13 ZES DAGEN
Arriane leidde hen zo snel ze kon door het labyrint van het donkere casino. Ze bewoog zich voort alsof ze in het donker alles prima kon zien.
‘Maken jullie je maar niet druk,’ zei ze zangerig. ‘Ik heb jullie hier zo uit.’
Ze hield Luce’ pols stevig beet, en Luce hield op haar beurt Miles’ hand vast; Miles hield die van Shelby vast, en die liep te tieren dat het een schande was dat zij de hekkensluiter was.
Arriane leidde hen er feilloos doorheen, en hoewel Luce niet zag wat ze deed, hoorde ze mensen kreunen en kreten slaken toen Arriane hen met haar schouders opzij duwde. ‘Sorry!’ riep ze dan. ‘Oeps!’ en ‘Neem me niet kwalijk!’
Ze nam hen mee door donkere gangen vol angstige toeristen die hun mobiele telefoon als zaklamp gebruikten. Donkere trappen op, waar het muf rook doordat ze lang niet gebruikt waren en die vol stonden met lege kartonnen dozen. Op een gegeven moment schopte ze een nooduitgang open en leidde hen erdoorheen, een donkere, smalle steeg in.
De steeg zat weggestopt tussen het Mirage en een ander torenhoog hotel. Een rij afvalcontainers verspreidde een smerige geur van kostbaar rottend voedsel. Felgroen water dat uit een gootpijp druppelde, vormde een goor stroompje dat de steeg doormidden deelde. Recht voor hen, midden op de helverlichte, drukke Strip, sloeg een ouderwetse zwarte straatklok twaalf uur.
‘Aaahhh.’ Arriane haalde diep adem. ‘Het begin van weer een verrukkelijke dag in de Stad der Zonden. Ik wil er graag meteen een begin mee maken, en wel met een vorstelijk ontbijt. Wie heeft er honger?’
‘Eh…’ stamelde Shelby, die naar Luce keek, toen naar Arriane, en toen naar het casino. ‘Dat van daarnet… Hoe heb je…’
Miles hield zijn blik gericht op het glanzende, geaderde litteken aan de zijkant van Arrianes nek. Luce was inmiddels aan Arriane gewend, maar het was wel duidelijk dat haar vrienden niet goed wisten wat ze van haar moesten denken.
Arriane zwaaide met haar vinger naar Miles. ‘Deze jongen ziet eruit alsof hij wel een hele berg pannenkoeken op zou kunnen. Kom, ik weet een ranzige cafetaria.’
Terwijl ze de steeg door liepen, naar de straat toe, draaide Miles zich naar Luce om en mimede: ‘Dat was super.’
Luce knikte. Meer kon ze niet doen, want ze moest Arriane bij zien te houden terwijl die over de Strip holde. Vera. Ze kon er niet over uit. Al die herinneringen, in een flits waargenomen. Ze waren pijnlijk en opzienbarend geweest, en ze kon zich indenken hoe dat voor Vera geweest moest zijn. Maar Luce had het ook veel voldoening geschonken. Dit keer had ze het gevoel, meer dan de andere keren dat ze in een Verkondiger had kunnen kijken, alsof ze een van haar vorige levens had meegemaakt. Vreemd genoeg had ze ook iets gezien waar ze zelfs nog nooit aan had gedacht: haar vorige ikken hadden een heus leven gehad. Een leven dat rijk en betekenisvol was geweest voordat Daniël ten tonele was verschenen.
Arriane bracht hen naar een vestiging van een pannenkoekenhuisketen, een laag gebouw met bruin stucwerk dat er zo oud uitzag dat het best eerder gebouwd kon zijn dan alle andere die langs de Strip stonden. Het zag er claustrofobischer en verdrietiger uit dan de andere vestigingen die ze van deze keten kenden.
Shelby ging hen voor naar binnen en duwde de glazen deuren open, waardoor de goedkope belletjes begonnen te rinkelen die met ducttape aan de bovenkant zaten vastgemaakt. Ze nam een handvol pepermuntjes uit de kom bij de kassa en nam toen plaats in een zitje helemaal achterin. Arriane liet zich naast haar op de bank glijden, en Luce en Miles gingen tegenover hen op het gebarsten oranje leer zitten.
Arriane floot, maakte snel een gebaar in het rond en bestelde aldus voor iedereen koffie bij de mollige, knappe serveerster met een potlood in haar haar.
De anderen concentreerden zich op de dikke gelamineerde menukaart met spiraalband. Als je de bladzijden wilde omslaan moest je een heel gevecht leveren met de oude stroop waarmee het hele geval aan elkaar geplakt zat. Dat was meteen een goede manier om niet over de narigheid te hoeven praten waaraan ze zojuist maar net waren ontsnapt.
Luce moest er op een gegeven moment toch naar vragen. ‘Wat doe jij hier, Arriane?’
‘Ik bestel iets met een rare naam. “Fruit met Franje”, denk ik, want ze hebben hier geen “Blij Ei”. Ik weet nooit wat ik moet nemen.’
Luce sloeg haar ogen ten hemel. Arriane hoefde echt niet zo bedeesd te doen. Het was zo klaar als een klontje dat haar reddingspoging niet zomaar uit de lucht kwam vallen. ‘Je weet best wat ik bedoel.’
