12 ZEVEN DAGEN

 

 

 

Het was vrijdagochtend. Luce deed haar ogen open en keek op de wekker. Halfacht. Ze had bijna niet geslapen – ze was er slecht aan toe, maakte zich vreselijke zorgen over Dawn en was nog steeds boos over het vorige leven waar ze de dag ervoor via de Verkondiger een glimp van had opgevangen. Het was heel eng om de momenten vlak voor haar dood te zien. Zouden die allemaal zo geweest zijn? Haar gedachten liepen steeds weer op hetzelfde stuk:

Als Daniël er niet was geweest…

Zou ze dan kans op een normaal leven hebben gemaakt, op een relatie met iemand anders, zou ze dan getrouwd zijn, kinderen hebben gekregen en gewoon ouder geworden zijn, net als alle andere mensen? Als Daniël niet een eeuwigheid geleden verliefd op haar geworden was, zou Dawn op dit moment dan ook vermist zijn?

Deze vragen waren stuk voor stuk omwegen die uiteindelijk terugvoerden naar de vraag waar het allemaal om draaide: zou de liefde met een ander persoon ook anders zijn? Was er zelfs liefde met iemand anders mogelijk? Liefde hoorde toch vanzelf te gaan? Waarom voelde zij zich dan nu zo gekweld?

Shelby stak haar hoofd vanaf het bovenste bed naar beneden, en haar dikke blonde staart hing als een zwaar touw omlaag. ‘Ben jij net zo van slag door die hele toestand als ik?’

Luce klopte op haar bed, ten teken dat Shelby naar beneden moest komen en naast haar moest gaan zitten. Shelby liet zich, nog in haar dikke roodflanellen pyjama, van het bed glijden. Ze had twee reusachtige repen pure chocola bij zich.

Luce wilde net zeggen dat ze geen hap door haar keel kreeg, maar toen ze de geur van de chocola rook, trok ze het bronskleurige folie eraf en glimlachte dunnetjes naar Shelby.

‘Precies wat je nodig hebt,’ zei Shelby. ‘Zeg, wat ik gisteravond gezegd heb over Dawn, hè, dat ze het met een of andere niet-Nephilijn doet? Daar heb ik spijt van.’

Luce schudde haar hoofd. ‘Kom op, Shel, dat kon jij toch niet weten? Dat moet je jezelf niet kwalijk nemen.’ Zelf had ze daarentegen alle reden om zich ellendig te voelen over wat er met Dawn was gebeurd. Luce voelde zich al zo lang verantwoordelijk voor de dood van mensen om haar heen – eerst Trevor, toen Todd en daarna die arme lieve Penn. Haar keel kneep dicht bij de gedachte dat Dawn aan dat lijstje moest worden toegevoegd. Ze veegde snel een stille traan weg, voordat Shelby die kon zien. Het was bijna zover dat ze zichzelf in quarantaine moest doen, dat ze uit de buurt moest blijven van iedereen van wie ze hield, om te voorkomen dat hun iets zou overkomen.

Er werd op de deur geklopt, en Luce en Shelby schrokken allebei op. De deur ging langzaam open. Het was Miles.

‘Ze hebben Dawn gevonden.’

‘Hè?’ Luce en Shelby schoten tegelijk overeind.

Miles trok Luce’ bureaustoel naar het bed en ging tegenover de meisjes zitten. Hij zette zijn pet af en wiste zijn voorhoofd. Dat parelde van het zweet, alsof hij de hele campus over gerend was om het hun te vertellen.

‘Ik kon gisteravond niet slapen,’ zei hij, terwijl hij de pet in zijn handen liet ronddraaien. ‘Ik was al vroeg op en ben wat gaan rondlopen. Toen kwam ik Steven tegen en die vertelde me het goede nieuws. De mensen die haar hebben meegenomen, hebben haar rond zonsopgang teruggebracht. Ze is erg geschrokken, maar ze is niet gewond.’

‘Dat is een wonder,’ mompelde Shelby.

Luce vertrouwde het nog niet helemaal. ‘Ik begrijp het niet. Hebben ze haar gewoon teruggebracht? Zonder een schrammetje? Dat gebeurt toch nooit?’

En hoe lang had het geduurd voordat degenen die haar hadden ontvoerd – wie dat ook geweest mochten zijn – zich realiseerden dat ze het verkeerde meisje te pakken hadden?

‘Zo eenvoudig lag het niet,’ gaf Miles toe. ‘Steven heeft zich ermee bemoeid. Hij heeft haar gered.’

‘Van wie?’ Luce schreeuwde het bijna.

Miles haalde zijn schouders op en wiegde op twee stoelpoten achteruit. ‘Geen idee. Dat weet Steven vast wel, maar ik ben eh… ik ben niet bepaald zijn eerste keus voor een intiem gesprek waarbij dat soort dingen ter sprake komen.’

Dat vond Shelby om te gieren. Dat Dawn was gevonden, ongedeerd, was iets waar iedereen zich door leek te ontspannen, behalve Luce. Haar lichaam werd gevoelloos. De gedachte dat ze eigenlijk haar hadden moeten hebben liet haar niet los.

Ze kwam van het bed en pakte een T-shirt en spijkerbroek uit haar kast. Ze moest naar Dawn toe. Dawn was de enige die antwoord kon geven op haar vragen. En ook al zou Dawn het nooit begrijpen, Luce moest toch haar excuses aan haar aanbieden.

‘Steven zei wel dat de mensen die haar hebben ontvoerd niet meer terugkomen,’ zei Miles er nog achteraan, terwijl hij bezorgd naar Luce keek.

‘En dat geloof jij?’ vroeg Luce sarcastisch.

‘Waarom zou hij dat niet geloven?’ klonk een stem uit de deuropening.

Francesca stond in een kaki trenchcoat voor de drempel. Ze straalde kalmte uit, maar leek niet echt blij hen te zien. ‘Dawn is thuis en ze maakt het goed.’

‘Ik wil haar zien,’ zei Luce, en ze voelde zich heel bespottelijk zoals ze daar stond in haar haveloze T-shirt en de joggingbroek waarin ze had geslapen.

