1 ACHTTIEN DAGEN

 

 

 

Luce was van plan om tijdens de zes uur die de vlucht over land van Georgia tot Californië duurde haar ogen dicht te houden, tot aan het moment waarop de wielen van het vliegtuig in San Francisco de grond raakten. Zo half in slaap vond ze het een stuk gemakkelijker om te doen alsof ze al met Daniël herenigd was.

Het leek wel een eeuwigheid geleden dat ze hem had gezien, maar in werkelijkheid was het pas een paar dagen geleden. Vanaf het moment waarop ze op vrijdagochtend op Zwaard & Kruis afscheid van elkaar hadden genomen, had Luce’ hele lichaam verdoofd aangevoeld. De afwezigheid van zijn stem, zijn warmte, de aanraking van zijn vleugels: het was tot diep in haar botten doorgedrongen, als een vreemde ziekte.

Een arm streek langs de hare en Luce deed haar ogen open. Ze keek recht in de grote ogen van een jongen met bruin haar, een paar jaar ouder dan zijzelf.

‘Sorry,’ zeiden ze allebei tegelijk, en ze trokken zich allebei aan weerskanten van de leuning van de vliegtuigstoel een paar centimeter terug.

Het uitzicht was oogverblindend. Het vliegtuig zette de daling in naar San Francisco, en zoiets had Luce nog nooit gezien. Ze vlogen langs de zuidkant van de baai en het leek wel of een kronkelende blauwe zijrivier zo door de aarde heen kliefde, op weg naar de zee. De rivier scheidde een felgroen veld aan de ene kant af van iets felrood-met-wits dat kolkte aan de andere kant. Ze drukte haar voorhoofd tegen het dubbele kunststof glas en probeerde het beter te zien.

‘Wat is dat?’ vroeg ze zich hardop af.

‘Zout,’ antwoordde de jongen wijzend. Hij boog dichter naar haar toe. ‘Dat delven ze uit de Stille Oceaan.’

Het antwoord was heel eenvoudig, heel… menselijk. Het kwam bijna als een verrassing na de dagen die ze met Daniël en de andere – ze was er nog steeds niet aan gewend om deze termen in hun letterlijke betekenis te gebruiken – engelen en demonen had doorgebracht. Ze keek uit over het nachtblauwe water dat zich eindeloos in westelijke richting leek uit te strekken. De zon boven het water had voor Luce, die aan de Atlantische kust was opgegroeid, altijd de ochtend ingeluid. Maar hier was het bijna nacht.

‘Je komt niet hiervandaan, hè?’ vroeg haar buurman.

Luce schudde haar hoofd, maar zei niets. Ze bleef naar buiten kijken. Voor ze die ochtend uit Georgia was vertrokken, had meneer Cole haar op het hart gedrukt dat ze zich onopvallend moest gedragen. De andere docenten was verteld dat de ouders van Luce om een overplaatsing hadden verzocht. Voor zover de ouders van Luce, Callie en verder iedereen wisten, zat ze nog steeds op Zwaard & Kruis.

Een paar weken geleden zou haar dit nog razend hebben gemaakt. Maar door de dingen die in die laatste dagen op Zwaard & Kruis waren gebeurd, was Luce iemand geworden die de wereld een stuk serieuzer nam. Ze had een glimp van een ander leven opgevangen – een van de vele levens die ze hiervoor samen met Daniël had geleefd. Ze had een liefde ontdekt die voor haar vele malen belangrijker was dan ze ooit voor mogelijk had gehouden. En toen had ze gezien hoe dat alles in gevaar werd gebracht door een gestoorde oude vrouw die met een dolk zwaaide en van wie ze had gedacht dat ze haar kon vertrouwen.

Luce wist dat er meer mensen zoals juffrouw Sophia waren. Maar niemand had haar verteld hoe ze die kon herkennen. Juffrouw Sophia had haar een normale vrouw geleken – helemaal tot het eind aan toe. Zouden de anderen er net zo onschuldig uit kunnen zien als… als deze jongen met het bruine haar die naast haar zat? Luce slikte, vouwde haar handen op haar schoot in elkaar en probeerde aan Daniël te denken.

Daniël bracht haar ergens naartoe waar ze veilig zou zijn.

Luce zag al voor zich hoe hij op zo’n luchthavenstoel van grijs kunststof op haar zat te wachten, met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn blonde hoofd tussen zijn schouders getrokken. Hoe hij met zijn zwarte Converse-gympen heen en weer zat te wiegen. Hoe hij om de paar minuten opstond om langs de bagageband te ijsberen.

Toen het vliegtuig de grond raakte, voelde ze een schok. Ze was plotseling zenuwachtig. Zou hij net zo blij zijn om haar te zien als zij hem?

Ze concentreerde zich op het bruin-met-beige dessin van de stoel voor haar. Haar nek was stijf van de lange vlucht en haar kleren hadden een muffe, bedompte vliegtuiglucht. Buiten had het grondpersoneel in marineblauwe uniformen er abnormaal lang voor nodig om het vliegtuig naar de juiste brug te leiden. Haar benen wipten op en neer van ongeduld.

‘Je blijft zeker een tijdje in Californië?’ De jongen naast haar schonk haar een lome glimlach, waardoor Luce alleen maar nóg liever wilde opstaan.

‘Waarom vraag je dat?’ vroeg ze snel. ‘Waarom denk je dat?’

