20

 

 

 

 

 

 

Ze bleken snelle leerlingen die al binnen een week een kaars konden laten ontbranden. Toen ze deze basisvaardigheid beheersten, stelde Branna hen op de proef met de andere elementen.

Het verbaasde haar niet dat Meara meer aanleg had voor water en Boyle voor vuur. Weer die verbondenheid, stelde ze vast. Meara met Connor, Boyle met Iona. Ze besteedden veel tijd aan het oefenen en verkennen van hun vaardigheden en Branna verheugde zich over hun vorderingen. Meara kon felle, kleine wervelstormen oproepen en merkte dat haar affiniteit met paarden nog sterker was geworden. Als ze Boyle maar genoeg aanspoorden, toverde hij vuurballen ter grootte van een golfbal tevoorschijn.

Gefrustreerd liet hij zich in Fins huis in een stoel vallen. ‘Wat heeft het allemaal voor zin? Als hij zich laat zien, moet ik me aan onze afspraak houden en niks laten merken, om ons niet in de kaart te laten kijken. En als ik hem kon laten voelen wat ik nu kan, zou hij me zo wegmaaien, als een tennisspeler die een lob terugslaat.’

‘Als de lob uit een onverwachte hoek komt, is de kans groter dat de speler de bal tegen zijn kop krijgt,’ bracht Connor ertegen in. ‘Meara en jij hebben met het beetje toverkracht dat jullie hebben gekregen in korte tijd flink vooruitgang geboekt.’

‘Het probleem is de tijd, toch?’ merkte Boyle op.

‘Dat is inderdaad een feit.’ Fin staarde nadenkend in zijn bier. ‘We dachten achter de naam van de demon te kunnen komen, omdat Cabhan niet wist dat we daarnaar op zoek waren. Nu vraag ik me af of hij hem misschien vergeten is. De demon maakt al zo lang deel van hem uit.’

‘Dat is een verontrustende gedachte.’ Connor dacht erover na. ‘Als het waar is dat we er zonder de naam van de demon geen einde aan kunnen maken, en als er geen naam meer te vinden is, moeten we misschien Cabhans naam uitspreken als we ze vergiftigen.’

‘Zijn zulke zaken ooit zo eenvoudig?’ vroeg Fin.

‘Het is gebleken van niet. Maar misschien is het nu wel zo. Alleen de naam. De rest is ingewikkeld genoeg.’

‘We hebben nog maar een paar dagen,’ bracht Boyle naar voren. ‘Over een paar weken gaan we trouwen, en Iona kan er niet mee bezig zijn zoals vrouwen dat gewoonlijk doen. Niet zolang dit ertussen zit.’

‘Daar moet je misschien dankbaar voor zijn,’ merkte Connor op. ‘Als ik dat zo hoor van vrienden die het hebben meegemaakt, worden sommige vrouwen stapelgek.’

‘Hij is buiten,’ zei Fin kalm, en Connor schoot overeind.

‘Ik voel hem niet.’

‘Hij houdt zich schuil in de schaduw, maar ik voel zijn aanwezigheid. Hij probeert ons te bespieden en mijn gedachten binnen te dringen. Hij wacht af. Hij tergt en schaduwt ons, maar toch wacht hij af. Hij heeft bewezen dat hij alle tijd heeft, in alle werelden.’

‘Hij is niet uit op een nieuw gevecht.’ Boyle leunde nu naar voren. ‘Niet dat hij het niet tegen ons allemaal zou opnemen, als hij de kans zou krijgen, maar hij wacht af tot wij iets doen. Dat begrijp ik ook wel. Hij wacht tot we moe worden en even niet opletten. Volgens mij is het een verkeerde strategie om hem mee te lokken naar het huisje van Sorcha, want dan weet hij dat we klaar zijn voor de strijd.’

‘We moeten echt zorgen dat hij daarnaartoe komt,’ zei Connor. ‘Alles is daarvan afhankelijk.’

‘Maar hij hoeft niet te weten dat we willen dat hij komt. Wat als we er zogenaamd stiekem vandoor gaan en hem laten denken dat hij zo verdomd slim en machtig is dat hij door onze beschermlagen heen weet te dringen en ons ziet?’

‘Waarom zouden we daarnaartoe gaan, als het niet is om te vechten?’ bracht Connor ertegen in.

‘Om onze eer te bewijzen.’ Fin begreep waar Boyle naartoe wilde en knikte. ‘Om eer te bewijzen aan Sorcha op haar sterfdag, om een ereritueel te houden, en misschien om haar om hulp te vragen. We gaan onder de dekmantel van onze eigen mist, zogenaamd om te voorkomen dat hij ons tegenhoudt.’

‘We kiezen het hoger gelegen terrein voor het gevecht,’ besloot Boyle, enthousiast nu hij de strijd voor zich zag. ‘En in plaats van zelf verrast te worden, verrassen wij hem.’

‘O, ik vind dit een prima idee.’ Connor nam een flinke slok van zijn bier. ‘Dit krijg je als je met mannen onder elkaar een oorlogsplan beraamt. En als een van jullie het in zijn hoofd haalt om dit tegen een van de vrouwen te zeggen, zal ik geschokt en vol verbazing zeggen dat jullie liegen dat je barst.’

‘Ik wil graag dat ze hier volledig achter staan, dus van mij zullen ze niets horen,’ zei Fin. ‘We lokken hem in de val door hem te laten geloven dat hij ons in de val lokt.’

 

Branna luisterde naar het nieuwe plan terwijl ze in Fins huiskamer een pizza aten. Er waren stemmen opgegaan om een avondje uit te gaan, maar niemand was zich meer van de prioriteiten bewust dan Branna O’Dwyer.

‘Het is inderdaad een slim plan,’ beaamde ze. ‘En ik vind het irritant dat ik het zelf niet heb bedacht. We hebben maar weinig tijd om ons oorspronkelijke plan aan te passen.’

