7

 

 

 

 

 

 

Fin overwoog met zijn buizerd op stap te gaan. Hij zou Baru zadelen, besloot hij bij zijn eerste kop koffie, terwijl het ochtendlicht nog maar nauwelijks aan de oostelijke hemel was doorgebroken. Hij zou zijn paard zadelen, zijn buizerd fluiten en vertrekken. Een hele ochtend voor hemzelf.

Ze hadden de droomdrank bereid, en hoewel er nog meer werk te doen was, moest hij echt even wat afstand nemen van Branna. God, wat had hij daar behoefte aan. Eén ochtend kon toch nauwelijks een probleem zijn?

‘We doen het gewoon, vind je ook niet?’ zei hij tegen Bugs, die vrolijk lag te knagen op een kluif van dierenhuid die hij op een zwak moment voor hem op de markt had gekocht. ‘Jij mag ook mee, dan zijn we helemaal compleet. Paard, hond, buizerd. Ik ben in de stemming voor een lange, stevige galop.’

En als Cabhan naar hem toe werd gelokt, nou ja, dan was het niet alsof hijzelf naar hem op zoek was gegaan. Precies.

Hij keek op toen er op de deur werd geklopt. Een van de staljongens, vermoedde hij, want die kwamen altijd achterom. Maar hij zag Iona achter het glas staan.

‘Vroeg op vanmorgen?’ vroeg hij, toen hij de deur voor haar had geopend.

‘O, zeker, fris en fruitig.’ Ze keek hem met een stralende glimlach aan. ‘Ik ga oma van het vliegveld halen.’

‘O, natuurlijk, ik was vergeten dat ze zou komen. Ze blijft tot Nieuwjaar, hè?’

‘Ja, van Yule tot twee januari. Ik wou maar dat ze langer bleef.’

‘Je zult wel blij zijn om haar te zien. Wij allemaal. En in het voorjaar komt ze toch zeker terug voor je bruiloft?’

‘Absoluut. Ik kon haar niet overhalen om tot die tijd te blijven, maar dat is waarschijnlijk ook maar beter. Gezien de situatie.’

‘Ja, dat is wel zo veilig.’

‘Maar toch. Ik kon haar niet overhalen bij Branna te logeren zolang ze hier is. Ik breng haar naar haar vriendin, Margaret Meeney. Ken je die?’

‘Ze heeft me rekenen en schrijven geleerd, en als ze me in het dorp ziet, zegt ze nog steeds dat ik rechtop moet lopen. Mevrouw Meeney is een geboren schooljuf. Heb je zin in koffie?’

‘Nee, dank je wel, ik heb al genoeg op. O, daar heb je Bugs. Hallo, Bugs.’

Toen ze op haar hurken ging zitten om de hond te aaien, zei Fin een beetje gegeneerd: ‘Hij komt af en toe binnenlopen.’

‘Het is leuk om gezelschap te hebben. Mevrouw Meeney heeft mij niet leren reken en schrijven.’ Ze keek naar hem op. ‘Ik ben niet samen met jou opgegroeid, zoals de anderen. Ik heb niet dezelfde achtergrond.’

‘Dat verandert niets aan wat we nu hebben.’

‘Dat weet ik, en daar verbaas ik me steeds weer over. Deze familie. Jij bent mijn familie, Fin, maar ik heb met jou en Branna niet dezelfde voorgeschiedenis als de anderen, dus misschien kan ik meer tegen je zeggen, of op een andere manier. Hij heeft jou en wat er tussen jullie is gebeurd gebruikt om haar te kwetsen. Dat heeft jou net zo veel pijn gedaan als haar.’

Ze kwam overeind. ‘Het zou gemakkelijker zijn om weg te gaan en dit aan de drie over te laten. Maar dat doe je niet. Dat wil je niet. Ten dele omdat je iets recht wilt zetten – een onrecht dat jou is aangedaan. Ten dele voor je familie, je cirkel, je vrienden. En alle andere delen zijn helemaal voor Branna.’

Hij leunde achterover tegen het aanrecht. ‘Dat zijn veel delen.’

‘Jij bestaat uit heel veel delen. Ik ben niet met je opgegroeid. Ik heb niet gezien hoe Branna en jij verliefd werden, en hoe jullie de pijn hebben doorstaan van wat jullie uit elkaar heeft gerukt. Maar ik zie wie jullie nu zijn. En naar mijn mening doet ze er verkeerd aan om zichzelf geen liefde en plezier toe te staan. Het is volkomen logisch, maar het is niet goed. En jij hebt het ook mis, Fin, als je gelooft dat ze het doet om je te straffen. Want dat is wat je diep vanbinnen denkt. Als dat waar was, had Cabhan jou kunnen gebruiken om haar kwaad te doen. Maar goed, ik kan beter gaan.’

‘Je hebt zo veel goedheid in je.’ Hij zette zich af van het aanrecht, pakte haar bij haar kin en gaf haar een zoen. ‘Zo veel licht. Als je kon koken, zweer ik dat ik Boyle in een muilezel zou veranderen en je voor mezelf zou inpikken.’