Hij knipperde met zijn ogen. ‘Nou, vanwege die enorme rode weekendtas en zo.’

Luce deinsde achteruit. Twee minuten geleden had ze zich nog niet eens rekenschap van deze jongen gegeven, totdat hij haar wakker had gestoten. Wat wist hij van haar bagage?

‘Rustig maar, hoor, niks aan de hand.’ Hij keek haar vreemd aan. ‘Ik stond toevallig achter je in de rij toen je incheckte.’

Luce glimlachte onhandig. ‘Ik heb een vriend,’ flapte ze eruit. Onmiddellijk werden haar wangen rood.

De jongen kuchte. ‘Aha.’

Luce grijnsde. Ze wist niet waarom ze dat had gezegd. Ze wilde helemaal niet onbeleefd zijn, maar het lampje van de gordels ging uit en ze wilde maar één ding en dat was langs deze jongen heen stormen, zo het vliegtuig uit. Hij moest dat ook hebben gedacht, want hij stapte achteruit het gangpad in en maakte een handgebaar naar voren. Luce wurmde zich zo beleefd ze kon langs hem en stormde naar de uitgang.

Om vervolgens in de brug in een opstopping van tergende traagheid te belanden. Terwijl Luce in stilte alle nonchalante Californiërs vervloekte die voor haar voortsjokten, ging ze op haar tenen staan en wipte ze van haar ene voet op de andere. Tegen de tijd dat ze bij de terminal was aangekomen, hád ze het niet meer van ongeduld.

Eindelijk kon ze doorlopen. Ze vlocht zich behendig een weg door de menigte en was de jongen die ze net in het vliegtuig had ontmoet alweer vergeten. Ze vergat om zenuwachtig te zijn omdat ze nog nooit eerder in Californië was geweest; ze was nog nooit westelijker geweest dan Branson, Missouri, die keer dat haar ouders haar op sleeptouw hadden genomen naar een stand-upcomedyshow van Yakov Smirnoff. En voor het eerst sinds dagen vergat ze heel even de gruwelijke dingen die ze op Zwaard & Kruis had meegemaakt. Ze koerste aan op het enige ter wereld wat ervoor kon zorgen dat zij zich beter voelde. Het enige waardoor ze het gevoel kreeg dat het ondanks alle angsten die ze had doorstaan – alle schaduwen, de onwerkelijke strijd op de begraafplaats en, het allerergste van alles, het hartverscheurende verdriet om de dood van Penn – de moeite waard was om te blijven leven.

Daar was hij.

Hij zat er precies bij zoals ze het zich had voorgesteld, op de laatste stoel van een rij treurige stoelen van grijs kunststof, naast een automatische schuifdeur die de hele tijd achter hem open- en dichtging. Luce bleef heel even staan en genoot alleen maar van wat ze zag.

Daniël droeg slippers, een donkere spijkerbroek die ze nog nooit eerder had gezien, en een uitgelubberd rood T-shirt dat bij de zak op de voorkant gescheurd was. Hij zag er hetzelfde uit, maar op de een of andere manier toch anders. Uitgeruster dan toen hij laatst afscheid van haar had genomen. En kwam het alleen doordat ze hem zo gemist had, of straalde zijn huid echt nog meer dan ze zich kon herinneren? Hij keek op en zag haar eindelijk. Zijn glimlach gaf bijna licht.

Ze holde naar hem toe. Binnen een seconde lag Luce in zijn armen, drukte ze haar gezicht tegen zijn borst en slaakte ze een heel lange, diepe zucht. Haar mond vond de zijne en ze smolten weg in een kus. Ze voelde zich helemaal slap worden en lag dolgelukkig in zijn armen.

Ze had het zich nog niet eerder gerealiseerd, maar ergens had ze zich afgevraagd of ze hem ooit nog zou zien, of dat hele gedoe niet een droom was geweest. De liefde die ze had gevoeld, de liefde die Daniël had beantwoord – het voelde allemaal nog heel onwerkelijk.

Luce was nog steeds verstrikt in zijn kus, maar kneep alvast zacht in zijn bovenarm. Geen droom. Voor het eerst in ze wist niet eens hoe lang, had ze het gevoel dat ze thuis was.

‘Je bent er,’ fluisterde hij haar in het oor.

‘Jij bent er.’

‘We zijn er allebei.’

Ze lachten, nog steeds kussend, en ze verslonden de heerlijke onhandigheid van het weerzien tot het laatste beetje. Maar net op het moment dat Luce het helemaal niet verwachtte, ging haar lach over in gesnuf. Ze probeerde woorden te vinden om te zeggen hoe zwaar de afgelopen paar dagen voor haar waren geweest – zonder hem, zonder wie dan ook, half slapend en zich in min of meer verdoofde toestand ervan bewust dat alles was veranderd – maar nu ze in Daniëls armen lag, vond ze er de juiste woorden niet voor.

‘Ik weet het,’ zei hij. ‘Kom, we pakken je tas en dan gaan we.’

Luce draaide zich om naar de bagageband en zag dat haar buurman uit het vliegtuig voor haar stond, met het hengsel van haar enorme weekendtas in zijn hand. ‘Ik zag ’m langskomen,’ zei hij met een geforceerde glimlach op zijn gezicht, alsof hij vooral duidelijk wilde maken dat hij niets kwaads in de zin had.

‘Die is toch van jou?’

