6 DERTIEN DAGEN
‘We zijn er,’ zong een luide stem de volgende ochtend vroeg voor Luce’ deur. ‘We zijn er, eindelijk!’
Er werd dringend geklopt. Luce wist niet hoe laat het was, behalve dan dat het veel te vroeg was voor al het gegiechel dat ze aan de andere kant van de deur hoorde.
‘Dat zijn jouw vrienden,’ riep Shelby vanaf het bovenste bed.
Luce kreunde en liet zich uit bed glijden. Ze keek omhoog naar Shelby, die op het bovenste bed op haar buik de zaterdagse kruiswoordpuzzel lag te doen, al helemaal gekleed in spijkerbroek en een bodywarmer.
‘Slaap jij ooit wel?’ mompelde Luce, terwijl ze de paarsgeruite badjas uit haar kast trok die haar moeder voor haar dertiende verjaardag voor haar had genaaid. Die paste ze nog steeds – min of meer.
Ze drukte haar gezicht tegen het kijkgaatje en zag de bolle glimlachende gezichten van Dawn en Jasmine. Ze waren uitgedost met kleurige sjaals en pluizige oorwarmers. Jasmine hield een houder met vier bekers koffie erin omhoog, terwijl Dawn, die een grote bruinpapieren zak in haar hand had, nog een keer aanklopte.
‘Jaag je ze nog weg of moet ik de campusbeveiliging bellen?’ vroeg Shelby.
Luce sloeg geen acht op haar, deed de deur met een zwaai open en de twee meisjes stormden in volle vaart de kamer binnen.
‘Hè hè.’ Jasmine lachte, gaf Luce een beker koffie en viel toen neer op het niet-opgemaakte onderste bed. ‘We hebben waanzinnig veel te bespreken.’
Dawn noch Jasmine was ooit eerder op haar kamer geweest, maar Luce vond het leuk dat ze meteen deden alsof ze thuis waren. Dat deed haar denken aan Penn, die de reservesleutel van Luce’ kamer had ‘geleend’, zodat ze binnen kon vallen zodra ze daar de behoefte toe voelde.
Luce keek omlaag naar haar koffie en slikte moeizaam. Het was uitgesloten dat ze ten overstaan van dit drietal haar emoties de vrije loop kon laten.
Dawn was in de badkamer en doorzocht de kastjes naast de wasbak. ‘Wij vinden dat jij als vast lid van het organisatiecomité vandaag ook mee moet doen met de welkomsttoespraak,’ zei ze, terwijl ze vol ongeloof naar Luce opkeek. ‘Hoe komt het dat je nog niet eens aangekleed bent? De boot vertrekt over – wat is het? – nog geen uur.’
Luce krabde zich over haar voorhoofd. ‘Help me even?’
‘Argh.’ Dawn kreunde dramatisch. ‘Amy Branshaw? Mijn maatje in het laboratorium? Wier vader zo’n giga zeiljacht heeft? Gaat er al een belletje bij je rinkelen?’
Toen herinnerde Luce het zich allemaal weer. Zaterdag. De boottocht langs de kust. Jasmine en Dawn hadden het vaag educatieve idee aan het evenementencomité van de Kustschool – ook wel bekend onder de naam Francesca – voorgelegd en er op de een of andere manier goedkeuring voor gekregen. Luce had gezegd dat ze zou helpen, maar ze had nog niks gedaan. Ze kon er nu alleen nog maar aan denken hoe Daniël had gekeken toen ze hem erover had verteld, aan hoe hij ogenblikkelijk het idee van de hand had gewezen dat Luce zich zou vermaken zonder dat hij erbij was.
Dawn doorzocht nu Luce’ kast. Ze trok er een jurk uit van auberginekleurige jersey met lange mouwen, gooide die Luce toe en joeg haar de badkamer in. ‘En vergeet niet er een legging onder aan te trekken. Het is koud op het water.’
Luce griste onderweg haar mobiele telefoon van de lader mee. De avond ervoor, nadat Cam haar had afgezet, had ze zich zo doodsbang en alleen gevoeld dat ze regel nummer één van meneer Cole had overtreden en Callie een sms’je had gestuurd. Als meneer Cole wist hoe vreselijk ze ernaar verlangde om iets van een vriendin te horen… was hij waarschijnlijk toch nog woedend op haar geweest. Nu was het te laat.
Ze opende haar inbox met sms-berichten en herinnerde zich hoe vreselijk haar vingers hadden gebeefd toen ze het leugenachtige tekstje had geschreven:
Eindelijk een mobiel gescoord! De ontvangst hapert, maar als het kan bel ik. Alles prima hier, maar ik mis je! Schrijf snel!
Geen woord van Callie.
Was ze ziek? Had ze het druk? Was ze de stad uit?
Negeerde ze Luce omdat Luce haar had genegeerd?