Francesca tuitte haar lippen. ‘Dawn is een uur geleden door haar familie opgehaald. Ze komt pas terug op de Kustschool als ze daaraan toe is.’

‘Waarom doe je alsof er niets is gebeurd?’ Luce stak haar armen in de lucht. ‘Alsof Dawn helemaal niet is ontvoerd…’

‘Ze is niet ontvoerd,’ verbeterde Francesca haar. ‘Ze is geleend, en dat bleek een vergissing te zijn. Steven heeft het afgehandeld.’

‘Eh… en dat zou voor ons een geruststelling moeten zijn? Dat ze “geleend” is? Waarvoor?’

Luce keek Francesca onderzoekend aan, maar zag niets anders dan evenwichtige kalmte. Toen veranderde er iets in Francesca’s blauwe ogen: ze kneep ze samen, sperde ze vervolgens open, en op dat moment ging er een zwijgende smeekbede uit van Francesca naar Luce. Francesca wilde niet dat Luce waar Miles en Shelby bij waren liet merken wat ze vermoedde. Luce begreep niet goed waarom, maar ze vertrouwde Francesca.

‘Steven en ik snappen dat jullie allemaal enigszins van slag zijn,’ ging Francesca verder, terwijl ze nu ook Miles en Shelby in haar blik betrok. ‘Voor vandaag zijn de lessen afgelast; als jullie ons willen spreken, zitten we in ons kantoor. Kom gerust langs.’ Ze glimlachte op die oogverblindende, engelachtige manier van haar, draaide zich toen op haar hoge hakken om en liep klikklakkend de gang door.

Shelby stond op en deed de deur achter Francesca dicht. ‘Het is toch ongelooflijk dat ze de term “geleend” voor een mens gebruikt? Is Dawn soms een bibliotheekboek?’ Ze balde haar vuisten. ‘We moeten iets doen om afleiding te zoeken. Ik ben blij dat Dawn in veiligheid is en ik vertrouw Steven – denk ik – maar de zenuwen gieren me nog door de keel.’

‘Je hebt gelijk,’ zei Luce, en ze keek naar Miles. ‘Laten we afleiding zoeken. We kunnen een eind gaan wandelen…’

‘Te gevaarlijk.’ Shelby’s ogen schoten van links naar rechts.

‘Of een film kijken…’

‘Te passief. Dan dwalen mijn gedachten maar af.’

‘Eddie zei iets over dat er tijdens de lunch een voetbalwedstrijd is,’ kwam Miles tussenbeide.

Shelby sloeg haar hand tegen haar voorhoofd. ‘Moet ik nou nog een keer zeggen dat ik het helemaal met de jongens van de Kustschool gehad heb?’

‘Een bordspelletje dan…?’

Eindelijk begonnen Shelby’s ogen te stralen. ‘Zullen we het levensspel doen? Het vorigelevensspel? Dan kunnen we die truc weer doen waarbij je familieleden opspoort. Ik help wel.’

Luce beet op haar onderlip. Dat ze de dag ervoor door die Verkondiger heen had geslagen had haar behoorlijk op haar grondvesten doen schudden. Ze was lichamelijk nog steeds gedesoriënteerd, emotioneel uitgeput, om nog maar te zwijgen over hoe ze daardoor over Daniël was gaan denken.

‘Ik weet het niet, hoor,’ zei ze.

‘Bedoel je dat we hetzelfde gaan doen als jij gisteren hebt gedaan?’ vroeg Miles.

Shelby draaide haar hoofd met een ruk om en keek Miles boos aan. ‘Wat doe jij hier eigenlijk nog?’

Miles pakte een kussen op dat op de grond was gevallen en smeet het naar haar toe. Ze mepte het meteen terug, zo te zien onder de indruk van haar eigen reactievermogen.

‘Goed dan. Miles mag erbij blijven. Een mascotte komt altijd van pas. En we hebben misschien ook wel iemand nodig om het vuile werk op te knappen. Toch, Luce?’

Luce sloot haar ogen. Ja, ze wilde dolgraag meer over haar verleden te weten komen, maar stel nou dat dat net zo moeilijk te verdragen was als laatst? Zelfs met Miles en Shelby erbij was ze bang om het nog een keer te proberen.

Toen moest ze denken aan de dag waarop Francesca en Steven in de les in de Verkondiger van Sodom en Gomorrah hadden kunnen kijken. Na afloop waren de andere leerlingen behoorlijk aangedaan geweest, maar Luce dacht de hele tijd dat het er eigenlijk helemaal niet toe deed of zij dat ijzingwekkende tafereel hadden gadegeslagen of niet. Het had toch wel plaatsgevonden. En dat gold ook voor haar verleden.

Omwille van al haar vroegere ikken kon Luce het nu niet laten afweten. ‘Goed, we doen het,’ zei ze tegen haar vrienden.

 

Miles gaf de meisjes een paar minuten de tijd om zich aan te kleden en wachtte in de gang op ze. Toen weigerde Shelby echter om naar het bos te gaan waar Luce de Verkondigers had opgeroepen.

‘Kijk niet zo. Dawn is net ontvoerd, hoor, en in het bos is het donker en griezelig. Ik heb geen zin om de volgende te zijn.’

Miles zei toen dat het goed zou zijn voor Luce als ze op een nieuwe plek ging oefenen om de Verkondigers op te roepen, bijvoorbeeld in haar kamer.

‘Fluit gewoon tot ze tevoorschijn komen,’ zei hij. ‘Laat die Verkondigers maar zien wie de baas is. Je weet heus wel dat je dat diep in je hart eigenlijk wilt.’

‘Nee zeg, ik wil niet dat ze hier komen rondsluipen,’ zei Shelby, en ze draaide zich naar Luce om. ‘Het is niet beledigend bedoeld, hoor, maar een vrouw heeft zo haar privacy nodig.’

Luce voelde zich niet beledigd, maar de Verkondigers zaten haar toch wel non-stop achterna, of ze ze nu opriep of niet. Ze wilde net zo min als Shelby dat de schaduwen onaangekondigd op hun kamer langskwamen.