Voor Luce tijd had om antwoord te geven verloste Daniël de jongen met slechts één hand van de onhandige tas. ‘Bedankt, man. Ik draag hem verder wel,’ zei hij, zo gedecideerd dat het gesprek meteen ten einde was.

De jongen keek hoe Daniël zijn andere hand om Luce’ middel liet glijden en haar weg loodste. Dit was de eerste keer sinds Zwaard & Kruis dat Luce Daniël had kunnen zien zoals de wereld hem zag, haar eerste kans om zich af te vragen of andere mensen zo op het blote oog zagen dat er iets bijzonders met hem was.

Toen waren ze de glazen schuifdeuren door en kon ze voor het eerst echt de lucht van de westkust inademen. De vroege novemberlucht voelde fris en verkwikkend en op de een of andere manier gezond, niet zompig en kil zoals de lucht in Savannah die middag had gevoeld toen haar vliegtuig was vertrokken. De lucht was strakblauw, zonder wolken aan de horizon. Alles zag er fris en schoon uit – zelfs de parkeerplaats vol rijen pas gewassen auto’s. Het tafereel werd omlijst door een rij bergen, geelachtig bruin met schamele plukjes groene bomen, waarvan de ene heuvel glooiend in de volgende overging.

Ze was niet meer in Georgia.

‘Ik weet niet goed of ik verbaasd moet zijn,’ zei Daniël plagerig. ‘Ik laat je twee dagen onder mijn vleugels uit en hup, er slaat meteen een andere jongen toe.’

Luce sloeg haar ogen ten hemel. ‘Kom op, zeg. We hebben nauwelijks een woord met elkaar gewisseld. Echt, ik heb bijna de hele reis geslapen.’ Ze gaf hem een duwtje. ‘En over jou gedroomd.’

Daniëls getuite lippen gingen over in een glimlach en hij gaf haar een kus op haar kruin. Ze bleef staan, want ze wilde meer. Het drong niet eens tot haar door dat Daniël voor een auto was blijven staan. En wát voor auto.

Een zwarte Alfa Romeo.

Daniël deed het portier aan de kant van de bijrijder van het slot en Luce’ mond viel open.

‘Dit… dit…’ stamelde ze. ‘Dit is… Wist je dat dit mijn absolute droomauto is?’

‘En dat niet alleen,’ lachte Daniël. ‘Dit was vroeger jóúw auto.’

Ze maakte bijna een sprongetje toen hij dat zei. Hij moest lachen. Ze moest nog aan het reïncarnatieverhaal van hun geschiedenis wennen. Wat ontzettend oneerlijk. Een hele auto waar ze zich totaal niets van kon herinneren. Hele levens waar ze niets meer van wist. Ze wilde er dolgraag meer over weten, bijna alsof haar vorige ikken zusjes waren van wie ze bij de geboorte al was gescheiden. Ze legde haar hand op de voorruit en zocht naar een zweem van het een of ander, naar een déjà vu.

Niets.

‘Je hebt hem een paar levens geleden voor je zestiende verjaardag van je ouders gekregen.’ Daniël wendde zijn blik af alsof hij probeerde te bepalen hoeveel hij kon zeggen. Alsof hij wist dat ze details wilde horen, maar misschien niet in staat was om er te veel tegelijk te verstouwen. ‘Ik heb hem gekocht van een vent in Reno. Hij heeft de auto gekocht nadat jij… eh… nadat jij…’

Spontaan ontbrand was, dacht Luce, en ze vulde de bittere waarheid in die Daniël niet over zijn lippen kreeg. Dat hadden hun vorige levens wel gemeen: het einde was bijna altijd hetzelfde.

Behalve deze keer dan. Deze keer konden ze elkaars hand vasthouden, elkaar kussen en… Ze wist niet wat ze nog meer konden doen. Maar ze wilde niets liever dan daarachter komen. Ze riep zichzelf tot de orde. Ze moesten voorzichtig zijn. Zeventien jaar was niet genoeg, en in dit leven wilde Luce per se lang genoeg aanwezig blijven om te weten hoe het écht was om met Daniël te zijn.

Hij schraapte zijn keel en gaf een klopje op de glimmende zwarte motorkap. ‘Hij rijdt nog steeds als een zonnetje. Het enige probleem is…’ Hij keek naar de minuscule kofferbak van de cabriolet, toen naar Luce’ weekendtas en toen weer naar de kofferbak.

Ja, Luce had de vreselijke gewoonte om altijd veel te veel mee te nemen. Ze was de eerste om dat toe te geven. Maar voor deze ene keer kon ze daar zelf niets aan doen. Arriane en Gaby hadden haar spullen van haar kamer op Zwaard & Kruis voor haar ingepakt – alle zwarte en niet-zwarte kleren die ze daar nooit had kunnen dragen. Ze had het veel te druk gehad met afscheid nemen van Daniël, en van Penn, om zelf te pakken. Ze kreunde en voelde zich schuldig dat ze hier met Daniël in Californië was, ver weg van de plek waar ze haar vriendin in haar graf had achtergelaten. Het was niet eerlijk. Meneer Cole had haar er keer op keer van verzekerd dat juffrouw Sophia zou worden gestraft voor wat ze Penn had aangedaan, maar toen Luce hem had gevraagd wat dat dan precies inhield, had hij aan zijn snor getrokken en er verder geen woord meer over gezegd.

