11 ACHT DAGEN
‘Wacht even.’ Callies stem bulderde door de telefoon. ‘Ik moet mezelf even knijpen, hoor, anders geloof ik het niet…’
‘Je droomt niet,’ zei Luce in haar geleende mobieltje. De ontvangst haperde een beetje vanaf de plek waar zij stond, aan de rand van het bos, maar Callies sarcasme kwam luid en duidelijk door. ‘Ik ben het echt. Sorry dat ik zo’n slechte vriendin ben geweest.’
Het was donderdagavond na het eten en Luce stond tegen de grote stam van een sequoia achter haar kamer geleund. Links van haar lag een glooiende heuvel met daarachter het klif, en daar weer achter de oceaan. Er hing nog een beetje amberkleurig licht in de lucht boven het water. Haar nieuwe vrienden waren vast allemaal in het chalet marshmallows met chocola aan het maken en zaten elkaar ongetwijfeld rond de haard demonenverhalen te vertellen. Het was een loungeavond van Dawn en Jasmine, onderdeel van de avondjes voor Nephilijnen die Luce eigenlijk ook mede georganiseerd had, maar het enige wat ze gedaan had was een paar zakken marshmallows en wat pure chocola in de kantine ophalen.
Daarna was ze ertussenuit gepiept, naar de schaduwrijke bosrand, om iedereen van de Kustschool te ontlopen en weer even contact te leggen met andere belangrijke dingen.
Daar waren bijvoorbeeld: haar ouders, Callie, de Verkondigers.
Ze had tot die avond gewacht met naar huis bellen. Op donderdagavond was haar moeder altijd bij de buren om mahjong te spelen en was haar vader naar de buurtbioscoop, waar een gelijktijdige uitzending van de opera in Atlanta vertoond werd. Ze kon hun stemmen op het meer dan tien jaar oude antwoordapparaat wel aan en ze slaagde er ook nog wel in om een bericht van dertig seconden in te spreken, waarin ze vertelde dat ze heel erg haar best deed om van meneer Cole toestemming te krijgen om voor Thanksgiving naar huis te gaan, en dat ze heel erg van hen hield.
Bij Callie kwam ze niet zo gemakkelijk weg.
‘Ik dacht dat je alleen op woensdag mocht bellen,’ zei Callie. Luce was het strenge telefoonbeleid van Zwaard & Kruis vergeten. ‘In het begin maakte ik helemaal geen plannen meer voor de woensdag en wachtte ik de hele tijd op jouw telefoontje,’ ging Callie verder. ‘Maar na een poosje heb ik het min of meer opgegeven. Hoe kom jij trouwens aan een mobiele telefoon?’
‘Was dat alles?’ vroeg Luce. ‘Hoe ik aan een mobiele telefoon ben gekomen? Ben je niet boos op me?’
Callie slaakte een lange zucht. ‘Kijk, ik heb overwogen om boos op je te worden. Ik heb zelfs een hele ruzie geoefend. Maar dan eindigen we allebei als verliezer.’ Ze zweeg even. ‘En ik mis je gewoon, Luce. Dus ik dacht: waarom zou ik mijn tijd daaraan verspillen?’
‘Dank je wel,’ fluisterde Luce, die bijna in tranen was – tranen van geluk. ‘Nou, hoe gaat het daar bij jou?’
‘Uh-uh. Ik heb de leiding in dit gesprek. Dat is jouw straf omdat je geheel uit beeld bent verdwenen. En ik wil weten wat er met die jongen aan de hand is? Die jongen wiens naam volgens mij met een C begon?’
‘Cam.’ Luce kreunde. Was Cam de laatste jongen over wie ze Callie had verteld? ‘Die bleek toch niet… het soort jongen te zijn als ik had gedacht.’ Ze zweeg even. ‘Ik ga nu met iemand anders, en het is echt heel…’ Ze dacht aan Daniëls stralende gezicht, aan hoe dat tijdens hun laatste ontmoeting voor haar raam heel plotseling was betrokken.
Toen dacht ze aan Miles. De hartelijke, betrouwbare, charmante doe-maar-gewoon-Miles, die haar had uitgenodigd om bij zijn ouders thuis Thanksgiving te komen vieren. Die nu in de kantine augurkjes op zijn hamburger bestelde, ook al vond hij die helemaal niet lekker, alleen maar omdat hij ze er dan af kon halen en aan Luce kon geven. Die zijn hoofd schuin hield als hij lachte, zodat ze de fonkeling in zijn door zijn Dodgers-pet overschaduwde ogen kon zien.