‘Het gaat er bij de Verkondigers om dat je laat zien dat je de baas bent. Net als wanneer je een puppy opvoedt.’

Luce draaide haar hoofd schuin naar Miles. ‘Sinds wanneer weet jij allemaal van die handige dingen over de Verkondigers?’

Miles bloosde. ‘Ik doe dan misschien niet genoeg “mijn best” in de klas, maar ik kan wel wat, hoor.’

‘Dus wat moet ze doen? Gewoon daar gaan staan en ze oproepen?’ vroeg Shelby.

Luce ging op Shelby’s regenboogkleurige yogamatje in het midden van de kamer staan en dacht aan hoe Steven haar had begeleid. ‘Laten we een raam opendoen,’ zei ze.

Shelby sprong op om het brede schuifraam omhoog te doen. Er woei meteen frisse, koude zeewind naar binnen. ‘Goed idee. Daardoor wordt het wat gastvrijer.’

‘En kouder,’ zei Miles, en hij zette de capuchon van zijn sweatshirt op.

Toen gingen Miles en Shelby op het bed zitten, tegenover Luce, alsof zij een toneelspeler op een podium was.

Ze sloot haar ogen en probeerde niet het gevoel te krijgen alsof ze in de spotlights stond. Maar in plaats van aan de schaduwen te denken, in plaats van ze in gedachten op te roepen, kon ze alleen maar aan Dawn denken, aan hoe verschrikkelijk bang zij de avond ervoor geweest moest zijn en hoe ze zich ook nu nog, nu ze weer bij haar familie was, moest voelen. Na het griezelige voorval op het zeiljacht had ze zich snel hersteld, maar dit was echt veel ernstiger. En het was Luce’ schuld. Nou ja, Luce’ en Daniëls schuld, want die had haar hiernaartoe gebracht.

Hij had aldoor gezegd dat hij haar ergens naartoe zou brengen waar ze veilig was, maar Luce vroeg zich nu af of het er niet eigenlijk op neerkwam dat sinds haar komst alle andere leerlingen gevaar liepen op de Kustschool.

Miles slaakte een kreet en Luce deed haar ogen open. Ze keek naar een plek vlak boven het raam, waar een grote antracietgrijze Verkondiger tegen het plafond gedrukt zat. Hij zag er op het eerste oog uit als een normale schaduw, tegen het plafond geworpen door de staande lamp die Shelby in de hoek zette als ze haar vinyasa-oefeningen deed. Maar toen verspreidde de Verkondiger zich over het plafond, totdat het leek alsof de hele kamer een dodelijk verflaagje had gekregen, en trok hij een koud, stinkend spoor boven Luce’ hoofd. Zo hoog dat ze er niet bij kon.

De Verkondiger die ze niet eens had opgeroepen – de Verkondiger die wel, nou ja, wel van alles wat kon bevatten – daagde haar uit.

Ze haalde zenuwachtig adem en dacht aan wat Miles gezegd had over de baas spelen. Ze concentreerde zich zo sterk dat haar hersenen pijn begonnen te doen. Haar gezicht was rood en ze tuurde zo ingespannen dat ze bijna het punt naderde waarop ze het zou moeten opgeven. Maar toen…

De Verkondiger spartelde en gleed als een dikke baal gevallen stof naar Luce’ voeten omlaag. Ze kneep haar ogen halfdicht en zag dat er boven de grote, donkere schaduw nog een kleinere hing, wat dikker en bruinachtig, die diens bewegingen nadeed, bijna zoals een spreeuw soms heel dicht achter een havik aan vliegt. Waar was deze tweede schaduw op uit?

‘Ongelooflijk,’ fluisterde Miles. Luce probeerde Miles’ opmerking als compliment op te vatten. Waren dit die dingen die haar al haar hele leven hadden geterroriseerd, haar ongelukkig hadden gemaakt? Waar ze altijd bang voor was geweest? Nu stonden ze haar ten dienste. En dat was op zich al ongelooflijk. Het was pas tot haar doorgedrongen toen ze zag hoe geïntrigeerd Miles keek. Voor het eerst voelde ze zich behoorlijk stoer.

Ze zorgde dat ze haar ademhaling onder controle kreeg en nam er ruim de tijd voor om de Verkondiger van de vloer af omhoog naar haar handen te geleiden. Zodra ze de grote grijze Verkondiger binnen bereik had, gleed de kleinere als een goudkleurige lichtbundel van het raam naar de vloer en vermengde zich daar met de hardhouten planken.

Luce pakte de randen van de Verkondiger beet en hield haar adem in. Ze hoopte maar dat de boodschap die binnenin te zien zou zijn, onschuldiger was dan die van de dag ervoor. Ze trok eraan en voelde tot haar verbazing dat deze schaduw meer verzet bood dan ze tot nu toe van de andere had meegemaakt. Hij zag er heel doorzichtig en onstoffelijk uit, maar voelde bokkig aan. Tegen de tijd dat ze hem eenmaal in een vierkant van iets van dertig bij dertig centimeter had gemodelleerd, deden haar armen pijn.

‘Beter dan dit krijg ik niet voor elkaar,’ zei ze tegen Miles en Shelby. Ze stonden op en kwamen dichterbij.

De grijze sluier in de Verkondiger ging omhoog – althans, dat dacht Luce, maar toen bleek er nog een grijze sluier onder te liggen. Ze tuurde en tuurde, tot ze de grijze textuur zag kolken en bewegen, en ze zich realiseerde dat dit iets anders was dan de schaduw: de grijze sluier waarnaar ze keken, was een dichte wolk sigarettenrook. Shelby kuchte.

De rook trok niet echt op, maar Luce’ ogen raakten eraan gewend. Even later zag ze een brede halfronde tafel met een roodvilten blad. Daarop lagen in keurige rijen speelkaarten gerangschikt. Aan de ene kant zat een rij onbekenden. Sommige van hen zagen er schrikkerig en zenuwachtig uit, zoals de kale man die de hele tijd zijn stippeltjesdas lostrok en zachtjes zat te fluiten. Anderen oogden dodelijk vermoeid, zoals de vrouw die stijf stond van de haarlak en die de as van haar sigaret in een halfvol glas met iets onduidelijks erin tikte. Haar klonterige mascara liet los van haar bovenste wimpers, waardoor er een rand zwart gruis onder haar ogen zat.