Daniël keek even argwanend de parkeerplaats rond. Hij wipte de kofferbak open, met de reusachtige tas van Luce in zijn hand. Die ging er met geen mogelijkheid in, maar toen klonk er een zacht zuigend geluid achter uit de auto en begon Luce’ tas te krimpen. Even later sloeg Daniël de kofferbak dicht.

Luce knipperde met haar ogen. ‘Doe dat nog eens!’

Daniël kon er niet om lachen. Hij maakte een gespannen indruk. Hij ging achter het stuur zitten en startte zonder een woord te zeggen de motor. Dat was vreemd en nieuw voor Luce: zijn gezicht zag er heel sereen uit, maar ze kende hem goed genoeg om te weten dat er diep vanbinnen iets gaande was.

‘Wat is er?’

‘Meneer Cole heeft zeker gezegd dat je moest zorgen dat je niet opviel, hè?’

Ze knikte.

Daniël reed achteruit het vak uit, draaide toen om naar de uitgang van de parkeerplaats en stak een creditcard in het apparaat om eruit te kunnen. ‘Dat was stom. Ik had gedacht…’

‘Wat is daar zo erg aan?’ Luce streek haar donkere haar achter haar oren. De auto ging sneller rijden. ‘Denk je dat je, door een tas in een kofferbak te proppen, Cams aandacht trekt?’

Daniël kreeg een afwezige blik in zijn ogen en schudde zijn hoofd. ‘Niet van Cam, nee.’ Even later kneep hij in haar bovenbeen. ‘Vergeet maar wat ik gezegd heb. Ik ben gewoon… We moeten gewoon allebei voorzichtig zijn.’

Luce hoorde wel wat hij zei, maar was te overweldigd om echt goed naar hem te luisteren. Ze vond het heerlijk om te kijken hoe Daniël heel vaardig de versnellingspook hanteerde, de oprit naar de snelweg nam en in het verkeer invoegde. Ze vond het heerlijk om de wind door de auto te voelen waaien, terwijl ze op de opdoemende skyline van San Francisco af reden. En het heerlijkst van alles vond ze het nog wel om gewoon bij Daniël te zijn.

In San Francisco zelf werd de weg veel heuvelachtiger. Elke keer dat ze een heuveltop over waren en er aan de andere kant weer af denderden, ving Luce weer een nieuwe glimp van de stad op. Die zag er oud en nieuw tegelijk uit: wolkenkrabbers met spiegelglas stonden zij aan zij met restaurants en cafés die wel honderd jaar oud leken. Langs de straten stonden piepkleine autootjes, zo schuin geparkeerd dat ze de zwaartekracht leken te tarten. Overal zag ze honden en wandelaars. Langs de hele rand van de stad fonkelde het blauwe water. En in de verte ving ze de eerste felrode glimp op van de Golden Gate Bridge.

Haar ogen schoten alle kanten op om toch vooral alles maar te zien. En hoewel ze de afgelopen paar dagen heel veel had geslapen, voelde ze zich plotseling overspoeld worden door uitputting.

Daniël legde zijn arm om haar heen en trok haar hoofd naar zijn schouder. ‘Een niet erg bekend feit over engelen: we fungeren uitstekend als kussen.’

Luce moest lachen en bracht haar hoofd omhoog om hem een kus op zijn wang te geven. ‘Ik kan toch niet slapen,’ zei ze, en ze drukte haar mond in zijn hals.

Op de Golden Gate Bridge trokken hele drommen voetgangers, in lycra gestoken fietsers en joggers langs de auto’s. Helemaal in de diepte lag de schitterende baai, bezaaid met witte zeilboten en de eerste tinten van een paarsblauwe zonsondergang. ‘We hebben elkaar al dagen niet gezien. Ik wil alles horen,’ zei ze. ‘Vertel wat je gedaan hebt. Vertel me alles.’

Heel even meende ze te zien dat Daniëls handen zich om het stuur verstrakten. ‘Als je je als doel hebt gesteld om vooral niet in slaap te vallen,’ zei hij met een glimlach, ‘kan ik beter niet al te gedetailleerd ingaan op de acht uur durende vergadering van de Engelenraad, waar ik gisteren de hele dag bij gezeten heb. Kijk, het bestuur is bij elkaar gekomen om een amendement op voorstel 362B te bespreken, waarin de toegestane opzet voor deelname van cherubijnen aan het derde circuit van…’

‘Oké, de boodschap is duidelijk.’ Ze duwde hem weg. Daniël maakte maar een grapje, maar het was een vreemd, nieuw soort grapje. Hij wond er geen doekjes om dat hij een engel was en dat vond ze fijn, of althans, dat zou ze fijn vinden als ze er eenmaal wat langer aan had kunnen wennen. Luce had nog steeds het gevoel dat haar hart en haar hoofd hun uiterste best moesten doen om de veranderingen in haar leven te kunnen bijbenen.

Maar ze waren nu weer bij elkaar, voor altijd, dus nu werd alles vele malen gemakkelijker. Ze hoefden niets meer voor elkaar verborgen te houden. Ze trok aan zijn arm. ‘Vertel me dan in elk geval waar we naartoe gaan.’

Daniël kromp ineen, en Luce voelde hoe een koud gevoel zich in haar borst ontvouwde. Ze wilde haar hand op de zijne leggen, maar die trok hij los om terug te schakelen.

‘Naar een school in Fort Bragg, de Kustschool genaamd. Morgen beginnen de lessen.’