Luce wierp een blik in de spiegel. Ze zag eruit zoals ze zich voelde: klote. Maar ze had afgesproken dat ze Dawn en Jasmine zou helpen, dus trok ze de jersey jurk aan en zette haar blonde haar met een paar schuifspeldjes vast.
Tegen de tijd dat Luce de badkamer weer uit kwam, deed Shelby zich te goed aan het ontbijt dat de meisjes in de papieren zak hadden meegebracht. Het zag er inderdaad lekker uit: bladerdeegbroodjes met kersenjam, appelbeignets, muffins, kaneelbroodjes en drie verschillende soorten sap. Jasmine reikte haar een buitensporig grote muffin met haverzemelen aan en een kuipje roomkaas.
‘Voedsel voor je hersenen.’
‘Wat heeft dit te betekenen?’ Miles stak zijn hoofd om de deur, die op een kier stond. Luce kon zijn ogen niet zien onder de omlaag getrokken honkbalpet, maar zijn bruine haar wipte aan de zijkanten omhoog en aan de reusachtige kuiltjes in zijn wangen was te zien dat hij lachte. Dawn kreeg meteen een giechelaanval, louter en alleen omdat Miles zo’n schatje was en Dawn Dawn.
Maar Miles leek het niet te merken. Hij was bijna nog meer ontspannen en op zijn gemak in een groep heel meisjesachtige meisjes dan Luce zelf. Misschien had hij wel een hele zwik zusjes of zo. Hij was heel anders dan sommige andere kinderen op de Kustschool, wier coole houding een soort façade leek. Miles was oprecht, echt.
‘Heb jij geen vrienden van je eigen geslacht?’ vroeg Shelby, die deed alsof ze geërgerder was dan in werkelijkheid het geval was. Nu Luce haar kamergenootje een beetje beter leerde kennen, begon ze Shelby’s scherpe humor bijna charmant te vinden.
‘Tuurlijk wel.’ Miles was totaal niet onder de indruk en kwam gewoon de kamer binnen. ‘Mijn vrienden komen alleen nooit met een ontbijtje aanzetten.’ Hij haalde een reusachtig kaneelbroodje uit de zak en nam een grote hap. ‘Wat zie je er leuk uit, Luce,’ zei hij met zijn mond vol.
Luce bloosde, Dawn hield op met giechelen en Shelby kuchte in haar mouw: ‘Gênant!’
Zodra de luidspreker in de gang klonk, sprong Luce op. De anderen keken naar haar alsof ze niet goed bij haar hoofd was, maar Luce was nog steeds gewend aan de bestraffende mededelingen die op Zwaard & Kruis omgeroepen werden. Nu stroomde Francesca’s amberkleurige stem de kamer binnen:
‘Goedemorgen, Kustschool. Als jullie meegaan met de boottocht van vandaag: de bus naar de jachthaven vertrekt over tien minuten. Laten we bij de zuidingang verzamelen om de koppen te tellen. En vergeet vooral niet om wat warms aan te trekken!’
Miles pakte nog snel een broodje voor onderweg. Shelby deed gestippelde rubberlaarzen aan. Jasmine trok de band van haar roze oorwarmers wat strakker en haalde haar schouders naar Luce op. ‘Daar gaat onze plannenmakerij. We zullen de welkomsttoespraak moeten improviseren.’
‘Kom in de bus bij ons zitten,’ droeg Dawn haar op. ‘We organiseren het wel onderweg naar Noyo Point.’
Noyo Point. Luce moest zichzelf dwingen om een hap zemelmuffin door te slikken. Het gezicht van de Verschoppelinge, alsof ze nog leefde; de vreselijke rit terug naar school met Cam – Luce kreeg kippenvel bij de herinnering. Dat Cam haar had ingepeperd dat hij haar leven had gered maakte het er niet beter op. Meteen daarna had hij gezegd dat ze niet nog een keer van de campus af mocht gaan.
Wat een vreemde opmerking. Het leek bijna alsof Daniël en hij onder één hoedje speelden.
Luce ging op de rand van haar bed zitten om tijd te rekken. ‘Dus iedereen gaat mee?’
Ze had nog nooit eerder een belofte aan Daniël verbroken. Hoewel ze hem niet met zo veel woorden beloofd had dat ze niet met de zeilboot mee zou gaan. Ze vond het zo’n wreed verbod en zo’n vreselijke onzin dat ze de neiging had om het in de wind te slaan. Maar als ze instemde Daniëls regels te volgen, hoefde ze misschien niet nog een keer mee te maken dat er iemand werd gedood. Het kon ook zijn dat haar paranoia gewoon weer opspeelde. Ze was door middel van dat briefje met opzet van de campus af gelokt. Een schoolexcursie met een zeilboot was een heel ander verhaal. Het was nou ook weer niet zo dat de Verschoppelingen de boot bestuurden.
‘Natuurlijk gaat iedereen mee.’ Miles pakte Luce’ hand, trok haar overeind en duwde haar naar de deur. ‘Waarom niet?’