‘Het gaat goed,’ zei ze toen maar. ‘We zien elkaar vaak.’
‘Ooo, je gaat van de ene tuchtschooljongen naar de andere. Als in een droom, hè? Maar deze klinkt wel serieus, dat hoor ik aan je stem. Gaan jullie samen Thanksgiving vieren? Neem je hem mee naar huis, zodat hij de toorn van Harry kan meemaken? Haha!’
‘Eh… ja, waarschijnlijk wel,’ mompelde Luce. Ze wist niet goed of ze het nu over Daniël of over Miles had.
‘Mijn ouders willen dat weekend per se in Detroit een soort grote familiereünie houden,’ zei Callie, ‘en die ga ik boycotten. Ik wilde bij je langskomen, maar ik dacht dat je wel in dat tuchtoord opgesloten zou zitten.’ Ze zweeg, en Luce zag al helemaal voor zich hoe Callie op Dover in haar kamer met opgetrokken benen op haar bed zat. Het leek wel een eeuwigheid geleden dat Luce zelf op die school had gezeten. Wat was er in de tussentijd veel veranderd! ‘Maar als jij naar huis gaat en een jongen van die tuchtschool meeneemt, ben ik van de partij.’
‘Oké, maar Callie…’
Luce werd onderbroken door een gil. ‘Dus dat is afgesproken? Stel je eens voor: over een week zitten we lekker bij jou op de bank bij te kletsen! Dan maak ik mijn beroemde popcorn, om de saaie diavoorstellingen van je vader door te komen. En dan wordt jullie gestoorde poedel weer helemaal wild…’
Luce was nog nooit in het voorname herenhuis waar Callie in Philadelphia woonde geweest, en Callie nog nooit in Luce’ ouderlijk huis in Georgia. Ze hadden er allebei alleen foto’s van gezien. Dat Callie op bezoek zou komen klonk echt helemaal perfect, precies wat Luce op dit moment nodig had. Maar het klonk ook als iets wat volslagen onmogelijk was.
‘Ik ga nu meteen kijken of er een vlucht is.’
‘Callie…’
‘Ik mail je nog wel, oké?’ En voor Luce zelfs maar kon reageren, had Callie al opgehangen.
Dit was foute boel. Luce klikte het telefoontje dicht. Ze zou niet het gevoel moeten hebben dat Callie zich opdrong door zichzelf voor Thanksgiving uit te nodigen. Ze zou dolblij moeten zijn dat haar vriendin haar nog steeds wilde zien. Maar ze voelde zich alleen maar hulpeloos en schuldig dat ze deze stomme cyclus van leugens liet voortduren. En ze had heimwee.
Kon ze eigenlijk nog wel gewoon normaal en gelukkig zijn? Wat was er in hemelsnaam voor nodig om te zorgen dat Luce net zo tevreden over haar leven was als Miles bijvoorbeeld leek te zijn? Haar gedachten bleven maar rond Daniël cirkelen. En ze wist het antwoord al: de enige manier waarop ze ooit weer zorgeloos kon zijn, was als ze Daniël nooit had ontmoet. Als ze nooit had geweten wat ware liefde was.
Er ritselde iets in de boomtoppen. Ze voelde een ijskoude wind op haar huid. Ze had zich niet specifiek op een Verkondiger geconcentreerd, maar ze realiseerde zich dat ze er – precies zoals Steven haar had voorgehouden – met haar verlangen naar antwoorden een moest hebben opgeroepen.
Nee, niet één.
Ze rilde en keek omhoog naar de wirwar van takken. Honderden heimelijke, duistere, stinkende schaduwen.
Ze stroomden in de hoge takken van de sequoia’s boven haar hoofd samen. Alsof iemand in de wolken een reusachtige pot zwarte inkt had omgegooid, die zich nu door de lucht verspreidde en in het bladerdak van de bomen omlaag droop. De ene tak ging daardoor over in de andere, totdat het bos één grote zwarte vlek was. Aanvankelijk was met geen mogelijkheid te zeggen waar de ene schaduw ophield en de volgende begon, en welke schaduw echt een schaduw was en welke een Verkondiger.