‘En dat plan heeft het voordeel dat het eenvoudig is,’ voegde Meara eraan toe. ‘We transporteren onszelf daarnaartoe – of jij transporteert ons daar allemaal naartoe, inclusief de paarden, de buizerds en de hond – en we dagen hem uit om te komen. Dan komt hij, want hij is te trots om weg te blijven. Maar… dit plan is sluwer, en ik kan er niks aan doen, maar ik voel er wel wat voor.’

‘Het zal hem plezier doen dat we ons voor hem proberen te verbergen,’ beaamde Iona. ‘Dat prikkelt zijn arrogantie. En als hij denkt dat we Sorcha willen aanroepen, moet hij wel komen vanwege de kleine kans dat het ons lukt om haar hier te brengen, en haar zo weer voor hem bereikbaar maken.’

‘Jij zou je eigen schaduwbetovering eraan opofferen,’ zei Branna tegen Fin. ‘Nu weet hij nog niet dat je die hebt. Als hij inderdaad komt, zal de betovering voor jou minder nuttig zijn.’

‘Dan heeft zij haar diensten al bewezen. Het verandert weinig aan wat we doen als Cabhan daar eenmaal is, alleen aan hoe we er komen.’

‘We nemen bloemen mee, en wijn, brood en honing.’ Branna dacht hardop na. ‘Alle dingen die we mee zouden nemen om de doden eer te bewijzen. We zijn somber en onzeker en staan op het punt de geest op te roepen van de heks die over een van ons een vloek heeft uitgesproken. Hij zal er ongetwijfeld de nodige voordelen in zien om op dat moment toe te slaan.’

‘Zouden we met het ritueel kunnen beginnen?’ vroeg Iona. ‘En dat we dan, als het voor hem te laat is, de eerste drie oproepen?’

Boyle lachte en kuste haar stevig op de mond. ‘Wie zegt er nou dat vrouwen geen oorlogen kunnen beramen?’

Meara keek hem schuin aan. ‘Inderdaad, wie zegt dat?’

‘Het was een retorische vraag,’ zei Connor, en hij wuifde het nonchalant weg. ‘Oké dan, laten we een oorlog beramen.’

 

Toen de dag was aangebroken verzamelde Branna alles wat ze nodig had: witte rozen, wijn, honing, brood dat ze zelf had gebakken, de kruiden, alle offergaven. In een andere buidel stopte ze de vergiften, die ze allebei zorgvuldig had ingepakt.

De fles met licht die de drie hadden gemaakt borg ze weg op een aparte plek, om ieder gevaar van besmetting te voorkomen

Ze had zich gebaad, met zalf ingesmeerd en amuletten in haar haar gevlochten. Ook aan Kathels halsband had ze amuletten bevestigd, en ze had er nog extra bij gemaakt voor in Aines manen.

Terwijl ze alleen was ontstak ze de kaarsen, wierp een cirkel en knielde in het midden neer als teken van haar bereidheid alles te aanvaarden wat het lot zou brengen. Ze was ervan overtuigd dat deze nacht een eind zou maken aan Cabhan of aan de drie. En ze was er nog vaster van overtuigd dat wat het lot ook zou brengen, haar leven nooit meer hetzelfde zou zijn.

Maar toch, het was haar leven en het waren haar keuzes. Ze was een dienaar en een kind van het licht en zou dat altijd blijven. Maar ze was ook een vrouw.

Ze stond op, pakte vastberaden haar spullen bij elkaar en vloog met haar hond naar Fins huis.

Ze arriveerde in zijn werkplaats, waar hij wapens uit zijn verzameling stond uit te zoeken.

‘Je bent vroeg.’

‘Ik wilde nog even samen met jou zijn, voor de anderen komen, voor we beginnen. Ik heb me overgeleverd aan het lot, geaccepteerd wat er gaat gebeuren. Ik zal er des te harder om vechten.’

‘Ik kan alleen zijn einde accepteren.’

‘Ik hoop dat dat niet waar is.’ Ze liep naar hem toe. ‘Accepteer je mij, Fin?’

‘Natuurlijk doe ik dat.’

Mijn leven, dacht ze weer, mijn keus. Heks en vrouw.

‘Ik geef mezelf aan jou. Accepteer je me? Wil je dat ik bij je hoor, en dat jij bij mij hoort?’

Hij raakte haar wang aan en draaide een lok van haar haar om zijn vinger. ‘Ik zou nooit bij iemand anders kunnen horen.’

‘Ik ook niet. Hoor bij me en blijf bij me, want dit is thuis, voor ons allebei. Ik wil hier wonen, bij jou, in dit huis dat je hebt opgebouwd uit onze jonge dromen. Ik wil met je trouwen, want ook dat is een belofte die je aan elkaar doet en van elkaar aanvaardt. Ik wil samen met jou een leven opbouwen.’

De woorden deden zijn hart samenknijpen. Hij legde het zwaard dat hij had uitgekozen neer en deed een stap bij haar vandaan. ‘Je weet dat we dat niet kunnen doen. Tot ik de vloek heb verbroken…’

‘Dat weet ik níét.’ Ze ging haastig verder nu, wilde niet meer denken. Alleen voelen. ‘Ik weet dat we ons hebben laten weerhouden door wat het licht en de duisternis je hebben opgelegd. Maar nu niet meer, Fin. We kunnen geen kinderen maken die net als jij deze last met zich mee zouden dragen, en dat is voor ons allebei een groot verdriet. Maar we hebben elkaar. We kunnen niet het leven leiden waar we ooit van hebben gedroomd en waar we plannen voor hebben gemaakt, maar we kunnen dromen over een ander leven, en daar plannen voor maken. Ik heb mezelf ten dienste gesteld aan hogere machten. Misschien ga ik vannacht dood, dat kan ik accepteren. Maar toen ik mijn diensten aanbood, zeiden de machten niet tegen me: “Laat hem los.” Dus dat doe ik ook niet.’

‘Branna.’ Hij nam haar gezicht in zijn handen en kuste haar op de wangen. ‘Ik moet de manier vinden om de vloek te verbreken. Ik weet niet waar mijn zoektocht me zal brengen. Ik weet niet, kán niet weten hoe lang ik erover zal doen om de oplossing te vinden. Als ik haar ooit vind.’