Aan de andere kant van de tafel vlogen twee handen door een stapel kaarten heen en schoven heel behendig iedereen aan de tafel telkens één kaart toe. Luce ging voorzichtig wat dichter bij Miles staan, zodat ze het beter kon zien. De flitsende neonlichten van wel duizend gokkasten vlak achter de tafels leidden haar af. Maar toen had ze degene die de kaarten uitdeelde nog niet gezien.

Ze dacht dat ze er wel aan was gewend om versies van zichzelf in de Verkondigers te zien. Jong, hoopvol, naïef zelfs. Maar dit was anders. De vrouw die in het armoedige casino de kaarten deelde had een wit net overhemd aan, een strakke zwarte broek en een zwart gilet dat op borsthoogte uitpuilde. Haar nagels waren lang en rood, met op beide pinken fonkelende lovertjes. Ze streek voortdurend haar zwarte haar uit haar gezicht. Haar blik zweefde vlak boven de haargrens van de spelers, dus ze keek niemand echt aan. Ze was drie keer zo oud als Luce, maar er was nog steeds enige gelijkenis tussen hen.

‘Ben jij dat?’ fluisterde Miles, en hij deed zijn best om niet al te ontzet te klinken.

‘Nee!’ zei Shelby meteen. ‘Dat mens is hartstikke oud. En Luce wordt nooit ouder dan zeventien.’ Ze wierp Luce een zenuwachtige blik toe. ‘Ik bedoel, dat was in het verleden zo. Dit keer wordt ze stokoud, dat weet ik zeker. Misschien wordt ze wel zo oud als deze vrouw. Ik bedoel…’

‘Zo kan-ie wel weer, Shelby,’ zei Luce.

Miles schudde zijn hoofd. ‘Ik moet nog een boel leren.’

‘Oké, maar als ik het niet ben, moeten we toch… ik weet niet, hoor, maar moeten we toch op de een of andere manier familie zijn, zeg maar.’ Luce zag hoe de vrouw de fiches voor de kale man met de stropdas neertelde. Haar handen leken op die van Luce. En haar mond stond ook net zo ernstig als de hare. ‘Denk je dat het mijn moeder is? Of mijn zus?’

Shelby stond driftig aantekeningen te maken op de binnenkant van de achterflap van een yogahandboek. ‘Er is maar één manier om daarachter te komen.’ Ze hield haar aantekeningen voor Luce omhoog: Vegas: Mirage Hotel en casino, nachtdienst, tafel in de buurt van de show met de Bengaalse tijger, Vera met de nepnagels.

Ze keek weer naar de vrouw die de kaarten deelde. Shelby zag altijd allerlei details die Luce nooit waren opgevallen. Op het naambordje van de vrouw stond in schuine witte letters VERA. Maar het beeld begon te wiebelen en te vervagen. Even later viel het hele beeld uiteen in minuscule schaduwflarden die op de grond vielen en zich als de as van brandend papier omkrulden.

‘Maar wacht eens even, dit is toch het verleden?’ vroeg Luce.

‘Volgens mij niet,’ zei Shelby. ‘Althans, geen ver verleden. Op de achtergrond zag je een affiche voor de nieuwe show van Cirque du Soleil. Dus, wat denk je ervan?’

Helemaal naar Las Vegas gaan om deze vrouw te zoeken? Een zus van middelbare leeftijd was waarschijnlijk gemakkelijker te benaderen dan ouders van ver in de tachtig, maar dan nog. En wat als ze helemaal naar Vegas waren gereisd, maar Luce ter plekke toch weer koudwatervrees kreeg?

Shelby stootte haar aan. ‘Hé, als ik zeg dat ik met je naar Vegas wil, moet ik je wel heel aardig vinden. Mijn moeder heeft daar toen ik klein was een paar jaar als serveerster gewerkt. En neem van mij aan, het is de hel op aarde.’

‘Maar hoe komen we daar?’ vroeg Luce, die niet wilde vragen of Shelby weer de auto van haar WEV kon lenen. ‘Hoe ver is het eigenlijk naar Vegas?’

‘Te ver om te rijden.’ Miles nam het woord. ‘En dat vind ik prima, want ik wilde toch al met doorstappen oefenen.’

‘Doorstappen?’ vroeg Luce.

‘Doorstappen.’ Miles knielde neer op de grond en veegde de stukjes schaduw op zijn hand bij elkaar. Ze zagen er bijna vermoeid uit, maar Miles kneedde ze met zijn vingers tot ze een losse, rommelige bal vormden. ‘Ik zei toch dat ik vannacht niet kon slapen? Ik heb via het bovenlicht min of meer in Stevens kantoor ingebroken.’

‘Ja hoor, geloof je het zelf?’ protesteerde Shelby. ‘Je hebt je levitatie niet eens gehaald, dus dan ben je al helemaal niet goed genoeg om via het bovenlicht naar binnen te zweven.’

‘En jij bent niet sterk genoeg om de boekenkast te verslepen,’ zei Miles. ‘Maar ik wel, en ik kan het hiermee bewijzen.’ Hij hield grijnzend een dik zwart boek omhoog met de titel Handboek voor Verkondigers: oproepen, waarnemen en reizen in tienduizend eenvoudige stappen. ‘Ik heb ook een gigantische blauwe plek op mijn scheenbeen, opgelopen door een slecht uitgevoerde aftocht via het bovenlicht, maar goed, hoe dan ook…’ Hij draaide zich om naar Luce, die zich er uit alle macht van moest weerhouden hem het boek uit handen te rukken. ‘Dus ik dacht, jij hebt duidelijk talent voor het waarnemen, en dat in combinatie met mijn superieure kennis…’

Shelby snoof minachtend. ‘Wat heb je nou helemaal gelezen? 0,3 procent van dat boek?’