Dit was het moment waarop ze nog kon kiezen: Luce kon veilig op de campus blijven, zoals Daniël (en Cam) haar te verstaan had gegeven. Als een gevangene. Of ze kon naar buiten lopen en zichzelf bewijzen dat ze de baas over haar eigen leven was.
Een halfuur later keek Luce, samen met het halve leerlingenbestand van de Kustschool, naar een glanzend wit luxejacht van het merk Austal, van bijna 45 meter lang.
De lucht boven, op het terrein van de Kustschool, was helder geweest, maar hier beneden op het water van de jachthaven naast de werf hing nog een dun viltlaagje mist van de dag ervoor. Toen Francesca uit de bus stapte, mompelde ze: ‘Genoeg is genoeg,’ en stak haar handen in de lucht.
Toen duwde ze de mist letterlijk, en heel nonchalant alsof ze gordijnen voor een raam openschoof, met haar vingers uiteen, zodat er recht boven de glanzende boot een prachtig stuk helderblauwe lucht zichtbaar werd.
Ze deed het zo subtiel dat niemand van de niet-Nephilijnen of docenten het merkte en iedereen gewoon dacht dat de natuur zijn werk deed. Maar Luce keek met open mond toe en wist niet goed wat ze net had gezien, totdat Dawn heel zacht begon te applaudisseren.
‘Verbijsterend, zoals gebruikelijk.’
Francesca glimlachte flauwtjes. ‘Ja, dat is beter, hè?’
Er begonnen Luce allemaal kleine dingen op te vallen die het werk van een engel konden zijn. De rit met de gehuurde bus was veel soepeler verlopen dan die met de gewone openbare bus die ze de dag ervoor in de regen had gemaakt. De winkelpuien leken opgeknapt, alsof de hele stad een nieuwe verflaag had gekregen.
De leerlingen stelden zich op in een rij om aan boord van het zeiljacht te gaan, dat adembenemend was zoals heel dure dingen dat altijd zijn. Het gestroomlijnde profiel had de ronde belijning van een schelp, en alle drie de niveaus hadden een eigen breed wit dek. Vanaf de plek waar ze aan het voordek aan boord gingen kon Luce door de enorme ramen in drie weelderig gestoffeerde hutten naar binnen kijken. In het warme, verstilde zonlicht van de jachthaven leken Luce’ zorgen over Cam en de Verschoppelingen echt onzin. Ze voelde ze tot haar verbazing wegsmelten.
Ze liep achter Miles aan de hut binnen op de tweede verdieping van het jacht. De gewelfde wanden waren van een bedaagde taupekleur, met lange zwart-met-witte bankjes ertegenaan. Een stuk of vijf leerlingen had zich al op de gestoffeerde banken neergevlijd en zat al te snoepen van alle verschillende etenswaren die op de salontafels stonden uitgestald.
Aan de bar maakte Miles een blikje cola open, schonk de inhoud in twee plastic glazen en gaf er een aan Luce. ‘Dus de demon zegt tegen de engel: “Wou je mij een proces aandoen? En waar had je gedacht een advocaat vandaan te halen?”’ Hij stootte haar even aan. ‘Snap je ’m? Advocaten schijnen namelijk allemaal…’
De clou. Ze had met haar gedachten ergens anders gezeten en niet doorgehad dat Miles een mop vertelde. Ze dwong zichzelf te lachen, hard te lachen, en ze sloeg er zelfs bij op de bar. Miles keek opgelucht, zij het een klein beetje argwanend over haar overdreven reactie.
‘Wauw,’ zei Luce, en met een rotgevoel temperde ze haar neplach. ‘Wat een goeie.’
Links van hen zat Lilith, die Luce op haar eerste schooldag had leren kennen. Het lange roodharige meisje was een van een drieling. Ze wilde een hap tonijntartaar nemen, maar haar hand bleef halverwege haar mond hangen. ‘Wat is dat nou weer voor tamme halfwassen grap?’ Ze keek vooral boos naar Luce, met haar glanzende lippen opgetrokken, zodat je haar tanden kon zien. ‘Vond je dat nou echt grappig? Ben je ooit van je leven in de onderwereld geweest? Daar valt echt niet om te lachen, hoor. Van Miles kunnen we het verwachten, maar ik had toch echt gedacht dat jij een betere smaak zou hebben.’
Luce schrok zich dood. ‘Ik heb me niet gerealiseerd dat het een kwestie van smaak was,’ zei ze. ‘In dat geval sluit ik me zonder meer bij Miles aan.’
‘Sst.’ Plotseling lag op de schouder van Luce en op die van Lilith een gemanicuurde hand van Francesca. ‘Ik weet niet waar dit over gaat, maar onthoud dit goed: op dit schip zitten 73 niet-Nephilijnen. Het sleutelwoord van de dag luidt: “discretie”.’