‘Die mogelijkheid houd ik achter de hand. Kerstmis komt eraan, met familie. Ik weet dat jij en Branna het liefst meteen met die droombetovering aan de slag gaan. Maar laten we de tijd nemen om met onze familie bij elkaar te zijn en de feestdagen door te brengen met kleur, licht en muziek.’

‘Ik ben het helemaal met je eens.’

‘Mooi.’ Ze stak haar hand uit naar de deur en draaide zich om. ‘Je moet een feest geven. Dit fantastische huis smeekt erom. Je moet een nieuwjaarsfeest geven.’

‘Een feest?’ De snelle overgang bracht hem van zijn stuk. ‘Hier?’

‘Een feest, ja, hier. Ik snap niet waarom ik daar niet eerder aan heb gedacht. Tijd om het oude op te ruimen en het nieuwe in te luiden. Het moet echt een nieuwjaarsfeest worden. Ik zal Boyle sms’en. Wij helpen je wel om het in elkaar te flansen.’

‘Ik…’

‘Ik moet weg.’

Ze trok de deur snel achter zich dicht en hij bleef fronsend achter. ‘Jezus, Bugs, het ziet ernaar uit dat we een feestje gaan geven.’

Hij besloot dat hij erover zou nadenken, maar dat kwam later. Hij wilde nog steeds die rit maken. Hij zou Baru de vrije teugel geven en Merlijn laten jagen en hoog door de lucht laten scheren. Hij zou die kleine Bugs de tijd van zijn jonge leven geven.

En op de terugweg zou hij bij de manege en de valkeniersschool langsgaan en daar wat tijd doorbrengen. Als er daarna nog genoeg tijd over was, zou hij kijken of hij nog iets nuttigs kon doen in Branna’s werkplaats. Hoewel hij veronderstelde dat ze net zo blij zou zijn als hij om een hele dag alleen te zijn.

In de manege, waar hij zijn grote zwarte paard zadelde, voerde hij een gesprek met Sean, dat begon bij de paarden en een bestelling voor paardenvoer, verderging over vrouwen en voetbal en weer eindigde bij de paarden.

Hij zweeg even terwijl hij Baru naar buiten leidde. ‘Het kan zijn dat ik op oudejaarsavond een feest geeft.’

Sean knipperde met zijn ogen en duwde zijn pet naar achteren. ‘Hier, in het grote huis?’

‘Ja, natuurlijk, hier.’

‘Ah. Een feest in het grote huis. Wordt het chic?’

‘Niet echt chic.’ Hij had daar nog niet over nagedacht, en vermoedde dat hij dat met Iona had moeten overleggen, omdat het haar idee was. ‘Als je de paardenstront maar even van je laarzen schraapt.’

‘Ah,’ zei Sean weer. ‘En komt er muziek bij?’

Fin blies. ‘Dat lijkt me wel voor de hand liggen. En voor je het vraagt: er is ook eten en drinken. Negen uur lijkt me wel een mooie tijd.’ Hij pakte Bugs op en sprong in het zadel.

‘Een feest in het grote huis,’ zei Sean, terwijl Fin Baru onmiddellijk in galop zette.

Toen Fin achteromkeek, zag hij dat zijn stalknecht, die hij al jaren kende, met zijn handen op zijn heupen naar het huis stond te kijken, alsof hij het nog nooit eerder had gezien.

Wat betekende dat het de hoogste tijd was voor een feest, dacht Fin.

Bugs trilde van opwinding en verrukking terwijl ze er met donderend geraas vandoor gingen. Het paard zond golven van genot uit nu hij de kans had om voluit te gaan. Boven hun hoofd cirkelde de buizerd door de lucht en slaakte een hoge, heldere kreet.

Hiervoor was het ook de hoogste tijd, besefte hij.

Hoewel iets in hem hunkerde naar de bossen met hun speciale geur en het geruis van de bomen in de wind, besloot hij open terrein op te zoeken. Dus reed hij door de velden en de zacht glooiende heuvels en liet het paard over het groene gras galopperen terwijl de buizerd door de blauwe hemel zweefde.

Hij haalde zijn handschoen tevoorschijn en trok hem aan. Merlijn en hij hadden er geen nodig, maar het was beter, voor het geval ze iemand tegenkwamen. Hij hief zijn arm op en liet zijn geest opstijgen in de lucht. De havik dook naar beneden, maakte een schitterende bocht om indruk te maken, waar Fin om in de lach schoot, en streek toen als een gevederde god neer op de handschoen.

De hond trilde en hield hen allebei scherp in de gaten.

‘Wij zijn op elkaar gesteld geraakt, zie je. Zo zit het. Dus nu zijn jullie ook broers. Ga je jagen?’ vroeg hij aan Merlijn.

Als antwoord steeg de buizerd op en slaakte een kreet terwijl hij boven het veld cirkelde.