‘Dan volg ik je, waar je ook naartoe gaat. Ik zoek met je mee, waar de zoektocht ons ook brengt. Je kunt je niet voor me verbergen of me ontvluchten. Ik zal je volgen, Finbar, ik zal je als een jachthond opsporen, dat zweer ik je op mijn leven. Ik ga niet terug naar een leven zonder die liefde. Ik hou van je.’

Overweldigd door emoties leunde hij met zijn voorhoofd tegen het hare. ‘Je beneemt me de adem. Tien jaar lang heb je die woorden niet meer tegen me gezegd. Vier woorden die alle krachten van hemel en aarde bevatten.’

‘Ik zou je met die woorden aan me binden. Wij zijn voorbestemd, dat weet ik met alles wat ik ben. Als jij niet bij mij kunt blijven, ga ik met je mee. We kunnen weggaan of blijven, Fin, maar trouw met me. Doe me die gelofte, en neem die gelofte van mij aan. Accepteer mijn liefde en beloof me jouw liefde te geven, voor we de confrontatie aangaan die ons te wachten staat.’

‘Kun je hiermee leven, elke dag weer?’ Hij wreef over zijn schouder. ‘Kun je hiermee leven, en met wat we nooit kunnen hebben?’

Ze had zichzelf aan het licht geschonken, wist ze, en het antwoord was gekomen. Zo simpel, zo duidelijk.

‘Jij doet dat. Jij leeft er elke dag mee, en ik ben van jou. Ik zal mijn leven geven voor mijn plicht als dat nodig is, maar mijn hart sluit ik niet langer af. Niet voor mezelf en niet voor jou. Niet voor de liefde.’

‘Jouw liefde is alles voor me. We kunnen het per dag bekijken, tot…’

‘Nee. Niet meer alleen vandaag. Ik heb dit van je nodig.’ Ze legde haar handen op zijn borst, op zijn hart. ‘Ik vraag dit van je. Aanvaard mijn liefde en de belofte die daarbij hoort, en geef die ook aan mij. Wat er ook gebeurt.’

‘In mijn leven,’ zei hij met een stem zo zacht als een kus, ‘ben jij alles wat ik ooit heb gewild. Boven al het andere.’

Hij kuste haar licht. Toen liet hij haar los en liep naar een plank, waar hij een schijnbaar hermetisch gesloten doosje vanaf pakte. Hij maakte het open en haalde er een ring uit die fel schitterde in het licht van het vuur.

‘Een cirkel,’ zei hij. ‘Een symbool, een steen van hitte en licht. Ik heb hem gevonden in de zee, een warme, blauwe zee waar ik in zwom en aan je dacht. Ik ging weg om je te vergeten, ver weg van alles en iedereen hier. Ik was op een eiland waar niemand woonde, en toen ik zelfs daar bij vandaan zwom, zag ik hem glinsteren in het water. Ik wist dat hij voor jou bestemd was, hoewel ik er nooit aan heb gedacht om hem aan je te geven, en nooit heb gedacht dat je hem zou aannemen.’

Ze stak haar hand uit. ‘Doe me de belofte en aanvaard de mijne. Als er een morgen komt, Fin, accepteren we die.’

‘Ik zweer je dat ik een manier zal vinden om je alles te geven wat je hart wenst.’

‘Maar zie je dan niet dat je dat al doet? Dit is liefde, en liefde aanvaardt alles.’

Toen hij de ring om haar vinger schoof, schoten de vlammen in de open haard knetterend omhoog. Ergens in de nacht achter de ramen flitste de bliksem.

‘We accepteren haar,’ zei ze. Ze kuste hem en klampte zich aan hem vast alsof ze hem nooit meer los wilde laten.

Wat er ook gaat gebeuren, dacht ze, al is het bloed en dood, dit hebben we.

 

Ze kwamen bijeen, een cirkel gevormd uit liefde en moed, trouw en plichtsbesef en bezegeld door magie. Diep in de nacht pakten ze hun wapens op.

‘We hebben de naam niet,’ begon Branna. ‘Tot we die hebben, moeten we voorkomen dat Cabhan ontsnapt. We moeten hem binnen onze grenzen houden en voorkomen dat hij wegglipt naar een andere tijd.’

‘We bouwen sterke muren en sluiten de poort,’ beaamde Connor. ‘En we gebruiken alles wat we hebben om de demon uit hem los te trekken en de naam te weten te komen.’

‘Of om hem eruit te slaan,’ stelde Boyle voor.

‘We weten allemaal wat er vannacht moet gebeuren en hoe we het gaan doen,’ vervolgde Fin. ‘We zijn sterker door wat we met elkaar hebben gedeeld, en als het is voorbestemd dat het goede overwint, wordt Cabhan vannacht vernietigd. Er is niemand met wie ik liever ten strijde zou trekken dan met jullie hier in deze kamer. Geen man heeft ooit zulke trouwe vrienden gehad.’

‘Ik stel voor dat we die schoft verbranden en daarna hier terugkomen voor een uitgebreid ontbijt.’ Connor trok Meara dicht tegen zich aan.

‘Daar ben ik voor.’ Meara legde haar hand op het gevest van haar zwaard. ‘Vooral voor het eerste.’

‘Jullie hebben me familie gegeven, en een thuis. Dit is het beste jaar geweest van mijn leven,’ vervolgde Iona. ‘En in dit jaar ga ik trouwen met mijn grote liefde, geen demon uit de hel kan me daarvan weerhouden. Dus ja, laten we die schoft verbranden.’

Boyle tilde haar lachend op en kuste haar. ‘Hoe kunnen we met iemand als jij erbij verliezen?’

‘Dat kunnen we ook niet.’ Iona keek de gezichten om haar heen aandachtig aan. ‘En dat gaat ook niet gebeuren.’

‘We moeten ons voorbereiden op…’

‘Wacht.’ Iona wurmde zich los uit Boyles armen en wees naar Branna. ‘Wat is dit? Wat ís dit?’ Ze greep Branna’s hand en keek haar met tranen in de ogen lachend aan. ‘Wauw! O, wauw!’ Ze wierp zich in Branna’s armen en klemde haar tegen zich aan. ‘Dit is wat ik heb gewenst. Precies wat ik heb gewenst.’