‘Gaan we naar een andere school?’ vroeg ze. ‘Waarom?’ Het klonk zo definitief. Dit zou toch een tijdelijk reisje worden? Haar ouders wisten niet eens dat ze de staat Georgia uit was.

‘Je vindt het vast leuk op de Kustschool. Het is een heel moderne school, en veel beter dan Zwaard & Kruis. Ik denk dat je je daar zult kunnen… ontwikkelen. En daar kan je niets gebeuren. Deze school heeft een speciale beschermende eigenschap. Een camouflageachtige beschutting.’

‘Ik snap het niet. Waarom heb ik bescherming nodig? Ik dacht dat ik alleen maar weg moest bij juffrouw Sophia, meer niet.’

‘Het gaat niet alleen om juffrouw Sophia,’ zei Daniël zacht. ‘Er zijn ook nog anderen.’

‘Wie dan? Je kunt me toch wel beschermen tegen Cam, of Molly, of wie dan ook?’ Luce lachte, maar het kille gevoel in haar borst verbreidde zich naar haar buik.

‘Het gaat ook niet om Cam of Molly. Luce, ik kan het er nu niet over hebben.’

‘Kennen we daar verder nog mensen? Andere engelen?’

‘Er zijn een paar engelen. Niemand die jij kent, maar ik weet zeker dat je het er leuk zult vinden. En dan nog eens iets…’ Hij keek weer recht voor zich uit en zijn stem klonk vlak. ‘Ik ga niet ook naar die school.’ Hij hield zijn ogen strak op de weg gericht. ‘Alleen jij gaat erheen. Het is maar voor een tijdje.’

‘Hoe lang?’

‘Een paar… weken.’

Als Luce achter het stuur had gezeten was dit het moment geweest waarop ze vol op de rem had getrapt.

‘Een paar weken?’

‘Als ik bij je kon zijn, zou ik het doen.’ Daniëls stem klonk zo vlak, zo rustig, dat Luce er alleen maar kwader van werd. ‘Je hebt gezien wat er net met je weekendtas en de kofferbak is gebeurd. Ik had net zo goed een signaalvlam de lucht in kunnen schieten om iedereen te laten weten waar we zijn. Om iedereen die naar mij op zoek is te waarschuwen – en met mij bedoel ik jou. En dat met die tas? Dat is nog niets vergeleken met de dingen die ik elke dag doe om de aandacht te trekken van…’ Hij schudde afgemeten zijn hoofd. ‘Ik ga je niet in gevaar brengen, Luce, echt niet.’

‘Doe dat dan gewoon niet.’

Daniël keek gepijnigd. ‘Het ligt nogal ingewikkeld.’

‘En laat me raden: je kunt het niet uitleggen.’

‘Ik wou dat ik dat wel kon.’

Luce trok haar knieën omhoog naar haar borst, boog zich van hem af, tegen het portier aan haar kant aan, en kreeg op de een of andere manier een heel claustrofobisch gevoel, zo onder de weidse blauwe Californische lucht.

 

Ze reden een halfuur zwijgend verder. Mistige gedeelten in en uit, omhoog en omlaag over het rotsige, dorre gebied. Ze kwamen langs borden voor Sonoma, en toen de auto door weelderige groene wijngaarden reed, begon Daniël weer te praten. ‘Het is nog drie uur naar Fort Bragg. Ben je van plan om dat hele eind boos op me te blijven?’

Luce reageerde niet. Ze bedacht honderden vragen, frustraties, beschuldigingen en uiteindelijk ook verontschuldigingen voor het feit dat ze zich als een verwend kind gedroeg, maar weigerde daar lucht aan te geven. Bij de afslag naar de Anderson Valley nam Daniël de westelijke richting en probeerde opnieuw om haar hand vast te houden. ‘Misschien kun je het me nog net op tijd vergeven, zodat we van onze laatste paar minuten samen kunnen genieten.’

Dat wilde ze wel. Ze wilde nu helemaal geen ruzie met Daniël maken. Maar om hem nu te horen zeggen dat er zoiets bestond als hun ‘laatste paar minuten samen’, dat hij haar in de steek liet om redenen die ze niet kon begrijpen en die hij altijd weigerde uit te leggen – dat maakte Luce zenuwachtig, vervolgens doodsbang en daarna weer kwaad. In de ziedende zee van een nieuwe staat, een nieuwe school, overal nieuwe gevaren, was Daniël de enige rots waar ze zich aan kon vastklampen. En hij ging haar nu in de steek laten? Had ze niet al genoeg meegemaakt? Hadden ze samen niet al genoeg meegemaakt?

Pas toen ze uit de bossen met Californische sequoia’s waren en onder een met sterren bezaaide koningsblauwe avondlucht reden, zei Daniël iets wat bij haar aankwam. Ze waren net een bord gepasseerd met daarop WELKOM IN MENDOCINO, en Luce keek naar het westen. De vollemaan scheen neer op een groepje gebouwen, een paar koperen watertorens en rijen goed geconserveerde oude houten huizen. Ergens achter dat alles lag de oceaan, die ze wel hoorde, maar niet kon zien.

Daniël wees naar het oosten, naar een donker, dicht bos van sequoia’s en esdoorns. ‘Zie je dat trailerpark daar?’