‘We gaan een eindje lopen.’ Fin steeg af en zette Bugs op de grond.

De hond begon onmiddellijk in het gras te rollen en blafte van plezier.

‘Hij is nog jong.’ Fin klopte Baru op zijn hals toen het paard de hond een medelijdende blik toewierp.

Dit was wat hij nodig had, dacht Fin, terwijl hij met het paard verder liep. De ruimte, de frisse lucht. Zeker, het was een koude dag, maar het was mooi, helder weer.

De buizerd liet zich uit de lucht vallen en stortte zich op zijn prooi.

Fin leunde tegen Baru en keek uit over het groen, het bruin, de dunne slierten rook die uit de schoorstenen opstegen.

En dit, dacht hij, miste hij als een ledemaat tijdens zijn zwerftochten. Het land van zijn bloed en botten, zijn hart en ziel. Hij miste het groen, de glooiende heuvels, het grijs van de stenen, het donkerbruin van de omgeploegde aarde, klaar om beplant te worden.

Hij zou het weer verlaten, hij zou wel moeten als hij had afgemaakt wat hij af moest maken. Maar hij zou altijd terugkomen, aangetrokken door Ierland, door Branna, door… Iona had het gezegd. Aangetrokken door familie.

‘Ze willen je hier niet.’

Fin bleef tegen het paard leunen. Hij had Cabhan voelen aankomen. Misschien had hij gewild dat hij kwam.

‘Je bent van mij. Zij weten het. Jij weet het. Je voelt het.’

Het teken op zijn schouder klopte.

‘Sinds het teken op me is verschenen, heb je geprobeerd me te lokken, naar je toe te trekken. Bespaar me je beloften en leugens, Cabhan. Ze vervelen me, en ik heb zin in ruimte en frisse lucht.’

‘Je komt hiernaartoe.’ Cabhan liep op een dunne zee van mist over het veld. Zijn zwarte gewaad bolde op in de wind, de rode steen gloeide. ‘Weg van hen. Je komt naar mij.’

‘Niet naar jou. Nooit.’

‘Mijn zoon…’

‘Niet dat.’ Woede die hij had weten te bedwingen, borrelde in hem op. ‘Nooit.’

‘Maar je bent het.’ Glimlachend trok Cabhan het gewaad van zijn schouder naar beneden en legde het teken bloot. ‘Bloed van mijn bloed.’

‘Hoeveel vrouwen heb je verkracht voor je het zaad plantte dat je een zoon heeft gebracht?’

‘Er was alleen die ene vrouw voor nodig die was voorbestemd om mijn kind te dragen. Ik schonk haar genot en nam nog meer. Ik zal je Branna geven, als je haar hebben wilt. Ze zal weer het bed met je delen, zo vaak als je wilt. Je hoeft alleen maar naar me toe te komen en je met mij te verenigen. Dan kan ze de jouwe zijn.’

‘Jij kunt haar niet weggeven.’

‘Dat komt nog wel.’

‘Niet zolang ik ademhaal.’ Fin stak zijn hand uit, met de palm naar voren en wekte de toverkracht op. ‘Kom bij me, Cabhan. Bloed komt naar bloed, zeg je. Kom bij me.’

Hij voelde de strijd, de hitte terwijl zijn toverkracht brandde. Zag net als Branna een glinstering van angst in zijn ogen. Cabhan strompelde naar voren.

‘Jij hebt mij niet te ontbieden!’

Cabhan kruiste zijn armen en trok ze met geweld uit elkaar. De betovering was verbroken. ‘Ze zullen je verraden, uit de weg gaan. Als je dood en bloedend op de grond ligt, zullen ze niet om je rouwen.’

Hij werd opgenomen in de mist, dook ineen en nam de gedaante van een wolf aan. Fin zag in gedachten zijn zwaard voor zich, dat in zijn schede in de werkplaats lag. Hij hief zijn hand op en hield het vast.

Op het moment dat hij de anderen, zijn cirkel riep, sprong de wolf naar voren.

Maar niet naar hem, de man die brandde van toverkracht, met het vlammende zwaard in zijn hand. Hij dook af op de kleine hond, die trillend in het hoge gras lag.

‘Nee!’

Fin sprong naar voren, haalde uit met zijn zwaard. Maar hij maaide slechts door de mist, en zelfs die loste op, terwijl de hond bloedend in het gras achterbleef en er een waas van schrik en pijn over zijn ogen trok.

‘Nee, nee, nee, nee.’ Fin liet zich op zijn knieën op de grond vallen. De buizerd riep. Het paard hinnikte. Beide stortten zich op de wolf, die zijn vaste gedaante weer had aangenomen en achter Fin opdook.

Met een jankende kreet verdween hij weer.

Op het moment dat Fin op de grond knielde, stond Branna naast hem.

‘O, god.’ Hij strekte zijn handen uit naar de hond, maar zij duwde ze weg.

‘Laat mij maar. Laat mij het maar doen. Ik heb helende krachten en honden horen bij mij.’

