Hoofdstuk 1
De belangrijke dingen in het leven gebeurden altijd per ongeluk.
Op haar vijftiende wist ze eigenlijk nog niet veel, en ieder jaar
werden de meeste dingen haar minder duidelijk. Maar dit wist ze
wel: je kon jezelf ziek tobben over de vraag hoe je een beter mens
kon worden, je kon duizend nachten slapeloos doorbrengen, piekerend
hoe je zuiver en fatsoenlijk en oprecht moest leven en je kon een
plan maken en je er spijkerhard aan houden, iedere avond bij je bed
knielen en God zweren dat je je eraan zou houden, verdomme, je kon
naar de kerk gaan en zoals het hoorde een gelofte doen. Je kon met
stijf dichtgeknepen ogen zevenmaal je hand op je hart leggen, je in
je duim snijden en erin knijpen en met je eigen bloed plechtig eden
op een steen schrijven en deze dan klokslag middernacht in de
rivier gooien. En dan, uit het pikkedonker verderop, als een havik
op een rat, dook een naamloze ramp op je leven neer en zette alles
voor altijd op zijn kop.
Skye bedacht later dat de oude havik die bewuste nacht
waarschijnlijk buiten op het dak op zijn kans had zitten loeren en
de rat had geobserveerd om een beetje pret te maken, want het was
allemaal heel rustig begonnen toen die twee vrouwen het café in
waren komen struinen. Ze wist niet wie ze waren, maar wat ze waren
was voor iedereen duidelijk te zien. Ze droegen meer make-up dan
kleren, en aan de wankele manier waarop ze op hun hoge hakken
liepen zag ze dat ze al vaag waren van de drank. Ze droegen beiden
strakke kleine topjes, de ene een rood, de andere een zilveren met
franje, en de voorste vrouw, die lang zwart haar had en wier
borsten werden opgedrukt als meloenen op een kastplank, droeg een
rokje dat zo kort was dat ze het evengoed niet had kunnen dragen.
De muziek in het café bonkte luid, en de vrouw met het zwarte haar
probeerde er toen ze binnenkwamen een paar danspasjes op te maken,
waardoor ze bijna op haar bek ging.
De mannen die ze bij zich hadden liepen vlak achter hen en gingen
schuil achter de vrouwen terwijl ze hen door de menigte loodsten.
Beiden droegen een cowboyhoed, en in het afgescheiden gedeelte aan
de andere kant van het café, waar Skye en haar vrienden en
vriendinnen zaten, kon ze hun gezichten niet zien. Niet dat het
haar ook maar in de verste verte interesseerde. Ze was zelf meer
dan zomaar bezopen. De lichten waren gedempt tot een doffe rode
gloed en door de kolkende sigarettenrook registreerde ze niet meer
dan twee trieste kerels van rond de veertig die zich jonger
probeerden te voelen en ongetwijfeld hun vrouw aan het bedriegen
waren. Skye wendde haar blik af. Ze pakte haar glas bier, nam een
slok en stak nog een sigaret op.
Ze keek voornamelijk naar ze omdat ze zich verveelde, wat ook
ietwat treurig was, in aanmerking genomen dat ze jarig was. Jed en
Calvin zaten straalbezopen en stomgeslagen naast haar, Roxy zat nog
in haar handen te huilen om iets wat Craig tegen haar had gezegd en
Craig zat nog te vloeken over zijn auto, dat wrak dat ermee was
opgehouden. Weer een avond in pretstad, zei Skye tegen zichzelf, en
nam nog een slok - leuke verjaardag.
Het café was een godverlaten krot, dat zo dicht bij de spoorlijn
lag dat de flessen trilden en rinkelden als er een trein
voorbijkwam. Om redenen die niet moeilijk te doorgronden waren
lieten de smerissen de kroeg met rust, en zolang je maar geen luier
droeg kneep het personeel wel een oogje dicht als je te jong was om
te mogen drinken. Een groot deel van de klanten was dus ongeveer
even oud als Skye. Zeker een hoop jonger dan de vier die net waren
binnengekomen. Ze stonden nu bij de bar te wachten om iets te
bestellen. Ze stonden met hun rug naar haar toe, en Skye merkte dat
ze weer naar ze zat te staren.