Dat was wat Luce betrof nog wel een van de vreemdste aspecten van de Kustschool. Alle tijd die ze met de gewone leerlingen op de school doorbrachten en dan net deden alsof de dingen die in het Nephilijnen-chalet gebeurden helemaal niet bestonden. Luce wilde het nog steeds met Francesca over de Verkondigers hebben, om aan te kaarten wat ze eerder die week in het bos had gedaan.
Francesca schreed weg en Shelby kwam naast Luce en Miles staan. ‘Hoe discreet denk je dat ik het moet aanpakken als ik 73 niet-Nephilijnen op de wc voor straf met hun hoofd in de pot wil duwen en dan doortrekken?’
‘Wat een rotzak ben jij.’ Luce lachte, en toen Shelby haar een bord met antipasti toestak, moest ze nog een keer goed kijken. ‘Kijk jou nou eens vrijgevig zijn,’ zei Luce. ‘En jij noemt jezelf nog wel een enig kind.’
Toen Luce één olijf had gepakt, trok Shelby het bord alweer weg. ‘Nou, ik zou er maar niet aan wennen als ik jou was.’
Toen de motor onder hun voeten loeide, begonnen alle leerlingen op de boot te juichen. Luce vond deze momenten op de Kustschool altijd het leukst, als ze niet echt wist wie Nephilijn was en wie niet. Een rij meisjes trotseerde de kou buiten en lachte toen hun haren opwaaiden in de wind. Een paar jongens uit haar geschiedenisles deden een potje poker in een hoek van de grote salon. Aan dat tafeltje had Luce ook Roland verwacht, maar die schitterde door afwezigheid.
Jasmine stond bij de bar foto’s van het hele tafereel te nemen, en Dawn gebaarde naar Luce en deed net alsof ze met een pen en papier in de lucht schreef om aan te geven dat ze hun toespraak nog moesten schrijven. Luce wilde net naar hen toe lopen toen ze uit haar ooghoek Steven buiten zag staan.
Hij stond alleen, in een lange zwarte trenchcoat, tegen de reling geleund, met een gleufhoed op zijn peper-en-zoutkleurige haar. Het maakte haar nog steeds zenuwachtig als ze bedacht dat hij een demon was, vooral omdat ze hem echt aardig vond – althans, voor zover ze hem kende. Zijn relatie met Francesca vond ze al helemáál verwarrend. Ze vormden een hechte eenheid. Het deed haar eraan denken dat Cam de avond ervoor had gezegd dat Daniël en hij eigenlijk niet eens zo erg van elkaar verschilden. Die vergelijking zat haar nog steeds niet lekker. Ze schoof de deur van getint glas open en liep het dek op.
Het enige wat ze aan de westkant van het jacht zag was het eindeloze blauw op blauw van de oceaan en de heldere lucht. Het water was kalm, maar langszij woei een stevige wind. Luce moest zich aan de zijkanten van de boot vasthouden. Terwijl ze op Steven af liep, schermde ze haar ogen af met haar hand. Francesca was in geen velden of wegen te bekennen.
‘Hallo, Luce.’ Toen ze bij de reling was, glimlachte Steven naar haar en nam zijn hoed af. Zijn gezicht was bruin voor november. ‘Hoe gaat het?’
‘Dat is nogal een vraag,’ zei ze.
‘Werd het je deze week allemaal een beetje te veel? Was je niet erg van streek door onze demonstratie met de Verkondiger? Weet je,’ zei hij terwijl hij zijn stem liet dalen, ‘die les hebben we nog nooit eerder gegeven.’
‘Ik, van streek? Nee hoor, ik vond het geweldig,’ zei Luce snel. ‘Ik bedoel, het was wel moeilijk om naar te kijken, maar ook fascinerend. Ik wil het er aldoor nog eens met iemand over hebben…’ Nu Stevens ogen op haar rustten, moest ze denken aan het gesprek van haar twee docenten met Roland, dat ze had afgeluisterd. Dat Steven, en niet Francesca, er meer voor had gevoeld om de Verkondigers in het lesprogramma op te nemen. ‘Ik wil alles over ze weten.’
‘Alles?’ Steven hield zijn hoofd schuin en ving de volle zon op zijn toch al goudkleurige huid. ‘Dat kan wel een tijdje duren. Er zijn miljarden Verkondigers, voor bijna elk moment in de geschiedenis één. Een eindeloze hoeveelheid. De meesten van ons weten niet eens waar ze moeten beginnen.’
‘Hebben jullie het er daarom nooit eerder in de les over gehad?’
‘Het is een controversieel onderwerp,’ zei Steven. ‘Sommige engelen zijn van mening dat de Verkondigers geen enkele waarde hebben. Of dat de slechte dingen die ze vaak verkondigen zwaarder wegen dan de goede. Advocaten zoals ik noemen ze historische kruimeldieven, te geobsedeerd door het verleden om nog oog te hebben voor de zonden van het heden.’
‘Maar dan is het net alsof ze zeggen… dat het verleden geen enkele waarde heeft.’
