2 ZEVENTIEN DAGEN

 

 

 

Plok.

Luce kreunde en wreef over haar gezicht. Haar neus prikte.

Plok. Plok.

Nu waren het haar jukbeenderen. Haar oogleden gingen langzaam open en bijna meteen daarna vertrok ze verbaasd haar gezicht. Een gedrongen meisje met melkboerenhondenhaar, een barse mond en megawenkbrauwen stond over haar heen gebogen. Haar haar had ze rommelig boven op haar hoofd bij elkaar gebonden. Ze had een yogabroek en een geribbeld camouflagetopje aan dat bij haar lichtbruine ogen met groene spikkels paste. Ze hield een pingpongbal tussen haar vingers, klaar om te gooien.

Luce krabbelde tussen haar lakens achteruit en schermde haar gezicht af. Haar hart deed al pijn doordat ze Daniël zo miste. Ze zat niet op nog meer pijn te wachten. Ze keek omlaag, probeerde nog steeds erachter te komen waar ze was en herinnerde zich toen het bed waar ze de avond ervoor lukraak op was neergevallen.

De vrouw in het wit die in het kielzog van Daniël ten tonele was verschenen, had zich voorgesteld als Francesca, een van de docenten van de Kustschool. Zelfs in haar verbijsterde verlamming zag Luce wel dat het een mooie vrouw was. Ze was halverwege de dertig, had blond haar tot op haar schouders, ronde jukbeenderen en grote, zachte gelaatstrekken.

Een engel, wist Luce bijna ogenblikkelijk.

Onderweg naar Luce’ kamer stelde Francesca geen vragen. Ze had waarschijnlijk wel verwacht dat ze zo laat zou arriveren, en ze moest gevoeld hebben dat Luce echt aan het eind van haar Latijn was.

De onbekende die Luce had bekogeld tot ze weer bij bewustzijn was, wilde nu zo te zien nog een balletje gooien. ‘Mooi,’ zei ze met een gruizige stem. ‘Je bent wakker.’

‘Wie ben jij?’ vroeg Luce slaperig.

‘Wie ben jíj, kan ik beter vragen. Behalve dan een vreemde die ik hier ongeoorloofd in mijn kamer aantref. Behalve dan het meisje dat mijn ochtendmantra met vreemde privépraatjes in haar slaap heeft verstoord. Ik ben Shelby. Enchantée.’

Geen engel, nam Luce aan. Gewoon een meisje uit Californië dat heel zeker wist dat ze op van alles en nog wat recht had.

Luce ging rechtop zitten in bed en keek om zich heen. De kamer was wat aan de kleine kant, maar leuk ingericht, met een lichte hardhouten vloer, een openhaard die het deed, een magnetron, twee diepe, brede bureaus en ingebouwde boekenkasten die tevens als ladder dienstdeden naar wat het bovenste stapelbed was, besefte Luce nu.

Achter een houten schuifdeur zag ze een eigen badkamer. En buiten – ze moest een paar keer met haar ogen knipperen om zeker te weten dat het echt zo was – zag ze de oceaan. Niet slecht voor een meisje dat de afgelopen maand op een stinkende oude begraafplaats had doorgebracht, in een kamer die meer in een ziekenhuis hoorde dan in een school. Maar die stinkende begraafplaats en die kamer hadden in elk geval wel betekend dat ze in de buurt van Daniël was. Ze was nog maar net op Zwaard & Kruis gewend. En nu was ze weer terug bij af.

‘Francesca heeft helemaal niet gezegd dat ik een kamergenoot had.’ Aan de uitdrukking op Shelby’s gezicht zag Luce meteen dat ze hiermee de plank geheel en al missloeg.

Dus keek ze maar snel even naar Shelby’s inrichting. Luce had haar eigen intuïtie op het gebied van inrichting nooit vertrouwd, of misschien had ze nooit de kans gekregen er iets mee te doen. Ze had het op Zwaard & Kruis niet lang genoeg uitgezongen om veel aan de inrichting van haar kamer te doen, maar haar kamer op Dover, daarvoor, had witte kale muren gehad. Steriel en chic, zoals Callie ooit had gezegd.

Deze kamer daarentegen… die had iets wat op een vreemde manier… híp was. Op de vensterbank stonden allemaal potplanten die ze nog nooit eerder gezien had. Langs het plafond hingen slierten gebedsvlaggetjes. Van het bovenste stapelbed gleed een patchworkquilt in zachte kleuren, waardoor een astrologiekalender, die op de spiegel geplakt zat, deels aan Luce’ zicht werd onttrokken.

‘Wat had je dan gedacht? Dat ze het appartement van de decaan zouden ontruimen, enkel en alleen omdat jij Lucinda Price bent?’

‘Eh… nee?’ Luce schudde haar hoofd. ‘Dat bedoelde ik helemaal niet. Trouwens, hoe weet jij hoe ik heet?’

‘Dus je bent echt Lucinda Price?’ De groengespikkelde ogen van het meisje leken te blijven hangen aan de armoedige grijzige pyjama van Luce. ‘Heb ik even mazzel.’

Luce was sprakeloos.

‘Sorry.’ Shelby zuchtte, paste haar toon aan en plantte zich op de rand van Luce’ bed. ‘Ik ben enig kind. Leon – dat is mijn therapeut – probeert me zover te krijgen dat ik minder bot doe als ik iemand voor het eerst ontmoet.’

‘En, werkt het?’ Luce was ook enig kind, maar zij deed niet gemeen tegen elke vreemde met wie ze in contact kwam.

‘Ik bedoel dat ik…’ Shelby ging ongemakkelijk verzitten. ‘Dat ik er niet aan gewend ben om dingen te delen. Kunnen we,’ – ze gooide haar hoofd achterover – ‘even terugspoelen?’

‘Lijkt me prima.’

‘Oké.’ Shelby haalde diep adem. ‘Frankie heeft gisteravond niet gezegd dat je een kamergenoot had omdat ze dan had moeten zien dat ik niet in bed lag – of, als ze het al had gezien, had ze het moeten vertellen. Ik ben door dat raam binnengekomen,’ zei ze wijzend. ‘Om een uur of drie.’

Luce zag een brede richel voor het raam die in verbinding stond met een schuin deel van het dak. Ze stelde zich voor dat Shelby over een heel netwerk van richels van het dak gerend had om hier midden in de nacht terug te komen.

Shelby gaapte omstandig. ‘Kijk, als het op de Nephilijnen op de Kustschool aankomt, zijn de docenten maar over één ding streng, en dat is de zogenaamde discipline. Op zichzelf bestaat er niet eens zoiets als discipline. Maar dat gaat Frankie het nieuwe meisje natuurlijk niet aan haar neus hangen. Zeker Lucinda Price niet.’