‘Je zou toch denken dat je iets tegen ons had gezegd.’ Meara greep op haar beurt Branna’s hand, terwijl Iona zich omdraaide en Fin in de armen vloog. ‘Dit laat zien dat het goede zal overwinnen, dat het voorbestemd is.’ Ze drukte haar wang tegen die van Branna en wiegde haar heen en weer. ‘Dit laat dat zien.’

‘Het zou eens tijd worden.’ Boyle gaf Fin een zachte stomp tegen de borst. ‘Maar goed gedaan.’

Connor wachtte tot Fin hem aankeek. ‘Zo, dus je hebt eindelijk naar mijn wijze woorden geluisterd.’

‘Ik heb naar je zus geluisterd.’

‘En nu heb je geen andere keus dan dat de rest van je leven te blijven doen. En ik krijg honderd euro van je.’

‘Wat? Ah,’ zei Fin, toen hij zich de weddenschap herinnerde. ‘Dat is ook zo.’

Connor gaf Fin een stevige omhelzing, waarna hij zich naar Branna omdraaide, haar hoofd in zijn handen nam en haar op de wangen kuste. ‘Nu is alles echt in evenwicht. Liefde voedt het licht.’

Branna sloot haar handen om Connors polsen en kuste hem op zijn beurt op de wangen. ‘Nou, kom op, dan verbranden we die schoft.’

‘Zijn we er klaar voor?’ Fin wachtte tot de anderen instemden en de cirkel vormden.

‘Onze plaats, onze tijd als de klok drie uren slaat,’ zei Branna en ze haalde diep adem. ‘Deze ochtend wordt ons lot bepaald.’

‘Met vuist en licht voeren wij strijd,’ vervolgde Boyle.

‘Om in deze nacht de demon-heks te brengen aan zijn eind,’ besloot Meara.

‘Drie bij drie bij drie zullen wij rijden.’ Connor pakte Meara’s hand en keek naar Iona.

‘Met paard, buizerd en hond om ons te leiden,’ zei Iona.

‘En met de mist die ik daarbij om ons heen laat zweven, zal Cabhan alleen datgene zien wat wij hem te zien geven.’

Fin spreidde zijn armen, boog ze tot een cirkel en spreidde ze weer. Branna voelde hoe de nevels haar warm en zacht omhulden. Nee, dacht ze, dit was niet Cabhans koude, bittere mantel van mist.

Ze liepen de trap af naar buiten, de stal in. Terwijl Branna amuletten in Aines manen vlocht, liep Iona naar haar toe. ‘Ze is binnenkort bronstig.’

‘Aine?’

‘Over een dag of twee is ze klaar voor Alastar, als je dat wilt.’

‘Ja, dat wil ik.’

‘Ze is niet bang. Geen van de paarden is bang, maar ze weten dat we vannacht gaan vliegen, en waarom.’

‘Net als de hond. Ze zijn er klaar voor.’ Branna keek naar Connor.

‘De buizerds ook.’

‘Let nu goed op wat je zegt en denkt,’ zei Fin tegen hen, ‘want ik moet hem binnenlaten. Ik moet hem genoeg laten zien om hem ervan te overtuigen dat we Sorcha eer gaan bewijzen en zullen proberen haar op te roepen.’

Met een knikje hurkte Branna op de grond en drukte haar hoofd tegen Kathels kop. Toen steeg ze op. En samen met de anderen vloog ze door het holst van de nacht.

‘Weten we zeker dat hij ons niet kan zien?’ riep ze naar Fin.

‘Ik heb nog nooit zo’n groot mistgordijn gemaakt, maar het bedekt alles, toch? En waarom zou Cabhan ons zo laat in de nacht nog in de gaten houden?’

Fin stelde zich open, bloed riep bloed. Terwijl ze tussen de bomen door vlogen en de wind kleine gaten in het mistgordijn trok, voelde hij de prikkeling.

En maakte dit Branna met een enkele blik duidelijk.

‘Het moet lang genoeg standhouden om hem bij de open plek vandaan te houden, zodat wij de tijd hebben om Sorcha eer te bewijzen en haar geest op te roepen.’

‘Ik vecht liever dan dat ik gesprekken voer met geesten,’ mopperde Boyle.

‘Ze had hem bijna verslagen,’ bracht Iona naar voren. ‘Ze moet iets weten wat helpt. We hebben alles geprobeerd. We moeten dit doen. Als het werkt…’

‘Het moet werken,’ zei Meara. ‘Ik word er stapelgek van dat hij ons elke dag achtervolgt.’

‘Ze hoort bij ons,’ zei Connor tegen haar. ‘We kunnen haar vast bereiken. En vannacht, op de gedenkdag van haar dood, haar offer, haar vloek, hebben we de meeste kans dat het ons zal lukken.’

‘We kunnen niet nog een jaar wachten.’ Branna liet Aine door de wijnranken afdalen naar de open plek. ‘Dat gaan we niet doen.’

Zoals afgesproken gingen Fin en de drie in de vier windrichtingen langs de randen van de open plek staan. Branna zou beginnen, in de hoop dat ze Cabhan met het ritueel niet buiten zouden sluiten, maar hem juist de kans zouden geven door de mazen van het net naar binnen te glippen – en ingesloten te worden.

Ze hief haar armen op, riep het noorden aan en strooide het zout. Iona nam het westen. Connor, die aan de oostkant stond, fluisterde zachtjes in Branna’s hoofd.

Hij komt eraan. Hij is bijna hier.

Terwijl haar broer het oosten aanriep, stond Branna’s hart bijna stil.

De eerste stap, hem naar hen toe te lokken, was gelukt.

Fin riep het zuiden aan, waarna ze alle vier de grote cirkel liepen en de grond met zout bestrooiden. Intussen zetten Boyle en Meara de benodigdheden voor het volgende deel van het plan klaar.

Branna voelde de verandering, een nauwelijks merkbare kilte toen Cabhans mist zich met die van Fin vermengde.