Als dat waar was, zou dat betekenen dat alle vorige levens van Luce nergens goed voor waren, dat haar verleden met Daniël ook waardeloos was. Dan kon ze alleen nog afgaan op wat ze uit dit leven over Daniël wist. Was dat wel genoeg?
Nee, dat was niet genoeg.
Ze moest geloven dat wat zij voor Daniël voelde meer te betekenen had: een waardevol, weggeborgen verleden dat wel meer om het lijf had dan alleen een paar avonden van gelukzalig zoenen en nog een paar avonden van ruziemaken. Want als het verleden geen waarde had, was dat het enige wat zij samen hadden.
‘Aan je gezicht te oordelen,’ zei Steven, ‘heb ik nog iemand voor mijn standpunt gewonnen.’
‘Ik hoop niet dat je Luce die duivelse onzin van je staat aan te praten.’ Francesca stond achter hen. Ze had haar handen in haar zij en fronste haar wenkbrauwen. Pas toen ze begon te lachen had Luce door dat ze maar een grapje maakte.
‘We hadden het over de schaduwen… ik bedoel, over de Verkondigers,’ zei Luce. ‘Steven vertelt net dat hij denkt dat er wel miljarden van zijn.’
‘Steven denkt ook dat hij geen loodgieter hoeft te laten komen als de wc verstopt is.’ Francesca glimlachte hartelijk, maar er klonk iets door in haar stem waardoor Luce zich ongemakkelijk voelde, alsof ze haar mond voorbij had gepraat. ‘Wil je getuige zijn van nog meer ijzingwekkende taferelen, zoals het voorval dat we laatst in de les hebben bestudeerd?’
‘Nee, dat bedoelde ik helemaal niet…’
‘Het is niet voor niets dat sommige dingen het best aan deskundigen kunnen worden overgelaten.’ Francesca keek naar Steven. ‘Ik ben bang dat, net als een verstopte wc, de Verkondigers als venster naar het verleden daar ook bij horen.’
‘We begrijpen natuurlijk best waarom uitgerekend jij erin geïnteresseerd bent,’ zei Steven, en daarmee had hij meteen Luce’ volledige aandacht.
Dus Steven wist het. Van haar vorige levens.
‘Maar je moet goed begrijpen,’ ging Francesca verder, ‘dat het, als je niet de juiste training hebt, heel gevaarlijk is om schaduwen te zien. Als je erin geïnteresseerd bent zijn er universiteiten, strenge academische lesprogramma’s zelfs, waar ik het te zijner tijd met alle plezier eens met je over wil hebben. Maar voorlopig moet je ons vergeven dat we de fout hebben begaan om een schoolklas voortijdig kennis te laten maken met de Verkondigers, en verder moet je het onderwerp maar laten rusten.’
Luce voelde zich vreemd en kwetsbaar. Ze keken haar nu allebei aan.
Ze boog zich een beetje over de reling en zag op het grote dek onder zich een paar van haar vrienden. Miles hield een verrekijker voor zijn ogen en probeerde Shelby iets aan te wijzen, die haar reusachtige Rayban op had en hem straal negeerde. Dawn en Jasmine zaten op een uitstekende rand in het achterschip, samen met Amy Branshaw. Ze zaten over een map gebogen en maakten haastig aantekeningen.
‘Ik moet met de welkomsttoespraak helpen,’ zei Luce, en ze liep bij Francesca en Steven weg. Ze voelde hun ogen in haar rug, helemaal tot beneden aan de wenteltrap toe. Luce liep het grote dek op, dook onder een rij opgerolde zeilen en wurmde zich langs een groepje niet-Nephilijnen dat in een verveeld kringetje om meneer Kramer heen stond, de bonestakerige biologieleraar. Die stond iets te vertellen over het kwetsbare ecosysteem dat ze recht onder hun voeten hadden, of iets in die trant.
‘Ha, daar ben je!’ Jasmine trok Luce in hun groepsoverleg. ‘We hebben eindelijk een plan dat een beetje vorm begint te krijgen.’
‘Mooi. Wat kan ik doen?’
‘Om twaalf uur gaan we die bel daar luiden.’ Dawn wees op een gigantische koperen bel die met een katrol aan een witte balk bij de boeg hing. ‘Vervolgens heet ik iedereen van harte welkom. Amy houdt een praatje over hoe deze excursie tot stand is gekomen en Jas over de sociale evenementen van het komende semester. We hebben alleen nog iemand nodig die iets milieuvriendelijks zegt.’ Alle drie de meisjes keken naar Luce.
‘Is dit een hybridejacht of zo?’ vroeg Luce.
Amy haalde haar schouders op en schudde haar hoofd.
Dawns gezicht klaarde op; ze had blijkbaar iets bedacht. ‘Je zou iets kunnen zeggen over dat we door op deze boot te zitten allemaal groener zijn, omdat degene die dicht bij de natuur leeft ook zorgvuldiger met de natuur omgaat?’