Daar had je het weer. Dat toontje in Shelby’s stem als ze Luce’ naam noemde. Luce wilde weten wat dat te betekenen had. En waar Shelby tot drie uur was geweest. En hoe ze in het donker door het raam was binnengekomen zonder een van die planten omver te stoten. En wie de Nephilijnen waren.

Luce kreeg plotseling een heel levendige flashback over de geestelijke apenkooi waar Arriane haar doorheen had geloodst toen ze elkaar net kenden. Het stoere uiterlijk van haar kamergenoot van de Kustschool leek erg op dat van Arriane, en Luce herinnerde zich dat ze op haar eerste dag op Zwaard & Kruis net zo’n gevoel van ‘hoe moet ik ooit met jou vriendinnen worden’ had gehad.

Arriane had een intimiderende en zelfs een beetje gevaarlijke indruk gemaakt, maar toch had ze van begin af aan iets aangenaam gestoords gehad. De nieuwe kamergenoot van Luce was daarentegen gewoon irritant, meer niet.

Shelby sprong van het bed en slofte de badkamer in om haar tanden te poetsen. Luce dook in haar weekendtas om haar tandenborstel te zoeken, liep achter haar aan en gebaarde schaapachtig naar de tandpasta.

‘Ik ben vergeten die van mij mee te nemen.’

‘Je hebt door je beroemdheid natuurlijk geen oog meer voor de kleine benodigdheden van het dagelijks leven,’ antwoordde Shelby, maar ze pakte de tube en stak die Luce toe.

Ze poetsten gedurende iets van tien seconden in stilte hun tanden, tot Luce het niet meer trok. Ze spoog een mond vol schuim uit. ‘Shelby?’

Met haar hoofd in de kom van de porseleinen wasbak spoog Shelby haar mond leeg en zei: ‘Wat?’

In plaats van een van de vragen te stellen die een minuut geleden nog door haar hoofd hadden gespookt, vroeg Luce tot haar eigen verbazing: ‘Wat zei ik in mijn slaap?’

Deze ochtend was de eerste ochtend van minstens een maand vol levendige, ingewikkelde dromen over Daniël, waarop Luce was wakker geworden zonder zich er ook maar iets van te kunnen herinneren.

Niets. Nog geen lichte aanraking van een engelenvleugel. Nog geen kus van zijn lippen.

Ze keek naar Shelby’s norse gezicht in de spiegel. Het meisje moest Luce helpen om haar geheugen op gang te brengen. Ze moest over Daniël hebben gedroomd. Als dat niet zo was… wat betekende dat dan?

‘Geen flauw idee,’ zei Shelby toen. ‘Je sprak heel binnensmonds en onsamenhangend. Probeer de volgende keer wat beter te articuleren.’ Ze liep de badkamer uit en trok oranje teenslippers aan. ‘Het is tijd om te ontbijten. Ga je nog mee of niet?’

Luce haastte zich de badkamer uit. ‘Wat moet ik aan?’ Ze had haar pyjama nog aan. Francesca had de avond ervoor niets over kledingvoorschriften gezegd. Maar ja, ze kon zich ook al niet herinneren dat ze iets over een kamergenoot had gehoord.

Shelby haalde haar schouders op. ‘Wie denk je dat ik ben, van de modepolitie of zo? Wat je het snelst aan kunt trekken. Ik heb honger.’

Luce hees zich in een skinny jeans en trok een zwart wikkelvestje aan. Ze had op deze eerste schooldag liever nog een paar minuten extra aan haar uiterlijk besteed, maar ze pakte toch snel haar rugzak en liep achter Shelby aan de deur uit.

De gang waar de kamers op uitkwamen, zag er bij daglicht heel anders uit. Overal zag Luce lichte, heel grote ramen met uitzicht op de oceaan, of ingebouwde boekenkasten vol dikke, gebonden boeken met kleurige kaften. De vloeren, de wanden, de cassettenplafonds en de steile rondlopende trappen waren allemaal van hetzelfde esdoornhout gemaakt als de meubels in Luce’ kamer. Daardoor had de hele omgeving de sfeer van een gezellige blokhut moeten ademen, ware het niet dat de indeling van de school net zo ingewikkeld en bizar was als het gebouw met de studentenkamers op Zwaard & Kruis saai en rechttoe rechtaan was geweest. Om de paar stappen kwam er wel weer een zijgangetje op de grote gang uit, met wenteltrappen die je nog verder in het schaars verlichte doolhof leidden.

Na twee trappen en iets wat eruitzag als een geheime deur, liepen Luce en Shelby door openslaande deuren met dubbel glas het daglicht in. De zon scheen heel fel, maar het was toch zo koel dat Luce blij was dat ze een vestje had aangetrokken. Ze rook de zee, maar de geur was toch heel anders dan thuis. Minder zilt en meer kalkachtig dan aan de oostkust.

‘Het ontbijt wordt op het terras geserveerd.’ Shelby gebaarde naar een breed groen grasveld. Dit gazon was aan drie kanten omzoomd met dichte blauwe hortensiastruiken, en aan de vierde kant door het steile klif naar de zee. Luce kon haar ogen niet geloven, zo mooi was deze school gelegen. Ze kon zich niet voorstellen dat ze lang genoeg binnen kon blijven om een hele les uit te zitten.

Toen ze naar het terras toe liepen, zag Luce nog een gebouw: een lang rechthoekig gebouw met overnaadse planken en vrolijk uitziende gele kozijnen. Boven de ingang hing een groot met de hand uitgesneden bord met daarop ‘KANTINE’, tussen aanhalingstekens, alsof het ironisch bedoeld was. Het was de mooiste kantine die Luce ooit was tegengekomen.

Het terras stond vol met witgeschilderd ijzeren tuinmeubilair en er zaten misschien wel honderd leerlingen – de meest relaxte leerlingen die Luce ooit had gezien. De meesten hadden hun schoenen uitgeschopt en zaten met hun voeten op tafel, terwijl ze een uitgebreid ontbijtbuffet gebruikten. Oeufs Bénédict, Belgische wafels met fruit erop, punten heerlijk uitziende brosse quiche met verse spikkeltjes spinazie. Er zaten leerlingen de krant te lezen, in hun mobiele telefoon te kletsen en sommige waren op het gazon croquet aan het spelen. Luce kende wel de rijkeluiskinderen op Dover, maar rijke kinderen van de Oostkust waren benepen en verwaand, niet zongebruind en zorgeloos. Dit hele tafereel leek meer op de eerste zomerdag dan op een dinsdag begin november. Het zag er allemaal zo genoeglijk uit dat je die kinderen bijna hun zelfingenomen blikken niet kwalijk kon nemen. Bíjna.