Ze sloten de barrière die alles buiten moest sluiten en binnen moest houden, en ze bad vurig dat hij niet de mistflarden en schaduwen zou gebruiken om aan te vallen voor ze klaar waren.

Ze dwong zichzelf zich niet te haasten. Ze pakte de rozen, waarna ze ieder van hen het boeket voorhield om een bloem te pakken. Fin aarzelde.

‘Ik kan me niet voorstellen dat ze een eerbetoon van mij zal willen of accepteren.’

‘Toon haar je respect en geef haar je huldeblijk. Ze moet begrijpen dat je samen met ons hebt gevochten en bloed hebt vergoten, en dat we zonder jou Cabhan niet kunnen verslaan. We moeten het proberen, Fin. Kun je haar met het eerbetoon het teken dat je draagt vergeven?’

‘Ik moet het proberen,’ was zijn enige antwoord.

Alle zes naderden ze Sorcha’s graf.

‘Deze zuiver witte bloemen plaatsen we op je graf, om de dag te gedenken dat je je leven gaf. We brengen wijn, honing en brood, als eerbetoon van het leven aan de dood.’

Het werd kouder. Branna durfde te zweren dat ze Cabhans opwinding en gretige verlangen bijna voelde groeien. Maar ze vond geen naam in de kolkende mist.

‘Deze kruiden zullen wij op de grond verspreiden, om je geest van zijn banden te bevrijden. Met respect knielen wij neer waar een eind kwam aan je leven, en smeken je om aan ons beroep gehoor te geven. Drie en drie, bezegeld met ons bloed. Vuur, brand in de nacht zoals het moet. Vervul de behoefte die we met ons dragen. Geef ons wat we van u vragen.’

Een voor een kerfden ze hun handpalm in en lieten het bloed bij de steen op de grond druipen.

‘Op deze plek, in deze nacht, zend door je liefde en je macht, je drie kinderen naar het heden, zodat allen hun lot tegemoet kunnen treden.’

Er drong een gehuil, een kreet van woeste razernij door de mist. Fin liet de mantel van mist vallen, greep zijn zwaard en kwam met een sprong naast Branna en de anderen staan.

‘Stuur ze hiernaartoe en stuur ze nu,’ schreeuwde Branna, en Fin en Connor stapten naar voren om haar te beschermen tegen een mogelijke aanval. Iona, Boyle en Meara wierpen snel een cirkel, terwijl Branna het ritueel afsloot.

‘Stuur degenen aan wie je je krachten hebt geschonken. We vechten, drie bij drie bij drie.’ Ze wierp een vuurbal om te voorkomen dat Cabhan zich zou omdraaien en de aanval zou openen. Intussen haastten haar vrienden zich om de cirkel te werpen en een toegangspoort te openen voor de eerste drie.

‘Drie bij drie bij drie in de nacht bijeengebracht. Moeder, geef gehoor aan de wens door ons gedaan. Laat hen vliegen over de maan. Laat je geest in vrijheid gaan. Zoals wij het willen, zo zal het zijn.’

De grond schudde. Ze verloor bijna haar evenwicht terwijl ze zich bliksemsnel omdraaide om naar de cirkel te rennen. Toen ze omkeek, zag ze dat Cabhan iets wat leek op een muur van zwart vuur naar Fin en Connor smeet. Ze wilde net Iona’s hand grijpen om zich bij de anderen te voegen, toen de wind haar als een koude hand vastgreep en over de open plek slingerde.

Hoewel ze zo hard neerkwam dat haar botten kraakten, zag ze dat Fin met vlammend zwaard terugvocht en de aarde op en neer liet golven, terwijl Connor de lucht als met een zweep rondjoeg. Licht en duisternis botsten met geweld op elkaar en het kabaal was onvoorstelbaar, alsof er werelden neerstortten.

Meara schoot maaiend met haar zwaard naar voren en Boyle liet een regen van kleine vuurballen los, die gaten en scheuren maakten in de kronkelende mist. Ze hadden geen andere keus dan aanvallen en verdedigen, en alleen Iona bleef nog over om de cirkel compleet te maken.

Hij is sterker, besefte Branna. Hij was op de een of andere manier sterker dan tijdens Samhain. Het wezen dat in hem zat had extra krachten verzameld. Dit was het laatste gevecht, dacht ze. Dat wisten zij, en Cabhan wist dat ook.

Hij riep de ratten op, die als een weerzinwekkende vloedgolf uit de aarde opwelden. Hij riep de vleermuizen op, die als een hemelse wraak uit de lucht vielen. En Iona, afgesneden van de rest, vocht om het ongedierte terug te drijven, terwijl buizerd, hond en paard ze vertrapten en verscheurden.

Plichtsbesef, trouw. Liefde. Branna sprong overeind, rende tussen de krioelende ratten door en sprong op Aines rug. En met een vuurbal in haar ene hand en een glanzende toverstaf in de andere vloog ze op haar nicht en de onderbroken cirkel af.

Ze smeet met vuur en licht om zich een weg te banen. Ze deed een beroep op haar gave om een hete regen te laten neerdalen die Cabhans dierlijke wapens moest verdrinken. Toen ze Iona had bereikt, liet ze een stortbui neerkomen die al het ongedierte bij Sorcha’s huisje verdreef.

‘Maak het af!’ schreeuwde ze. ‘Jij kunt het afmaken.’

Toen kwamen de slangen, die in een wilde massa over de grond kronkelden. Ze hoorde en voelde Kathels pijn toen de giftanden zich in hem vastbeten. De razernij die in haar losbarstte deed ze tot as verschrompelen.

Branna wendde haar paard om Iona te beschermen, maar haar nicht schreeuwde: ‘Ik red het hier! Ik red het. Help de anderen.’

Branna, die het ergste vreesde, joeg haar paard door de muur van zwart vuur.

De zwavelstank deed haar naar adem happen. Ze onttrok warme, zuivere regen aan de lucht om hem weg te spoelen. Het vuur knetterde en siste terwijl ze zich er een weg doorheen vocht.

Haar familie bloedde in de strijd.