‘Wel een heel nuttige 0,3 procent,’ zei Miles. ‘Ik denk dat we dit wel voor elkaar krijgen. Zonder in de eeuwigheid te verdwalen.’

Shelby hield argwanend haar hoofd schuin, maar zei verder niets. Miles bleef de Verkondiger die hij in zijn hand hield kneden en begon hem toen verder uit te rekken. Na een paar minuten was hij uitgegroeid tot een lap grijs, bijna ter grootte van een deur. De randen waren wiebelig en het geheel was bijna doorschijnend, maar toen hij hem een stukje van zijn lichaam af duwde, leek hij vastere vorm aan te nemen, als drogend gips. Miles stak zijn hand naar de linkerkant van de donkere rechthoek uit en tastte het oppervlak af, op zoek naar iets.

‘Vreemd zeg,’ mompelde hij, terwijl hij de Verkondiger met zijn vingers afzocht. ‘In het boek staat dat als je het vlak van de Verkondiger maar groot genoeg maakt, de oppervlaktespanning dermate afneemt dat penetratie mogelijk is.’ Hij zuchtte. ‘Er hoort ergens een…’

‘Geweldig boek, Miles.’ Shelby rolde met haar ogen. ‘Je bent nu een echte deskundige.’

‘Waar ben je naar op zoek?’ vroeg Luce, en ze ging vlak achter Miles staan. Terwijl ze naar zijn zoekende handen keek, zag ze het plotseling.

Een klink.

Ze knipperde met haar ogen en het beeld verdween, maar ze wist nu waar het gezeten had. Ze stak haar arm langs Miles heen en drukte haar eigen hand tegen de linkerkant van de Verkondiger. Daar. Toen ze er met haar vingers tegenaan kwam, slaakte ze een kreetje.

Het voelde als zo’n zware metalen klink met een grendel, waarmee je een tuinhek afsluit. Het was ijskoud en ruw van onzichtbare roest.

‘En nu?’ vroeg Shelby.

Ze keek om naar haar twee heel verbaasde vrienden, haalde haar schouders op, rommelde wat met het slot en schoof toen langzaam de onzichtbare grendel naar opzij.

Toen het slot openging, zwaaide er een schaduwdeur naar buiten, waardoor ze alle drie bijna naar achteren vielen.

‘Het is ons gelukt,’ fluisterde Shelby.

Ze keken een lange, diepe, roodzwarte tunnel in. Binnen was het vochtig en rook het naar schimmel en cocktails die met goedkope sterkedrank waren aangelengd. Luce en Shelby keken elkaar onzeker aan. Waar was de blackjacktafel? Waar was de vrouw die ze daarnet hadden gezien? Helemaal achterin pulseerde een rode gloed, en toen hoorde Luce gokkasten pingelen en muntjes in betaalmandjes kletteren.

‘Cool!’ zei Miles, en hij pakte haar hand. ‘Over dit deel heb ik gelezen; het is een overgangsfase. We moeten gewoon dóórlopen.’

Luce pakte Shelby’s hand en hield die stevig vast. Miles stapte de vochtige duisternis binnen en trok hen drieën erdoor.

Ze liepen een paar meter, net ver genoeg om bij de echte deur van de kamer van Luce en Shelby te komen. Maar zodra de troebele grijze Verkondigersdeur met een doodeng pffft achter hen dichtging, was hun kamer van de Kustschool verdwenen. Wat in de verte donker, gloeiend fluweelachtig rood was geweest werd plotseling helwit. Het witte licht schoot naar voren, omsloot hen en vulde hun oren met geluid. Ze moesten alle drie hun ogen afschermen. Miles liep door en trok Luce en Shelby mee, achter zich aan. Anders had Luce misschien geen stap meer kunnen zetten. Allebei haar handen, waarmee ze de anderen vasthield, waren nat van het zweet. Ze luisterde naar één enkel muziekakkoord, luid en volkomen helder.

Luce wreef in haar ogen, maar haar zicht werd gehinderd door het mistige gordijn van de Verkondiger. Miles stak zijn arm naar voren en wreef er voorzichtig met een ronddraaiende beweging over, tot het gordijn begon los te laten, als oude verf die van een plafond bladdert. Bij elke vallende verfbladder woei er een zucht hete woestijnwind door de koele duisternis, waardoor Luce’ huid warm werd. Toen de Verkondiger in stukken aan haar voeten neerviel, begreep ze eindelijk waar ze naar keek: de Las Vegas Strip. Luce had die alleen nog maar op foto’s gezien, maar nu zag ze in de verte, op ooghoogte, de punt van de Eiffeltoren van het Paris Las Vegas Hotel.

Dat betekende dus dat ze heel, heel hoog zaten. Ze waagde een blik naar beneden: ze stonden buiten, ergens op een dak, waarvan de rand zich hooguit een halve meter voor hun tenen bevond. En daarachter: het geronk van het verkeer van Vegas, de kruinen van een rij palmbomen, een uitgebreid verlicht zwembad. Minstens dertig verdiepingen onder hen.

Shelby liet Luce’ hand los en begon over het dak van bruin cement heen en weer te lopen, van de ene rand naar de andere. Vanuit een middelpunt strekten zich drie identieke lange, rechthoekige vleugels uit. Luce draaide zich om, nam driehonderdzestig graden neonlicht in zich op en zag achter de Strip, helemaal in de verte, een kale bergketen, die door de lichtvervuiling van de stad griezelig opgloeide.

‘Godver, Miles,’ zei Shelby, terwijl ze over de dakramen heen sprong om het dak verder te verkennen. ‘Geweldig hoor, die doorstap van jou. Ik voel me bijna tot je aangetrokken. Bíjna.’

Miles stak zijn handen in zijn zakken. ‘Eh… dank je?’

‘Waar zijn we precies?’ vroeg Luce. Deze ervaring was een verschil van dag en nacht met haar soloval door de Verkondiger heen. Dit was vele malen beschaafder. Niemand had ervan moeten kotsen. Bovendien had het nog gewerkt ook. Althans, dat dacht ze. ‘Wat is er gebeurd met het uitzicht dat we daarnet hadden?’

