan de manier waarop hij me nu al maanden in dit huis opsluit terwijl hij daarbuiten in de grote wereld zijn eigen gang gaat. Hij beschouwt me als zijn bezit, iets wat hij gekocht heeft en waar hij over kan beschikken zoals hij wil. ‘Een man is het hoofd zijner vrouw, zoals Christus het hoofd van de kerk is,’ citeerde hij laatst nog uit de Bijbel.

Zou hij voelen dat ik hem nauwelijks meer kan verdragen? De geboorte van mijn kind zal een bevrijding zijn. Daarna wordt alles anders.

Gerrit ligt te woelen en te zweten onder zijn muskietennet. Ik dep zijn gloeiende gezicht, probeer wat water tussen zijn lippen te gieten en pak af en toe zijn hand vast. Ook al lijkt hij diep te zijn weggezonken in zijn koortsdromen, toch voelt hij dat ik er ben, daar ben ik van overtuigd. Soms kreunt hij en spert zijn ogen open, alsof hij een schrikbeeld ziet. ‘Gerrit,’ zeg ik dan, ‘Gerrit, ik ben het, Reina,’ maar hij hoort me niet. Hij is in een andere wereld.

Ik ga tegen middernacht naar bed. Vlak voor dageraad word ik gewekt door Perdana, die met een ander meisje de rest van de nacht bij Gerrit heeft gewaakt.

‘Mevrouw komen, nu komen,’ zegt ze angstig.

Ik stommel bij het licht van een kaars achter haar aan door de donkere, hete gang.

Als ik de slaapkamer binnenkom, zie ik dat ik te laat ben. Gerrit ligt op zijn rug en staart met nietsziende ogen naar het plafond. Het licht van de olielamp flakkert over zijn gezicht. Om zijn lippen ligt een flauwe glimlach; zijn laatste momenten moeten vredig zijn geweest.

 

*

 

Ik krijg mijn eerste wee op het moment dat ik hoor hoe Reinaart de benedendeur achter zich dichtslaat om naar de kerk te gaan. Ik heb als jong meisje twee geboortes bij ons thuis in Breda meegemaakt, dus ik weet wat er nu te gebeuren staat. Ik heb het er natuurlijk ook met Jannigje over gehad; haar eerste bevalling was haar zwaarste.

De wee trekt voorbij en ik haal diep adem. Buiten luiden de kerkklokken, Batavia begraaft zijn doden.

Ik lig in de lange rieten stoel die ik in mijn slaapkamer bij het raam heb laten zetten. Beneden kom ik niet meer, ik ben tegenwoordig te moe om de trap nog af te kunnen komen en lig het liefst de hele dag in mijn nachthemd naar de wolken te staren en te dagdromen.

Reinaart steekt zijn hoofd af en toe even om de deur, nadat hij eerst netjes aangeklopt heeft. Binnenkomen doet hij gelukkig niet. Mijn hoogzwangere toestand jaagt hem blijkbaar angst aan, een eigenaardigheid die volgens Jannigje wel vaker voorkomt bij mannen.

Hij vraagt beleefd hoe het gaat. Goed, zeg ik afwezig, ik slaap veel. Hij knikt en vertrekt dan weer naar het kasteel of een van de andere plekken in Batavia waar hij het kapitaal van de Compagnie vertegenwoordigt.

Als mijn tweede wee begint, zwijgen de klokken. Het is drie dagen na Kerstmis en de dienst voor de doden die er deze week te betreuren zijn begint. Ik zie de gebogen hoofden in de kerkbanken voor me, ik zie hoe dominee Heurnius in zijn zwarte toog het spreekgestoelte beklimt om te preken over de wil van God.

Niet alleen Gerrit is gestorven, maar ook zijn moeder en zijn nichtje, de kleine Geertruyt. Alleen Eva en haar zuster zijn nog over. En Coen natuurlijk, de onverwoestbare. Van Ruyschbrouck zegt dat er bovendien nog vier andere pas aangekomenen aan de koorts zijn bezweken. Wie zo vlak voor de moesson landt, nog verzwakt en vermagerd door de lange reis, is er volgens hem extra bevattelijk voor. Laat de verwachting van het koninkrijk der hemelen u tot troost zijn, zal Heurnius zijn gemeente voorhouden.

Een paar weeën later wordt er aangebeld. Ik hoor de stem van Jannigje, die langskomt om te kaarten. Volgens Reinaart is het kaartspel een uitvinding van de duivel, maar daar trekken wij ons niets van aan. Er is natuurlijk een wereld van verschil tussen ons: Jannigje is een dame van stand en ik ben een volksmeid, dat weten we inmiddels al lang van elkaar, maar kaarten doen we allebei met dezelfde op winst beluste verbetenheid.

Als Jannigje mijn slaapkamer binnenkomt kijkt ze naar me, ziet onmiddellijk wat er te gebeuren staat, laat haar tas vallen en grijpt een kruk, die ze bij mijn ligstoel trekt.

‘Ik blijf bij je,’ zegt ze zonder enige aarzeling. ‘We doen het samen. We sturen Perdana om de vroedvrouw te halen. Dokter Bontius hebben we niet nodig als alles goed gaat, en bovendien zou hij het maar aan Coen vertellen. Die het dan weer doorbrieft aan Van Ruyschbrouck.’

‘Wat denk je dat hij zal doen?’ vraag ik angstig.