Ze keek hoe de handen van de grote kerel zich over de heupen en het
achterste van de vrouw met het zwarte haar en toen omhoog langs
haar ruggengraat naar haar blote schouders bewogen en zag hoe hij
zich naar haar toe boog en met zijn neus in haar nek porde. Jezus,
hij stond haar af te likken. Wat grof konden sommige kerels zijn.
Wat was er toch met vrouwen loos? Hoe konden ze het verdragen door
griezels als die daar te worden ondergekwijld? Al dat gedoe met
seks was iets waarvan Skye nog steeds niets snapte, en ze
betwijfelde of ze er ooit iets van zou snappen. O, ze deed het
natuurlijk wel. Iedereen deed het. Maar ze was er nog steeds niet
achter waarom er zo'n drukte over werd gemaakt.
De man moest iets smerigs hebben gefluisterd, want de vrouw gooide
opeens haar hoofd achterover, lachte rauw en deed een speelse
poging hem een klap te geven. De man lachte ook, draaide zich met
een ruk om om de klap te ontwijken en zijn hoed viel van zijn hoofd
en voor het eerst kon Skye zijn gezicht zien.
Het was haar stiefvader.
Gedurende die paar momenten voordat zijn blik de hare ontmoette,
ving ze op zijn gezicht een glimp op van een uitdrukking die ze nog
nooit had gezien, een soort innerlijk gezicht dat nog steeds dat
van een jongen was, losjes en vrolijk en vreemd kwetsbaar. Toen zag
ze dat hij haar herkende en de jongen verdween even snel als hij
verschenen was. Zijn gezicht betrok en verkrampte en werd weer het
gezicht dat ze kende en waar ze bang voor was en waar ze een hekel
aan had, het gezicht dat ze zag als hij in de kleine uurtjes
ziedend van drank en woede naar de camper terugkwam en als hij haar
moeder een bruine slet noemde en haar sloeg tot ze om genade brulde
en hij zijn smerige aandacht op Skye richtte.
Hij rechtte zijn rug, legde zijn hoed op de bar en zei iets tegen
de vrouw, die zich omdraaide om met een blik die ergens tussen
minachting en ongeïnteresseerdheid lag naar Skye te kijken. Hij
kwam nu op haar hoek af. Skye drukte haar sigaret uit in de hoop
dat hij hem niet had gezien. Ze stond op.
'Laten we gaan,' zei hij zachtjes. Maar ze zat klem in haar hoek.
Aan de ene kant zat Robbie tegen Craigs schouder te snikken en had
dus niets gehoord, en aan de andere kant waren Calvin en Jed nog
niet terug op de wereld. Haar stiefvader stond nu bij de tafel en
zijn blik inventariseerde het bewijsmateriaal: de bierflesjes, de
overstromende asbakken, de comateuze zwervers die ze bij voorkeur
als gezelschap had.
'Wat voer jij hier uit?'
'Toe nou, ik ben jarig.' Het klonk pathetisch, maar het was de
moeite waard het te proberen. Ze overwoog zelfs even hem 'Pap' te
noemen, zoals ze korte tijd had gedaan nadat hij en haar moeder
waren getrouwd, voordat hij had laten blijken wat een smerige,
weerzinwekkende klootzak hij werkelijk was. Ze kreeg het woord
echter niet uit haar mond.
'Hou op met die bullshit. Je bent pas vijftien! Wat denk je
wel?'
'Ach, laat haar toch met rust, man. We maken gewoon een beetje
pret.' Dit was Jed, die weer aan de oppervlakte was gekomen. Skyes
stiefvader boog zich voorover, greep hem bij de keel en trok hem
half over de tafel heen.
'Had je wat, klein stuk stront?'
Door Jeds gewicht kantelde de tafel en alles behalve hijzelf gleed
in een lawine van brekend glas op de vloer. Craig was overeind
gekomen en probeerde Skyes stiefvader bij zijn arm te pakken, maar
deze draaide zich in één beweging om en met de hand waarmee hij Jed
niet wurgde gaf hij de jongen een stoot recht in zijn gezicht. Roxy
gilde.
'In godsnaam,' riep Skye. 'Hou op! Hou op!'