Weer keerde ze het paard en verzamelde al haar krachten.

Nu de regen en de wind, nu de bevende aarde en het vuur. Nu alles tegelijk in een enorme draaikolk die botste met Cabhans razernij. Rook kolkte rond, prikte in de ogen, brandde in de keel, maar ze zag angst, een wilde schittering van angst in de ogen van de tovenaar voor hij ineendook en in de wolf veranderde.

‘Het is gelukt!’ riep Iona. ‘Het is gelukt. Het licht groeit.’

‘Ik zie ze.’ Meara, met een gezicht dat nat was van zweet en bloed, schreeuwde het uit. ‘Ik zie ze, ik zie hun schaduwen. Ga,’ zei ze tegen Connor. ‘Ga.’

‘Wij houden hem tegen.’ Boyle stompte in de lucht, met vuur en vuist.

‘Dat doen we, bij god. Ga.’ Fin keek Branna in de ogen. ‘Anders is het voor niets geweest.’

Ze had geen keus, bedacht ze. Ze stak haar hand uit naar Connor, zodat hij zich omhoog kon trekken en achter haar op Aines rug kon springen.

‘Ze is gewond. Meara is gewond.’

‘We moeten ze erdoorheen trekken, Connor. De drie moeten de drie halen. Zonder hen kunnen we haar misschien niet genezen.’

Kathel, dacht ze. Kathel die bloedde uit zijn bek, uit zijn flank. Alastar, die met zijn hoeven door de lucht maaide. Buizerds die met glanzende klauwen krijsend naar beneden doken.

Allemaal voor niets als ze Sorcha’s drie niet helemaal naar het heden konden halen.

Ze reed recht de cirkel in en liet zich met haar broer van het paard glijden. Ze pakte Iona’s en Connors hand en voelde de toverkracht opborrelen en het licht branden.

‘Drie bij drie bij drie,’ schreeuwde ze. ‘Dit is de magische profetie. Voeg je bij ons, treed naar voren, anders is straks alles verloren. Sta ons bij in deze nacht, dan winnen we deze strijd met ons bloed en onze kracht.’

Ze kwamen, Sorcha’s drie. Brannaugh met haar boog, Eamon met zijn zwaard, Teagan, hoogzwanger, met haar toverstaf. Zonder iets te zeggen pakten ze hen bij de hand, en maakten van drie zes.

Licht explodeerde in één grote, witte schittering. De hitte van de toverkracht nam bezit van haar, adembenemend, verbijsterend, alles overtreffend.

‘Haal hem bij hen weg!’ Branna hoorde haar stem weerklinken boven de trillende lucht. ‘We hebben wat nodig is om hem te vernietigen, maar ze zijn te dichtbij.’

‘Laat mij.’ Sorcha’s Brannaugh bracht de hand naar voren waarmee ze de hand van haar broer vasthield. Pijlen met vlammende witte punten vlogen uit haar koker en boorden zich in de grond tussen de wolf en de drie die waren achtergebleven.

De wolf draaide zich uitzinnig van woede om en stormde naar voren.

Branna verbrak de cirkel; Connor sloot hem achter haar.

‘Haast je,’ zei hij tegen haar.

‘Een beetje dichterbij nog, een beetje maar.’ Maar ze stak haar hand in de buidel en haalde het gif tevoorschijn. De fles klopte als een levend wezen in haar hand. Op het moment dat de wolf op de cirkel afsprong, smeet ze de fles door de lucht.

Zijn kreten verscheurden de lucht en beukten op haar in, zodat ze achteruitwankelde. Alle wezens die hij uit de krochten van de duisternis had opgeroepen gingen in vlammen op, en hun gekrijs vermengde zich met het gehuil van de wolf.

‘Het is nog niet voorbij.’ Iona greep Teagans hand. ‘Pas als we doden wat in hem leeft, is het voorbij.’

‘De naam.’ Branna wankelde, maar Eamon ving haar op voor ze kon vallen. ‘De naam van de demon. Weten jullie hem?’

‘Nee. Laten we verbranden wat er van hem over is en de grond met zout bestrooien.’

‘Dat is niet genoeg. We moeten zijn naam hebben. Fin!’

Ze wilde naar voren lopen, maar hij wuifde haar weg en liet zich met het bebloede lichaam van de wolf op de grond vallen. ‘Begin het ritueel.’

‘Je bloedt, net als Meara, en Boyle. We zijn sterker als we de tijd nemen om jullie te genezen.’

‘Begin het ritueel,’ zei hij met opeengeklemde kaken, terwijl hij zijn handen om de keel van de wolf sloot. ‘Dat is jouw taak. Dit is de mijne.’

‘Begin.’ Meara strekte zich naast Boyle uit op de grond. ‘En maak het af.’

Dus luidde ze de bel, opende het boek en ontstak de kaars.

En sprak de woorden.

Bloed in de ketel, van het licht, van de duisternis. Schaduwen die als dansers bewogen.

Op de grond boorde Fin zijn vingers in de bloederige keel van de wolf.

‘Ik ken jou,’ mompelde hij, terwijl hij in de rode ogen staarde. ‘Je bent van mij, maar ik ben niet van jou.’ Hij rukte de steen los en stak hem hoog in de lucht. ‘En zal dat ook nooit zijn. Ik ben van Daithi.’ De speld viel uit Fins shirt en de ogen van de wolf draaiden in hun kassen van angst. ‘En ik ben jouw dood. Ik ken jou. Ik heb bij je altaar gestaan en ik heb de verdoemden je naam horen roepen. Ik ken jou.’

Wat in de wolf zat perste zijn duisternis naar buiten tot Fins handen brandden en het bloed eruit begon te stromen.

‘In Sorcha’s naam wijs ik je af. In Daithi’s naam wijs ik je af. In mijn naam wijs ik je af, want ik ben Finbar Burke, en ik ken jou.’

Toen het in hem kwam, versplinterde het bijna zijn ziel. De duisternis trok zo hard, zo intens. Maar hij bleef vasthouden en keek naar Branna. Keek naar haar licht.