Luce probeerde zich voor te stellen dat Arriane hier was, wat zij van Shelby of deze maaltijd aan zee zou denken, dat ze waarschijnlijk niet wist waar ze als eerste de spot mee moest drijven. Luce wilde dat ze nu Arriane bij zich had. Wat zou het heerlijk zijn om er samen om te kunnen lachen.

Toen ze om zich heen keek, zag ze toevallig dat een paar leerlingen naar haar keken. Een mooi meisje met een olijfkleurige huid, een polkadotjurk aan en een groene sjaal in haar glanzende zwarte haar geknoopt. Een jongen met lichtblond haar en brede schouders, die op een reusachtige stapel flensjes aanviel.

Luce had zodra ze oogcontact had gemaakt de neiging om haar hoofd om te draaien – op Zwaard & Kruis was dat altijd het verstandigst geweest. Maar… geen van deze mensen keek haar boos aan. De grootste verrassing van de Kustschool was niet de kristalheldere zon, het gerieflijke ontbijt of de sfeer van goedgevulde portemonnees die iedereen over zich had. Nee, de grootste verrassing was dat de leerlingen hier glimlachten.

Nou ja, de meesten dan. Toen Shelby en Luce bij een vrij tafeltje waren aangekomen, pakte Shelby een bordje op en gooide dat op de grond. Luce boog zich naar opzij en zag dat er GERESERVEERD op stond. Net op dat moment kwam er een jongen van hun leeftijd, keurig als ober gekleed, met een zilveren dienblad naar hen toe.

‘Dit tafeltje is eh… gere…’ begon hij, en vervelend genoeg voor hem sloeg zijn stem daarbij over.

‘Koffie, zwart,’ zei Shelby, en toen vroeg ze abrupt aan Luce: ‘Wat wil jij?’

‘Eh… hetzelfde,’ zei Luce, die het maar ongemakkelijk vond om bediend te worden. ‘Met een beetje melk, als het kan.’

‘Beursleerlingen. Die moeten bijbeunen.’ Shelby rolde met haar ogen naar Luce, en de ober vloog weg om hun koffie te halen. Ze pakte de San Francisco Chronicle van het midden van de tafel en sloeg met een geeuw de voorpagina open.

Dat was voor Luce zo’n beetje de druppel.

‘Hé.’ Ze duwde Shelby’s arm omlaag, zodat ze haar gezicht achter de krant kon zien. Shelby’s zware wenkbrauwen gingen verbaasd omhoog. ‘Ik was vroeger zo’n beursleerling,’ zei Luce. ‘Niet op mijn vorige school, maar wel op de school daarvoor…’

Shelby duwde Luce’ hand van zich af. ‘Moet ik van dat deel van je cv ook al onder de indruk zijn?’

Luce wilde net vragen wat Shelby dan over haar had gehoord toen ze een warme hand op haar schouder voelde.

Francesca, de docent die Luce de avond daarvoor bij de deur had opgevangen, keek glimlachend op haar neer. Ze was lang, had een dominante uitstraling en was op een ongedwongen manier stijlvol. Francesca’s zachte blonde haar zat netjes naar één kant. Haar lippen glansden roze. Ze droeg een hippe getailleerde zwarte jurk met een blauwe riem en bijpassende naaldhakken met open neus. Echt zo’n outfit waarnaast iedereen zich slonzig voelt. Luce wilde dat ze op z’n minst wat mascara op had gedaan. En ook niet haar modderige Converses had aangetrokken.

‘O, mooi zo, jullie hebben kennisgemaakt.’ Francesca glimlachte. ‘Ik wist wel dat jullie meteen vriendinnen zouden worden!’

Shelby zei niets, maar ritselde wel met de krant. Luce schraapte alleen maar haar keel.

‘Je zult merken dat je zo op de Kustschool gewend bent, Luce. Daar is de school helemaal op ingericht. De meeste van onze getalenteerde leerlingen voelen zich hier onmiddellijk thuis.’ Getalenteerde? ‘Als je vragen hebt, kun je natuurlijk altijd bij mij terecht. Of je vertrouwt op Shelby.’

Voor het eerst deze ochtend moest Shelby lachen. Haar lach klonk nors en gruizig – het soort gegrinnik dat Luce van een oude man had verwacht, van iemand die zijn hele leven al rookt, en niet van een jeugdige yoga-adept.

Luce voelde hoe er een frons op haar voorhoofd verscheen. Als ze iets niet wilde was het ‘zich onmiddellijk thuisvoelen’ op de Kustschool. Ze hoorde niet bij een groepje verwende getalenteerde kinderen op een klif met uitzicht over de oceaan. Ze hoorde bij echte mensen, mensen met een ziel in plaats van met een squashracket, mensen die het leven kenden. Ze hoorde bij Daniël. Ze had nog steeds geen idee wat ze hier deed, behalve dan dat ze zich hier heel tijdelijk moest verstoppen terwijl Daniël korte metten maakte met zijn… oorlog. Daarna zou hij haar weer mee naar huis nemen. Of iets dergelijks.

‘Nou, dan zie ik jullie allebei in de les. Laat het ontbijt jullie smaken!’ riep Francesca achterom, terwijl ze wegschreed. ‘Probeer de quiche eens!’ Ze zwaaide met haar hand ten teken dat de ober beide meisjes een bord moest brengen.

Toen ze weg was, nam Shelby een grote slok van haar koffie en veegde haar mond met de rug van haar hand af.

‘Eh… Shelby?’

‘Ooit gehoord van “in alle rust eten”?’

Luce zette haar koffiekopje met een klap terug op het schoteltje en wachtte ongeduldig tot de zenuwachtige ober hun quiche had neergezet en weer verdwenen was. Ergens wilde ze wel een ander tafeltje zoeken. Overal om haar heen klonk het vrolijke geroezemoes van gesprekken. En als ze niet bij een van de anderen kon zitten, kon ze nog beter alleen blijven. Alles beter dan dit. Maar ze was in de war door wat Francesca had gezegd. Waarom deed ze alsof Shelby een of andere fantastische kamergenoot was terwijl het toch zo klaar als een klontje was dat dat kind een hatelijk secreet was? Luce bleef maar op een hap quiche kauwen, want ze wist dat ze toch niet kon eten tot ze haar hart had gelucht.

‘Oké, ik weet dat ik hier nieuw ben, en om de een of andere reden irriteert jou dat. Ik denk dat je voordat ik kwam een kamer voor jou alleen had, zoiets.’

Shelby liet de krant tot vlak onder haar ogen zakken. Ze trok één reusachtige wenkbrauw op.

‘Maar zo erg ben ik nou ook weer niet. Ik wil een paar dingen weten. Nou en? Sorry hoor, dat ik hier op school kom en niet weet wat in vredesnaam de Nephermanners zijn…’

‘Nephilijnen.’