‘Ben je goed in gedichten schrijven?’ vroeg Jasmine. ‘Zou je er bijvoorbeeld iets leuks van kunnen maken?’
Luce wilde met de echte verantwoordelijkheden niets te maken hebben, dus wilde ze zich voor de rest coöperatief opstellen. ‘Milieubewuste gedichten,’ zei ze, en ze bedacht dat ze maar in één ding nog slechter was dan in dichtkunst en zeebiologie, en dat was in spreken in het openbaar. ‘Tuurlijk, dat moet wel lukken.’
‘Oké, pfft!’ Dawn veegde haar voorhoofd af. ‘Ik zal je even bijpraten over mijn visie.’ Ze sprong op de rand waar ze gezeten had en begon op haar vingers een lijst dingen op te sommen.
Luce wist dat ze eigenlijk moest opletten wat Dawn allemaal voorstelde (‘Zou het niet om te gillen zijn als we in een rij van groot naar klein gingen staan?’), vooral aangezien er van haar werd verwacht dat ze over heel korte tijd ten overstaan van honderd klasgenoten iets intelligents – en rijmends – zou zeggen over het milieu. Maar haar gedachten werden nog steeds vertroebeld door dat vreemde gesprek met Francesca en Steven.
Laat de Verkondigers over aan de deskundigen. Als Steven gelijk had en er echt voor elk moment in de geschiedenis een Verkondiger bestond, nou, dan had hij net zo goed tegen haar kunnen zeggen dat ze het hele verleden aan de deskundigen moest overlaten. Luce wilde helemaal niet beweren dat ze deskundig was op het gebied van Sodom en Gomorrah, nee, het ging haar alleen maar om haar eigen verleden – om dat van Daniël en haar. En als iemand daar deskundig in wilde zijn, vond Luce toch dat zíj dat moest zijn.
Maar Steven had het zelf gezegd: er waren miljarden schaduwen actief. Het was praktisch onmogelijk om de schaduwen die iets met Daniël en haar te maken hadden zelfs maar te lokaliseren – laat staan dat ze wist wat ze ermee moest doen als ze de juiste schaduwen ooit zou kunnen vinden.
Ze keek omhoog naar het dek een verdieping hoger. Ze kon alleen de bovenkant van de hoofden van Francesca en Steven zien. Als Luce haar fantasie de vrije loop liet, kon ze een heel pittig gesprek tussen hen verzinnen. Over Luce. En over de Verkondigers. Waarschijnlijk waren ze het er wel over eens dat ze daar nooit meer met haar over moesten beginnen.
Ze wist vrijwel zeker dat ze, wat haar vorige levens betrof, het in haar eentje moest uitzoeken.
Ho eens even.
De eerste lesdag. Tijdens dat spel om het ijs te breken. Toen had Shelby gezegd…
Luce kwam overeind en vergat compleet dat ze midden in een vergadering zat. Ze liep het dek al over toen achter haar een doordringende gil klonk.
Luce draaide zich als gestoken naar het geluid om en zag nog net een flits van iets zwarts van de boeg van de boot af duiken.
Een tel later was het weg.
Toen een plons.
‘O god!’ Jasmine en Amy hingen half over de boeg en keken omlaag naar het water. Ze schreeuwden het allebei uit.
‘Ik pak de reddingsboot!’ riep Amy, en ze rende naar binnen.
Luce sprong naast Jasmine op de rand, keek en slaakte een kreet om wat ze zag. Dawn was overboord gevallen en lag in het water te spartelen. Aanvankelijk zagen ze alleen haar donkere haar en maaiende armen, maar toen keek ze omhoog en zag Luce de doodsangst op haar witte gezicht.
Een vreselijke seconde later sloeg een grote golf over Dawns tengere lichaam heen. De boot voer nog steeds en raakte verder bij haar vandaan. De meisjes stonden te trillen op hun benen en wachtten tot ze weer bovenkwam.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Steven op strenge toon. Hij stond plotseling naast hen. Francesca maakte een reddingsboei uit de riemen onder de boeg los.
Jasmines lip trilde. ‘Ze probeerde de bel te luiden om aandacht te vragen voor de toespraak. Ze b-b-boog maar een heel klein beetje naar achteren. Ik begrijp niet hoe ze haar evenwicht heeft kunnen verliezen.’
Luce wierp nog maar eens een pijnlijke blik over de boeg van het schip. Het was een val van wel iets van tien meter naar het ijskoude water. Dawn was nergens te bekennen. ‘Waar is ze?’ riep Luce. ‘Kan ze zwemmen?’
Zonder op antwoord te wachten trok ze Francesca de reddingsboei uit haar handen, stak er een arm doorheen en klom boven op de boeg.
‘Luce, niet doen!’
Ze hoorde wel iemand achter zich schreeuwen, maar het was al te laat. Ze dook het water in, hield haar adem in en dacht onderweg naar beneden aan Daniël, aan hun laatste duik in het meer.