‘Het zijn vreemde tijden, Luce. Ik dacht, kom, laat ik die eens in een net zo vreemde stad doorbrengen.’
‘Nou, oké, maar die tijden zijn bijna voorbij. Toch? Volgens de tijdsduur van de wapenstilstand?’
Arriane zette haar koffiekop neer en sloeg haar handen om haar gezicht. ‘Zo, halleluja. Ze leren jullie dus toch iets op die school.’
‘Ja en nee,’ zei Luce. ‘Ik heb Roland iets horen zeggen over dat Daniël de minuten aftelt. Hij zei dat het iets met een wapenstilstand te maken had, maar ik wist niet over hoeveel minuten het precies ging.’
Miles, die naast haar zat, leek helemaal te verstijven toen hij Daniëls naam hoorde vallen. Toen de serveerster kwam om hun bestellingen op te nemen, blafte hij haar de zijne meteen toe en duwde haar de kaart weer in de hand. ‘Steak en eieren, rood.’
‘O, wat mannelijk,’ zei Arriane, en terwijl ze op haar kaart ienemienemutte deed, nam ze Miles goedkeurend op. ‘En voor mij Fruit met Franje.’ Ze sprak het heel keurig uit, alsof ze de koningin van Engeland was, en zette daarbij een opvallend uitgestreken gezicht op.
‘Voor mij een worstenbroodje,’ zei Shelby. ‘Of nee, doe eigenlijk maar een omelet van alleen eiwit, zonder kaas. Ach, wat maakt het ook uit. Een worstenbroodje.’
De serveerster richtte zich tot Luce. ‘En jij, schat?’
‘Het Groot Ontbijt.’ Luce glimlachte verontschuldigend vanwege haar vrienden. ‘Met roerei. Laat het vlees maar zitten.’
De serveerster knikte en liep terug naar de keuken.
‘Goed, en wat heb je verder gehoord?’ vroeg Arriane.
‘Eh…’ Luce begon met de kan stroop te spelen die naast het zout en de peper stond. ‘Ze hadden het over je weet wel… het einde der tijden.’
Shelby goot gniffelend drie kuipjes room in haar koffie. ‘Het einde der tijden! Geloof je die onzin echt? Hoe kan het nou dat we daar al duizenden jaren op zitten te wachten? En de mensen maar denken dat ze een paar duizend jaar geduld hebben gehad! Laat me niet lachen. Alsof er ooit echt iets gaat veranderen.’
Arriane zag eruit alsof ze Shelby elk moment de les kon lezen, maar zette toen haar koffie neer. ‘Wat onbeleefd van me dat ik mezelf niet eens aan je vrienden heb voorgesteld, Luce.’
‘Eh… we weten toch wel wie je bent,’ zei Shelby.
‘Ja, in het lesboek over de geschiedenis van de engelen dat wij in groep acht hadden, stond een heel hoofdstuk over jou,’ zei Miles.
Arriane klapte in haar handen. ‘En tegen mij hebben ze gezegd dat dat boek verboden was!’
‘Echt waar? Sta jij in een lesboek?’ vroeg Luce lachend.
‘Waarom verbaast je dat zo? Vind je mij dan geen historische figuur?’ Arriane richtte zich weer tot Shelby en Miles. ‘Goed, vertellen jullie eens wat over jezelf. Ik moet wel weten met wie mijn vriendin heeft aangepapt.’
‘Een afvallige niet-gelovige Nephilijn.’ Shelby stak haar hand op.
Miles keek naar zijn bord. ‘En de nergens voor deugende achter-achter-tot de zoveelste graad-kleinzoon van een engel.’
‘Dat is niet waar.’ Luce gaf Miles een stomp tegen zijn schouder. ‘Arriane, je had moeten zien hoe hij ons vanavond geholpen heeft om door die schaduw te stappen. Hij was geweldig. Daarom zijn we hier ook; omdat hij dat boek gelezen heeft, en meteen daarna kon hij al…’
‘Ja, dat vroeg ik me al af,’ zei Arriane sarcastisch. ‘Maar deze hier baart me veel meer zorgen.’ Ze gebaarde naar Shelby. Arrianes gezicht stond veel ernstiger dan Luce van haar gewend was. Zelfs haar manische lichtblauwe ogen stonden rustig. ‘Het is geen goed moment om een afvallige van wat dan ook te zijn. Alles is in beweging, maar er komt een afrekening. En dan zul je toch de ene kant of de andere moeten kiezen.’ Arriane keek Shelby doordringend aan. ‘We moeten allemaal weten waar we staan.’
Voor iemand kon reageren stond de serveerster er alweer, met een enorm bruinplastic dienblad vol eten.
‘Zo, is dat snelle bediening of niet?’ zei ze. ‘Goed, wie van jullie had het worstenbroodje?’
‘Ik!’ Shelby maakte de serveerster aan het schrikken, zo snel greep ze haar bord.
‘Wil er iemand ketchup?’
Ze schudden van nee.
‘Extra boter?’
Luce wees op de klont boter ter grootte van een ijsbol die al op haar pannenkoeken lag. ‘Nee, alles is goed zo. Dank je wel.’