Maar ze begonnen al snel van vorm te veranderen en maakten zich kenbaar – aanvankelijk heel sluw, alsof ze heel onschuldig door de schemering rond bewogen, maar later brutaler. Ze maakten zich los van de takken waarop ze gezeten hadden en persten hun ranken van duisternis verder, steeds verder naar omlaag, tot heel dicht bij Luce’ hoofd. Wenkten ze haar of bedreigden ze haar? Ze vermande zich, maar kwam niet meer op adem. Het waren er te veel. Het was te erg. Ze hapte naar lucht en probeerde niet in paniek te raken, maar ze wist dat het al te laat was.
Ze zette het op een lopen.
Ze rende eerst in zuidelijke richting, terug naar haar kamer. Maar de rondtollende zwarte afgrond in de boomtoppen bewoog gewoon sissend door de lagere takken van de sequoia’s met haar mee en kwam steeds dichterbij. Ze voelde de ijzige speldenprikken van hun aanraking op haar schouders. Toen ze naar haar graaiden, gilde ze het uit en sloeg ze met haar blote handen weg.
Ze veranderde van richting, draaide zich om en ging de heel andere kant op, in de richting van het Nephilijnen-chalet in het noorden. Daar vond ze Miles of Shelby vast wel, of anders Francesca. Maar de Verkondigers lieten haar niet met rust. Ze glibberden meteen voor haar uit, zwollen voor haar op, slokten het licht op en blokkeerden het pad naar het chalet. Hun gesis overstemde het geroezemoes van rond het kampvuur van de Nephilijnen in de verte, waardoor Luce’ vrienden onbereikbaar ver weg leken.
Luce dwong zichzelf te blijven staan en diep adem te halen. Ze wist meer over de Verkondigers dan ooit tevoren. Ze zou er minder bang voor moeten zijn. Wat bezielde haar dan? Misschien wist ze dat ze dichter bij iets kwam, bij een herinnering of bij informatie die de loop van haar leven kon veranderen. En haar relatie met Daniël. Het punt was dat ze niet alleen maar doodsbang voor de Verkondigers was, nee, ze was doodsbang voor wat ze binnen in hen te zien kon krijgen.
Of te horen.
De opmerking van Steven over dat ze het lawaai van de Verkondigers kon buitensluiten, was de dag ervoor eindelijk op zijn plaats gevallen: ze kon met haar vorige levens meeluisteren. Ze kon zich door de ruis heen concentreren op wat ze wilde weten. Wat ze móést weten. Steven had haar vast met opzet deze aanwijzing gegeven, moest geweten hebben dat ze naar hem zou luisteren en deze nieuwe kennis rechtstreeks op de Verkondigers zou toepassen.
Ze draaide zich om en liep terug naar de donkere verlatenheid van de bomen. De zoevende geluiden van de Verkondigers werden zachter en kwamen tot bedaren.
Ze werd opgeslokt door de duisternis onder de takken en door de koude en turfachtige geur van rottende bladeren. De Verkondigers slopen in het schemerlicht naar voren en posteerden zich in het halfduister rondom haar, waarbij ze zich weer tussen de natuurlijke schaduwen camoufleerden. Sommige bewogen snel en stram, als soldaten, andere beschikten over een behendige elegantie. Luce vroeg zich af of hun uiterlijk voorkomen iets zei over de boodschap die ze in zich droegen.
De Verkondigers waren voor haar gevoel nog grotendeels ondoordringbaar. Ze juist afstellen was geen kwestie van intuïtie, zoals wanneer je aan de knop van een oude radio draaide. Wat ze de dag ervoor had gehoord – die ene stem te midden van het algehele stemmenkabaal – was puur toeval geweest.
Het verleden had haar vroeger misschien onpeilbaar geleken, maar ze voelde dat wel tegen de donkere vlakken dringen, klaar om naar het licht door te breken. Ze sloot haar ogen en vormde een kommetje van haar handen. Terwijl ze daar zo met bonkend hart in het donker stond, verzocht ze ze om tevoorschijn te komen. Ze deed een beroep op die ijskoude donkere dingen en vroeg hun haar verleden vrij te geven, licht te werpen op de geschiedenis van Daniël en haar. Ze verzocht hun het raadsel op te lossen van wie hij was en waarom hij haar gekozen had.
Zelfs als de waarheid haar hart zou breken.