Ze voelde de kou eerst in haar ribbenkast – een gemene verstrakking rond haar longen, door de schok van de temperatuur. Ze wachtte tot haar neerwaartse vaart vertraagde, en trappelde toen naar de oppervlakte. De golven sloegen over haar hoofd, spogen zout in haar mond en omhoog haar neus in, maar ze hield de reddingsboei stevig vast. Het was een onhandig ding om mee te zwemmen, maar als ze Dawn vond – wanneer ze Dawn vond – zouden ze hem allebei nodig hebben om te blijven drijven in afwachting van de reddingsboot.
Ze merkte wel vaag dat er op het jacht kabaal werd gemaakt, dat mensen schreeuwden, over het dek heen en weer renden en naar haar riepen. Maar als Luce iets voor Dawn wilde betekenen, moest ze zich voor dat alles afsluiten.
Luce dacht dat ze de donkere stip van Dawns hoofd in het ijskoude water zag. Ze schoot naar voren, tegen de golven in, ernaartoe. Haar voet raakte iets – een hand? – maar toen was dat weer weg en wist ze niet zeker of het Dawn eigenlijk wel was geweest.
Luce kon niet onder water gaan terwijl ze de reddingsboei vasthield, en ze had het akelige vermoeden dat Dawn zich al veel dieper bevond. Ze wist dat ze de reddingsboei niet mocht loslaten. Maar als ze dat niet deed, kon ze Dawn niet redden.
Luce duwde de reddingsboei opzij, zoog haar longen vol lucht en dook toen diep onder water. Ze zwom zo hard ze kon, tot de oppervlaktewarmte verdween en het water zo koud werd dat het pijn deed. Ze zag geen hand voor ogen en graaide maar wat in de hoop bij Dawn te zijn voor het te laat was.
Luce voelde Dawns haar als eerste, de dunne bos korte donkere lokken. Ze tastte met haar hand verder naar omlaag, voelde de wang van haar vriendin, toen haar hals, toen haar schouder. Dawn was in korte tijd tot behoorlijk diep gezonken. Luce stak haar armen onder Dawns oksels en gebruikte toen al haar kracht om haar omhoog te trekken, waarbij ze zo hard ze kon naar de oppervlakte trappelde.
Ze waren ver onder water; het daglicht glinsterde in de verte.
En Dawn voelde veel zwaarder aan dan ze in werkelijkheid kon zijn, alsof er een enorm gewicht aan haar vastzat dat hen allebei naar omlaag trok.
Eindelijk kwam Luce boven. Dawn proestte, spoog water uit en hoestte. Haar ogen waren rood en haar haar zat op haar voorhoofd geklit. Met één arm over Dawns borst peddelde Luce rustig naar de reddingsboei toe.
‘Luce,’ fluisterde Dawn. Door de brekende golven verstond Luce haar niet, maar ze kon wel haar lippen lezen. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Ik weet het niet.’ Luce schudde haar hoofd en deed haar best om hen allebei drijvende te houden.
‘Zwem naar de reddingsboot!’ klonk er achter hen. Maar het was uitgesloten dat ze waar dan ook naartoe zwommen. Ze konden amper hun hoofd boven water houden.
De bemanning liet een opblaasbare reddingsboot in het water zakken. Steven zat erin. Zodra de boot het water raakte, begon hij kordaat naar hen toe te peddelen. Luce deed haar ogen dicht en liet de tastbare opluchting met de volgende golf over zich heen spoelen. Als ze het nog even wist vol te houden, waren ze gered.
‘Pak mijn hand!’ riep Steven tegen de meisjes. Luce’ benen voelden alsof ze net een uur had gezwommen. Ze duwde Dawn naar hem toe, zodat zij als eerste uit het water kon worden gehaald.
Steven had alleen zijn broek en witte overhemd nog aan, en de rest van zijn kleren uitgetrokken. Het overhemd was nat en plakte tegen zijn borst. Hij stak zijn enorme gespierde armen naar Dawn uit. Zijn gezicht zag rood van de inspanning. Hij kreunde en hees haar omhoog. Toen Dawn over het dolboord heen lag, zo ver dat ze niet meer terug het water in zou vallen, draaide Steven zich om en pakte snel Luce bij haar armen beet.
Ze voelde zich gewichtloos, bijna alsof ze met zijn hulp zo het water uit zweefde. Pas toen ze haar lichaam verder de boot in voelde glijden, realiseerde ze zich hoe door- en doornat ze was en hoe koud ze het had.
Behalve op de plek waar Stevens vingers hadden gelegen.
Daar sloeg de damp van de waterdruppels op haar huid af.
Ze ging zitten en hielp Steven om de rillende Dawn verder de reddingsboot in te krijgen. Dawn was uitgeput en kon zichzelf bijna niet omhoog werken. Luce en Steven moesten allebei een arm vastpakken en aan haar sjorren. Ze was bijna helemaal in de boot toen Luce plotseling een ruk voelde, waardoor Dawn weer het water in werd getrokken.