‘Zijn naam is Cernunnos.’ Hij liet de steen naar Connor zweven. ‘Cernunnos. Vernietig hem. Nu. Ik houd het niet veel langer. Breng haar in veiligheid.’ Zijn adem kwam met horten en stoten terwijl hij naar Boyle riep: ‘Breng Meara in veiligheid.’

‘Je moet hem loslaten!’ Tranen stroomden over Branna’s wangen. ‘Fin, laat hem los, kom naar ons toe.’

‘Dat kan ik niet. Hij verdwijnt in de aarde, in het diepst van de aarde, en dan ontglipt hij ons weer. Ik kan hem vasthouden, maar niet lang meer. Doe wat je moet doen, voor iedereen, voor mij. Je houdt van me, Branna, dus bevrijd me. Bij alles wat we zijn, bevrijd me.’

In een uiterste krachtsinspanning gebruikte hij alles wat hij in zich had, zodat de steen uit Connors hand werd gerukt en in de ketel verdween. En terwijl het verblindend witte licht torenhoog omhoogschoot, riep hij zelf de naam.

‘Vernietig hem!’

‘Hij lijdt,’ mompelde Teagan. ‘Laat het ophouden. Geef hem rust.’

Snikkend riep Branna de naam van de demon en liet het gif in de ketel stromen.

Zwarter dan zwart, dikker dan teer. Er klonken wilde jammerklachten op, diepe, schorre kreten, vermengd met duizenden stemmen die het uitkrijsten in talen die niemand ooit eerder had gehoord.

Ze voelde het, een seconde voor het licht weer omhoogschoot en de ketel zelf een zuiver wit licht uitstraalde. De open plek, de hemel, de hele wereld leek wit op te lichten.

Ze voelde de steen breken, hoorde de vernietiging ervan als enorme bomen die door een reuzenhand werden afgebroken en zag hoe de aarde als een stormachtige zee op en neer ging.

Ze voelde de dood van de demon en durfde te zweren dat ze zelf ook doodging.

Alles stroomde uit haar weg, haar adem, haar toverkracht en haar licht, en ze viel op haar knieën.

Bloed en dood volgen, dacht ze. Bloed en dood.

Toen schoot ze overeind en rende naar Fin, die bleek en bebloed was neergezakt op de as van wat ooit Cabhan was geweest, op wat hem het leven had geschonken.

‘Hecate, Brighid, Morrigan, alle godinnen, schenk genade. Neem hem niet weg.’ Ze trok Fin op haar schoot. ‘Neem wat ik ben, wat ik heb, maar neem niet zijn leven. Ik smeek jullie, neem niet zijn leven.’

Ze hief haar gezicht op naar de hemel, die nog steeds werd verlicht door het witte vuur en bood alles wat ze had aan iedereen die het kon horen. ‘Neem wat jullie willen, wat jullie moeten nemen, maar niet zijn leven.’

Haar warme tranen drupten op zijn verbrande huid. ‘Sorcha,’ bad ze. ‘Moeder. Herstel het onrecht dat je hebt gedaan. Spaar zijn leven.’

‘Ssst.’ Fins vingers krulden in de hare. ‘Ik ben niet dood. Ik ben hier.’

‘Je leeft nog.’

De wereld trok weer recht, de grond kwam tot rust, de vlammen lichtten minder fel op in de lucht.

‘Hoe ben je… Het maakt niet uit. Je leeft nog.’ Ze drukte haar lippen op zijn gezicht, zijn haar. ‘Ah, god, je bloedt, je bloedt overal. Blijf rustig liggen, mijn lief. Help me.’ Ze keek naar Sorcha’s Brannaugh. ‘Alsjeblieft.’

‘Natuurlijk help ik je. Je bent precies zoals ze me heeft verteld.’ Ze knielde op de grond en legde haar handen op Fins zij, waar zijn shirt en zijn vlees waren opengescheurd en verbrand. ‘Hij lijkt sprekend op mijn Eoghan.’

‘Wat?’

Ze kneep in Branna’s hand. ‘Zijn gezicht is het gezicht van mijn lief, zijn hart het hart van mijn lief. Hij is nooit van Cabhan geweest, niet waar het ertoe deed.’ Ze keek op Fin neer en beroerde zijn voorhoofd met haar lippen. ‘Je bent van mij, net zoals je van haar bent. Het genezen zal een beetje pijn doen.’

‘Een beetje,’ zei Fin knarsetandend, terwijl een verschroeiende pijn door hem heen trok.

‘Kijk naar mij. Kijk in mij,’ zong Branna zacht.

‘Nee. Je neemt dit niet over. Het is van mij. De anderen?’

‘Die worden verzorgd. Wat een rotstreek van je, Finbar, om me te laten denken dat ik je had vermoord. Het is te veel bloed, en je shirt smeult nog na.’ Ze sloeg het weg met haar hand. ‘Ah, god, sommige van deze wonden zijn diep. Connor!’

‘Ik kom eraan.’ Connor kwam hinkend aanlopen en veegde het bebloede zweet van zijn gezicht. ‘Meara en Boyle genezen goed, hoewel Meara een paar flinke klappen heeft gehad. Maar toch… Jezus, Fin, kijk nou eens wat een puinhoop je van jezelf hebt gemaakt.’

Hij nam Fins hoofd in zijn handen en baande zich in zijn geest een weg naar de pijn.

‘Ah, shit.’ Connor siste van pijn.

Minuten duurden eeuwen, zelfs toen de anderen zich bij hen voegden. Toen het klaar was, waren Connor en Fin allebei met zweet bedekt. Ze waren buiten adem en beefden hevig.

‘Het komt goed met hem.’ Teagan streek met haar hand over Branna’s arm. ‘Mijn zus en jij zijn kundige genezers. Een beetje rust en wat tonicum en hij is geheel genezen.’

‘Ja, dank je wel. Dank je wel.’ Branna drukte haar hoofd tegen Connors schouder. ‘Dank je wel.’

‘Hij is ook van mij.’