Er schalde een volle vrouwelijke lach door het bos. Een lach die zo helder en rijk was dat het net was of Luce erdoor werd omringd, alsof hij van de takken van de bomen stuiterde. Ze probeerde te herleiden waar de lach vandaan kwam, maar er waren zo veel schaduwen bijeen dat Luce gewoonweg niet kon vaststellen welke er de bron van was. En toen voelde ze haar bloed helemaal koud worden.
Die lach was van haarzelf.
Althans, van iemand die ze ooit zelf was geweest, lang geleden toen ze nog een kind was. Voor Daniël, voor Zwaard & Kruis, voor Trevor… voor een leven vol geheimen en leugens en vol met al die onbeantwoorde vragen. Voor ze ooit een engel had gezien. De lach was te onschuldig, te zorgeloos om nu nog van haar te kunnen zijn.
Er kolkte een zucht wind door de takken boven haar hoofd en er liet een handjevol bruine naalden van de sequoia’s los, die op de grond regenden. Ze tikten als regendruppels en voegden zich toen bij duizenden voorgangers op de zachte bosgrond. Tussen de naalden bevond zich één groot varenblad.
Dik en gevederd, helemaal intact, zweefde het langzaam naar omlaag, alsof het zich op de een of andere manier aan de zwaartekracht onttrok. Het was zwart in plaats van bruin. En in plaats van naar de grond te vallen, daalde het heel licht neer op Luce’ uitgestoken hand.
Het was geen varenblad, maar een Verkondiger. Ze boog zich voorover om hem beter te kunnen bekijken, en toen hoorde ze de lach weer. Ergens in de Verkondiger lachte een andere Luce.
Luce trok heel voorzichtig aan de stekelige randen van de Verkondiger. Hij was plooibaarder dan ze verwacht had, maar voelde zo koud als ijs en kleverig aan. Bij de geringste aanraking werd hij groter. Toen hij ongeveer dertig bij dertig centimeter was, liet Luce hem los en keek tevreden toe hoe hij op ooghoogte voor haar bleef zweven. Ze deed extra haar best om zich te concentreren op haar gehoor en om de wereld om zich heen buiten te sluiten.
Aanvankelijk hoorde ze niets, maar toen…
Er klonk nog een lach in de schaduw. Toen ging de sluier van duisternis aan flarden en verscheen er duidelijk een beeltenis.
Dit keer kwam Daniël als eerste in beeld.
Zelfs door het scherm van de Verkondiger heen was het heerlijk om hem te zien. Zijn haar was een paar centimeter langer dan hoe hij het nu droeg. En hij was bruin – zijn schouders en de brug van zijn neus waren allebei diep goudbruin. Hij had een donkerblauwe zwembroek aan, strak om zijn heupen – zo’n zwembroek als ze wel op familiefoto’s uit de jaren zeventig had gezien. Die stond hem goed.
Achter Daniël was de groene rand van een dicht regenwoud te zien, weelderig groen, maar met kleurige bessen en witte bloemen die Luce nog nooit eerder had gezien. Hij stond aan de rand van een laag, maar dramatisch klif, vanwaar je op een fonkelende waterplas keek. Daniël keek echter de hele tijd omhoog naar de lucht.
Toen die lach weer. En toen Luce’ eigen stem, onderbroken door gegiechel. ‘Schiet op! Kom naar beneden!’
Luce boog zich naar voren, dichter naar het venster van de Verkondiger toe, en zag haar vroegere ik in een gele halterbikini watertrappelen. Haar lange haar danste om haar heen en dreef als een inktzwart aureool op het water. Daniël hield haar in de gaten, maar keek ook nog steeds naar boven. Zijn borstspieren stonden gespannen. Luce had het akelige voorgevoel dat ze al wist waarom.
De lucht vulde zich met Verkondigers, als een zwerm reusachtige zwarte kraaien – in zo’n dichte wolk dat ze de zon verduisterden. De Luce van lang geleden in het water merkte niets, zag niets. Maar toen ze al die Verkondigers voorbij zag fladderen en zich in de vochtige lucht van dat regenwoud zag verzamelen, in een beeld dat door een Verkondiger werd gemaakt, kreeg de Luce in het bos plotseling een duizelig gevoel.
‘Je laat me veel te lang wachten,’ riep de Luce van lang geleden naar Daniël omhoog. ‘Nog even en ik bevries.’
