PROLOOG

 

 

 

RUSTIG VAARWATER

 

Daniël keek uit over de baai. Zijn ogen waren net zo grijs als de dikke mist waarin de kust van Sausalito gehuld was, als het woelige water dat tegen het kiezelstrand onder zijn voeten kabbelde. Zijn ogen vertoonden nu geen spoortje paarsblauw meer; dat voelde hij. Ze was te ver weg.

Hij zette zich schrap tegen de bijtende wind die van het water kwam. Maar ook al trok hij zijn dikke zwarte duffel dichter om zich heen, hij wist dat het geen zin had. Van jagen kreeg hij het altijd koud.

Slechts één iemand kon hem die dag verwarmen, en zij was ver bij hem vandaan. Hij miste haar, met haar kruin die het perfecte plekje was waar hij zijn lippen kon laten rusten. Hij stelde zich voor dat hij de kring die zijn armen maakten met haar lichaam vulde en zijn hoofd omlaag deed om haar in haar nek te kussen. Het was maar goed ook dat Luce hier nu niet kon zijn. Ze zou wat ze zag afschuwelijk vinden.

Het geblaat van de zeeleeuwen achter hem die in drommen langs de zuidelijke kust van Engel-eiland hupsten, klonk precies zoals hij zich voelde: pijnlijk eenzaam, zonder dat er ook maar iemand in de buurt was die hem kon horen.

Niemand, behalve Cam.

Hij zat voor Daniël op zijn hurken en bond een roestig anker vast rond de gezwollen, natte gestalte aan hun voeten. Zelfs als hij met zoiets onheilspellends bezig was, zag Cam er nog goed uit. Zijn groene ogen fonkelden en zijn zwarte haar was kortgeknipt. Dat kwam door de wapenstilstand: de engelenwangen gingen daardoor altijd wat meer gloeien, hun haar wat meer glanzen en zelfs hun volmaakt gespierde lichamen werden er wat strakker door. De periode van de wapenstilstand was voor engelen wat een strandvakantie voor mensen was.

Daniël leed diep vanbinnen elke keer dat hij zich genoodzaakt zag een einde te maken aan zijn leven als mens. Toch zag hij er in de ogen van alle anderen uit als een jongen die net een weekje Hawaï achter de rug had: ontspannen, uitgerust, gebruind door de zon.

Cam trok een van zijn ingewikkelde knopen aan en zei: ‘Typisch Daniël. Mij altijd het vuile werk laten opknappen.’

‘Waar heb je het over? Ik heb hem gedood, hoor.’ Daniël keek omlaag naar de dode man, naar het weerbarstige grijze haar dat tegen zijn bleke voorhoofd geplakt zat, naar zijn knoestige handen en goedkope rubberen overschoenen, naar de donkerrode jaap op zijn borst. Daniël voelde zich weer helemaal koud worden vanbinnen. Het was dat er gedood moest worden om de veiligheid van Luce te garanderen, om haar te redden, anders zou Daniël nooit meer een wapen ter hand nemen. Nooit meer een gevecht leveren.

Dat hij deze man gedood had, voelde op de een of andere manier niet helemaal oké. Daniël had een vaag verontrustend gevoel dat er iets goed fout was.

‘Ze doodmaken is juist het leukste.’ Cam legde het touw in een lus om de borstkas van de man en trok het onder zijn armen strak. ‘Het vuile werk is ze in zee gooien.’

Daniël stond nog steeds met de bebloede boomtak in zijn hand. Cam had erom moeten gniffelen dat hij daarvoor koos, maar Daniël maakte het nooit iets uit wat hij gebruikte. Hij kon overal wel mee doden.

‘Schiet op,’ grauwde hij, want hij werd er misselijk van dat Cam er zo overduidelijk van genoot om mensenbloed te vergieten. ‘Je loopt te treuzelen. Het wordt al eb.’

‘Als we het niet op mijn manier doen, wordt Slayer morgen door de vloed weer aan wal gespoeld. Je bent veel te impulsief, Daniël – altijd geweest trouwens. Denk je ooit meer dan één stap vooruit?’