Ze besefte dat iedereen in het café naar hen keek. Een van de
kelners kwam naar hen toe, samen met de man met wie haar stiefvader
was binnengekomen. 'Hé jongens, doe es een beetje kalm aan, hè?'
zei de kelner. Skyes stiefvader duwde Jed zo hard op zijn plaats
terug dat diens hoofd met een klap tegen de tussenwand sloeg. Craig
lag met een bloedende mond op zijn knieën en Roxy hing snikkend
over hem heen gebogen en probeerde hem te helpen. De borst van
Skyes stiefvader rees en daalde. Hij hield zijn ogen onheilspellend
half dichtgeknepen en richtte zijn blik op de kelner.
'Heb je deze kinderen alcohol geschonken?'
De kelner hield zijn handen op. 'Meneer, laten we alstublieft
rustig blijven.'
Hij was lichtgebouwd en ongeveer dertig centimeter kleiner dan
Skyes stiefvader. Hij had lang haar, dat hij in een paardenstaart
droeg.
'Nou? Heb je ze alcohol geschonken?'
'Ze zeiden dat ze eenentwintig waren.'
'En dat geloofde je? Heb je ze naar een identiteitskaart
gevraagd?'
'Meneer, kunnen we hier niet even...'
'Nou?'
Skye stond op en wrong zich de hoek uit.
'Oké, we gaan, goed? We gaan!'
Haar stiefvader draaide zich om en hief zijn hand om haar een klap
te geven, en ook al geboden al haar instincten haar ineen te
duiken, op een of andere manier lukte het haar dit niet te doen. Ze
bleef rechtop staan en keek hem vernietigend aan. Ze rook zijn eau
de cologne, en deze was zo weerzinwekkend en de herinneringen die
het losmaakte zo smerig dat ze bijna begon te kokhalzen.
'Waag het niet me aan te raken.'
Het was weinig meer dan een gefluister. Hij werd er echter door
verlamd, of misschien kwam het door alle blikken die op hem gericht
waren. Hoe dan ook, hij liet zijn hand zakken.
'Naar huis, jij kleine indiaanse hoer. Ik spreek je nog wel.'
'De enige hoeren hier zijn die twee waarmee jullie naar binnen zijn
gekomen.'
Hij dook op haar af, maar ze sprong buiten het bereik van zijn
handen en rende naar de deur. Over haar schouder zag ze dat zijn
vriend en de kelner zijn armen hadden vastgepakt om te voorkomen
dat hij achter haar aan zou gaan. Ze schoot de nacht in en zette
het op een rennen.
De lucht was een hete en klamme deken en ze voelde de tranen over
haar wangen lopen. Ze stikte bijna van woede dat ze zo zwak was dat
die zak haar aan het huilen maakte. Er kwam een goederentrein
voorbij en ze rende mee, kijkend hoe de lichten verderop knipperden
tussen de wagons. Er waren ook lichten aan haar kant van de rails,
aan een draad boven haar hoofd, elk met zijn paniekerige aura van
insecten. De trein leek vele kilometers lang te zijn en van heel
ver, al buiten het stadje, hoorde ze de klagende kreet van de
locomotief, als een veroordeling van de treurige wereld waar hij
zojuist doorheen was gekomen. Had de trein langzamer gereden dan
was ze erin geklommen en had ze zich laten meevoeren naar de plek
in de wereld waarheen hij op weg was.
Ze rende en rende zoals ze altijd rende. En het deed er niet toe
waarheen, want waar het ook was, het kon niet erger zijn dan waar
ze zich bevond en waar ze zich bevonden had. Ze was voor de eerste
keer van huis weggelopen toen ze vijf was geweest en had het
sindsdien nog vele keren gedaan. En ze was er altijd door in de
problemen gekomen, maar godnogantoe, welke problemen bestonden er
nog waar ze niet al eens mee te maken had gehad?
Ze rende nu tot haar door rook geschroeide longen het niet meer
volhielden, en toen ze uiteindelijk bleef staan kwam de laatste
wagon voorbij en stond ze dubbelgebogen met haar handen op haar
knieën, hijgend en kijkend hoe de achterlichten kleiner en kleiner
werden tot de nacht ze opslokte alsof ze er nooit waren geweest.
Ergens in het donker blafte een hond, en een man schreeuwde dat hij
moest ophouden, maar de hond trok zich er niets van aan.
'Geeft niet. Je kunt de volgende ook nog nemen.'
Ze schrok van de stem. Het was de stem van een man, en hij kwam van
vlakbij. Skye zocht de duisternis om zich heen af. Ze stond in iets
wat een verlaten houtopslag leek te zijn. Ze zag hem niet.