Whatever. Interesseert mij wat. Ik wil helemaal niet dat jij mijn vijand wordt… en dat betekent dat iets van dit gedoe,’ zei Luce, en ze gebaarde naar de ruimte tussen hen, ‘met jou te maken heeft. Dus wat is het probleem nou helemaal?’

Shelby trok met haar mondhoek. Ze vouwde de krant op, legde hem neer en leunde achterover op haar stoel.

‘Je zou je wel voor de Nephilijnen moeten interesseren. We worden je klasgenoten.’ Ze stak haar hand uit en gebaarde naar het terras. ‘Hier zie je het knappe, bevoorrechte leerlingenbestand van de Kustschool. De helft van deze sukkels zul je nooit meer zien, behalve dan als het doelwit van onze practical jokes.’

‘Onze?’

‘Ja, je zit in het “ereprogramma” voor de Nephilijnen. Maar maak je geen zorgen; voor het geval je niet al te slim bent’ – Luce snoof – ‘het traject voor de talenten is hier voor het grootste deel een dekmantel, een manier om de Nephs op te bergen zonder dat iemand al te veel argwaan krijgt. De enige die ooit argwaan heeft gekregen is Beaker Brady.’

‘Wie is Beaker Brady?’ vroeg Luce, en ze boog naar voren, zodat ze niet over de grove ruis van de golven die beneden tegen de kust braken heen hoefde te schreeuwen.

‘Die supernerd, twee tafeltjes verderop.’ Shelby knikte in de richting van een dikkige jongen, geruit gekleed, die net yoghurt over een heel dik boek had gemorst. ‘Zijn ouders vinden het vreselijk dat hij nooit voor de erelessen is aangenomen. Elk semester voeren ze weer campagne. Hij levert scores voor hoogbegaafde leerlingen in, uitslagen van wetenschapswedstrijden, beroemde Nobelprijswinnaars die van hem onder de indruk zijn, de hele rataplan. En elk semester moet Francesca weer een of andere neptest verzinnen die hij onmogelijk kan halen, om hem buiten het programma te houden.’ Ze snoof. ‘Zo van: “Hé, Beaker, los deze Rubik’s Cube binnen dertig seconden op.”’ Shelby klakte met haar tong tegen haar tanden. ‘Alleen heeft die sufkop die test nou weer net wel gehaald.’

‘Maar als dat een dekmantel is,’ vroeg Luce, terwijl ze medelijdend naar Beaker keek, ‘waar is het dan een dekmantel voor?’

‘Voor mensen zoals ik. Ik ben een Nephilijn. N-E-P-H-I-L-I-J-N. Dat staat voor alles met engel in zijn DNA. Stervelingen, onsterfelijken, transeeuwigen. We proberen niet te discrimineren.’

‘Kun je zo iemand ook een “nephil” noemen, net zoals “cherub” van cherubijn en “seraf” van serafijn?’

Shelby fronste haar voorhoofd. ‘Meen je dat nou? Zou jij een “nephil” willen heten? Dat klinkt net alsof het een tas is waarin je je schaamte bewaart. Nee, dank je feestelijk. Het is “Nephilijn”, en het blijft “Nephilijn”.’

Dus Shelby was een soort engel. Vreemd. Zo zag ze er helemaal niet uit en zo gedroeg ze zich ook niet. Ze was niet oogverblindend mooi, zoals Daniël, Cam of Francesca. Ze had niet zo’n magnetische uitstraling als Roland of Arriane. Ze was gewoon bot en chagrijnig.

‘Dus dit is een engelenprepschool, zeg maar,’ zei Luce. ‘Maar waarvoor? Ga je hierna naar de engelenuniversiteit?’

‘Dat hangt ervan af waar de wereld behoefte aan heeft. Veel kinderen nemen een jaar vrij en gaan bij het Nephilijnen Corps. Dan mag je reizen, mag je verliefd worden op een buitenlander, enzovoort. Maar dat is in tijden van, nou ja, relatieve vrede. Op dit moment, tja…’

‘Wat is er op dit moment?’

‘Laat maar zitten.’ Shelby zag eruit alsof ze op haar tong beet. ‘Het hangt er gewoon van af wie je bent. Iedereen hier beschikt over een andere mate van macht,’ ging ze verder. Het was alsof ze Luce’ gedachten kon lezen. ‘Het is een verglijdende schaal, afhankelijk van je stamboom. Maar in jouw geval…’

Dat wist Luce. ‘Ik ben hier alleen vanwege Daniël.’

Shelby gooide haar servet op haar lege bord en stond op. ‘Dat is een heel indrukwekkende manier om jezelf voor te stellen, Luce. Het meisje wier belangrijke vriendje het voor het zeggen heeft.’

Dacht iedereen hier zo over haar? Was dat dan… de waarheid?

Shelby pikte het laatste stuk quiche van Luce’ bord. ‘Als je een Lucinda Price-fanclub wilt, zul je die hier vast vinden. Maar laat mij erbuiten, ja?’

‘Waar héb je het over?’ Luce stond op. Misschien moesten Shelby en zij weer even opnieuw beginnen. ‘Ik wil helemaal geen fanclub…’

‘Zie je wel? Ik zei het toch,’ hoorde ze een hoge, maar mooie stem zeggen.

Plotseling stond het meisje met de groene sjaal voor haar neus. Ze grijnsde en duwde een ander meisje naar voren. Luce keek langs hen heen, maar Shelby was al te ver weg, en het waarschijnlijk toch niet de moeite om achter haar aan te gaan. Van dichtbij zag het meisje met de groene sjaal er een beetje uit als een jonge Salma Hayek, met volle lippen en een nog vollere boezem. Het andere meisje zag er met haar bleke teint, lichtbruine ogen en korte zwarte haar uit als een soort Luce.

‘Wacht eens even, dus jij bent echt Lucinda Price?’ vroeg het bleke meisje. Ze had heel kleine witte tanden en gebruikte die om een paar met lovertjes bezette speldjes vast te klemmen, terwijl ze een paar donkere plukken haar tot knotjes draaide. ‘Van Luce-en-Daniël? Van het meisje dat net van die vreselijke school in Alabama…’

‘Georgia.’ Luce knikte min of meer.

‘Maakt niet uit. Omijngod, hoe was Cam? Ik heb hem één keer op een deathmetalconcert gezien… Ik was natuurlijk te zenuwachtig om mezelf voor te stellen. Niet dat jij in Cam geïnteresseerd bent, want jij hebt natuurlijk… Daniël!’ Ze lachte kwinkelerend. ‘Ik ben Dawn, trouwens. Dit is Jasmine.’