‘Zijn keel. Hij heeft zijn keel opengereten. Onschuldig, hij is volkomen onschuldig, maar in plaats van mij viel hij hem aan.’

‘Ik kan helpen. Fin, kijk me aan. Kijk in me, Fin.’

‘Ik wil je troost niet!’

‘Laat het aan haar over.’ Connor hurkte naast hem neer en legde zijn hand vastberaden op zijn schouder. ‘Laat haar het proberen.’

Hij voelde het leven van de hond wegglippen en knielde verdrietig en vol schuldgevoel en hulpeloze woede naast hem neer.

‘Rustig maar,’ zei Branna zacht, terwijl ze haar handen op de bebloede keel legde. ‘Vecht met me mee. Luister naar me, en vecht voor je leven.’

Bugs ogen draaiden weg. Fin voelde dat het hart van de hond langzamer begon te kloppen.

‘Hij lijdt.’

‘Genezen doet pijn. Hij moet vechten.’ Ze keek Fin fel aan, met ogen vol kracht en woede. ‘Zeg tegen hem dat hij moet vechten, want hij is van jou. Ik kan hem niet genezen als hij het opgeeft. Zeg het tegen hem!’

Hoewel het hem pijn deed om het te vragen, hield Fin zijn handen boven die van Branna. Vecht.

Zo veel pijn. Branna voelde het. Haar keel brandde mee, en haar hart haperde. Ze hield haar ogen strak op de ogen van de kleine hond gericht en liet haar toverkracht en haar warmte bij hem naar binnen stromen.

Eerst in de diepte, dacht ze. Genezen wat kapot is. In het koude veld, met de wind om haar heen, parelde het zweet op haar voorhoofd.

Ergens vandaan hoorde ze Connors stem, die zei dat ze moest stoppen. Het was te veel, maar ze voelde de pijn, het sprankje hoop. En het enorme verdriet van de man van wie ze hield.

Kijk me aan, zei ze tegen de hond. Kijk in me. In me. Zie in me.

Bugs jankte zachtjes.

‘Hij komt terug. Branna.’ Connor, die nog steeds op zijn hoede was en het veld afspeurde, legde een hand op Branna’s schouder en gaf haar wat hij had.

De gapende wond werd kleiner, begon dicht te trekken.

Bugs draaide zijn kop om en likte zwak haar hand.

‘Kijk eens aan,’ zei ze zacht. ‘Ja, daar ben je weer. Nog even. Nog een klein beetje. Moedig zijn, kleine man. Nog even moedig zijn.’

Toen Bugs met zijn staart kwispelde, liet Fin zijn voorhoofd tegen dat van Branna rusten.

‘Het komt goed met hem. Hij lust vast wel wat water, en hij moet uitrusten. Hij…’

Ze kon het niet helpen, kon zichzelf niet tegenhouden. Ze sloeg haar armen om Fin heen en hield hem vast.

‘Hij is genezen.’

‘Ik ben je zo veel verschuldigd…’

‘Natuurlijk niet, en ik wil niet dat je dat zegt, Fin.’ Ze trok zich voorzichtig terug en legde haar handen om zijn gezicht. Even bleven ze op hun knieën zitten, met de hond moedig kwispelend tussen hen in.

‘Je kunt hem nu maar beter naar huis brengen.’

‘Ja. Naar huis.’

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Connor. ‘Kun je ons dat vertellen? We hebben tegen Iona gezegd dat ze niet moest komen. Jezus, ze is met haar oma van het vliegveld in Galway onderweg naar huis.’

‘Niet nu, Connor.’ Branna kwam overeind. ‘De details horen we later wel. Breng hem naar huis, Fin. Ik heb een tonicum dat hem goed zal doen. Ik zal het voor je halen. Maar wat hij echt nodig heeft is rust.’

‘Wil je met me meekomen?’ Hij vond het afschuwelijk om het te vragen, om het te moeten vragen, maar hij maakte zich nog steeds zorgen om de kleine hond. ‘Om nog iets langer voor hem te zorgen, voor de zekerheid?’

‘Dat is goed. Natuurlijk. Connor, jij kunt Baru terugrijden, en de buizerds en Kathel meenemen. Ik kom snel naar huis.’

‘Nou, ik…’

Maar Branna legde haar hand in die van Fin, en in een oogwenk waren zij, Fin en de kleine hond verdwenen.

‘Oké, zoals ik dus al zei…’ Connor streek met zijn vingers door zijn haar en keek op naar Fins buizerd en zijn eigen Roibeard, die door de lucht cirkelden. Hij gaf Kathel een aai over zijn kop en sprong op Baru. ‘Ik zorg wel voor de rest.’

 

Fin stond met de hond in zijn armen in zijn keuken en probeerde te bedenken wat hij nu moest doen.

‘Ik moet het bloed van hem af spoelen.’

‘Niet hier,’ zei Branna geschokt, toen hij naar de gootsteen liep. ‘Je kunt geen hond wassen op de plek waar je de vaat doet. Je hebt vast wel een wasbak in de bijkeuken die je daarvoor kunt gebruiken.’