Daniël maakte zijn ogen los van de lucht en keek verdrietig naar haar omlaag. Zijn lip trilde en zijn gezicht zag lijkbleek. ‘Je bevriest niet,’ zei hij. Veegde Daniël nu tranen weg? Hij sloot zijn ogen en rilde. Toen boog hij zijn armen over zijn hoofd, zette van de rots af en dook.
Even later kwam Daniël weer boven, en de Luce van lang geleden zwom naar hem toe. Ze sloeg haar armen om zijn nek; haar gezicht straalde van blijdschap. Luce zag het allemaal met een mengeling van misselijkheid en tevredenheid aan. Ze wilde dat haar voormalige ik zoveel mogelijk van Daniël meekreeg, dat ze die onschuldige, extatische nabijheid voelde met degene van wie ze hield.
Maar ze wist, net zoals Daniël, net zoals de zwerm Verkondigers, precies wat er zou gebeuren zodra deze Luce haar lippen op de zijne drukte. Daniël had gelijk: ze zou niet bevriezen. Ze zou in een gruwelijke vlammenzee omkomen.
En Daniël zou alleen achterblijven en om haar rouwen.
Maar hij was niet de enige. Dit meisje had haar leven, vrienden en familie die van haar hielden en die kapot van verdriet zouden zijn als ze haar kwijtraakten.
Plotseling werd Luce razend. Ze werd woedend op de vloek die op Daniël en haar had gerust. Ze was onschuldig en machteloos geweest; ze begreep totaal niet wat er ging gebeuren. Ze begreep nog steeds niet waarom het gebeurd was, waarom ze altijd, kort nadat ze Daniël had gevonden, moest sterven.
En waarom dat haar in dit leven nog niet was overkomen.
De Luce in het water leefde nog. Luce kon haar niet nu laten sterven.
Ze greep de Verkondiger beet en krulde zijn randen om in haar vuisten. Hij draaide en verboog, waardoor de beelden van de zwemmers helemaal vervormden, zoals wanneer je in een lachspiegel kijkt. Binnen in het scherm daalden de andere schaduwen neer. De tijd voor de zwemmers was bijna om.
Luce schreeuwde boos en zwaaide met haar vuisten naar de Verkondiger – eerst met de ene, toen met de andere, en liet haar vuisten neerdalen op het tafereel dat ze voor zich zag. Ze haalde keer op keer uit, terwijl ze hijgend en huilend haar best deed om datgene wat zou gaan gebeuren tegen te houden.
Toen gebeurde het. Haar rechtervuist brak door het scherm en haar arm zonk er tot haar elleboog in weg. Ze voelde onmiddellijk een hevige temperatuursverandering. Over haar hand verspreidde zich de warmte van een zomerse zonsondergang. De zwaartekracht verschoof. Luce wist niet meer wat onder en wat boven was. Ze voelde haar maag draaien en was bang dat ze moest overgeven.
Ze kon doorzetten. Ze kon haar oude ik redden. Ze stak aarzelend haar linkerarm naar voren. Ook die verdween in de Verkondiger, alsof hij door een kleurige, kleffe plas gelei heen ging die rimpelde en zich verwijdde alsof die haar er gewoon door kon laten.
‘Hij wil dat ik het doe,’ zei ze hardop. ‘Ik kan dit. Ik kan haar redden. Ik kan mijn leven redden.’ Ze boog zich iets naar achteren en stortte toen haar hele lichaam in de Verkondiger.
De zon scheen zo fel dat ze haar ogen dicht moest doen en het was zo tropisch warm dat er onmiddellijk een laagje zweet op haar huid verscheen. Daarbij kwam een misselijkmakend gevoel van zwaartekracht die schuin en ondersteboven hing, net als op het hoogtepunt van een duikvlucht. Nog even en ze viel…
Ware het niet dat iets haar bij haar linkerenkel vasthield. En bij haar rechter. Dat iets trok Luce uit alle macht terug.
‘Nee!’ riep Luce uit, want ze kon nu helemaal in de diepte een helgele vlek in het water zien. Te hel om het topje van haar bikini te zijn. Stond de Luce van lang geleden dan al in brand?
Toen verdween alles als sneeuw voor de zon.