‘Hallo,’ zei Luce langzaam. Dit was nieuw voor haar. ‘Eh…’

‘Let maar niet op haar; ze heeft iets van elf koppen koffie gedronken.’ Jasmine sprak ongeveer drie keer langzamer dan Dawn. ‘Maar ze wil eigenlijk zeggen dat we het allemaal ontzettend leuk vinden dat je hier bent. We hebben het er altijd over dat Daniël en jij, zeg maar, het mooiste liefdespaar ter wereld zijn.’

‘Echt?’ Luce liet haar knokkels kraken.

‘Je maakt een geintje, zeker?’ vroeg Dawn, hoewel Luce nog steeds dacht dat zíj juist een geintje met háár uithaalden. ‘Al dat sterven, steeds maar weer sterven? Oké, verlang je daardoor niet nog meer naar hem? Ik durf te wedden van wel! En ooo, als dat vuur je te pakken heeft…’ Ze sloot haar ogen, legde een hand op haar maag, streek er toen mee omhoog over haar lichaam en legde haar vuist gebald tegen haar hart. ‘Mijn moeder vertelde me dat verhaal vroeger altijd al toen ik klein was.’

Luce wist niet wat ze hoorde. Ze keek het drukke terras langs en vroeg zich af of iemand anders het ook had gehoord. Over vuur gesproken: haar wangen waren nu vast ook zo rood als een biet.

Op het dak van de kantine werd een ijzeren bel geluid ten teken dat het ontbijt ten einde was, en Luce zag tot haar opluchting dat verder iedereen wel wat anders aan zijn hoofd had. Naar de les gaan, bijvoorbeeld.

‘Welk verhaal heeft je moeder je vroeger verteld?’ vroeg Luce langzaam. ‘Over mij en Daniël?’

‘Alleen een paar hoogtepunten,’ zei Dawn, en ze deed haar ogen open. ‘Voelt het als een opvlieger? Zoals je in de overgang krijgt – niet dat jij dat kunt weten…’

Jasmine gaf Dawn een klap tegen haar arm. ‘Loop jij Luce’ tomeloze hartstocht nou met een opvlieger te vergelijken?’

‘Sorry.’ Dawn giechelde. ‘Het fascineert me gewoon. Het klinkt zo superromantisch en indrukwekkend. Ik ben jaloers… op een goede manier!’

‘Jaloers dat ik elke keer doodga als ik bij de jongen van mijn dromen probeer te komen?’ Luce trok haar schouders op. ‘Het is gewoon een ongelooflijke domper.’

‘Dat moet je nodig zeggen tegen het meisje dat alleen maar gekust is door Ira Frank met het prikkelbaredarmsyndroom.’ Jasmine wees plagerig op Dawn.

Toen Luce er niet om moest lachen, vulden Dawn en Jasmin de stilte met een sussend gegiechel, alsof ze dachten dat Luce alleen maar bescheiden probeerde te doen. Er was nog nooit zo tegen Luce gegiecheld.

‘Maar wat zei je moeder dan precies?’ vroeg Luce.

‘O, gewoon het bekende verhaal: de oorlog brak uit, een en al ellende, en toen ze in de wolken een lijn trokken, ging Daniël op de toer van “niets kan ons scheiden” en daar werd iedereen hartstikke kwaad om. Dat vind ik natuurlijk het mooiste stuk van het verhaal. Dus nu moet jullie liefde een eeuwige straf ondergaan, waarbij jullie nog steeds wanhopig naar elkaar verlangen, maar elkaar niet, nou ja, je weet wel…’

‘Maar in sommige levens wel,’ verbeterde Jasmine Dawn. Toen knipoogde ze ondeugend naar Luce, die bijna als aan de grond genageld stond toen ze dit allemaal hoorde.

‘Helemaal niet!’ Dawn maakte een wegwuivend handgebaar. ‘Het hele punt is dat ze in vlammen is opgegaan toen ze…’ Dawn zag hoe dodelijk geschrokken Luce keek, en kreunde. ‘Sorry. Dat wil je natuurlijk niet horen.’

Jasmine schraapte haar keel en boog zich dichter naar Luce toe. ‘Mijn oudere zus heeft me een verhaal uit jullie verleden verteld, waarvan ik zeker weet dat…’

‘Ooo!’ Dawn stak haar arm door die van Luce, alsof deze kennis – kennis waar Luce geen toegang toe had – haar tot een begerenswaardigere vriendin maakte. Het was om gek van te worden. Luce voelde zich verschrikkelijk ongemakkelijk. En, toegegeven, ook een beetje opgewonden. En ze wist echt totaal niet of er ook maar een woord van waar was. Eén ding was zeker: Luce was plotseling min of meer… beroemd. Maar dat voelde wel vreemd. Alsof ze zo’n anonieme bimbo was naast de filmster op een paparazzofoto.

‘Hé!’ Jasmine wees overdreven op de klok van haar telefoontje. ‘We zijn echt megalaat! We moeten snel naar de les.’

Luce grijnsde en pakte snel haar rugzak. Ze had geen idee wat voor les ze als eerste had, waar haar lokaal was of hoe ze het enthousiasme van Jasmine en Dawn moest interpreteren. Zulke brede, gretige glimlachjes had ze sinds… nou ja, misschien wel nog nooit eerder gezien.

‘Weet een van jullie hoe ik erachter kom waar ik mijn eerste les heb? Ik geloof niet dat ik een rooster heb gekregen.’

‘Duh,’ zei Dawn. ‘Loop maar met ons mee. We zitten allemaal bij elkaar. Altijd! Hartstikke leuk.’

De twee meisjes liepen met Luce mee, ieder aan een kant, en namen haar mee op een zigzaggende tocht tussen de tafeltjes van andere leerlingen die net klaar waren met ontbijten. Ze mochten dan nog zo ‘megalaat’ zijn, zowel Jasmine als Dawn kuierde op haar dooie akkertje over het pasgemaaide gras.

Luce overwoog om deze meisjes te vragen wat er met Shelby aan de hand was, maar ze wilde niet meteen al als een roddelkont overkomen. Bovendien leken deze meisjes haar wel aardig en zo, maar het was nou ook weer niet zo dat Luce behoefte had om nieuwe beste vriendinnen te krijgen. Ze moest zichzelf voorhouden dat dit maar voor tijdelijk was.

Tijdelijk, maar wel adembenemend mooi. Ze liepen gedrieën over het pad tussen de hortensia’s, dat om het kantinegebouw heen liep. Dawn liep over iets te kletsen, maar Luce kon haar ogen niet van de dramatische rand van het klif afhouden, waar het terrein abrupt honderden meters omlaag liep naar de glinsterende oceaan. De golven rolden naar het kleine geelbruine strand aan de voet van het klif, bijna net zo nonchalant als het leerlingencorps van de Kustschool naar de les toe kuierde.

‘We zijn er,’ zei Jasmine.