Hoewel hij niet inzag wat het verschil was, liep Fin door naar de waskamer met zijn helderwitte muren en zijn massieve, zwarte wasautomaten. Hij trok een kastje open en wilde waspoeder pakken.

‘In godsnaam, Fin, niet daarmee. Je wast een hond niet met waspoeder. Je hebt vloeibare groene zeep nodig, hetzelfde spul dat je ook voor je handen gebruikt.’

Hij wilde erop wijzen dat die verdomde vloeibare zeep in de verdomde keuken stond, waar hij de hond meteen al had willen wassen. Maar zij liep druk heen en weer, trok haar jas uit, hing hem aan een haakje en stroopte haar mouwen op.

‘Geef me de hond en haal de zeep.’

Prima, dacht hij, heel fijn. Zijn hersens lagen toch al in puin. Hij haalde de zeep en kwam weer binnen.

‘Je doet het hartstikke goed,’ mompelde ze tegen Bugs, die in aanbidding naar haar opkeek. ‘Je bent alleen een beetje moe en beverig. Je krijgt een lekker warm bad en wat tonicum,’ vervolgde ze, terwijl ze water in de wasbak liet lopen. ‘En als je daarna een poosje geslapen hebt, voel je je weer kiplekker.’

‘Wat is er zo lekker aan kip, vraag ik me altijd af.’ Hij liet een flinke straal vloeibare zeep in het water lopen.

‘Dat is genoeg – genoeg, Fin. Straks stikt dat arme beest nog in de zeepbellen.

Hij zette de fles op het aanrecht. ‘Ik heb iets boven – een drankje – dat hem goed zal doen.’

‘Als jij het haalt, begin ik hier vast mee.’

‘Ik ben je dankbaar, Branna.’

‘Dat weet ik. Zo, ga er maar in. Is dat niet lekker?’

‘Hij is gek op de douche.’

De hond zat in de zee van zeepbellen en zag er in Fins ogen bespottelijk uit. Branna draaide zich om.

‘Wát?’

‘Laat maar. Ik haal het tonicum.’

‘De douche, hè?’ mompelde ze, toen Fin wegliep, en ze de hond schoonwreef. Bugs hapte naar de zeepbellen en naar haar hand en toverde een zeer scherp beeld tevoorschijn van Fin, slechts gehuld in water. Hij stond in een met glaswanden afgezette doucheruimte en hield lachend de hond in zijn armen terwijl jetstream-douchekoppen hen van alle kanten natspoten en met stoomwolken omhulden.

‘Hmmm. Hij ziet er wel goed uit, hè? Maar er zit nog steeds iets van een jongetje in hem. Douchen met een hond.’

Het amuseerde en ontroerde haar – dat was geen probleem. Maar het maakte ook iets anders in haar wakker, en dat was wel een probleem.

Fin kwam terug met een mooie fles met een zeshoekige voet, gevuld met een donkergroene vloeistof. Branna wenkte hem dichterbij, waarop hij de stop eruit haalde en de fles onder haar neus hield.

‘Ah, ja, dat is precies wat hij nodig heeft. Als je drie, nee vier druppels op een koekje doet, denkt hij dat het iets lekkers is en gaat het gemakkelijker naar binnen.’

Zonder na te denken stak Fin zijn hand in zijn zak en haalde een hondenkoekje tevoorschijn.

‘Heb je die altijd bij je? Voor het geval jij of de hond honger krijgt?’

‘Ik wist niet hoe lang we weg zouden blijven,’ mompelde hij, en deed de druppels op het koekje.

‘Leg het maar even weg om in te trekken. Wij kunnen wel een oude handdoek gebruiken.’

Hij liep weer weg en kwam terug met een dikke, mosgroene handdoek.

‘Egyptisch katoen,’ merkte Branna op. Ze tilde de hond snel uit het water en vouwde de handdoek om hem heen voor hij zich kon uitschudden.

‘Ik heb geen oude handdoeken. En deze handdoek kan gewassen worden, toch?’

‘Zeker.’ Ze wreef de hond stevig droog en gaf hem een kus op zijn neus. ‘Dat is beter, hè? Lekker schoon, en je ruikt naar een citroenboomgaard. Een Egyptische nog wel. Geef hem nu maar zijn koekje, Fin, want hij is een brave hond. Een brave, dappere hond.’

Bugs richtte nu zijn aanbiddende, lieve ogen op Fin en slokte het lekkers naar binnen.

‘Hij mag wel wat water hebben voordat…’ Ze keek naar de grond en verstarde. ‘Belleek? Laat jij de hond eten en drinken uit schalen van Belleek-porselein?’

‘Ze zijn handig.’ Haastig nam hij de hond van haar over, gooide de handdoek aan de kant en zette Bugs bij de schaal met water op de grond.

De hond stond bijna een minuut lang dorstig en luidruchtig te drinken. Toen liet hij een boertje, ging zitten en keek Fin verwachtingsvol aan.