‘Als we iets nodig hebben,’ zei Arriane, die stralend naar de slagroom in de vorm van een smiley op haar bord keek, ‘geven we wel een gil.’
‘Ja, dat weet ik,’ grinnikte de serveerster, en ze stak het dienblad onder haar arm. ‘Deze dame hier kan gillen alsof de wereld vergaat.’
Toen ze weg was, viel Arriane als enige op haar bord aan. Ze plukte een blauwe bes uit de neus van de pannenkoek, stopte die in haar mond en likte verrukt haar vingers af. Toen keek ze de tafel rond.
‘Tast toe,’ zei Arriane. ‘Koude steak met eieren is niet lekker.’ Ze zuchtte. ‘Kom op, jongens. Jullie hebben de geschiedenisboeken gelezen. Jullie kennen toch de oefening…’
‘Ik niet,’ zei Luce. ‘Ik weet van geen oefeningen.’
Arriane zoog peinzend op haar vork. ‘Die zit. In dat geval zal ik jullie mijn versie presenteren. Die een stuk leuker is dan de geschiedenisboeken, want ik censureer de grote gevechten, de vloeken en alle sexy dingen niet. Aan mijn versie ontbreekt maar één ding, en dat is dat hij niet in 3D is – wat als je het mij vraagt trouwens totaal overschat is. Hebben jullie die film met…’ Ze zag hoe uitdrukkingsloos iedereen keek. ‘Oké, laat maar zitten. Goed, het begint allemaal duizenden jaren geleden. Moet ik jullie nog over Satan vertellen, of weten jullie daarvan?’
‘Die is al heel vroeg een machtsstrijd met God aangegaan.’ Miles’ stem klonk monotoon, alsof hij een les uit de derde klas opzei. Ondertussen prikte hij een stukje biefstuk aan zijn vork.
‘Voor die tijd waren ze heel dik met elkaar,’ voegde Shelby er nog aan toe. ‘Ik bedoel, God noemde Satan zijn ochtendster. Dus het was echt niet zo dat Satan niet gewaardeerd of geliefd was.’
‘Maar hij wilde liever in de hel regeren dan in de hemel dienen,’ viel Luce haar bij. Ze had de verhalen voor Nephilijnen dan misschien niet gelezen, maar wel Paradise Lost. Of in elk geval had ze erover gelezen.
‘Goed zo.’ Arriane keek blij en boog zich naar Luce toe. ‘Gaby was in die tijd dikke vriendinnen met de dochters van Milton, wist je dat? Ze zegt altijd dat zij die zin geschreven heeft, en dan trek ik een gezicht van “ben je zo niet al populair genoeg?” Maar dat terzijde.’ Arriane nam een hap ei van Luce’ bord. ‘God, wat zijn die lekker. Mogen wij hier wat hete saus?’ brulde ze in de richting van de keuken. ‘Oké, waar waren we gebleven?’
‘Bij Satan,’ zei Shelby met haar mond vol pannenkoek.
‘Inderdaad. Goed. Je kan zeggen wat je wilt over El Diablo Grande, maar hij is’ – Arriane gooide haar hoofd in haar nek – ‘min of meer verantwoordelijk voor het idee dat engelen over een vrije wil beschikken. Ik bedoel: hij heeft ons echt iets gegeven om over na te denken. Voor welke kant zet je je in? Toen de engelen die keus kregen, zijn er nog een heleboel meer gevallen.’
‘Hoeveel?’ vroeg Miles.
‘De gevallen engelen? Genoeg om een impasse te veroorzaken.’ Arriane keek even bedachtzaam, maar grijnsde toen en riep naar de serveerster. ‘Hete saus! Hebben jullie die hier in deze tent ook?’
‘En hoe zit het met de engelen die zijn gevallen, maar die geen partij hebben gekozen voor…’ Luce maakte haar zin niet af en dacht aan Daniël. Ze was zich ervan bewust dat ze fluisterde, maar dit voelde veel te gewichtig om zomaar midden in een cafetaria te bespreken. Ook al was het een praktisch lege cafetaria, en midden in de nacht.
Arriane temperde haar stem ook. ‘O, er zijn engelen zat die wel gevallen zijn, maar die technisch gesproken toch nog aan de kant van God staan. Maar je hebt er ook die partij voor Satan hebben gekozen. Hen noemen we “demonen”, ook al zijn het gewoon gevallen engelen die een heel slechte keuze hebben gemaakt.’
‘Het is voor niemand bepaald gemakkelijk geweest. Sinds de Val hebben engelen en demonen nek aan nek gestreden, met een deling door het midden, tada, tada, tada.’ Ze smeerde boter op de neus van de pannenkoek. ‘Maar dat zou allemaal wel eens kunnen gaan veranderen.’
Luce keek omlaag naar haar eieren, niet in staat een hap door haar keel te krijgen.
‘Dus eh… daarnet was het of je wilde zeggen dat het iets uitmaakt welke kant ik kies?’ Shelby keek iets minder bedenkelijk dan gewoonlijk.