Aan het eind van het pad stond een indrukwekkend chalet met puntdak. Dat was midden tussen lommerrijke sequoia’s gebouwd, zodat het steile, driehoekige dak en het uitgestrekte open gazon ervoor helemaal bedekt waren met een deken van gevallen naalden. Er was een leuk grasveldje met een paar picknicktafels, maar de grootste attractie was het chalet zelf: meer dan de helft leek wel helemaal van glas te zijn gemaakt, met brede getinte ramen en open schuifdeuren. Het leek wel iets wat Frank Lloyd Wright had kunnen ontwerpen. Op een enorm balkon op de eerste verdieping met uitzicht op de oceaan hingen een paar leerlingen, en weer anderen liepen de dubbele trap op die vanaf het pad omhoog kronkelde.

‘Welkom in de Nephi-hut,’ zei Jasmine.

‘En hier hebben jullie les?’ Luce’ mond zakte open. Het leek meer een vakantiewoning dan een schoolgebouw.

Naast haar slaakte Dawn een gilletje en kneep in Luce’ pols.

‘Goeiemorgen, Steven!’ riep Dawn over het gazon, en ze zwaaide naar een oudere man die onder aan de trap stond. Hij had een mager gezicht, een hippe rechthoekige bril, een dikke bos golvend zout-en-peperkleurig haar. ‘O, wat is-ie toch lekker in dat driedelige pak,’ fluisterde ze.

‘Goedemorgen, dames.’ De man glimlachte naar hen en zwaaide. Hij keek Luce net lang genoeg aan om haar zenuwachtig te maken, maar de glimlach week niet van zijn gezicht. ‘Ik zie jullie zo,’ riep hij, en hij liep de trap op.

‘Steven Filmore,’ fluisterde Jasmine, en terwijl ze achter hem aan de trap op liepen, praatte ze Luce bij. ‘Ook wel SF genoemd. Hij is een van onze docenten, en ja, Dawn is echt tot over haar oren verliefd op hem. Ook al is hij bezet. Ze is echt schaamteloos.’

‘Maar ik hou ook van Francesca.’ Dawn sloeg Jasmines hand weg en draaide zich toen met een glimlach in haar donkere ogen om naar Luce. ‘Als je het maar niet waagt om op een van hen verliefd te worden.’

‘Wacht even.’ Luce bleef staan. ‘SF en Francesca zijn docenten van ons? En jullie noemen ze bij hun voornaam? En ze hebben iets samen? Wie geeft wat?’

‘We noemen het hele ochtendblok “menswetenschappen”,’ zei Jasmine, ‘hoewel “engelwetenschappen” beter zou zijn. Frankie en Steven geven het samen. Dat is hier zo geregeld, als een soort yin en yang. Zodat geen van de leerlingen… beïnvloed wordt, zeg maar.’

Luce beet op haar lip. Ze waren boven aan de trap aangekomen en stonden nu tussen allemaal andere leerlingen op het balkon. Iedereen maakte aanstalten om door de glazen schuifdeuren naar binnen te gaan. ‘Hoe bedoel je: “beïnvloed wordt”?’

‘Ze zijn natuurlijk allebei gevallen, maar ze hebben ieder een andere kant gekozen. Zij is een engel en hij is meer een demon.’ Dawn zei het heel nonchalant, alsof ze het over verschillende smaken yoghurtijs had. Toen ze zag dat Luce grote ogen opzette, voegde ze er nog aan toe: ‘Niet dat ze kunnen trouwen of zo – hoewel dat echt de meest waanzinnige bruiloft zou worden die je je maar kunt voorstellen. Ze leven in zonde, zeg maar.’

‘Een demon die menswetenschappen geeft?’ vroeg Luce. ‘En dat kan zomaar?’

Dawn en Jasmine keken elkaar aan en grinnikten. ‘Dat kan zeker,’ zei Dawn. ‘Je kunt het vast goed met Steven vinden. Kom, we moeten naar binnen.’

Luce volgde de stroom leerlingen en liep het klaslokaal in. Het was een breed vertrek met drie verhogingen waar bureaus op stonden, die weer naar een paar lange tafels voerden. Het meeste licht kwam via dakramen binnen. Door het daglicht en het hoge plafond leek het lokaal nog groter dan het was. Door de open deuren woei zeewind naar binnen, waardoor het er heerlijk fris was. Een groter verschil met Zwaard & Kruis was niet denkbaar. Luce bedacht dat ze het bijna leuk zou hebben gevonden op de Kustschool, ware het niet dat de hele reden voor haar aanwezigheid hier – de belangrijkste persoon in haar leven – er niet was. Ze vroeg zich af of Daniël aan haar dacht. Miste hij haar net zo als zij hem?

Luce koos een bureau vlak bij de ramen, tussen Jasmine en een schattige jongen van het type boy next door, die een afgeknipte broek en een donkerblauw sweatshirt droeg en een pet van de Dodgers op had. Bij de deur naar de wc’s stond een groepje meisjes. Een van hen had krullen en een vierkante paarse bril. Toen Luce het profiel van het meisje zag, vloog ze bijna van haar stoel.

Penn.

Maar toen het meisje zich naar Luce omdraaide, zag ze dat haar gezicht wat vierkanter was, haar kleren wat strakker zaten en haar lach wat luider klonk, en het was net alsof Luce’ hart verschrompelde. Natuurlijk was het Penn niet. Die zou er nooit meer zijn.

Luce voelde dat de andere leerlingen naar haar keken – sommigen staarden haar echt ongegeneerd aan. De enige die dat niet deed was Shelby, die Luce ter begroeting toeknikte.

Het was geen heel grote klas, gewoon twintig tafeltjes die op de verhogingen gerangschikt stonden, tegenover de twee lange mahoniehouten tafels voorin. Daarachter stonden twee witte schoolborden. Aan weerskanten twee boekenkasten. Twee prullenbakken. Twee bureaulampen. Twee laptops, op elke tafel één. En de twee docenten, Steven en Francesca, zaten voor in het vertrek naar elkaar toe gebogen te fluisteren.

Ze draaiden zich om met een beweging die Luce niet verwacht had en staarden haar ook aan. Toen schreden ze naar de tafels toe. Francesca ging boven op de ene tafel zitten, met een been onder zich gevouwen en een van haar hoge hakken net tegen de houten vloer. Steven leunde tegen de andere tafel, maakte een grote kastanjebruine leren map open en stak zijn pen tussen zijn lippen. Voor een oudere man zag hij er beslist goed uit, maar Luce wilde bijna dat dat niet zo was. Hij deed haar denken aan Cam, en aan hoe misleidend de charme van een demon kon zijn.

Ze wachtte tot de rest van de klas zijn boeken tevoorschijn had gehaald – boeken die zij niet had – om zich te verdiepen in een leesopdracht waarop zij natuurlijk achterliep, zodat ze zich kon overgeven aan alle overweldigende indrukken en gewoon wat over Daniël kon dagdromen.