Als hij het haar niet had aangewezen had ze het nooit gezien, maar nu kneep Luce haar ogen tot spleetjes en zag een smalle oprit, waar op een houten bord in witte letters MENDOCINO MOBILE HOMES te lezen stond.

‘Daar woonde je vroeger.’

‘Hè?’ Luce zoog haar adem zo snel in dat ze moest hoesten. Het terrein zag er heel verdrietig en eenzaam uit, met een rij identieke blokken met lage plafonds langs een armoedig kiezelpaadje. ‘Wat verschrikkelijk.’

‘Daar woonde je voor het een trailerpark werd,’ zei Daniël, en hij zette de auto langs de kant van de weg stil. ‘Voordat er mobile homes kwamen. In dat leven is je vader met jullie gezin uit Illinois hierheen verhuisd, tijdens de goudkoorts.’ Het was net alsof hij zijn blik naar binnen richtte, en hij schudde verdrietig zijn hoofd. ‘Vroeger was het hier heel mooi.’

Luce zag een kale man met een dikke buik een schurftige geelbruine hond aan een riem meetrekken. De man had een wit onderhemd en een flanellen korte broek aan. Luce kon zich zichzelf daar totaal niet voorstellen.

Voor Daniël was het echter allemaal glashelder. ‘Jullie woonden in een huisje met twee kamers en je moeder kon absoluut niet koken, dus het rook er altijd naar kool. Jullie hadden van die blauwgeruite gordijnen die ik altijd uit elkaar schoof, zodat ik ’s nachts door je raam naar binnen kon klimmen als je ouders sliepen.’

De motor draaide stationair. Luce sloot haar ogen en probeerde haar stomme tranen terug te dringen. Dat ze nu uit Daniëls mond over hun verleden hoorde, gaf haar het gevoel dat alles zowel mogelijk als onmogelijk was. Maar het bezorgde haar ook een vreselijk schuldgevoel. Hij was al heel lang bij haar gebleven, vele levens lang. Ze was vergeten hoe goed hij haar kende. Nog beter dan ze zichzelf kende. Zou Daniël ook weten wat ze nu dacht? Luce vroeg zich af of het op een bepaalde manier voor haar niet gemakkelijker was dat ze zich Daniël helemaal niet herinnerde dan voor hem, omdat hij dit keer op keer moest doormaken.

Als hij zei dat hij voor een paar weken weg moest en niet kon uitleggen waarom… dan zou ze hem moeten vertrouwen.

‘Hoe was het toen je me voor het eerst ontmoette?’ vroeg ze.

Daniël glimlachte. ‘In die tijd hakte ik hout in ruil voor maaltijden. Op een avond liep ik rond etenstijd langs je huis. Je moeder had de kool opstaan en die stonk zo vreselijk dat ik bijna jullie huis oversloeg. Maar toen zag ik jou door het raam. Je zat te naaien. Ik kon mijn ogen niet van je handen afhouden.’

Luce keek naar haar handen, naar haar bleke, taps toelopende vingers en haar kleine, vierkante handpalmen. Ze vroeg zich af of die er altijd al zo hadden uitgezien. Daniël reikte over het bedieningspaneel heen en pakte ze vast. ‘Ze zijn nu net zo zacht als toen.’

Luce schudde haar hoofd. Ze vond het een heerlijk verhaal, wilde nog wel duizend van zulke verhalen horen, maar dat bedoelde ze niet. ‘Ik wil weten over de eerste keer dat je me hebt ontmoet,’ zei ze. ‘De allereerste keer. Hoe was dat?’

Het was een hele tijd stil, en toen zei hij: ‘Het wordt al laat. Je wordt voor twaalf uur op de Kustschool verwacht.’ Hij trapte het gaspedaal in en sloeg al snel linksaf het centrum van Mendocino in. In het zijspiegeltje zag Luce het trailerpark snel kleiner en donkerder worden, tot het helemaal uit het zicht verdween. Een paar seconden later zette Daniël de auto neer voor een lege cafetaria die de hele nacht open bleef, met gele muren en aan de voorkant ramen van de vloer tot aan het plafond.

Er stonden allemaal vreemde gebouwen in deze straat; ze deden Luce denken aan een wat minder suffe versie van de kust van New England in de buurt van haar oude prepschool in Dover, New Hampshire. De straat was geplaveid met onregelmatige kasseien die geel glommen in het licht van de straatlantaarns. Aan het eind leek de weg zo de oceaan in te duiken. Er besloop haar een koud gevoel. Ze moest haar angstreflex voor het donker negeren. Daniël had haar uitgelegd hoe het zat met de schaduwen; dat ze daar niet bang voor hoefde te zijn, dat het alleen maar boodschappers waren. Dat had haar moeten geruststellen, ware het niet dat dat dus betekende dat er ergere dingen waren waar ze wél bang voor moest zijn, en dat feit was moeilijk te negeren.

‘Waarom vertel je het me niet?’ Ze kon er niets aan doen. Ze wist niet waarom het zo belangrijk voor haar was om ernaar te vragen. Als ze Daniël moest vertrouwen wanneer hij zei dat hij haar in de steek moest laten, terwijl hij zijn hele leven naar deze hereniging had verlangd – nou ja, misschien wilde ze alleen maar begrijpen waar dat vertrouwen vandaan kwam. Weten wanneer en hoe het allemaal begonnen was.

‘Weet jij wat mijn achternaam betekent?’ vroeg hij tot haar verbazing.