‘Ik moest uitzoomen,’ zei Miles. ‘Het leek me een beetje vreemd als wij met z’n drieën midden op de casinovloer uit een wolk zouden komen stappen.’

‘Een piezeltje, ja,’ zei Shelby, en ze trok aan een deur die op slot zat. ‘Verder nog geniale ideeën over hoe we hieraf komen?’

Luce trok een grijns. De Verkondiger lag in stukken aan haar voeten te trillen. Ze kon zich niet voorstellen dat die nu nog over genoeg kracht beschikte om hen te helpen. Dus ze konden het wel uit hun hoofd zetten dat ze ooit van dit dak afkwamen en terug konden naar de Kustschool.

‘Maakt niet uit! Ik ben een genie,’ riep Shelby van de andere kant van het dak. Ze zat op haar hurken over een van de dakramen gebogen, in gevecht met een slot. Ze wrikte het met een kreun open en tilde toen een scharnierend raam omhoog. Ze stak haar hoofd naar binnen en gebaarde naar Luce en Miles dat ze naar haar toe moesten komen.

Luce tuurde heel behoedzaam door het open dakraam naar binnen en zag een grote, luxueuze wc-ruimte. Aan de ene kant waren vier ruim bemeten wc-hokjes, aan de andere kant een rij verhoogde marmeren wasbakken met erboven een spiegel in een vergulde lijst. Voor een kaptafel stond een bankje van mauve pluche, en daarop zat één vrouw, die in de spiegel keek. Luce zag alleen de bovenkant van haar zwarte getoupeerde haar, maar haar spiegelbeeld toonde een zwaar opgemaakt gezicht, een dikke pony en een hand met Frans gemanicuurde nagels, die haar rode lippenstift volstrekt onnodig bijwerkte.

‘Zodra Cleopatra die lippenstift op heeft, laten wij ons naar beneden slingeren,’ fluisterde Shelby.

Onder hen stond Cleopatra op van de kaptafel. Ze drukte haar lippen op elkaar en veegde een spoortje verdwaald rood van haar tanden. Toen beende ze naar de deur.

‘Even voor de goede orde,’ zei Miles. ‘Willen jullie echt dat ik me een dames-wc in “slinger”?’

Luce keek nog één keer het verlaten dak rond. Er was echt maar één manier om binnen te komen. ‘Als iemand je ziet, doe je gewoon alsof je per ongeluk de verkeerde deur hebt genomen.’

‘Of dat jullie in een van de hokjes aan het vrijen waren,’ zei Shelby erachteraan. ‘Wat nou? We zijn hier in Vegas, hoor.’

‘Kom, we gaan.’ Miles bloosde toen hij zich met zijn voeten naar beneden door het raam liet zakken. Hij strekte langzaam zijn armen, tot zijn voeten vlak boven het hoge marmeren blad van de kaptafel zweefden.

‘Help Luce eens omlaag,’ riep Shelby.

Miles liep naar de wc-deur om die op slot te doen en stak toen zijn armen omhoog om Luce op te vangen. Ze probeerde zijn soepele techniek te imiteren, maar haar armen voelden wiebelig aan toen ze zich door het dakraam liet zakken. Onder zich zag ze niet veel, maar ze voelde Miles’ sterke armen eerder om haar middel dan ze die verwacht had.

‘Laat maar los,’ zei hij, en toen ze dat deed, liet hij haar sierlijk op de grond zakken. Zijn vingers spreidden zich om haar ribbenkast, slechts een dun zwart T-shirtje van haar huid verwijderd. Toen ze met haar voeten de tegels raakte, had hij zijn armen nog steeds om haar heen. Ze wilde hem net bedanken, maar toen ze opkeek en zijn ogen zag, kon ze geen woord meer uitbrengen.

Ze liep snel achteruit om zich van hem los te maken en mompelde verontschuldigend dat ze over zijn voeten was gestruikeld. Ze leunden allebei zenuwachtig tegen de kaptafel en staarden naar de muur om oogcontact te vermijden.

Dat had nooit mogen gebeuren. Miles was gewoon een vriend van haar.

‘Hallo! Gaat iemand me nog helpen, of hoe zit het?’ Shelby’s voeten in geribbelde sokken bungelden uit het dakraam en schopten ongeduldig. Miles ging onder het raam staan en greep haar ruw bij haar riem beet, zodat hij haar bij haar middel kon pakken en kon laten zakken. Hij liet Shelby veel eerder los dan haarzelf, merkte Luce.

Shelby vloog de goudkleurig betegelde vloer over en deed de deur van het slot. ‘Kom op, waar wachten jullie nog op?’

Aan de andere kant van de deur liepen heel glamoureus opgemaakte, in het zwart geklede serveersters op hoge hakken met glittertjes druk rond, terwijl ze bladen met cocktailshakers op hun armen balanceerden. Mannen in dure donkere pakken dromden samen rond de blackjacktafels, waar ze elke keer dat er gedeeld werd joelden als pubers. Hier stond geen onafzienbare rij gokmachines te rinkelen en te dreunen. Het was hier stil, exclusief en weergaloos opwindend – maar het leek in geen enkel opzicht op het tafereel dat ze in de Verkondiger hadden waargenomen.

Er kwam een cocktailserveerster op hen af. ‘Mag ik u iets aanbieden?’ Ze liet haar roestvrij stalen dienblad zakken, zodat ze hen beter kon aankijken.

‘Ooo, kaviaar,’ zei Shelby, en ze pakte drie blini’s en gaf de anderen er ieder een. ‘Denken jullie wat ik denk?’

Luce knikte. ‘We waren onderweg naar beneden.’