Luce werd ruw teruggetrokken naar het koele, schemerige groepje sequoia’s achter haar kamer van de Kustschool. Haar huid voelde koud en klam aan en haar evenwicht was helemaal van slag. Ze viel met haar gezicht in de naalden van de sequoia’s op de bosgrond. Ze rolde zich om en zag twee mensen voor zich staan, maar haar zicht was zo draaierig dat ze niet eens kon zien wie het waren.
‘Ik dacht wel dat je hier zou zijn.’
Shelby. Luce schudde haar hoofd en knipperde een paar keer met haar ogen. En niet alleen Shelby, maar ook Miles. Ze zagen er allebei doodmoe uit. Luce was zelf ook uitgeput. Ze keek op haar horloge en was inmiddels niet meer verbaasd toen ze zag hoe lang ze in de Verkondiger had gekeken. Het was na één uur ’s nachts. Waarom waren Miles en Shelby nog op?
‘W-wat… wat was je aan het…’ stamelde Miles, en hij wees naar de plek waar de Verkondiger zich had bevonden. Ze keek achterom. Hij was in honderden schimmige dennennaalden kapotgeslagen, die nu neervielen, zo broos dat ze daar waar ze landden in as veranderden.
‘Ik geloof dat ik moet overgeven,’ mompelde Luce, en ze rolde naar opzij naar een boom. Ze kokhalsde een paar keer, maar er kwam niets. Ze sloot haar ogen, misselijk van schuldgevoel. Ze was te zwak geweest en te laat gekomen om zichzelf te redden.
Een koele hand veegde haar korte blonde lokken uit haar gezicht. Luce zag Shelby’s gerafelde zwarte yogabroek en voeten met teenslippers, en voelde een golf van dankbaarheid.
‘Dank je wel,’ zei ze. Ze bleef nog even liggen, veegde haar mond af en kwam toen wankel overeind. ‘Ben je boos op me?’
‘Hoezo zou ik boos zijn? Ik ben trots op je. Je bent erachter gekomen hoe het moet. Je hebt mij niet meer nodig.’ Shelby haalde één schouder naar Luce op.
‘Shelby…’
‘Nee, ik weet wel waarom jij mij nodig hebt,’ zei Shelby fel. ‘Om te zorgen dat je niet in zo’n ramp terechtkomt als net bijna is gebeurd! Tegen je wil, mag ik er wel bij zeggen. Wat bezielde je? Weet je wel wat er gebeurt met mensen die een Verkondiger ingaan?’
Luce schudde van nee.
‘Ik ook niet, maar dat zal niet best zijn!’
‘Je moet gewoon weten waar je mee bezig bent,’ klonk het plotseling van Miles achter hen. Zijn gezicht zag nog bleker dan anders. Luce moest hem vreselijk aan het schrikken hebben gemaakt.
‘O, en jij weet zeker wel waar je mee bezig bent?’ daagde Shelby hem uit.
‘Nee,’ mompelde hij, ‘maar ik moest een keer in de zomer van mijn ouders een workshop doen bij een oude engel die dat wel wist, ja?’ Hij draaide zich om naar Luce. ‘Zoals jij dat deed, hè? Dat kwam er niet eens bij in de buurt. Je hebt me ontzettend bang gemaakt, Luce.’
‘Het spijt me.’ Luce kreunde. Shelby en Miles deden alsof ze hen verraden had door hier alleen naartoe te gaan. ‘Ik dacht dat jullie naar het kampvuur achter het chalet gingen.’
‘Wij dachten dat jij daar naartoe ging,’ beet Shelby terug. ‘We waren er ook een tijdje, maar toen begon Jasmine te schreeuwen dat Dawn verdwenen was en toen begonnen de leraren opeens heel vreemd te doen, vooral toen ze zich realiseerden dat jij ook weg was, dus toen is het feest min of meer opgebroken. Vervolgens zeg ik tussen neus en lippen door tegen Miles dat ik wel een idee heb van wat jij in je schild voert en dat ik je ga zoeken, en plotseling loopt meneer Superlijm…’
‘Ho eens even,’ onderbrak Luce haar. ‘Is Dawn verdwenen?’
‘Waarschijnlijk niet,’ zei Miles sussend. ‘Ik bedoel, je weet toch hoe Jasmine en zij zijn? Die zijn gewoon wispelturig.’
‘Maar het was haar feestje,’ zei Luce. ‘Ze zou nooit zomaar van haar eigen feestje verdwijnen.’