‘Niet per se jij alleen.’ Arriane schudde haar hoofd. ‘Ik weet dat het net is alsof ons lot voor eeuwig onzeker is. Maar uiteindelijk komt het er toch op neer dat één machtige engel een kant kiest. Als dat gebeurt, slaat de weegschaal eindelijk door. En dan gaat het erom aan welke kant je staat.’
Arrianes woorden deden Luce eraan denken dat ze helemaal boven in dat piepkleine kapelletje opgesloten had gezeten met juffrouw Sophia, die voortdurend tegen haar had gezegd dat het lot van het universum iets met Luce en Daniël te maken had. Op dat moment had haar dat waanzin geleken, en was ze van mening geweest dat juffrouw Sophia in en in slecht was. Luce wist niet goed waar iedereen het over had, maar ze wist dat het er iets mee te maken had dat Daniël terugkwam.
‘Dat is Daniël, hè?’ zei ze zacht. ‘De engel die de weegschaal kan doen doorslaan, is Daniël.’
Dat verklaarde de kwelling die hij voortdurend als een loodzware koffer met zich meedroeg. Dat verklaarde waarom hij al zo lang niet bij haar was geweest. Het enige wat er niet door werd verklaard, was waarom Arriane niet zeker leek te weten naar welke kant de weegschaal zou doorslaan. Welke kant de oorlog zou winnen.
Arriane deed haar mond open, maar in plaats van antwoord te geven viel ze weer op Luce’ bord aan. ‘Krijg ik hier nog hete saus of hoe zit het?’ riep ze.
Er viel een schaduw over hun tafel. ‘Dan kun je het heet krijgen ook.’
Luce keek om en kromp ineen. Een heel lange jongen in een lange bruine trenchcoat, met de knopen open, zodat Luce iets zilvers in zijn riem zag schitteren. Hij had een kaalgeschoren hoofd, een smalle rechte neus, een puntgaaf gebit.
En witte ogen. Ogen waar totaal geen kleur in zat. Geen irissen, geen pupillen, helemaal niets.
Zijn vreemde, lege uitdrukking deed Luce aan het Verschoppeling-meisje denken. Luce had dat meisje niet van dichtbij genoeg gezien om te ontdekken wat er met haar ogen aan de hand was, maar ze had nu wel zo’n vermoeden.
Shelby keek naar de jongen, slikte moeizaam en richtte zich verder op haar ontbijt. ‘Ik heb er niks mee te maken,’ mompelde ze.
‘Doe geen moeite,’ zei Arriane tegen de jongen. ‘Ik sla je toch zo op je gezicht.’ Luce keek met grote ogen toe hoe de tengere Arriane opstond en haar handen aan haar spijkerbroek afveegde. ‘Zo terug, jongens. O, en Luce, help me herinneren dat ik je straks als ik terug ben hier nog even voor op je donder geef.’ Voor Luce kon vragen wat deze jongen met haar te maken had, had Arriane hem al bij zijn oorlel vastgepakt, die hard omgedraaid en hem met zijn hoofd omlaag gedrukt tegen de glazen vitrinetoonbank naast de bar.
Het kabaal sloeg de lome, middernachtelijke stilte van het restaurant aan diggelen. De jongen jankte als een kind, terwijl Arriane zijn oor de andere kant op draaide en boven op hem klom. Brullend van de pijn begon hij met zijn slanke lichaam te kronkelen tot hij Arriane van zich af en op de glazen toonbank geworpen had.
Ze rolde er over de hele lengte overheen en kwam aan het eind tot stilstand, waarbij ze een torenhoge citroenschuimtaart omstootte en toen op de bar sprong. Ze maakte een salto naar hem toe en greep zijn hoofd tussen haar benen vast. Daarna begon ze zijn gezicht met haar vuistjes te bewerken.
‘Arriane!’ gilde de serveerster. ‘Pas op mijn taarten! Ik kan veel hebben, maar ik moet hier wel de kost verdienen, hoor!’
‘Au, prima!’ riep Arriane. ‘Dan gaan we wel naar de keuken.’ Ze liet de jongen los, liet zich op de grond glijden en gaf hem een schop met haar plateauzool. Hij stommelde verblind naar de deur die naar de keuken van de cafetaria leidde. ‘Meekomen, jullie,’ riep ze naar hun tafeltje. ‘Dan kunnen jullie nog wat leren.’
Miles en Shelby gooiden hun servet neer, waarmee ze Luce deden denken aan de leerlingen op Dover, die altijd zodra maar het geringste gerucht de ronde deed dat er een vechtpartij was, alles uit hun handen lieten vallen en ‘vechten! vechten!’ roepend de gangen door renden.
Luce liep met ietwat meer aarzeling achter hen aan. Als Arriane wilde beweren dat deze jongen omwille van haar hierheen was gekomen, riep dat nog veel meer netelige vragen op. En de mensen die Dawn hadden ontvoerd dan? En die pijlschietende Verschoppelinge die Cam op Noyo Point had gedood?
Uit de keuken klonk een harde knal, en drie doodsbange mannen met vuile schorten voor stormden naar buiten. Tegen de tijd dat Luce de klapdeur door was, hield Arriane de jongen al met haar voet op zijn hoofd tegen de grond gedrukt, terwijl Miles en Shelby hem vastbonden met van dat touw dat gebruikt wordt om een rollade op te binden. Hij keek met zijn lege ogen naar Luce omhoog, maar ook door haar heen.