‘Hij heeft verder alleen maar een warme plek nodig om een poosje te slapen,’ zei Branna.

Fin pakte de hond op, griste een kussen van de bank in de grote kamer en liet het voor het vuur op de grond vallen.

Egyptisch katoen, Belleek-schalen en nu een kussen van damast, dacht Branna. De manegehond was een kleine prins geworden.

‘Hij is moe.’ Fin bleef op zijn hurken naast Bugs zitten om hem te aaien. ‘Maar hij heeft geen pijn. Zijn bloed is schoon. Hij heeft geen gif in zijn lichaam.’

‘Hij gaat nu slapen en wordt straks sterker wakker dan hij was. Ik moest hem een flinke oppepper geven om hem terug te halen. Hij had te veel bloed verloren.’

‘Hier krijgt hij een litteken.’ Fin liet zachtjes zijn vinger over de dunne, gekartelde lijn op de keel van de hond glijden.

‘Net als Alastar.’

Fin knikte en stond op toen de hond in slaap was gevallen. ‘Ik sta bij je in het krijt.’

‘Nee, dat is niet waar, en het is een belediging voor ons allebei om dat te zeggen.’

‘Geen belediging, Branna, dankbaarheid. Ik zal een glas wijn voor je halen.’

‘Fin, dat kan niet. Het is pas twee uur in de middag.’

‘Goed.’ Hij moest met zijn handen over zijn gezicht wrijven om de duizeligheid te verdrijven. ‘Thee dan.’

‘Dat wil ik wel.’ Het gaf hem bovendien iets omhanden, tot hij zijn evenwicht had hervonden, dacht ze, toen hij terugliep naar de keuken.

‘Ik heb hem voor de manege. Hij is hier een jaar of twee geleden komen aanlopen. Ik was niet eens thuis. Sean heeft hem gewassen en eten gegeven. En Boyle heeft zijn naam bedacht.’

‘Misschien is hij met een reden aan komen lopen, niet alleen voor wat stro om op te slapen, een hap eten en een vriendelijk woord. Hij is nu in je huis en ligt op een damasten kussen te slapen bij het vuur. Je hebt hem met Samhain meegenomen.’

‘Het is handig om hem in huis te hebben, net als de schalen.’

‘Het is meer dan dat, Fin.’

Hij haalde zijn schouders op en mat de thee af. ‘Hij heeft een sterk hart, en ik had nooit gedacht dat Cabhan aandacht aan hem zou schenken. Hij is…’

‘Onschuldig. Klein, onschuldig en goedaardig.’

‘Op een avond heb ik hem mee naar binnen genomen. Hij kan je op een bepaalde manier aankijken, daarom deed ik dat.’

Ja, hij heeft nog steeds iets van de jongen in zich, dacht ze. Plus zijn aangeboren vriendelijkheid. ‘Een hond is goed gezelschap. In mijn ogen het beste gezelschap dat je je kunt wensen.’

‘Hij rent zijn eigen staart achterna, om geen andere reden dan dat-ie daar zit. Ik heb geen koekjes,’ besefte hij, na een korte zoektocht. ‘Tenminste niet van de menselijke soort.’

‘Thee is prima. Doe maar alleen thee.’

Ze begreep dat hij bij de hond in de buurt wilde blijven, dus nam ze een stoel dicht bij het vuur en wachtte tot hij met de thee bij haar kwam zitten.

‘Vertel me wat er is gebeurd.’

‘Ik had zin om paard te rijden. Een stevige galop, door de heuvels, over het open veld.’

‘Net zoals ik door mijn tuin wilde lopen. Ik begrijp de behoefte.’

‘Dat geloof ik direct. Ik was van plan om een eind te gaan rijden en de buizerd onderweg wat te laten jagen en ik nam Bugs mee om hem een avontuurtje te bezorgen. Jezus nog aan toe.’

‘Je paard, je buizerd en je hond.’ Zijn schuldgevoel was bijna tastbaar en ze hoopte dat ze het een beetje kon verlichten. ‘Waarom zou je dat niet doen? Jij bent de enige van ons die met alle drie een band heeft.’

‘Ik was niet naar Cabhan op zoek, maar eerlijk gezegd was ik blij dat hij mij vond.’

‘Net als ik toen ik door mijn tuin liep. Ik begrijp het wel. Viel hij je aan?’

‘Hij begon met zijn gebruikelijke praatjes. Zijn bloed stroomt door mijn aderen, jullie zullen me allemaal verraden, uit de weg gaan, enzovoort. Je zou denken dat het hem zelf onderhand net zo de keel uit zou hangen als mij, maar hij houdt nooit op. Hoewel hij me dit keer beloofde dat hij jou aan me zou geven, als ik dat zou willen. Dat was nieuw.’

Branna hield haar hoofd schuin en haar stem klonk gortdroog. ‘O, beloofde hij dat?’