Luce beet op haar lip en probeerde terug te denken aan het onderzoek dat ze samen met Penn had gedaan. ‘Ik weet nog dat juffrouw Sophia iets over de Wachters zei. Maar ik weet niet wat het betekent en of ik haar moet geloven of niet.’ Haar vingers dwaalden naar haar hals, naar de plek waar het mes van juffrouw Sophia had gelegen.

‘Ze had gelijk. De Grigori’s zijn een clan. Ze zijn een clan die naar mij is vernoemd, zelfs. Omdat ze toekijken en leren van wat er gebeurd is toen… toen ik nog welkom was in de Hemel. En toen jij nog… Ach, dat is allemaal heel lang geleden gebeurd, Luce. Het is moeilijk voor me om eraan terug te denken.’

‘Waar? Waar was ik?’ drong ze aan. ‘Ik weet nog dat juffrouw Sophia iets zei over dat de Grigori’s met sterfelijke vrouwen omgingen. Is dat wat er is gebeurd? Heb jij…?’

Hij keek naar haar. Er was iets veranderd in zijn gezicht, en in het zwakke schijnsel van de maan kon Luce niet zeggen wat het betekende. Het was bijna alsof hij opgelucht was dat zij het had geraden, zodat hij het haar niet zelf hoefde te zeggen.

‘De allereerste keer dat ik je heb gezien,’ ging Daniël verder, ‘was niet veel anders dan alle andere keren dat ik je sindsdien heb gezien. De wereld was nieuwer, maar jij was precies dezelfde. Het was…’

‘Liefde op het eerste gezicht.’ Dat deel kende ze.

Hij knikte. ‘Zoals altijd. Het enige verschil was dat je in het begin verboden terrein voor me was. Ik werd gestraft en ik was op het slechtst denkbare moment voor jou gevallen. Het ging er toen heel gewelddadig aan toe in de Hemel. Om wie… ik ben… werd er van mij verwacht dat ik bij jou uit de buurt zou blijven. Jij zou me maar afleiden. Het draaide er alleen maar om dat we de oorlog zouden winnen. Dezelfde oorlog die nog steeds gaande is.’ Hij zuchtte. ‘En voor het geval je het niet gemerkt hebt: ik ben nog steeds heel erg afgeleid.’

‘Dus je was een heel hooggeplaatste engel,’ mompelde Luce.

‘Dat klopt.’ Daniël keek bedrukt voor zich uit, wachtte even en toen hij weer verder praatte, leek het wel alsof hij de woorden uitspoog. ‘Het was een val vanaf een van de hoogste posities.’

Natuurlijk. Daniël moest in de Hemel wel belangrijk geweest zijn om zo’n enorme breuk te hebben veroorzaakt. Anders was zijn liefde voor een sterfelijk meisje ook geen verboden terrein geweest.

‘Heb je dat allemaal opgegeven? Voor mij?’

Hij drukte zijn voorhoofd tegen het hare. ‘Ik zou het zo weer doen.’

‘Maar ik was volkomen betekenisloos,’ zei Luce. Ze voelde zich zwaar, alsof ze hem omlaagtrok. ‘Je hebt er zoveel voor moeten opgeven!’ Ze voelde zich misselijk worden. ‘En nu ben je voor altijd verdoemd.’

Daniël zette de motor uit en glimlachte haar droevig toe. ‘Misschien is het wel niet voor altijd.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Kom,’ zei hij, en hij sprong uit de auto en liep eromheen om haar portier open te doen. ‘We gaan een eindje lopen.’

Ze wandelden naar het eind van de straat, die toch niet doodliep, maar naar een steile, rotsige trap voerde, die beneden bij het water uitkwam. De lucht was koel en vochtig van de zeenevel. Iets links van de trap liep een paadje. Daniël pakte haar hand en liep naar de rand van het klif.

‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg Luce.

Daniël glimlachte, rechtte zijn schouders en ontrolde zijn vleugels.

Ze strekten zich langzaam vanaf zijn schouders naar boven uit en ontvouwden zich in een bijna onhoorbare reeks zachte klikjes en kraakjes. Toen ze helemaal gestrekt waren, maakten ze een zacht, vederlicht fwoemp, als een donzen dekbed dat over een bed wordt gegooid.

Luce zag nu voor het eerst de rug van Daniëls T-shirt. Daarin zaten twee heel kleine openingen die anders onzichtbaar bleven, maar die nu uiteen weken, zodat zijn vleugels erdoor konden. Hadden al Daniëls kleren deze engelenaanpassingen? Of had hij bepaalde kledingstukken die hij droeg als hij wist dat hij van plan was om te gaan vliegen?

Hoe dan ook, zijn vleugels maakten Luce elke keer weer sprakeloos.

Ze waren heel groot, drie keer zo hoog als Daniël zelf, en ze krulden als brede witte zeilen omhoog en naar opzij. Hun brede spanwijdte ving het licht van de sterren en reflecteerde dat nog heviger, zodat ze een iriserende glinstering kregen. Meer naar zijn lichaam toe werden de vleugels donkerder en namen daar waar ze zijn schouderspieren raakten een volle, aardse crèmekleur aan. Maar langs de spits toelopende randen werden ze dunner en gloeiden ze. Bij de punten werden ze bijna doorzichtig.