Ze hadden een vaatdoek in zijn mond gepropt, dus toen Arriane ‘Heb je zin om even lekker te chillen? In de vleeskoelkast?’ tegen hem schimpte, kon de jongen alleen maar kreunen. Hij had alle verzet gestaakt.
Arriane greep hem bij zijn kraag, sleepte hem over de vloer naar de inloopkoelkast, gaf hem nog een paar schoppen op de koop toe en deed toen doodkalm de deur dicht. Ze veegde haar handen af en draaide zich met een blik van ‘opgeruimd staat netjes’ naar Luce om.
‘Wie zit er achter mij aan, Arriane?’ vroeg Luce met bevende stem.
‘Een heleboel mensen, schat.’
‘Was dat…’ – Luce moest weer aan haar ontmoeting met Cam denken – ‘… een Verschoppeling?’
Arriane schraapte haar keel. Shelby kuchte.
‘Daniël zei dat hij niet bij me kon zijn omdat hij te veel aandacht trok. Hij zei dat ik op de Kustschool veilig zou zijn, maar daar zijn ze ook naartoe gekomen…’
‘Dat komt alleen maar doordat ze je op het spoor zijn gekomen toen je de campus verliet. Jij hebt ook de aandacht getrokken, Luce. En als je de wereld ingaat en casino’s en dergelijke afschuimt, dan voelen wij dat. En dat geldt ook voor de slechteriken. Dat is de voornaamste reden waarom je op die school zit.’
‘Hè?’ Dat kwam van Shelby. ‘Verstoppen jullie haar bij ons? En onze veiligheid dan? Als die Verschoppelingen nou eens zomaar bij ons op de campus verschijnen?’
Miles zei niets, maar keek alleen geschrokken van Luce naar Arriane.
‘Heb je dan niet begrepen dat de Nephilijnen je camoufleren?’ vroeg Arriane. ‘Heeft Daniël je dan niet verteld over hun, hoe zal ik het zeggen, hun beschermende kleuring?’
Luce dacht terug aan de avond dat Daniël haar op de Kustschool had afgezet. ‘Ja, hij heeft misschien wel iets gezegd over een schild, maar…’ Er hadden die avond nog zo veel andere dingen door haar hoofd gespookt. Ze had moeten verwerken dat Daniël haar daar achterliet, en daar had ze haar handen al vol aan gehad. Nu voelde ze het schuldgevoel ongemakkelijk steken. ‘Ik begreep het niet. Hij ging er niet verder op in, hij zei alleen maar dat ik op de campus moest blijven. Ik dacht dat hij overdreven beschermend deed.’
‘Daniël weet heus wel wat hij doet.’ Arriane haalde haar schouders op. ‘Meestal dan.’ Ze duwde haar tong peinzend in haar mondhoek. ‘Oké, soms. Zo nu en dan.’
‘Dus je bedoelt eigenlijk te zeggen dat degene die achter haar aan zit, haar niet kan zien als ze in gezelschap van een stel Nephilijnen is?’ Dat kwam van Miles, die zijn tong weer gevonden leek te hebben.
‘Nou, eerlijk gezegd kunnen de Verschoppelingen helemaal niet zien,’ zei Arriane. ‘Ze zijn tijdens de Opstand verblind geraakt. Dat deel van het verhaal wilde ik net gaan vertellen. Geweldig! Ogen uitsteken en meer van die Oedipus-onzin.’ Ze zuchtte. ‘Nou ja. Oké, de Verschoppelingen. Ze kunnen je ziel zien branden, en dat is veel moeilijker waar te nemen als je in gezelschap van een stel andere Nephilijnen bent.’
Miles zette grote ogen op. Shelby beet zenuwachtig op haar nagels.
‘Dus vandaar dat ze Dawn voor mij hebben aangezien.’
‘Zo heeft die gast uit de vleeskoelkast je vanavond in elk geval ook gevonden,’ zei Arriane. ‘Trouwens, zo heb ik je ook gevonden. Je bent hier net een kaars in een donkere grot.’ Ze pakte een bus slagroom van het aanrecht en spoot een toef in haar mond. ‘Na zo’n robbertje vechten kan ik wel een opkikkertje gebruiken.’ Ze gaapte, waardoor Luce naar de groene digitale klok op het aanrecht keek. Het was halfdrie in de ochtend.
‘Nou, jongens, ik ben dol op een potje knokken, maar voor jullie is het al veel te laat geworden.’ Arriane floot tussen haar tanden door en er vloeide een dikke klodder uit de schaduwen onder de werktafels, een Verkondiger. ‘Ik doe dit anders nooit, hoor. Als iemand ernaar vraagt: ik doe dit nooit. Per Verkondiger reizen is heel erg ge-vaar-lijk. Heb je dat gehoord, knul?’ Ze gaf Miles een tik tegen zijn voorhoofd en deed toen snel haar vingers open. De schaduw stuiterde ogenblikkelijk de keuken in, in de vorm van een volmaakte deur. ‘Maar mijn tijd hier is beperkt en dit is de snelste manier om jullie veilig terug te krijgen.’
‘Gaaf,’ zei Miles, alsof hij aantekeningen stond te maken.