'Hier.'
Hij zat op de grond, met zijn rug tegen een stapel rottende en door
onkruid overwoekerde hoekpalen, en hij zag eruit alsof hij zelf ook
uit de grond was komen groeien, want zijn haar was lang en warrig
en hetzelfde gold voor zijn baard. Hij was een blanke jongen, ouder
dan Skye. Achttien of negentien misschien, en heel mager. Hij droeg
een gescheurde spijkerbroek en een T-shirt met de afbeelding van
een brullende Chinese draak. Een stoffige duffelse tas lag op de
grond naast hem. Hij rolde een joint.
'Waarom huil je?'
'Ik huil niet. Wat maakt jou dat trouwens uit?'
Hij haalde zijn schouders op. Een tijdje zeiden ze geen van beiden
iets. Skye draaide zich om alsof ze andere dingen te doen had of
ergens anders over moest nadenken. Ze veegde de nattigheid van haar
wangen, wat ze voor hem probeerde te verbergen. Ze wist dat ze daar
waarschijnlijk weg moest. Er hingen hier bij de spoorbaan altijd
allerlei griezels en gestoorden rond. Maar iets in haar, een naïeve
hunkering naar troost of gezelschap, dwong haar te blijven. Ze keek
weer naar hem. Hij likte aan het vloeitje en plakte de joint dicht,
stak hem op en nam een lange haal. Hij maakte er een uitnodigend
gebaar mee.
'Hier.'
'Ik doe niet aan drugs.'
'Nee, natuurlijk niet.'
De auto die ze stalen was van iemand met kleine kinderen. Er
zaten zitjes achterin en de vloer was bezaaid met speelgoed en
plaatjesboeken en snoepverpakkingen. De jongen wist wat hij deed,
want het kostte hem maar een paar minuten om het deurslot te kraken
en de motor te starten. Na een paar kilometer stopten ze, zodat hij
de kentekenplaten kon verwisselen met die van een andere auto.
Hij zei dat hij Sean heette, en ze vertelde hem hoe zij heette en
dat was alles wat ze van elkaar wisten, behalve dat ze een pijn of
een verlangen gemeen hadden dat niet onder woorden gebracht hoefde
te worden. Verder leek niets ertoe te doen, niet waar ze heen
gingen noch waarom.
Ze reden naar het noorden tot ze de snelweg bereikten en sloegen
toen af naar het westen, met een rivier aan de ene kant en de
dageraad die als een steeds breder rood litteken over de eindeloze
vlakten achter hen opkwam. Lange tijd zeiden ze geen van beiden
iets, en Skye zat achterstevoren op haar stoel, wachtend tot de zon
zich zou vertonen. Toen dit uiteindelijk gebeurde zette hij het
land in vuur en vlam met karmozijn en paars en goud en wierp lange
schaduwen vanuit de populieren en rotsen en het zwarte vee dat
langs de rivier graasde, en Skye dacht dat het het mooiste was dat
ze ooit in haar leven had gezien.
Op de vloer vond ze een plaatjesboek dat ze zich herinnerde van
toen ze nog klein was. Het ging over een jongetje, Bernard, wiens
ouders nooit naar hem luisteren. Op een dag verschijnt er een
monster in de achtertuin en Bernard rent naar binnen om zijn ouders
te waarschuwen, maar ook dan luisteren ze niet. Het monster eet hem
op, loopt naar binnen en brult tegen de ouders, maar ze denken dat
het Bernard maar is die zich aanstelt en slaan er geen acht op.
Omdat ze niet bang zijn, verliest het monster ieder zelfvertrouwen.
Skye bladerde door naar de laatste bladzijde, die haar altijd zo
treurig had gemaakt. Het arme monster is naar bed gestuurd en zit
daar helemaal alleen in het donker, verloren en zwak, en voelt zich
volledig mislukt.
Ze gingen van de snelweg af om benzine te tanken. De cafetaria ging
net open en ze namen koffie en muffins en installeerden zich aan
een tafeltje bij het raam terwijl een oude vrouw de vloer om hen
heen dweilde. Terwijl ze aten vroeg hij haar hoe oud ze was, en ze
loog dat ze zeventien was. Ze zei dat ze in South Dakota was
geboren en dat ze van moederskant half Oglala Sioux was, en hij zei
dat daar niets mee mis was maar zij zei dat er volgens haar wel
iets mee mis was en bovendien wist ze helemaal niets van dat volk
of zijn geschiedenis af, behalve dat het tjokvol zat met pijn en
ellende, en ze had van beide al genoeg gehad om er haar hele leven
verder mee toe te kunnen, dank je wel.