Luce staarde er gefascineerd naar en probeerde zich de belijning van elke beeldschone veer in te prenten, probeerde voordat hij vertrok alles in zich op te slaan. Hij straalde zo hel dat het was alsof de zon zijn licht van hem had kunnen lenen. Aan de glimlach in zijn paarsblauwe ogen zag ze hoe heerlijk hij het vond om zijn vleugels vrij te kunnen laten. Net zo heerlijk als Luce het vond om ze om zich heen te voelen.

‘Vlieg met me mee,’ fluisterde hij.

‘Wat zeg je nou?’

‘Ik zal je een tijdje niet zien. Ik moet je iets geven waardoor je aan me zult blijven denken.’

Voordat hij nog iets kon zeggen kuste Luce hem. Ze legde haar vingers om zijn nek en hield hem zo stevig mogelijk vast, in de hoop dat ze hem ook iets gaf waardoor hij aan haar zou denken.

Met haar rug tegen zijn borst gedrukt en zijn hoofd boven haar schouder trok Daniël een spoor van kussen langs haar hals. Ze hield haar adem in en wachtte. Toen boog hij zijn benen en zette zich sierlijk af van de rand van het klif.

Ze vlogen.

Weg van de rotsrichel van de kust, over de brekende zilveren golven onder hen, in een boog door de lucht, alsof ze zo naar de maan vlogen. Daniëls omhelzing beschermde haar tegen elke ruwe windstoot, elke koude vlaag van de oceaan. Het was een doodstille nacht. Alsof ze de enige twee mensen op aarde waren.

‘Dit is de Hemel, toch?’ vroeg ze.

Daniël moest lachen. ‘Was het maar waar. Maar misschien binnenkort.’

Toen ze zo ver uit de kust gevlogen waren dat ze aan weerskanten geen land meer zagen, koerste Daniël voorzichtig op het noorden aan en toen vlogen ze in een wijde boog om de stad Mendocino heen, die warm aan de horizon lag te gloeien. Ze bevonden zich ver boven het hoogste gebouw van de stad en bewogen zich met ongelooflijke snelheid voort. Maar Luce had zich nog nooit zo veilig en nog nooit zo verliefd gevoeld.

Toen, veel te snel eigenlijk, zette hij de afdaling in en naderden ze langzaam maar zeker de rand van een ander klif. De geluiden van de oceaan werden weer luider. Een donkere weg met maar één rijstrook kronkelde van de grote weg af. Toen hun voeten heel licht een koel stuk dik gras raakten, zuchtte Luce.

‘Waar zijn we?’ vroeg ze, maar ze wist het natuurlijk al.

De Kustschool. In de verte zag ze een groot gebouw, maar vanhier zag het er volkomen donker uit en was het eigenlijk niet meer dan een vorm aan de horizon. Daniël hield haar tegen zich aan gedrukt, alsof ze nog steeds in de lucht waren. Ze keek om om zijn gezicht te kunnen zien. Zijn ogen waren vochtig.

‘Degenen die me verdoemd hebben, houden me nog steeds in de gaten, Luce. Al millennia lang. En zij willen niet dat wij bij elkaar zijn. Ze zullen alles doen wat binnen hun vermogen ligt om ons tegen te houden. Daarom is het voor mij niet veilig om hier te blijven.’

Ze knikte; haar ogen prikten. ‘Maar waarom ben ik hier dan?’

‘Omdat ik alles zal doen wat in mijn macht ligt om ervoor te zorgen dat jou niets overkomt, en dit is momenteel de beste plek voor jou. Ik hou van je, Luce. Meer dan van wie ook. Zodra het kan, kom ik bij je terug.’

Ze wilde bezwaar maken, maar ze hield het voor zich. Hij had voor haar alles opgegeven. Toen hij haar losliet uit zijn omhelzing, opende hij zijn hand. Daarop lag een rood dingetje dat begon te groeien. Haar weekendtas. Die had hij zonder dat zij het wist uit de achterbak gehaald en in zijn hand helemaal mee hiernaartoe genomen. Binnen een paar seconden had de tas weer zijn oude afmetingen terug. Als ze niet zo verdrietig was geweest over wat het betekende dat hij die weer aan haar teruggaf, had Luce het een fantastische truc gevonden.

In het gebouw ging één enkel licht aan. In de deuropening verscheen een silhouet.

‘Het is niet voor lang. Zodra alles veiliger is kom ik je halen.’

Hij sloeg zijn warme hand om haar pols en voor Luce het wist lag ze in zijn omhelzing, vlak bij zijn lippen. Ze liet verder alles van zich afglijden, ze liet haar hart overstromen. Ze mocht zich hun vorige levens dan niet kunnen herinneren, maar als Daniël haar kuste, voelde ze zich heel dicht bij het verleden. En dicht bij de toekomst.

De gestalte in de deuropening kwam naar haar toe gelopen; het was een vrouw in een korte witte jurk.

Luce was buiten adem van de kus van Daniël, die te zalig was om maar zo kort te duren – buiten adem, zoals ze altijd van hun kussen was.

‘Ga niet weg,’ fluisterde ze met dichte ogen. Het ging allemaal veel te snel. Ze kon Daniël niet opgeven. Nog niet. Ze dacht niet dat ze dat ooit zou kunnen.

Ze voelde de luchtstroom; die betekende dat hij al vertrokken was. Toen ze haar ogen opendeed en het laatste spoortje van zijn vleugels in een wolk, in de donkere nacht zag verdwijnen, vloog haar hart achter hem aan.