Daniël sloeg zijn armen over elkaar en keek achterom naar de witte kam van de golven. Een catamaran voor toeristen van de pier in San Francisco gleed naar hen toe. Ooit zou het zien van die boot een stroom herinneringen teruggebracht hebben. Duizend gelukkige reisjes die hij met Luce had gemaakt over duizend levenszeeën. Maar nu – nu ze dood kon gaan en misschien nooit meer terugkwam, in dit leven, waarin alles anders was en er geen reïncarnaties meer zouden zijn – was Daniël zich er maar al te zeer van bewust hoe blanco haar geheugen was. Dit was de laatste kans. Voor hen allebei. Voor iedereen eigenlijk. Dus ging het om de herinnering van Luce, en niet om die van Daniël; als ze het wilde overleven moesten er een heleboel choquerende waarheden voorzichtig naar de oppervlakte gebracht worden. De gedachte aan wat ze allemaal te horen moest krijgen maakte dat alle spieren in zijn lichaam zich spanden.

Als Cam dacht dat Daniël niet aan de volgende stap dacht, had hij het verkeerd.

‘Je weet dat er maar één reden is waarom ik hier nog ben,’ zei Daniël. ‘We moeten het over haar hebben.’

Cam lachte. ‘Ik bedoelde haar ook.’ Met een kreun hees hij het drijfnatte lijk over zijn schouder. Tussen de touwen die Cam had vastgebonden kwam het donkerblauwe pak van de dode opgepropt te zitten. Het zware anker lag op zijn bebloede borst.

‘Deze is een beetje broos, hè?’ zei Cam. ‘Ik vind het bijna een belediging dat de Ouderlingen ons niet een wat gevaarlijker huurmoordenaar hebben gestuurd.’

Toen – alsof hij een Olympische kogelstoter was – boog Cam zijn knieën, draaide zich drie keer rond om kracht te winnen en slingerde de dode man over het water, waarbij die zeker dertig meter lang in de lucht bleef.

Gedurende een paar lange seconden zeilde het lijk over de baai. Toen trok het gewicht van het anker het naar beneden… beneden… beneden. Het viel met een enorme plons in het diepe zeegroene water. Het zonk ogenblikkelijk en verdween uit het zicht.

Cam veegde zijn handen af. ‘Volgens mij heb ik net een record gevestigd.’

Ze leken in een heleboel opzichten op elkaar. Maar Cam was erger, een demon, en daardoor was hij in staat tot verderfelijke daden, zonder enige wroeging. Daniël werd verlamd door wroeging. En op dit moment werd hij nog verder verlamd door liefde.

‘Jij vat de dood van een mens veel te licht op,’ zei Daniël.

‘Deze man heeft het ernaar gemaakt,’ zei Cam. ‘Zie jij er dan helemaal de lol niet van in?’

Dat was voor Daniël de druppel. ‘Zij is voor mij geen spelletje!’ beet hij Cam toe.

‘En dat is dan ook precies de reden waarom je zult verliezen.’

Daniël greep Cam bij de kraag van zijn staalgrijze trenchcoat. Hij overwoog even om Cam op precies dezelfde manier in het water te gooien als hij net bij hun belager had gedaan.

Er dreef een wolk voor de zon, en de schaduw verduisterde hun gezichten.

‘Rustig aan, ja,’ zei Cam, en hij duwde Daniëls handen weg. ‘Je hebt vijanden genoeg, Daniël, maar op dit moment behoor ik daar niet toe. Denk aan de wapenstilstand.’

‘Mooie wapenstilstand,’ zei Daniël. ‘Achttien dagen waarin andere mensen haar proberen te doden.’

‘Achttien dagen waarin jij en ik ze één voor één neerknallen,’ corrigeerde Cam hem.