Arriane schudde haar hoofd naar hem. ‘Haal je maar niets in je hoofd. Ik breng jullie terug naar school, en daar blijven jullie’ – ze maakte met alle drie afzonderlijk oogcontact – ‘of jullie kunnen bij mij op het matje komen.’
‘Ga je met ons mee?’ vroeg Shelby, die eindelijk toch een piezeltje ontzag voor Arriane toonde.
‘Daar ziet het wel naar uit.’ Arriane knipoogde naar Luce. ‘Je bent een soort zevenklapper geworden. Iémand zal je toch in de gaten moeten houden.’
Met Arriane verliep de doorstap nog soepeler dan toen ze op weg naar Vegas gingen. Het was net alsof je binnenkwam nadat je in de zon had gezeten: het licht was wat zachter als je de deur door liep, maar dan knipperde je een paar keer met je ogen en was je er al aan gewend.
Luce was bijna teleurgesteld toen ze na alle opwinding en schittering van Las Vegas weer in haar kamer was. Maar toen dacht ze aan Dawn en aan Vera. Ze voelde zich bijna teleurgesteld. Haar ogen bleven rusten op alle vertrouwde dingen die erop wezen dat ze terug waren: twee onopgemaakte stapelbedden, de wirwar van planten op de vensterbank, Shelby’s yogamatjes in de hoek op een stapel, Stevens exemplaar van De Republiek van Plato, met een boekenlegger ertussen op Luce’ bureau – en nog iets wat ze niet verwacht had.
Daniël, geheel in het zwart gekleed, die het vuur in de haard opstookte.
‘Aaargh!’ gilde Shelby, en ze viel Miles in de armen. ‘Jezus, man, je jaagt me de stuipen op het lijf! En dat in mijn eigen heiligdom. Dat is niet cool, Daniël.’ Ze wierp Luce een vuile blik toe, alsof zíj er iets aan kon doen dat hij hier plotseling was.
Daniël sloeg geen acht op Shelby, maar zei alleen doodkalm tegen Luce: ‘Welkom terug.’
Ze wist niet of ze nu naar hem toe moest rennen of in tranen moest uitbarsten. ‘Daniël…’
‘Daniël?’ Arriane hapte naar adem. Haar ogen werden heel groot, alsof ze een spook had gezien.
Daniël bleef als aan de grond genageld staan, want ook hij had er blijkbaar niet op gerekend Arriane tegen het lijf te zullen lopen. ‘Ik… ik moet haar alleen even spreken. Dan ben ik weer weg.’ Hij klonk schuldbewust, bang zelfs.
‘Oké,’ zei Arriane, en ze greep Miles en Shelby in hun nekvel. ‘We wilden net weggaan. Niemand van ons heeft jou hier gezien.’ Ze dreef de anderen voor zich uit. ‘We zien jou straks wel weer, Luce.’
Shelby keek alsof ze niet wist hoe snel ze hun kamer uit moest komen. Miles keek verwilderd uit zijn ogen en bleef Luce aankijken, totdat Arriane hem min of meer de gang op smeet en de deur met een harde knal achter hen dichttrok.
Toen liep Daniël naar Luce toe. Ze sloot haar ogen en liet zich door zijn nabijheid verwarmen. Ze ademde hem in, blij om thuis te zijn. Niet thuis op de Kustschool, maar thuis bij Daniël, thuis bij het gevoel dat hij haar gaf. Zelfs op de vreemdste plekken. Zelfs als hun relatie niet van een leien dakje ging.
Zoals nu het geval leek te zijn.
Hij kuste haar nog niet, nam haar niet eens in zijn armen. Het verbaasde haar zelf dat ze wilde dat hij dat wel deed, na alles wat er was gebeurd. Het uitblijven van zijn aanraking veroorzaakte een pijn diep in haar binnenste. Toen ze haar ogen opendeed, stond haar daar, een paar centimeter van haar af, en bekeek hij haar van top tot teen met zijn paarsblauwe ogen.
‘Je hebt me bang gemaakt.’
Dat had ze hem nog nooit horen zeggen. Meestal was zíj degene die bang was.
‘Gaat het wel met je?’ vroeg hij.
Luce schudde haar hoofd. Daniël pakte haar hand en leidde haar zonder een woord te zeggen naar het raam, uit de warmte van de kamer bij de open haard en terug de koude nacht in, de richel onder het raam op, waar hij haar al eerder had opgezocht.
De maan stond langwerpig en laag aan de hemel. De uilen sliepen in de sequoia’s. Vanwaar Luce stond kon ze zien hoe de golven soepeltjes tegen de kust braken. Aan de andere kant van de campus brandde hoog in het Nephilijnen-chalet één enkele lamp, maar ze wist niet of die van Francesca of van Steven was.
Daniël en zij gingen op de richel zitten en lieten hun benen bungelen. Ze leunden tegen het licht hellende dak achter hen en keken omhoog naar de sterren, die vaag aan de hemel te zien waren, alsof ze omwikkeld waren met een heel dun laagje wolk. Het duurde niet lang of Luce begon te huilen.