Hij vertelde haar dat hij uit Detroit kwam en dat zijn ouders en
zijn oudere broer in de gevangenis zaten, maar hij zei niet waarom
en Skye vroeg er niet naar. Op zijn veertiende was hij vertrokken,
en de afgelopen drie jaar had hij overal rondgezworven. Hij zei dat
hij in Mexico en Nicaragua en El Salvador was geweest en dat hij
dingen had gezien die hij zich nooit had kunnen voorstellen en die
hij nooit geloofd zou hebben.
'Zoals?'
'Magie. Sjamanen. Mensen die door vuur lopen en er geen schrammetje
aan overhouden. Mensen die sterven omdat ze vervloekt zijn. Ik heb
gezien hoe een dode vrouw tot leven werd gewekt.'
Skye vroeg hem ernaar, maar hij wilde het haar niet vertellen. Ze
vroeg waarom hij in Montana zat, en hij zei dat hij daar was omdat
hij een grizzlybeer in het wild wilde zien. Hij zei dat hij in
Mexico had geleerd dat het zijn spirituele dier was en dat hij in
een ander leven een beer was geweest. Ze lachte, omdat die magere
jongen in de verste verte niets van een beer weg had. Een stekend
insect misschien, of een giraffe of zo, maar een grizzly? Geen
denken aan. Hij keek gekwetst en zei niets meer, en dus bood ze
haar excuses aan. Hoewel het haar moeite kostte haar gezicht in de
plooi te houden, vroeg ze hem hoe hij een grizzly dacht te vinden.
Hij gaf toe dat het niet eenvoudig zou zijn, maar hij had zo'n idee
dat ze naar Glacier Park moesten, want hij had ergens gehoord dat
dat een goede plek was om met zoeken te beginnen.
Skye knikte en probeerde ernstig te kijken.
'Goed,' zei ze.
'Weet jij soms iets beters?'
Ze kon wel honderd dingen bedenken.
'Ach,' zei ze, 'het kan me ook geen donder schelen.'
De rest van de dag reden ze door terwijl de zon zijn baan over hun
hoofden trok en net als zij koers zette naar de bergen die met hun
besneeuwde toppen steeds groter voor hen opdoemden,
's Middags werd het zo heet dat ze van de snelweg af gingen en over
kronkelende smalle weggetjes reden, door een bos dat zoemde van de
insecten. Ze vonden een kreek met een kolkende poel erin en zwommen
naakt en zonder zich te schamen in het koude en heldere water,
waarna ze in een weiland vol wilde bloemen gingen liggen en zich in
de zon lieten drogen terwijl de vlinders om hen heen dansten. Hij
zei dat ze mooi was en ze dacht dat hij haar misschien wilde
aanraken en wilde het zelf ook half en half, maar hij staarde
alleen maar naar de lucht en rookte nog een joint en scheen
nauwelijks te beseffen dat ze daar lag.
Tegen de tijd dat ze op de snelweg terugkwamen vulde de hemel in
het westen zich met grote grijze donderkoppen, waartussen de zon
bij vlagen bleek en koud en metalig oplichtte terwijl de bliksem
van hun kolkende buiken naar de bergmassa eronder flikkerde.
Ze zag de politiewagen eerder dan hij. Iets deed haar
achteromkijken, en terwijl ze dit deed zette de smeris zijn
zwaailichten aan. Sean keek in de achteruitkijkspiegel en zei
niets. Hij zag er niet bang of zelfs maar bezorgd uit, alleen maar
stoned. Hij hield in, zette de auto stil in de berm en de
politiewagen erachter deed hetzelfde. De smeris bleef een tijdje in
zijn auto zitten, ongetwijfeld inlichtingen vragend via zijn
radio.
'Wat zeggen we?'
Sean haalde zijn schouders op.