Het was traditie bij de engelen dat een wapenstilstand altijd achttien dagen duurde. In de Hemel was achttien het goddelijke getal dat het meeste geluk bracht: een levensbevestigende verdeling van twee keer zeven (de aartsengelen en de hoofddeugden), in evenwicht gehouden door de waarschuwing van de vier ruiters van de Apocalyps. In sommige sterfelijke talen was achttien het leven zelf gaan betekenen – hoewel het in dit geval voor Luce net zo gemakkelijk de dood kon zijn.

Cam had gelijk. Als het bericht over haar sterfelijkheid tot de hemelscharen doordrong, zouden de gelederen van haar vijanden zich met de dag verdubbelen. Juffrouw Sophia en haar handlangers, de Vierentwintig Ouderlingen van Zhsmaelin, zaten nog steeds achter Luce aan. Daniël had die ochtend nog een glimp van de Ouderlingen opgevangen, in de schaduw die de Verkondigers wierpen. Hij had ook nog iets anders gezien – een andere duisternis, een diepere sluwheid – iets wat hij aanvankelijk niet had herkend.

Een straal zonlicht doorboorde de wolken, en Daniël zag in zijn ooghoek iets glinsteren. Hij draaide zich om, knielde neer en zag dat er één enkele pijl in het natte zand stond. Hij was ranker dan een normale pijl, van een doffe kleur zilver, met allemaal kronkelende tekeningen erin gekerfd. De pijl voelde warm aan.

De adem stokte Daniël in zijn keel. Het was een eeuwigheid geleden sinds hij een sterrenschot had gezien. Hij trok de pijl met trillende vingers behoedzaam uit het zand, heel voorzichtig om vooral de dodelijke stompe punt niet te raken.

Nu wist Daniël waar die andere duisternis van de Verkondigers die ochtend vandaan was gekomen. Het was nog slechter nieuws dan hij gevreesd had. Hij draaide zich om naar Cam, met de vederlichte pijl balancerend op zijn handen. ‘Hij heeft niet eigenhandig opgetreden.’

Cam verstijfde toen hij de pijl zag. Hij kwam dichterbij, eerbiedig bijna, en stak zijn hand uit om hem aan te raken, precies zoals Daniël ook had gedaan. ‘Dat iemand zo’n waardevol wapen achterlaat. De Verschoppeling moet wel erg veel haast gehad hebben.’

De Verschoppelingen: een sekte van ruggengraatloze, wauwelende engelen, gemeden door zowel Hemel als Hel. Hun enige grote kracht was de kluizenaarsengel Azazel, de enige sterrensmid die nog in leven was, die nog wist hoe je sterrenschoten moest maken. Als een sterrenschot uit de zilveren boog werd losgelaten, kon hij een sterveling hooguit een blauwe plek bezorgen. Maar voor engelen en demonen bestond er geen dodelijker wapen.

Iedereen wilde ze hebben, maar niemand was bereid een band met de Verschoppelingen aan te gaan, dus werd er altijd in het geheim om sterrenschoten gesjacherd, via een boodschapper. Dat betekende dat de man die Daniël had gedood geen door de Ouderlingen gestuurde huurmoordenaar was. Hij was een sjacheraar, meer niet. De Verschoppeling, de echte vijand, had zich uit de voeten gemaakt – waarschijnlijk meteen al toen hij Daniël en Cam had gezien. Daniël huiverde. Dit was niet best.

‘We hebben de verkeerde gedood.’

‘Hoezo, “de verkeerde”?’ Cam wuifde het weg. ‘De wereld is toch beter af met één belager minder? En Luce toch ook?’ Hij keek naar Daniël, en toen naar de zee. ‘Het enige probleem is…’

‘De Verschoppelingen.’

Cam knikte. ‘Dus nu willen zij haar ook.’

Daniël voelde de punten van zijn vleugels onder zijn kasjmieren trui en dikke jas overeindkomen – een branderige jeuk die hem van zijn à propos bracht. Hij bleef roerloos staan, met zijn ogen dicht en zijn armen langs zijn lichaam. Hij probeerde kalm te worden, voordat zijn vleugels als de zich woest ontrollende zeilen van een schip naar buiten schoten en hem de lucht in droegen, over de baai en weg van dit eiland. Linea recta naar haar toe.