Maar dat gebeurde niet. En de meeste leerlingen zaten stiekem haar kant op te kijken.

‘Goed, jullie zullen onderhand wel gemerkt hebben dat we een nieuwe leerling in ons midden hebben.’ Francesca’s stem klonk zacht en dik als honing, als die van een jazz-zangeres.

Steven glimlachte, zodat even zijn fonkelwitte tanden te zien waren. ‘Vertel eens, Luce, hoe vind je het tot nog toe op de Kustschool?’

De tafeltjes van de andere leerlingen maakten schrapende geluiden over de vloer, en Luce trok wit weg. Iedereen draaide zich daadwerkelijk op zijn stoel om om naar haar te kunnen kijken.

Ze voelde haar hart jagen en haar handpalmen werden vochtig. Ze schrompelde ineen op haar stoel en wilde maar dat ze een gewoon kind was op een gewone school, thuis in het gewone Thunderbolt in Georgia. De afgelopen dagen had ze menigmaal gewenst dat ze nooit een schaduw had gezien, dat ze nooit in de problemen was geraakt, problemen waardoor haar beste vrienden nu dood waren, of dat ze nooit iets met Cam had gehad, of dat ze het Daniël nooit onmogelijk had gemaakt om bij haar te zijn. Maar daar kwamen haar angstige, buitelende gedachten altijd abrupt tot stilstand: hoe kon ze normaal zijn en toch nog met Daniël zijn? Die allesbehalve normaal was. Dat was onmogelijk. Dus was ze nu hier en zoog ze alles in zich op.

‘Ik moet nog een beetje aan de Kustschool wennen, denk ik.’ Haar stem klonk onvast, waardoor die haar verried, en weerkaatste van het schuin aflopende plafond. ‘Maar tot nu toe lijkt het me wel aardig.’

Steven moest lachen. ‘Nou, Francesca en ik vonden dat we je een beetje moesten helpen om te wennen, dus laten we de presentaties die de leerlingen anders altijd op dinsdagochtend moeten doen voor wat die zijn en…’

Van de andere kant van het lokaal brulde Shelby ‘Hoera!’, en Luce zag dat ze een stapel systeemkaarten op haar bureau had liggen en dat er aan haar voeten een grote poster lag met daarop de tekst VERSCHIJNINGEN ZIJN ZO ERG NOG NIET. Dus Luce had haar zojuist een presentatie bespaard. Daar moest ze als kamergenoot toch punten mee hebben verdiend.

‘Steven bedoelt,’ viel Francesca hem bij, ‘dat we een spel gaan doen, om het ijs te breken.’ Ze liet zich van haar tafel glijden en liep met tikkende hakken het lokaal door om aan alle leerlingen een papier uit te delen.

Luce verwachtte het koor van gekreun te zullen horen dat die woorden meestal aan een klas vol pubers ontlokten. Maar deze kinderen waren allemaal ontzettend aardig en aangepast. Ze lieten het allemaal maar zo’n beetje over zich heen komen.

Toen Francesca het vel op Luce’ tafeltje legde, zei ze: ‘Zo krijg je een idee wie je klasgenoten zijn en naar wat voor doelen we in deze les toe werken.’

Luce keek naar het papier. Er waren lijnen op getrokken, die het in twintig vakken verdeelden. In elk vak stond een zin. Dat spel had ze al eens eerder gespeeld, een keer op zomerkamp in West-Georgia, als klein meisje, en daarna nog een paar keer op haar school in Dover. Het was de bedoeling dat je het lokaal rondging en elke leerling een andere zin toekende. Ze was eigenlijk vooral opgelucht; er waren heel wat gênantere manieren te bedenken om het ijs te breken. Maar toen ze de zinnen eens wat beter bekeek – ze verwachtte normale dingen zoals ‘heeft een schildpad als huisdier’ of ‘wil ooit gaan skydiven’ – zag ze tot haar schrik zinnen als ‘spreekt meer dan achttien talen’ en ‘is in de buitenaardse wereld geweest’.

Het kon elk moment pijnlijk duidelijk worden dat Luce de enige niet-Nephilijn in de klas was. Ze dacht weer aan de zenuwachtige ober die Shelby en haar hun ontbijt had gebracht. Misschien zou Luce zich bij de beursleerlingen wat meer op haar gemak voelen. Beaker Brady wist niet eens dat hij de dans was ontsprongen.

‘Als niemand vragen heeft,’ zei Steven voor in het lokaal, ‘mogen jullie wat mij betreft beginnen.’

‘Ga naar buiten en geniet ervan,’ voegde Francesca eraan toe. ‘Neem de tijd.’

Luce liep achter de rest van de leerlingen het balkon op. Toen ze naar de balustrade liepen, boog Jasmine zich over Luce’ schouder en wees met een groengelakte nagel op een van de vakjes. ‘Een familielid van mij is een volbloed cherubijn,’ zei ze. ‘Gekke oom Carlos.’

Luce knikte alsof ze wist wat dat betekende en schreef Jasmines naam in het vakje.

‘O, en ik kan leviteren,’ tsjilpte Dawn, terwijl ze de linkerbovenhoek van Luce’ papier aanwees. ‘Niet echt honderd procent van de tijd, maar als ik koffie heb gedronken meestal wel.’

‘Wauw.’ Luce probeerde haar niet aan te staren – ze had niet de indruk dat Dawn een grapje maakte. Kon ze echt leviteren?

Luce probeerde niet te laten merken dat ze zich steeds onbekwamer begon te voelen en zocht het formulier af naar iets wat haar bekend voorkwam – het maakte niet uit wat, als het maar iets was waar zij iets van wist.

‘Heeft ervaring met Verkondigers oproepen.’

De schaduwen. Daniël had haar de laatste avond op Zwaard & Kruis verteld hoe hun echte naam luidde. Ze had ze nog nooit echt ‘opgeroepen’ – ze waren altijd gewoon uit zichzelf verschenen – maar Luce had er wel enige ervaring mee.

‘Vul mij daar maar in.’ Ze wees op de linkerbenedenhoek. Zowel Jasmine als Dawn keek naar haar op met iets van ontzag, maar toch niet ongelovig, en gingen toen verder met de rest van de vakjes. Luce’ hartslag werd wat rustiger. Misschien viel het dan toch nog mee.

In de minuten daarna maakte ze kennis met Lilith, een pittig meisje met rood haar dat een van de drie Nephilijn-drielingen was (‘Je kunt ons uit elkaar houden door onze rudimentaire staartjes,’ legde ze uit; ‘die van mij krult.’); met Oliver, een gezette jongen met een lage stem, die in de zomervakantie van dat jaar een bezoek had gebracht aan de buitenaardse wereld (‘Echt zwaar overschat, je hebt geen idee.’); en met Jack, die het gevoel had dat het hem elk moment kon lukken om gedachten te lezen en die het prima vond dat Luce dat bij hem invulde. (‘Ik voel dat je dat goed vindt. Klopt dat?’ Hij deed met zijn vingers een pistool na en klakte met zijn tong.) Toen Shelby het papier uit haar handen trok, had ze nog drie vakjes over.