‘Dat zei Jasmine ook aldoor,’ zei Miles. ‘Ze is gisteravond niet naar haar kamer gekomen en ze was vanochtend niet in de kantine, dus we moesten van Frankie en Steven uiteindelijk allemaal terug naar onze kamer, maar…’
‘Ik verwed er twintig dollar onder dat Dawn hier ergens met een of andere niet-Nephilijn-gast in het bos ligt te vozen.’ Shelby rolde met haar ogen.
‘Nee.’ Luce had er een slecht gevoel over. Dawn was ontzettend opgewonden geweest over het kampvuur. Ze had online T-shirts besteld, ook al was het uitgesloten dat ze iemand van de Nephilijnen zover zou krijgen dat hij die ook daadwerkelijk ging dragen. Ze zou nooit zomaar de benen nemen – niet uit eigen vrije wil. ‘Hoe lang is ze al weg?’
Toen ze gedrieën het bos uit kwamen, was Luce nog veel erger van slag. En niet alleen over Dawn. Ze was van slag door wat ze in de Verkondiger had gezien. Het was gruwelijk om te zien hoe de dood haar vorige ik overmeesterde, en het was voor haar de eerste keer geweest. Daniël had het daarentegen al honderden keren moeten aanschouwen. Ze begreep nu pas waarom hij zo onderkoeld tegen haar had gedaan toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten: om hun allebei het verdriet van weer zo’n gruwelijke dood te besparen. De verschrikkelijke positie waarin Daniël zich bevond, drong in zijn volle omvang tot haar door en greep haar naar de keel. Ze móést hem zien.
Luce stak het gazon naar haar kamer over en moest haar ogen afschermen. Er zwaaiden krachtige schijnwerpers over de campus. In de verte ronkte een helikopter die met zijn zoeklicht de kustlijn langsging, heen en weer langs het strand. Over het pad van het Nephilijnen-chalet naar de kantine liep een lange rij mannen in donker uniform, die langzaam de grond af tuurde.
‘Dat is de standaardformatie voor een zoekteam. Je in een rij opstellen en geen centimeter van het terrein overslaan,’ zei Miles.
‘O god,’ fluisterde Luce.
‘Ze is dus echt vermist,’ kreunde Shelby. ‘Slecht karma.’
Luce zette de pas erin en holde naar het Nephilijnen-chalet. Miles en Shelby volgden. Het pad was omzoomd met bloemen en zag er bij daglicht prachtig uit, maar nu was het een en al schaduw. Van het kampvuur vóór hen in de kuil waren alleen nog wat gloeiende sintels over, maar in het chalet brandden alle lichten, op beide verdiepingen, en ook op het hele balkon. Het grote gebouw met puntdak was een zee van licht en zag er zo bij donker schitterend uit.
Luce zag dat veel Nephilijnen die op de banken langs de rand van het balkon zaten, bang keken. Jasmine had haar rode muts diep over haar ogen getrokken en huilde. Terwijl twee agenten met opschrijfboekje een hele zwik vragen doornamen, hield ze bij wijze van steun Liliths stramme hand vast. Luce’ hart ging naar het meisje uit. Ze wist hoe akelig zo’n toestand was.
De agenten liepen het hele balkon rond en deelden uitvergrote zwart-witkopieën van een recente foto van Dawn uit, die iemand van het internet had geprint. Luce keek even naar de grofkorrelige afbeelding en zag tot haar verbazing dat Dawn inderdaad op haar leek – in elk geval voordat ze haar haar had geblondeerd. Ze moest denken aan de ochtend nadat ze het gedaan had en dat Dawn de hele tijd grapjes had gemaakt dat ze nu geen tweelingen meer waren.
Luce hapte geschrokken naar adem, maar verhulde dat door haar hand voor haar mond te slaan. Toen ze alle dingen op een rijtje zette waar ze niets van had begrepen – tot nu – voelde ze hoofdpijn opkomen.
Het vreselijke moment in de reddingsboot. Stevens bitse waarschuwing over dat het geheim moest blijven. Daniëls paranoia over ‘gevaren’ waar hij Luce nooit iets over had willen uitleggen. De Verkondiger die haar de campus af had gelokt, de bedreiging die Cam in het bos de nek om had gedraaid. Dat Dawn op de wazige zwart-witfoto zo op haar leek.
Degene die Dawn had meegenomen had zich vergist. Ze waren op Luce zelf uit.