Ze haalt haar schouders op. ‘Eerst je kind. Daarna zien we wel. Misschien heeft hij niet goed geteld.’

Jannigje weet het inmiddels, van Arnout. Ik kon het gewoon niet langer voor me houden en heb het haar een paar weken geleden verteld. Het was een hele opluchting om tenminste aan één persoon in deze wereld te kunnen vertellen hoe ik werkelijk zwanger ben geraakt.

‘Ken je opperkoopman Cronenburg?’ vroeg ik langs mijn neus weg toen we op een hete middag op de veranda zaten.

‘Natuurlijk,’ zei Jannigje. ‘Die schijnt hier al minstens even lang te zitten als jouw man. Ook zo iemand die nooit meer naar Holland terug wil.’

‘Hij heeft een zoon. Een militair.’

‘Die heb ik nog nooit gezien.’

‘Kan kloppen, hij is al voor jouw komst overgeplaatst naar Formosa. Best een knappe jongen.’

Jannigje keek me onderzoekend aan, alsof ze mijn gevoelens in mijn ogen weerspiegeld zag, en misschien was dat ook wel zo.

‘Is daar iets mee?’

Ik haalde diep adem.

‘Voor ik trouwde ben ik met hem naar het oerwoud geweest. Een dag. En ook een nacht.’

Toen ik eenmaal begon te vertellen, kwam de hele geschiedenis eruit en terwijl ik praatte, merkte ik dat ik veel meer gevoelens voor Arnout heb dan ik aan mezelf wil toegeven. Die moet ik maar weg zien te stoppen, iets anders zit er niet op. Jannigje keek me met stijgende verbazing aan, maar tegelijkertijd speelde er een medeplichtige glimlach om haar lippen.

‘Dus die nacht moet ik zwanger zijn geraakt. En denk erom, geen woord hoor, ook niet tegen je man,’ besloot ik, plotseling geschrokken van mijn eigen openhartigheid.

‘Maak je daar maar geen zorgen over.’ Ze legde haar hand op de mijne. ‘We zijn toch vriendinnen? Dit is ons geheim.’

De rest van de dag brengen we samen door. De vroedvrouw komt, zegt dat ik in bed moet gaan liggen, onderzoekt me en verklaart dat alles in orde is. Ze is een ervaren, oudere mesties met een grijze knot die al veel blanke baby’s heeft verlost in Batavia. Perdana loopt af en aan met water, doeken en schalen en legt de babykleertjes klaar die ik heb gemaakt.

Jannigje zit naast mijn bed. Soms leest ze me iets voor. Of ze houdt mijn hand vast en vertelt me een verhaal uit haar jeugd in Friesland, iets met lange zomerdagen en paarden en een ommuurde tuin met kersenbomen. Ik kan mijn aandacht er nauwelijks bijhouden en soms zwijgen we een tijd, tot we worden opgeschrikt door de volgende wee. Aan de andere kant van het bed zit de vroedvrouw, die de weeën telt en zegt dat alles goed gaat. Tegen het einde van de middag gaat ze even naar een andere patiënt, maar ze is gelukkig al snel weer terug.

Om vijf over zeven ’s avonds wordt mijn zoon Arend geboren. Het is een forse jongen met zwart haar die het direct op een gezond brullen zet. Mijn hart zwelt van liefde en trots.

Een halfuur later komt Van Ruyschbrouck thuis. Hij loopt direct door naar boven, en wanneer we zijn voetstappen op de trap horen, kijken Jannigje en ik elkaar gespannen aan.

De slaapkamer deur bonkt open. Ik zie meteen dat hij al weet wat er is gebeurd, zijn gelaatstrekken zijn vertrokken van een vreemde emotie, een mengeling van pijn en woede die ik nooit eerder heb gezien en die me angst aanjaagt. In zijn hals klopt een ader. Blijkbaar heeft de vroedvrouw haar mond niet kunnen houden en heeft het nieuws hem daarna snel bereikt.

Hij hijgt en zijn ogen boren zich in de mijne. Het kind, dat met zachte zuiggeluidjes aan mijn borst ligt te drinken, lijkt hij niet eens te zien.

‘Reina, Reina. Wat heb je nu toch gedaan?’

Hij doet een paar passen naar me toe en de vroedvrouw, die bij het voeteneinde van het bed staat, wijkt geschrokken terug. Jannigje knijpt zo hard in mijn hand dat het pijn doet.

De woorden blijven me van angst in de keel steken. Maakt het iets uit wat ik zeg?

‘Wat moet ik nu met jou?’ zegt Reinaart.

Ik zie dat hij zich tot het uiterste inspant om zijn zelfbeheersing niet te verliezen. In de stilte die op zijn woorden volgt hoor ik iets druppelen. Het is de doek waarmee de vroedvrouw het bloed van de baby en mijzelf heeft afgeveegd en die ze nu zo krampachtig vastklemt dat de dikke rode druppels een voor een op de planken vloer vallen.

Mijn man en ik staren elkaar zwijgend aan.

‘Wat moet ik nu met jou?’ herhaalt hij ten slotte als de stilte ondraaglijk wordt, en dan maakt hij een geluid dat het midden houdt tussen een snik en een schreeuw, draait zich abrupt om en beent met grote passen de kamer uit.

Zijn voetstappen roffelen de trap af, de benedendeur slaat dicht en er daalt een onwerkelijke stilte neer over het huis.

Arend is aan mijn borst in slaap gevallen en weet van niets.