Hij deed zijn ogen dicht en probeerde zich Luce voor de geest te halen. Hij had zich van die hut moeten losrukken, van haar vredige slaap op dat piepkleine eilandje ten oosten van Tybee. Daar was het inmiddels al avond. Zou ze wakker zijn? Zou ze honger hebben?

Het gevecht op Zwaard & Kruis, de onthullingen en de dood van haar vriendin – dat had allemaal een zware tol van Luce geëist. De engelen dachten dat ze wel de hele dag en nacht door zou slapen. Maar de volgende ochtend moesten ze toch een plan paraat hebben.

Dit was de eerste keer dat Daniël ooit een wapenstilstand had voorgesteld. Om grenzen te stellen, regels af te spreken en een systeem van consequenties in het leven te roepen voor het geval een van beide partijen de regels schond. Het was een enorme verantwoordelijkheid die hij samen met Cam op zich moest nemen. Hij zou het natuurlijk doen, hij zou voor haar alles doen… Hij wilde alleen zeker weten dat hij het góéd deed.

‘We moeten haar ergens verbergen waar ze veilig is,’ zei hij. ‘In het noorden, in de buurt van Fort Bragg, is een school…’

‘De Kustschool.’ Cam knikte. ‘Mijn kamp heeft daar ook al naar gekeken. Daar krijgt ze het vast naar haar zin. En de manier waarop ze daar les krijgt, zal haar niet in gevaar brengen. En nog wel het belangrijkst van alles: ze is er afgeschermd.’

Gaby had Daniël al uitgelegd wat voor soort camouflage de Kustschool kon bieden. Het zou snel genoeg bekend worden dat Luce zich daar verscholen hield, maar ze zou in elk geval een tijdje, op het terrein van de school, praktisch onzichtbaar zijn. Binnen zou Francesca, de engel met wie Gaby het best bevriend was, Luce in de gaten houden. Buiten zouden Daniël en Cam achter iedereen aangaan die het waagde om in de buurt van het grondgebied van de school te komen, en diegene vervolgens doden.

Wie had Cam over de Kustschool verteld? Het beviel Daniël maar niets dat hun kamp meer wist dan het zijne. Hij nam het zichzelf nu al kwalijk dat hij niet eerst een bezoek aan de school had gebracht, voordat ze deze keuze maakten, maar hij had het zo al moeilijk genoeg gevonden om bij Luce weg te gaan.

‘Ze kan er morgen al beginnen. Ervan uitgaand’ – Cam liet zijn blik over Daniëls gezicht gaan – ‘ervan uitgaand dat jij ermee instemt.’

Daniël drukte zijn hand tegen zijn borstzakje, waar hij een recente foto had zitten. Luce aan het meer bij Zwaard & Kruis. Met glinsterend nat haar. Met een zeldzame grijns op haar gezicht. Tegen de tijd dat hij in een leven de kans kreeg om een foto van haar te maken, was hij haar meestal alweer kwijt. Dit keer was ze er nog geweest.

‘Kom op, Daniël,’ zei Cam. ‘We weten allebei wat goed voor haar is. We schrijven haar in en dan laten we haar verder met rust. We kunnen niets doen om dit onderdeel te bespoedigen; we kunnen haar alleen maar met rust laten.’

‘Ik kan haar niet zo lang alleen laten.’ Het was eruit voor hij het wist. Daniël keek naar de pijl die hij in zijn handen hield en voelde zich beroerd. Hij wilde hem in zee slingeren, maar kon het niet.

‘Aha.’ Cam kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Dus je hebt het haar niet verteld?’

Daniël bleef stokstijf staan. ‘Ik kan haar niets vertellen. Dan zouden we haar kwijt kunnen raken.’

‘Jíj zou haar kwijt kunnen raken,’ zei Cam spottend.