Omdat hij boos op haar was of zij boos op hem. Omdat haar lichaam zoveel had meegemaakt, Verkondigers in en weer uit, staatsgrenzen over, het recente verleden in en weer terug naar het heden. Omdat haar hart en haar hoofd met elkaar in de clinch lagen en omdat het daarin een nog grotere warboel werd nu Daniël zo dicht bij haar was. Omdat Miles en Shelby een hekel aan hem leken te hebben. Om het regelrechte afgrijzen op Vera’s gezicht toen ze Luce had herkend. Om alle tranen die haar zus om haar vergoten moest hebben, en omdat Luce haar opnieuw verdriet had gedaan door zomaar aan haar blackjacktafel te verschijnen. Om al haar andere in rouw gedompelde families, die treurden omdat hun dochter de pech had gehad dat ze de reïncarnatie was van een onnozel verliefd wicht. Omdat Luce door aan die families te denken haar ouders in Thunderbolt vreselijk miste. Omdat de ontvoering van Dawn haar schuld was. Omdat ze zeventien was, en nog steeds leefde, al zou je dat op grond van de duizenden jaren hiervoor niet denken. Omdat ze genoeg wist om bang te zijn voor wat de toekomst haar zou brengen. Omdat het ondertussen halfvier in de ochtend was, ze al dagen niet had geslapen en niet wist wat ze nu moest doen.
Toen pakte hij haar vast, omvatte haar lichaam in zijn warmte, trok haar tegen zich aan en wiegde haar in zijn armen. Ze snikte en hikte en wilde dat ze een tissue had om haar neus te snuiten. Ze vroeg zich af hoe het kon dat ze zich opeens over zo veel dingen tegelijk rot voelde.
‘Sst,’ deed Daniël. ‘Sst.’
Een dag geleden had ze zich nog vreselijk ellendig gevoeld toen ze in die Verkondiger zag hoe Daniël tot in de vergetelheid van haar hield. Het onontkoombare geweld waarmee hun relatie verweven was had haar onoverkomelijk geleken. Maar nu voelde Luce dat er een grote gebeurtenis ophanden was – vooral nadat ze met Arriane had gesproken. Er was iets aan het verschuiven – misschien de hele wereld wel – waarbij Luce en Daniël zich precies aan de rand bevonden. Het was overal om hen hen, in de ether, en het had invloed op hoe ze naar zichzelf keek, en ook naar Daniël.
De hulpeloze blik die ze in zijn ogen had gezien op die momenten vlak voordat ze stierf: het voelde nu net alsof die tot het verleden behoorden – en dat was ook zo. Dat deed haar denken aan hoe hij haar had aangekeken na die eerste kus in dit leven op het moerassige strand in de buurt van Zwaard & Kruis. Het gevoel van zijn lippen op de hare, hoe zijn adem in haar hals voelde, zijn sterke handen om haar heen – het was allemaal heerlijk geweest. Op de angst in zijn ogen na.
Maar Daniël had al een hele tijd niet meer zo naar haar gekeken. Hij keek haar aan zonder iets prijs te geven. Hij keek haar aan alsof zij wel in de buurt zou blijven, bijna alsof ze wel móést. In dit leven was alles anders. Dat zei iedereen en dat voelde Luce ook: binnen in haar groeide een onthulling. Ze had zichzelf zien sterven en dat had ze overleefd. Daniël hoefde zijn straf niet meer alleen te dragen. Dat konden ze nu samen doen.
‘Ik wil iets zeggen,’ zei ze met haar gezicht tegen zijn shirt, en ze veegde haar tranen af aan haar mouw. ‘Voordat jij iets zegt, wil ik iets tegen jou zeggen.’
Ze voelde zijn kin langs haar kruin strijken. Hij knikte.
‘Ik weet dat je voorzichtig moet zijn met wat je mij vertelt. Ik weet dat ik al eerder ben doodgegaan. Maar dit keer blijf ik waar ik ben, Daniël. Ik voel het gewoon. Ik ga in elk geval niet zonder slag of stoot.’ Ze probeerde te glimlachen. ‘Ik denk dat het voor ons allebei goed is als jij ophoudt met mij als een porseleinen poppetje te behandelen. Dus ik vraag je, als je vriendinnetje, als, nou ja, als je grote liefde, om mij iets meer in vertrouwen te nemen. Anders voel ik me geisoleerd en bang en…’
Hij pakte haar kin met zijn vinger en hield haar hoofd schuin omhoog. Hij keek haar onderzoekend aan. Ze wachtte tot hij haar zou onderbreken, maar dat deed hij niet.
‘Ik ben niet van de Kustschool weggegaan om jou te pesten,’ ging ze verder. ‘Ik ben weggegaan omdat ik niet begreep waarom ik hier ben. En daardoor heb ik mijn vrienden in gevaar gebracht.’
Daniël hield haar gezicht voor het zijne. Het paarsblauw in zijn ogen gaf bijna licht. ‘Ik heb je al veel te vaak in de steek gelaten,’ fluisterde hij. ‘En in dit leven ben ik misschien wat te voorzichtig geweest. Ik had moeten weten dat jij elke grens zou opzoeken die je wordt opgelegd. Anders was je niet het meisje geweest… van wie ik hou.’ Luce wachtte tot hij glimlachend op haar neer zou kijken. Dat deed hij niet. ‘Er staat dit keer alleen zo vreselijk veel op het spel. Al mijn aandacht is uitgegaan naar…’
‘De Verschoppelingen?’