 

Toen de liftdeuren naar de helverlichte lobby van het casino opengingen, moest Luce er door Miles uitgeduwd worden. Ze zag wel dat ze nu eindelijk waren waar ze wezen moesten. De cocktailserveersters waren ouder, vermoeid en toonden veel bloot. Ze schreden niet over het oranje tapijt dat onder de vlekken zat, nee, ze sjokten. En de gasten leken ook veel meer op de gasten die ze in de Verkondiger rond de tafel hadden gezien: te dikke, ongelukkige robots uit de middenklasse van middelbare leeftijd die al hun geld uitgaven. Ze wilden nu maar één ding en dat was Vera zien te vinden.

Shelby loodste hen door een benauwde wirwar van gokmachines, langs kluitjes mensen aan roulettetafels die naar het balletje schreeuwden terwijl dat in het rad ronddraaide, langs grote, vierkante spellen, waar mensen eerst op de dobbelstenen bliezen, ze dan wierpen en om de uitslag juichten, langs een rij tafels waar je poker kon spelen, en vreemde spellen met namen als Pai Gow, tot ze uiteindelijk bij een groepje blackjacktafels kwamen.

De kaarten werden bijna overal door mannen gedeeld. Lange mannen met gebogen schouders en vet in hun haar, mannen met een grijze snor en een bril, één man met een operatiemaskertje voor zijn gezicht. Shelby wilde niet haar pas inhouden om ze aan te gapen, en terecht: daar verderop, helemaal in de uiterste hoek van het casino, zat Vera.

Ze had haar zwarte haar in een scheve knot opgestoken. Haar bleke gezicht oogde mager en uitgezakt. Luce werd niet door dezelfde emoties overspoeld als toen ze in Shasta haar ouders uit haar vorige leven had gezien. Maar ja, ze wist ook nog niet wie Vera was, behalve dan een vermoeide vrouw van middelbare leeftijd die een half slapende vrouw met rood haar een pak kaarten toestak, opdat zij er een kon trekken. De vrouw met het rode haar pakte nonchalant een kaart uit het midden; daarna begonnen Vera’s handen te vliegen.

Andere tafels in het casino waren bomvol, maar de roodharige vrouw en haar erg klein uitgevallen man waren de enigen die aan Vera’s tafel zaten. Toch haalde ze alles voor hen uit de kast en deelde ze de kaarten met een soepele vingervlugheid, waardoor het er moeiteloos uitzag. Luce zag een elegante kant van Vera die haar nog niet eerder was opgevallen. Gevoel voor dramatiek.

‘Goed,’ zei Miles, en hij wipte naast Luce van zijn ene been op het andere. ‘Gaan we nog… of…’

Plotseling lagen Shelby’s handen op Luce’ schouders, waardoor ze praktisch in een van de lege leren stoelen aan de tafel omlaag werd gedrukt.

Luce wilde natuurlijk niets liever dan Vera aanstaren, maar maakte in het begin toch maar vooral geen oogcontact. Ze was bang dat Vera haar misschien al herkende voor ze het wist. Maar Vera liet haar blik hooguit licht geïnteresseerd over hen heen gaan, en Luce bedacht dat ze er ook wel heel anders uitzag nu ze haar haar had geblondeerd. Ze trok er nerveus aan en wist niet goed wat ze nu verder moest doen.

Toen gooide Miles een briefje van twintig dollar voor Luce neer, en wist ze weer dat ze een spel moest spelen. Ze schoof het geld over de tafel.

Vera trok een met potlood bijgewerkte wenkbrauw op. ‘Heb je een identiteitsbewijs bij je?’

Luce schudde van ‘nee’. ‘Kunnen we anders gewoon kijken?’

Aan de andere kant van de tafel dommelde de roodharige vrouw in, en haar hoofd zakte op Shelby’s stijve schouder. Vera sloeg haar ogen te hemel, geërgerd over het hele tafereel, en schoof Luce’ geld terug. Ze wees op het neonbord met reclame voor het Cirque du Soleil. ‘Het circus is die kant op, jongens.’

Luce zuchtte. Ze zouden moeten wachten tot Vera klaar was met werken. En tegen die tijd had ze waarschijnlijk al helemaal geen zin meer om met hen te praten. Met een verslagen gevoel stak Luce haar hand uit om Miles’ geld terug te pakken. Net op het moment dat Luce haar vingers over het geld legde, trok Vera de hare terug, en hun vingertoppen raakten elkaar licht. Ze keken allebei geschrokken op. De vreemde schok verblindde Luce heel even. Ze hield haar adem in. Ze keek in Vera’s grote lichtbruine ogen.

En ze zag alles:

Een huisje met één verdieping in een Canadees stadje in de sneeuw. IJsbloemen op de ruiten, de wind die langs de ramen loeide. Een meisje van een jaar of tien dat in de woonkamer tv zat te kijken, terwijl ze een baby op haar schoot wiegde. Het was Vera, bleek en knap in een lichte spijkerbroek en met Doc Martens aan, een dikke donkerblauwe trui met kol tot aan haar kin, een goedkope wollen deken opgepropt tussen haar rug en de rugleuning van de bank. Een schaal popcorn op de salontafel, waar alleen nog wat koude, niet gesprongen pitjes van over waren. Een dikke rode kat die over de schoorsteenmantel liep en naar de radiator blies. En Luce – Luce was haar zusje, het babyzusje dat ze in haar armen hield.

Luce merkte dat ze op haar stoel in het casino heen en weer wiegde. Het deed haar pijn zich dit alles te moeten herinneren. Maar de indruk trok net zo snel weer weg en werd door iets anders vervangen.

Luce als peuter die achter Vera aanzat, trap op, trap af, de brede versleten treden onder haar bonkende voetjes, haar borst samengeknepen van de slappe lach. Toen ging de bel en kwam een jongen met blond steil haar Vera voor een afspraakje ophalen. Ze bleef staan, trok haar kleren recht, draaide Luce haar rug toe en vertrok…

Een tel later was Luce zelf een puber, met een bos zwarte krullen tot op haar schouders. Ze lag breeduit op Vera’s sprei van spijkerstof – grove stof die op de een of andere manier troostrijk was – en bladerde door Vera’s geheime dagboek. ‘Hij houdt van me’, had Vera keer op keer opgeschreven, waarbij haar handschrift steeds meer lussen ging vertonen. En toen deinsden de bladzijden achteruit en doemde het boze gezicht van haar zus op, met duidelijke sporen van tranen…

Toen weer een ander tafereel. Luce, weer ouder nu, een jaar of zeventien misschien. Ze zette zich schrap voor wat komen ging.