‘Ja. Hij begrijpt heel goed wat verlangen is. Hij begrijpt de honger van de begeerte, maar snapt niets van het hart of de ziel. Hij weet dat ik jou wil, maar hij zal nooit begrijpen waarom. Ik draaide de rollen om en begon hem naar me toe te trekken. Het verraste hem even dat ik dat kon, en hij werd erdoor uit zijn evenwicht gebracht. Ik riep de drie, want dat hadden we beloofd, en terwijl hij in de wolf veranderde, trok ik het zwaard dat boven in de kast lag naar me toe en liet het branden.’

Hij zweeg even om zichzelf weer in de hand te krijgen. ‘Ik had hem kunnen afweren, dat weet ik zeker. Ik had hem samen met Baru en Merlijn bezig kunnen houden tot jullie kwamen en dan hadden we hem samen te grazen kunnen nemen. Maar hij viel mij niet aan. Hij schoot langs me heen en pakte Bugs bij de keel. Het ging allemaal zo snel. Ik vloog op hem af en probeerde hem te verwonden met mijn zwaard, maar hij loste op. Hij pakte de hond, die nauwelijks iets weegt, scheurde zijn keel open en verdween voor ik iets kon doen. Mij liet hij met rust.’

‘Nee, dat deed hij niet. Hij deed een aanval op je hart. Baru, Merlijn, jijzelf? Dat was een strijd geworden. Via de kleine hond kon hij jou treffen zonder zelf risico te lopen. Hij is altijd een vuile lafaard geweest en dat zal hij altijd blijven.’

‘Hij besloop me van achteren, toen ik naar de hond ging.’

Omdat Fin eerst aan de hond dacht en daarna pas aan zijn eigen veiligheid, wist Branna. ‘Hij wist dat je dat zou doen. Dat je naar de hond zou gaan, die hulpeloos en gewond was. Die bij jou hoorde.’

‘Ik zou de confrontatie met hem zijn aangegaan, van man tot man. Van heks tot heks.’ Fins groene ogen schoten vuur, nu zijn schuldgevoel werd verdrongen door woede. ‘Dat is wat ik wilde.’

‘Dat willen wij allemaal, maar dat is niet zijn manier. Je mag dan uit hem zijn voortgekomen, maar je bent niet van hem. Hij blijft je lastigvallen, omdat hij niet kan begrijpen dat je er niet voor hebt gekozen je bij hem aan te sluiten.’

‘Jij hebt me verlaten omdat ik van hem ben.’

‘Ik heb je verlaten omdat ik geschokt was, en gekwetst en kwaad. En daarna omdat ik aan een eed gebonden ben.’ Ze sloot haar hand om de hanger om haar hals. ‘Ik ben door Sorcha en alle anderen die na haar zijn gekomen, tot Connor, Iona en mij aan toe, gebonden om alles wat we zijn te gebruiken om de wereld van hem te verlossen.’

‘Van hem en van al degenen die uit hem zijn voortgekomen.’

‘Nee. Nee.’ Op ieder ander moment zou ze woedend zijn geworden, maar ze voelde onder al zijn andere emoties nog steeds zijn schuldgevoel. ‘Je komt uit hem voort, maar je bent een van ons. Ik weet nu wat dat betekent. Ik geloof dat degenen die ons zijn voorgegaan hun doel niet hebben bereikt omdat ze jou niet bij zich hadden. Zij hadden zijn bloed niet. Zij hadden jou niet, Fin, met je macht, je trouw en je goede hart.’

Hij hoorde de woorden en geloofde dat ze ze meende. Maar toch. ‘Ik ben een van jullie, maar je wilt niet met me samen zijn.’

‘Hoe kan ik daaraan denken, Fin? Hoe kan ik daaraan denken, terwijl ik nu alweer de druk voel om te doen wat we hebben gezworen te doen? Ik kan niet verder kijken dan dat. En als ik dat wel doe, als ik mezelf toesta na te denken over wat er misschien gaat gebeuren als dit achter de rug is, zie ik niet het leven voor me dat we ons ooit samen hebben voorgesteld. We waren nog zo jong…’

‘Onzin, Branna. Wat wij voor elkaar voelden was ouder dan de tijd. We waren geen onnozele kinderen die maar wat speelden met de liefde.’

‘Hoeveel gemakkelijker zou het zijn geweest als dat wel zo was? Nu ook? Als het slechts een spelletje was, Fin, zouden we niet hoeven nadenken over morgen. Wat voor toekomst zouden wij samen kunnen hebben? Wat voor leven?’

Hij staarde in het vuur en wist dat ze de waarheid sprak.

Maar toch.

‘Geen leven, dat weet ik wel, maar toch heb ik het gevoel dat dat meer is dan we ooit zonder elkaar zullen hebben. Jij bent de rest van mij, Branna, maar ik ben op dit moment zo moe dat ik doe alsof dat niet zo is.’

‘Denk je dat ik geen verdriet heb om wat had kunnen zijn?’ De pijn golfde door haar heen en klonk door in haar stem. ‘Dat ik er niet naar verlang?’