Dawns donkere ogen puilden uit en krijsend gleed ze terug. Luce was er niet op bedacht: Dawn gleed uit haar natte handen en Luce viel achteruit tegen de rand van de reddingsboot.
‘Hou vol!’ Steven wist Dawn nog net op tijd bij haar middel te pakken. Hij stond op, waardoor de boot bijna kapseisde. Toen hij zich uitrekte om Dawn uit het water te tillen, zag Luce heel even iets van goud uit zijn rug steken.
Zijn vleugels.
Die waren ogenblikkelijk, precies op het moment waarop Steven de meeste kracht nodig had, naar buiten geschoten – het leek bijna wel alsof dat tegen zijn wil in gebeurde. Ze glansden en hadden de kleur van het kostbare soort sieraden die Luce alleen nog maar achter glazen vitrines in warenhuizen had gezien. Ze leken totaal niet op de vleugels van Daniël. Die van Daniël waren warm en uitnodigend, beeldschoon en sexy; die van Steven waren rauw en intimiderend, kartelig en angstaanjagend.
Steven kreunde, de spieren in zijn armen spanden zich en zijn vleugels sloegen slechts één keer, waardoor hij net genoeg opwaartse vaart kreeg om Dawn vliegend uit het water te tillen.
De vleugels veroorzaakten wel zo veel wind dat Luce tegen de andere kant van de reddingsboot platgedrukt werd. Zodra Dawn in veiligheid was, kwam Steven weer met zijn voeten op de bodem van de boot. Zijn vleugels gleden ogenblikkelijk terug in zijn huid. Ze lieten in het rugpand van zijn nette overhemd twee scheurtjes achter – het enige bewijs dat wat Luce gezien had ook echt was gebeurd. Zijn gezicht zag bleek en zijn handen beefden.
Ze zakten alle drie in de reddingsboot in elkaar. Dawn had niets gemerkt en Luce vroeg zich af of iemand vanaf het jacht iets had gezien. Steven keek naar Luce alsof zij hem zojuist in zijn blootje had gezien. Ze wilde zeggen dat ze zich doodgeschrokken was toen ze zijn vleugels zag, dat ze tot op heden niet had geweten dat zelfs de duistere gevallen engelen zo adembenemend konden zijn.
Ze bekeek Dawn eens goed; ze verwachtte wel ergens op haar huid bloed te zien. Het was echt net alsof iets haar in zijn kaken had genomen. Maar er viel geen enkele verwonding te bekennen.
‘Gaat het?’ fluisterde Luce toen maar.
Dawn schudde haar hoofd, waardoor er waterdruppeltjes van haar haar vlogen. ‘Ik kan zwemmen, Luce. Ik kan heel goed zwemmen. Iets heeft me… iets…’
‘Zit daar nog steeds,’ maakte Steven de zin voor haar af, en hij pakte de roeispaan en bracht hen terug naar het zeiljacht.
‘Wat was het volgens jou?’ vroeg Luce. ‘Een haai of…’
Dawn rilde. ‘Handen.’
‘Handen?’
‘Luce!’ riep Steven kortaf.
Ze draaide zich naar hem om. Hij leek nu een heel ander wezen dan degene met wie ze een paar minuten geleden nog op het dek had staan praten. Er lag een hardheid in zijn ogen die ze nog nooit eerder bij hem had gezien.
‘Wat jij vandaag hebt gedaan was heel…’ Hij zweeg. Zijn drijfnatte gezicht stond woest. Luce hield haar adem in en wachtte op wat komen ging. Roekeloos. Stom. Gevaarlijk. ‘Heel moedig,’ zei hij toen, en zijn wangen en voorhoofd ontspanden zich en kregen weer hun oude uitdrukking.
Luce zuchtte opgelucht, maar het kostte haar moeite om zelfs maar ‘dank je wel’ te zeggen. Ze kon haar ogen niet van Dawns trillende benen afhouden. En van de smalle rode striemen die rond haar enkels kwamen opzetten. Striemen die eruitzagen alsof ze door vingers waren veroorzaakt.
‘Jullie zijn vast bang,’ zei Steven rustig. ‘Maar er is geen reden om de hele school in een toestand van algehele hysterie te brengen. Ik praat wel even met Francesca. Vooralsnog spreek ik met jullie af: geen woord hierover tegen wie dan ook. Dawn?’
Het meisje knikte; ze keek doodsbang uit haar ogen.
‘Luce?’
Haar gezicht vertrok zenuwachtig. Ze wist niet of ze dit geheim wel kon bewaren. Dawn was bijna dood geweest.
‘Luce.’ Steven greep haar bij haar schouder, zette zijn hoekige bril af en keek Luce met zijn donkerbruine ogen recht in haar lichtbruine. Toen de reddingsboot omhoog werd getakeld naar het grote dek, waar de rest van de school stond te wachten, voelde ze zijn adem warm in haar oor. ‘Geen woord. Tegen niemand. Het is voor je eigen bestwil.’