‘Die hebben je vriendin ontvoerd,’ zei Daniël. ‘Ze kunnen nauwelijks rechts van links onderscheiden, laat staan dat ze weten voor welk kamp ze werken.’
Luce moest denken aan het meisje dat Cam met de zilveren pijl had neergeschoten, aan de knappe jongen met de lege blik in de cafetaria. ‘Dat komt doordat ze blind zijn.’
Daniël keek omlaag naar zijn handen en wreef zijn vingers tegen elkaar. Hij zag eruit alsof hij moest overgeven. ‘Blind, maar heel wreed.’ Hij ging met zijn vinger langs een van haar blonde krullen. ‘Heel slim van je om je haar te blonderen. Dat heeft je behoed voor onheil toen ik niet snel genoeg bij je kon komen.’
‘Slim?’ Luce was verbijsterd. ‘Dawn had wel dood kunnen gaan doordat ik een goedkoop flesje waterstofperoxide in handen heb gekregen. Hoezo is dat slim? Als… als ik morgen mijn haar zwart verf, denk je dan dat de Verschoppelingen mij plotseling wel kunnen vinden?’
Daniël schudde ruw zijn hoofd. ‘Ze hadden deze campus helemaal niet moeten kunnen vinden. Ze hadden nooit iemand van jullie in handen moeten kunnen krijgen. Ik ben dag en nacht bezig om ze bij jou, bij deze hele school uit de buurt te houden. Ze worden door iemand geholpen, en ik weet niet wie…’
‘Door Cam.’ Wat had hij hier anders te zoeken gehad?
Maar Daniël schudde zijn hoofd. ‘Ik weet niet wie het is, maar diegene krijgt er ongelooflijk veel spijt van.’
Luce sloeg haar armen over elkaar. Haar gezicht voelde nog warm van het huilen. ‘Dan betekent dit zeker dat ik niet voor Thanksgiving naar huis kan?’ Ze sloot haar ogen en probeerde niet aan de teleurgestelde gezichten van haar ouders te denken. ‘Geef maar geen antwoord.’
‘Alsjeblieft.’ Daniëls stem klonk heel ernstig. ‘Het is nog maar voor een poosje.’
Ze knikte. ‘Voor de duur van de wapenstilstand.’
‘Hè?’ Hij pakte haar stevig bij haar schouders. ‘Hoe weet jij…’
‘Ik weet het gewoon.’ Luce hoopte dat hij niet voelde dat ze was gaan trillen. Dat werd erger toen ze zich zelfverzekerder probeerde voor te doen dan ze was. ‘En ik weet ook dat de weegschaal tussen de Hemel en de Hel heel binnenkort zal doorslaan.’
‘Wie heeft je dat verteld?’ Daniël trok zijn schouders naar achteren, en ze wist dat dat betekende dat hij probeerde te voorkomen dat zijn vleugels zich ontvouwden.
‘Daar ben ik zelf achter gekomen. Er gebeurt hier heel veel waar jij geen weet van hebt.’
Er schoot een vleugje afgunst door Daniëls ogen. In het begin vond ze het bijna lekker dat ze die in hem had weten op te roepen, maar Luce wilde hem niet jaloers maken. Zeker niet nu er veel belangrijkere dingen op stapel stonden.
‘Het spijt me,’ zei ze. ‘Als je nu ergens niet op zit te wachten, is het dat ik je uit je concentratie haal. De dingen waar jij mee bezig bent… dat is nogal wat, zo te horen.’
Daar liet ze het verder maar bij, en ze hoopte dat Daniël zich dermate gekalmeerd voelde dat hij haar er meer over zou vertellen. Dit was het meest open, eerlijke en volwassen gesprek dat ze ooit hadden gevoerd.
Maar toen – veel te snel – trok de wolk waarvan ze niet eens geweten had dat ze er bang voor was geweest, over Daniëls gezicht. ‘Zet dat maar allemaal uit je hoofd. Je weet niet wat je denkt te weten.’
Teleurstelling sloeg over Luce heen. Hij behandelde haar nog steeds als een kind. Eén stap naar voren, tien stappen terug.
Ze trok haar voeten onder zich en kwam op de richel overeind.
‘Eén ding weet ik wel, Daniël,’ zei ze, en ze keek op hem neer. ‘Als ik jou was, was het duidelijk. Als ik degene was die voor het oog van het hele universum de weegschaal zou moeten laten doorslaan, koos ik gewoon de kant van het goede.’
Daniël keek met zijn paarsblauwe ogen recht voor zich uit, het schimmige bos in.
‘Jij zou gewoon het goede kiezen,’ herhaalde hij. Zijn stem klonk verdoofd en vreselijk verdrietig tegelijk. Verdrietiger dan ze hem ooit gehoord had.
Luce moest zich verzetten tegen het verlangen om weer neer te hurken en haar excuses aan te bieden. In plaats daarvan draaide ze zich om en liet Daniël achter. Het was toch zo klaar als een klontje dat hij voor het goede moest kiezen? Dat zou iedereen toch doen?