De sneeuw viel als een zachte witte ruis uit de hemel. Vera was met een paar vriendinnen op de bevroren vijver achter hun huis aan het schaatsen, draaide snelle cirkels en lachte blij, en aan de rafelige ijsrand van de vijver zat Luce, terwijl de kou door haar dunne kleren trok, op haar hurken haar schaatsen dicht te rijgen, haastig, zoals altijd, om snel bij haar zus te zijn. En naast haar zat Daniël – een warmte waarnaar ze niet hoefde te kijken om te weten wie het was –, stil, humeurig, zijn schaatsen al stevig dichtgebonden. Ze verlangde ernaar hem te kussen – en toch waren er geen schaduwen te zien. De avond en alles eromheen was bezaaid met sterren en glinsterde, eindeloos helder, en alles leek mogelijk.

Luce keek of ze de schaduwen zag, maar realiseerde zich toen dat het eigenlijk wel logisch was dat die er niet waren. Dit waren namelijk de herinneringen van Vera. En door de sneeuw was het zicht ook slechter. Maar toch moest Daniël het geweten hebben, net zoals hij het geweten had toen hij dat meer indook. Hij moest het elke keer weer gevoeld hebben. Interesseerde het hem eigenlijk wel wat er met mensen als Vera gebeurde nadat Luce was overleden?

Toen klonk er een harde knal aan Luce’ kant van de vijver, alsof er een parachute openging. En toen: een opwolkende vuurrode vlam midden in een sneeuwstorm. Een reusachtige zuil heloranje vlammen die aan de rand van de vijver de lucht in schoot. Daar waar Luce had gezeten. De andere schaatsers stormden er onzinnig op af, vlogen de vijver over. Rampzalig genoeg smolt het ijs razendsnel, waardoor hun schaatsen erdoor zakten, naar het ijskoude water eronder. Vera’s gil galmde door de blauwe avond; het enige wat Luce nog van haar zag, was haar blik, bevroren van ontzetting.

In het casino trok Vera snel haar hand terug en schudde ermee alsof ze hem had gebrand. Haar lippen trilden een moment, en toen vormden ze de woorden: ‘Jij bent het.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Maar dat kan niet.’

‘Vera,’ fluisterde Luce, en ze stak weer haar hand naar haar zus uit. Ze wilde haar vasthouden, ze wilde alle verdriet dat Vera ooit was aangedaan wegnemen en naar zichzelf overhevelen.

‘Nee.’ Vera schudde haar hoofd, deinsde achteruit en zwaaide met een vinger naar Luce. ‘Nee, nee, nee.’ Ze liep achteruit naar de man die aan de tafel achter haar de kaarten deelde en botste tegen hem aan, waardoor een enorme stapel pokerfiches van de tafel viel. De kleurige schijfjes gleden over de vloer, met een golf van o’s en ah’s van de gokkers tot gevolg, die opsprongen om ze op te rapen.

‘Godver, Vera!’ brulde een gedrongen man over het kabaal heen uit. Hij waggelde in een goedkoop pak van grijs polyester en op afgetrapte zwarte schoenen naar hun tafel. Luce keek even bezorgd naar Miles en Shelby. Ze waren alle drie onder de 21 en zaten bepaald niet op de manager te wachten. Maar hij stond Vera nog uit te schelden, zijn lip omgekruld van walging. ‘Hoe vaak moet ik je nog…’

Vera was weer overeind gekrabbeld, maar keek nog steeds doodsbang naar Luce, alsof ze de duivel zelf was, en niet haar zus van een leven geleden. Vera’s zwartomrande ogen zagen wit van angst. ‘Het k-k-kan niet dat zij hier is,’ stamelde ze.

‘Jezus,’ mompelde de manager, terwijl hij Luce en haar vrienden onderzoekend opnam en toen in een walkie-talkie begon te praten. ‘Stuur de beveiliging. Ik heb hier wat opgeschoten jeugd.’

Luce dook weg tussen Miles en Shelby, die met opeengeklemde tanden zei: ‘Wat dacht je van zo’n doorstap, Miles?’

Voor Miles antwoord kon geven, verschenen er al drie mannen met reusachtig dikke polsen en nekken, die dreigend voor hen kwamen staan. De manager maakte een wuivend gebaar. ‘Sluit ze maar op. En zoek uit of ze nog meer rotzooi hebben getrapt.’

‘Ik heb een veel beter idee,’ grauwde een meisjesstem achter de muur van beveiligers.

Alle hoofden draaiden zich als gestoken naar de stem om, maar alleen het gezicht van Luce klaarde op. ‘Arriane!’

Het tengere meisje grijnsde even snel naar Luce toen ze zich een weg door de menigte baande. Met haar plateauzolen van twaalf centimeter hoog, een idioot kapsel en haar ogen bijna verzwolgen door donkere eyeliner, paste Arriane prima bij de rare cliëntèle van het casino. Niemand leek te weten wat hij van haar moest denken, laat staan Shelby en Miles.

De manager liep naar Arriane toe om haar aan te spreken. Hij rook naar schoenpoets en hoestdrank.

‘Wou jij soms ook opgesloten worden, juffie?’

‘Ooo, dat klinkt goed.’ Arriane zette grote ogen op. ‘Maar ik ben voor vanavond helaas al bezet. Ik heb kaartjes op de eerste rij voor de Blue Man Group, en na de voorstelling natuurlijk dineren met Cher. En ik moest nog iets doen… Wat was dat ook alweer…?’ Ze tikte tegen haar kin en keek toen naar Luce. ‘O ja, ik moest deze drie hier als een speer vandaan halen. Sorry hoor, maar we gaan!’ Ze wierp de ziedende manager een handkus toe, haalde tegen Vera verontschuldigend haar schouders op en knipte met haar vingers.

Toen gingen alle lichten uit.