‘Dat heb ik steeds gedacht. Die gedachte heeft me op de been gehouden.’

‘Dan heb je verkeerd gedacht, en misschien ben ik ook wel te moe om te doen alsof. Als het alleen om mijn hart ging, dan zou dat van jou zijn.’

Ze haalde beverig adem toen hij zijn blik van het vuur afwendde en haar aankeek.

‘Het kan van niemand anders zijn. Het is al verloren. Maar het gaat niet alleen om mijn hart, en ik kan niet doen alsof dat wel zo is.’ Ze hield de hanger omhoog. ‘Toen mijn vader dit aan me gaf, had ik een keus. Hij vertelde me dat ik ervoor kon kiezen om hem wel of niet aan te nemen. Maar als ik hem aannam, was de keus gemaakt. Ik zou een van de drie zijn, en ik zou gebonden zijn aan de eed om boven alles te proberen af te maken waar Sorcha aan was begonnen. Ik zal je niet verraden, Fin, maar ik zal ook mijn bloed niet verraden. Ik kan niet denken aan wensen en verlangens, ik kan niet nastreven wat misschien had kunnen zijn. Mijn doel stond al voor mijn geboorte vast.’

‘Dat weet ik ook.’ Er waren momenten dat het weten hem uitholde. ‘Je doel neemt je hoofd, je kracht, je geest in beslag, maar je kunt je hart niet scheiden van de rest.’

‘Het is voor mij de enige manier om te doen wat ik moet doen.’

‘Voor mij is het een raadsel hoe je kunt geloven dat al degenen die je zijn voorgegaan willen dat je ongelukkig bent.’

‘Dat geloof ik ook niet, natuurlijk niet. Ik geloof dat al degenen die me zijn voorgegaan willen dat ik doe wat er gedaan moet worden, waar we allemaal een eed op hebben gezworen. Ik…’ Ze aarzelde, niet zeker of ze kon verwoorden wat er in haar omging. ‘Ik weet echt niet, Fin, hoe ik bij jou kan zijn en tegelijkertijd kan doen wat ik moet doen. Maar ik kan je wel beloven dat ik je geen pijn wil doen en je niet wil straffen. Misschien was dat lang geleden wel zo, toen ik zo jong en bang was, en zo gekwetst. Maar zo is het nu niet meer. Helemaal niet meer.’

Hij bleef enige tijd stil zitten en keek haar toen weer aan. ‘Vertel me één ding. Alleen dit ene. Hou je van me?’

Ze kon liegen. Hij zou weten dat ze loog, maar de leugen zou zijn doel dienen. Maar liegen was laf.

‘Ik heb nooit van iemand zo gehouden als van jou. Maar…’

‘Dat is genoeg. Het is genoeg om je te horen zeggen wat je al meer dan tien jaar niet meer tegen me hebt gezegd. Wees dankbaar dat ik bij je in het krijt sta.’ Er brandde een gloeiend vuur achter zijn ogen. ‘Ik sta bij je in het krijt voor wat daar ligt te slapen. Als dat niet zo was, zou ik een manier vinden om je bij me in bed te krijgen en een eind maken aan deze kwelling.’

‘Zou je me verleiden? Overhalen?’ Ze wierp haar haar naar achteren en stond op. ‘Ik stap bij geen enkele man in bed, tenzij ik daar zelf voor kies.’

‘Natuurlijk, en die keus maak je uitsluitend met je hoofd. Voor zo’n slimme vrouw kun je verbazend dom zijn.’

‘Nu je me weer gaat beledigen, stap ik op. Ik heb werk te doen.’

‘Ik breng je wel. Met de auto,’ zei hij, terwijl een woedende uitval op haar lippen brandde. ‘Het heeft geen zin om Cabhan vandaag een tweede doelwit te bezorgen, als hij nog in de buurt is. En ik zal blijven om met je te werken, zoals we hadden afgesproken. Ik streef hetzelfde doel na als jij, Branna, al denken we nog zo verschillend over het leven dat we rond dat doel moeten leiden.’

Die uitval was er misschien evengoed gekomen – ze kon zich heel snel tot een kookpunt opwerken en doorgaan tot de stoom uit haar oren kwam – maar toen zag ze de bezorgde blik die hij op de hond wierp.

Laat ook maar.

‘Dat is prima, er is werk genoeg. Neem de hond maar mee. Hij slaapt wel door de autorit heen, en daarna kan Kathel voor hem zorgen.’

‘Dat vind ik een prettig idee. O ja, en er is nog iets. Iona zegt dat ik hier op oudejaarsavond een feest geef. Dus dan weet je dat.’

‘Een feest?’

‘Waarom herhaalt iedereen dat woord, alsof ik een vreemde taal spreek?’

‘Misschien omdat ik me niet kan herinneren dat je ooit eerder een feest hebt gegeven.’

‘Dan is dit de eerste keer,’ mompelde hij, en hij pakte de hond op.