‘Van ons,’ verbeterde Eamon haar. ‘We zijn thuisgekomen en hebben een rol gespeeld in de vernietiging van Cabhan. Maar hij speelde er een grotere rol in. Dus jij bent van ons, Finbar Burke, ook al draag je Cabhans teken.’

‘Niet meer,’ mompelde Teagan. ‘Ik heb Cabhan het teken gegeven, en onze moeder heeft het gegeven aan zijn bloed, aan al degenen die zouden volgen. En ik denk dat zij en het licht het nu hebben weggenomen. Want dit is niet het teken van Cabhan.’

‘Hoe bedoel je? Het is…’ Fin wrong zich in een bocht om te kijken. Op zijn schouder, waar hij sinds zijn achttiende het teken van Cabhan had gedragen, stond nu een Keltische knoop van de drie-eenheid, de triquetra.

Een teken van drie.

Het verbijsterde hem, meer dan het vuur van het gif of de verblindende vlammen van het wit.

‘Het is weg.’ Hij raakte het aan met zijn vingers, maar voelde geen pijn, geen duisternis, geen heimelijke kracht. ‘Ik ben er vrij van. Vrij.’

‘Je had je leven willen geven. Je bloed,’ besefte Branna, en haar ogen prikten van pure vreugde. ‘Zijn dood is voortgekomen uit jouw bereidheid je op te offeren. Jij hebt de vloek verbroken, Fin.’

Ze legde haar hand over de zijne, over het teken van de drie. ‘Je hebt jezelf gered, en ik denk ook Sorcha’s geest. Je hebt ons allemaal gered.’

‘Anderen onder ons hebben ook wel wat gedaan,’ bracht Connor haar in herinnering. Maar hij grijnsde naar Fin. ‘Het is een mooi teken. Misschien kunnen wij allemaal een bijpassende tatoeage laten zetten.’

‘Dat wil ik wel,’ verklaarde Meara, en ze veegde de tranen uit haar ogen.

‘We hebben wel iets anders om over na te denken dan tatoeages.’ Boyle stak zijn hand uit. ‘Kom, ga staan.’ Hij pakte Fin stevig bij de schouders en omhelsde hem. ‘Welkom terug.’

‘Het is goed om hier te zijn,’ zei Fin, terwijl Iona met een betraand gezicht haar armen om hem heen sloeg. ‘Maar jongens, wat wil ik graag thuis zijn. We moeten dit nu definitief afsluiten.’ Hij gaf Iona een kus op haar hoofd. ‘We moeten hier een punt achter zetten en gaan leven.’

‘Dat gaan wij ook doen.’ Eamon pakte Fins hand stevig vast. ‘Als ik een zoon krijg, krijgt hij jouw naam. Neef.’

Ze verbrandden de as, wat nog meer witte vlammen opleverde, keerden en verspreidden de aarde en bestrooiden hem met zout.

Daarna stonden ze vredig bij elkaar op de open plek.

‘Het is voorbij. We hebben het achter de rug.’ Sorcha’s Brannaugh liep naar haar moeders graf. ‘En zij is vrij. Dat weet ik zeker.’

‘We hebben haar offer geëerd, haar lot vervuld. En ik voel dat we naar huis worden geroepen.’ Eamon pakte Teagans hand. ‘Maar ik denk dat we jullie nog wel terug zullen zien.’

Connor haalde de witte steen uit zijn zak en zag hem oplichten. ‘Dat geloof ik ook.’

‘Wij zijn de drie,’ zei Branna, ‘net als jullie, en net als zij.’ Ze gebaarde naar Fin, Boyle en Meara. ‘We zullen elkaar weer ontmoeten. Zegen zij met jullie.’

‘En met jullie.’ Teagan keek naar haar moeders graf, terwijl ze begon te vervagen. ‘Ze hield van grasklokjes. Dank jullie wel.’

‘Het is voorbij.’ Meara keek de open plek rond. ‘Ik wil dansen, maar ik voel me helemaal beverig vanbinnen. Wat doen we nu het voorbij is?’

‘Uitgebreid ontbijten. Het wordt al licht.’ Connor wees naar een lichtroze lint aan de oostelijke hemel.

‘We gaan naar huis,’ bevestigde Iona, en ze lachte toen Boyle haar rondzwierde. ‘En we blijven een poosje bij elkaar. Alleen maar bij elkaar.’

‘Wij gaan zo. Ik wil nog even hier blijven. Heel even maar,’ zei Fin tegen Branna.

‘Als jullie lang wegblijven, bak ik de eieren en daar wordt Branna niet blij van.’ Maar Connor gaf Meara een kus op haar hand en steeg op.

Iona wierp nog een blik achterom, legde een hand op haar hart en maakte een zwierig gebaar naar Fin en Branna, waaruit zich een schattig klein regenboogje vormde.

‘Ze heeft een lief hart,’ zei Fin zacht. ‘En nu…’ Hij draaide Branna naar zich toe. ‘Hier, waar je jezelf voor het eerst aan me hebt gegeven. Waar het allemaal begon, en waar we het eindelijk hebben afgesloten, moet ik je iets vragen.’

‘Heb ik al je vragen dan nog niet beantwoord?’

‘Deze niet. Wil jij, Branna, het leven met me delen waar we ooit van hebben gedroomd? Het leven, het gezin, alles wat we ons ooit hebben voorgesteld?’

‘O, zeker wil ik dat, Fin. Ik wil het allemaal, en meer. Ik wil alle nieuwe dromen die we zullen maken. En de nieuwe beloftes.’

Ze wierp zich in zijn armen. ‘Ik hou van je. Ik heb altijd van je gehouden en zal dat altijd blijven doen. Ik zal samen met jou in je mooie huis wonen, en we zullen alle kinderen krijgen die we willen, en geen van hen zal een teken dragen. Ik zal met je reizen, zodat je me een stukje van de wereld kunt laten zien.’

‘We zullen toveren.’

‘Nu en altijd.’

Ze kuste hem bij Sorcha’s huisje, waar de muur van wijnranken was verdwenen, waar grasklokjes bloeiden en nog steeds een kleine regenboog in de lucht hing.

Toen vlogen ze, met paard, hond en buizerd, weg naar morgen.