De smeris stapte uit en liep langzaam hun kant op. Sean draaide het
raam omlaag, terwijl hij de politieman voortdurend in de
buitenspiegel in de gaten hield. Toen de smeris naast hen stond
boog hij zich zo voorover dat hij Skye kon bekijken. Hij was jong,
halverwege de twintig misschien, met een keurig bijgehouden
peper-en-zoutkleurig snorretje en blauwe ogen die ver uit elkaar
stonden en vriendelijk keken. Hij tikte tegen zijn pet en Skye zond
hem haar liefste glimlach toe.
'Goeiedag. Waar gaan jullie heen?'
'Glacier,' zei Sean zonder hem aan te kijken.
'Leuk. Vakantie?'
'Ja.'
'Is dit uw auto?'
'Van een vriend.'
'Aha. Oké. Mag ik even uw rijbewijs, kentekenbewijs en
verzekeringspapieren zien?'
Sean draaide zich om om zijn tas te pakken. Skye had opeens het
vervelende gevoel dat hij er een pistool in had zitten en dat hij
iets doms en afgrijselijks zou doen. Hij scheen zich echter te
bedenken en draaide zich weer om naar de smeris.
'Dat was ik vergeten. Het is allemaal gestolen.'
Er veranderde en verhardde zich iets in de blik van de
politieman.
'Zou u even uit de auto willen komen, meneer?'
Hij richtte zich op en stak zijn hand uit naar de deurhendel, en op
hetzelfde moment zette Sean de auto in de versnelling. De smeris
rukte de deur open en probeerde Seans schouder te pakken, maar de
auto reed al en hij verloor zijn evenwicht en viel en terwijl hij
viel gleed zijn arm omlaag achter Seans stoel, en verdraaide en
kwam vast te zitten. Hij gaf een schreeuw.
'Stop!' riep Skye. 'Stop!'
Er klonk een hard, krakend geluid en Skye begreep uit de schreeuw
die hierop volgde dat het het geluid van het breken van de arm van
de agent was geweest. Sean hoorde het echter niet of het kon hem
niet schelen. Hij drukte alleen het gaspedaal dieper in, zodat de
banden piepten en rookten en de auto weer de snelweg op slingerde
en de schreeuwende en gillende politieman meesleurde. Skye
schreeuwde ook.
'Ben je gek geworden? Remmen! In godsnaam, stop!'
Hij stopte echter niet. Ze stak haar arm uit om de versnellingspook
in zijn vrij te slaan, maar hij gaf haar een hevige zet terug en
haar hoofd bonkte tegen het raam aan de passagierskant. Met zijn
linkerhand probeerde hij de arm van de politieman achter zijn stoel
uit te krijgen, maar de arm wilde niet loskomen. De deur bleef
tegen de arme man openzwaaien en dichtslaan, en als hij openging
zag Skye zijn gezicht boven de vloer van de auto. Er zat een
bloederige snee over de hele zijkant en zijn ogen stonden star van
angst.
Ze slingerden over de banen van de snelweg en Skye werd zich bewust
van het luide getoeter van andere auto's. Ze passeerden een open
vrachtwagentje; achterin stond een grote bruine hond en de
chauffeur toeterde en schreeuwde tegen hen en de hond blafte
terwijl hij probeerde zijn evenwicht te bewaren toen het
vrachtwagentje een zwaai maakte om hen te ontwijken.
'Idioot!' schreeuwde Skye.
'Kop dicht!'
Plotseling klonk er een scheurend geluid en toen een harde bons, en
toen Skye achteromkeek zag ze het lichaam van de politieman achter
hen opspringen tegen het wegdek en om zijn as tollen en over de weg
stuiteren.
'Jij godvergeten krankzinnige! Wat doe je?'
De afgerukte arm van de politieman zat nog steeds klem achter de
stoel van de jongen. Hij rukte hem los, gooide hem naar buiten en
sloeg het portier dicht. Skye gilde en begon hem te slaan en hij
raakte haar hard op haar mond. Ze voelde een tand afbreken en er
begon bloed te stromen, en hierdoor wilde ze hem des te meer slaan
en met al haar kracht en woede haalde ze naar hem uit en zette haar
nagels in zijn gezicht en haar tot hij haar uiteindelijk zo'n harde
stomp gaf dat ze iets in haar hoofd voelde knappen alsof ze van
binnenuit werd opgeslokt, en ze zakte onderuit in haar stoel en
keek hoe de wereld in een rode verdovende mist van haar
wegzwierde.