‘Je weet best wat ik bedoel.’ Daniël verstijfde. ‘Het is veel te riskant om zomaar aan te nemen dat ze het allemaal aankan zonder…’

Hij deed zijn ogen dicht om het beeld van de gruwelijke gloeiendhete rode vuurzee uit te bannen. Maar dat brandde altijd ergens in zijn achterhoofd en dreigde zich als een veenbrand te verspreiden. Als hij haar de waarheid vertelde en haar daarmee doodde, zou ze dit keer echt dood zijn. En dan was het zijn schuld. Zonder haar kon Daniël niets, kon hij niet bestaan. Zijn vleugels brandden bij de gedachte dat ze er niet meer zou zijn. Dan kon hij haar maar beter nog een tijdje afschermen.

‘Dat komt jou wel goed uit, hè?’ mompelde Cam. ‘Ik hoop alleen maar dat ze niet teleurgesteld zal zijn.’

Daniël sloeg geen acht op hem. ‘Denk je echt dat ze op deze school zal kunnen leren?’

‘Ja, dat denk ik echt,’ antwoordde Cam langzaam. ‘Ervan uitgaand dat we het erover eens zijn dat ze geen afleiding van buitenaf krijgt. Dus dat betekent geen Daniël, geen Cam. Dat is regel nummer één.’

Haar achttien dagen niet zien? Daniël kon het zich niet voorstellen. Erger nog: hij kon zich niet voorstellen dat Luce ermee zou instemmen. Ze hadden elkaar in dit leven nog maar net gevonden en hadden eindelijk de kans om bij elkaar te zijn. Maar als hij haar de details zou uitleggen, zou dat zoals altijd haar dood betekenen. Ze mocht niet uit de mond van engelen dingen over haar vorige levens te horen krijgen. Luce wist het nog niet, maar binnen zeer korte tijd zou ze er alleen voor staan en moest ze overal zelf achter zien te komen.

Daniël was doodsbang voor de verborgen waarheid – en vooral voor wat Luce daarvan zou denken. Maar Luce moest er zelf achterkomen – dat was de enige manier waarop ze deze gruwelijke cyclus kon doorbreken. Dat was ook de reden dat het van cruciaal belang was wat er op de Kustschool zou gebeuren. Achttien dagen lang zou Daniël alle Verschoppelingen doden die hij tegenkwam. Maar als de wapenstilstand ten einde was, lag alles weer in Luce’ handen. Louter en alleen in Luce’ handen.

Achter Mount Tamalpais ging de zon onder en de avondnevel stroomde toe.

‘Ik breng haar wel naar de Kustschool,’ zei Daniël. Dat was zijn laatste kans om haar nog te zien.

Cam keek hem bevreemd aan en vroeg zich af of hij dat moest goedvinden of niet. Daniël moest voor de tweede keer zijn pijnlijke vleugels fysiek terug zijn huid in dringen.

‘Prima,’ zei Cam uiteindelijk. ‘In ruil voor het sterrenschot.’

Daniël overhandigde hem het wapen en Cam liet het in zijn jas glijden.

‘Breng haar tot aan de school en kom dan naar me toe. En verpest het niet, want ik hou je in de gaten.’

‘En dan?’

‘Dan gaan jij en ik op jacht.’

Daniël knikte en ontrolde zijn vleugels, en toen die vrijkwamen, voelde hij het intense genot door heel zijn lichaam. Hij bleef even staan, verzamelde zijn energie en voelde de ruwe weerstand van de wind. Het was hoog tijd om deze vervloekte, akelige plek te verlaten en om zich door zijn vleugels terug te laten voeren naar een oord waar hij echt zichzelf kon zijn.

Terug naar Luce.

En terug naar de leugen die hij nog iets langer in stand zou moeten houden.

‘De wapenstilstand begint morgenavond om middernacht,’ riep Daniël, en met een sproeiregen van zand kwam hij van het strand omhoog en vloog hij hoog de lucht in.