‘Ik doe deze twee wel,’ zei ze, en ze wees op twee vakjes. ‘Voor welke wil je mij hebben?’

“Spreekt meer dan achttien talen” of “Heeft een glimp opgevangen van een vorig leven”.

‘Wacht even,’ fluisterde Luce. ‘Heb jij… Kun jij vorige levens zien?’

Shelby wiebelde met haar wenkbrauwen naar Luce, zette snel haar naam in het vakje en zette voor de goede orde haar naam in het vakje van de ‘achttien talen’. Luce staarde naar het blad papier en dacht aan al haar eigen vorige levens en dat die tot haar grote frustratie voor haar verboden terrein waren. Ze had Shelby onderschat.

Maar haar kamergenootje was alweer weg. Op Shelby’s plaats stond nu de jongen die in de klas naast haar gezeten had. Hij was zeker vijftien centimeter langer dan Luce, had een stralende, vriendelijke glimlach, wat sproeten op zijn neus en helderblauwe ogen. Hij had iets, zelfs de manier waarop hij op zijn pen beet, wat er… vastberaden uitzag. Luce realiseerde zich dat dat een vreemd woord was voor iemand met wie ze nog nooit een woord had gewisseld, maar toch.

‘O, godzijdank.’ Hij lachte en sloeg zijn hand tegen zijn voorhoofd. ‘Het enige wat ik kan is het enige wat jij hebt opengelaten.’

‘Kan een spiegelbeeld van zichzelf of anderen weerspiegelen?’ las Luce langzaam op.

Hij gooide zijn hoofd van links naar rechts en schreef zijn naam in het vakje. Miles Fisher. ‘Dat is voor iemand als jij vast heel indrukwekkend.’

‘Eh… ja.’ Luce draaide zich om. Iemand als jij, die niet eens wist wat dat betekende.

‘Hé, wacht even, waar ga je naartoe?’ Hij trok aan haar mouw. ‘O-o. Je had niet door dat dat als bescheiden grapje was bedoeld?’ Toen ze haar hoofd schudde, betrok Miles’ gezicht. ‘Ik bedoelde alleen: vergeleken bij alle anderen uit de klas kan ik het maar net bijbenen. De enige die ik ooit heb kunnen weerspiegelen, behalve mezelf, was mijn moeder. Mijn vader ging gedurende iets van tien seconden helemaal door het lint, maar toen trok het weg.’

‘Wacht even.’ Luce knipperde met haar ogen. ‘Heb je een echt spiegelbeeld van je moeder gemaakt?’

‘Per ongeluk. Ze zeggen dat het gemakkelijk gaat met de mensen van wie je houdt, zeg maar.’ Hij bloosde – een heel zacht vleugje roze over zijn jukbeenderen. ‘Nu denk je natuurlijk dat ik een soort moederskindje ben. Ik bedoel alleen maar dat bij “gemakkelijk” mijn krachten zo’n beetje ophouden. Maar jij… jij bent de beroemde Lucinda Price.’ Hij wiebelde onheilspellend met zijn vingers op een heel stoere manier.

‘Ik wou dat iedereen eens ophield met dat te zeggen,’ zei ze vinnig. Maar toen vond ze dat toch wel onbeleefd en ging ze met een zucht tegen de balustrade van het balkon geleund staan om over het water uit te kijken. Het was heel moeilijk om al die hints te verwerken die haar lieten weten dat de mensen hier meer over haar wisten dat zijzelf. Ze wilde het deze jongen niet kwalijk nemen. ‘Het spijt me, ik dacht alleen dat ik de enige was die het maar met moeite kon bijbenen. Wat heb jij voor geschiedenis?’

‘O, ik ben wat ze “verwaterd” noemen,’ zei hij, en maakte daarbij heel overdreven aanhalingstekens in de lucht. ‘Bij mijn moeder komen een paar generaties terug engelen in de familie voor, maar al mijn andere familieleden zijn stervelingen. Mijn krachten zijn heel beperkt, op het gênante af. Maar ik zit hier omdat mijn ouders het eh… het balkon waar je nu op staat geschonken hebben.’

‘Wauw.’

‘Het stelt niet echt veel voor. Mijn familie wil per se dat ik op de Kustschool zit. Je zou eens moeten horen wat voor druk er thuis op mij wordt uitgeoefend om toch vooral “een keer met een leuk Nephilijn-meisje uit te gaan”.’ Luce moest lachen – een van de eerste keren sinds dagen dat het er oprecht uit kwam. Miles rolde goedhartig met zijn ogen. ‘Ik zag je vanochtend met Shelby ontbijten. Zit je bij haar op de kamer?’

Luce knikte. ‘Over leuke Nephilijn-meisjes gesproken,’ grapte ze.

‘Nou, ik weet dat ze een beetje… eh…’ Miles siste en maakte met één hand klauwbewegingen, waardoor Luce het weer uitgierde. ‘Hoe dan ook, ik ben hier niet de superleerling of zo, maar ik loop al een tijdje mee en ik vind het hier de helft van de tijd nog steeds behoorlijk bizar. Dus als je een keer eens lekker normaal wilt ontbijten of zo…’

Luce merkte dat haar hoofd op en neer wipte. Normaal. Muziek in haar sterfelijke oren.

‘Morgen dan?’ vroeg Miles.

‘Prima.’

Miles grijnsde en zwaaide ten afscheid. Luce realiseerde zich dat alle andere leerlingen al naar binnen waren. Nu ze voor de eerste keer die ochtend even alleen was, keek ze omlaag naar het papier in haar hand en wist niet goed wat ze van de andere leerlingen van de Kustschool moest vinden. Ze miste Daniël, die een heleboel voor haar had kunnen ontcijferen als hij hier was geweest – waar was hij trouwens? Ze wist het niet eens.

Te ver weg.

Ze drukte een vinger tegen haar lippen en dacht aan zijn laatste kus. Aan de ongelooflijke omhelzing van zijn vleugels. Ze had het heel koud zonder hem, zelfs hier in de Californische zon. Maar ze was hier vanwege hem, opgenomen in deze klas vol engelen, of wat het ook mochten zijn, compleet met haar bizarre nieuwe reputatie – en dat alles dankzij hem. Op een vreemde manier was het fijn om op zo’n onlosmakelijke manier met Daniël verbonden te zijn.

Daar moest ze het mee doen, tot hij haar weer kwam halen.