20 DAGERAAD

Zonsopgang. Luce’ laatste dag op Zwaard & Kruis voor… nou ja, ze wist niet voor hoe lang, was aangebroken. Toen ze door de met klimplanten begroeide deuren van de sportzaal liep, klonk door de saffraankleurige lucht het gekoer van één enkele wilde duif. Ze liep langzaam in de richting van de begraafplaats, hand in hand met Daniël. Ze liepen zwijgzaam over het roerloze gras van de binnenplaats.

Vlak voor ze de kapel hadden verlaten, hadden de anderen een voor een hun vleugels ingetrokken. Dat was een ontnuchterende, moeizame bedoening, en toen ze weer eenmaal hun menselijke gedaante hadden aangenomen, hadden ze iets lethargisch over zich. Luce aanschouwde de gedaanteverandering en kon gewoonweg niet geloven hoe die reusachtige, schitterende vleugels in zo iets kleins en nietigs konden veranderen om tot slot helemaal in de huid van de engelen te verdwijnen.

Toen het voorbij was, ging ze met haar hand over Daniëls blote rug. Voor het eerst leek hij nu ingetogen, gevoelig voor haar aanraking. Maar zijn huid was net zo glad en smetteloos als die van een baby. En aan zijn gezicht, en aan de gezichten van de anderen, kon Luce nog steeds het zilveren licht zien dat in hen brandde en naar alle kanten uitstraalde.

Uiteindelijk hadden ze Penns lichaam de steile stenen trap naar de kapel weer op gedragen, het glas van het altaar geveegd en haar lichaam daar neergelegd. Het was uitgesloten dat ze haar die ochtend al konden begraven – niet nu het op de begraafplaats krioelde van de stervelingen, precies zoals Daniël had voorspeld.

Luce kon slechts met de grootste moeite accepteren dat ze er genoegen mee moest nemen om in de kapel een paar laatste woorden tegen haar vriendin te fluisteren. Het enige wat ze kon bedenken was: ‘Je bent nu bij je vader. Ik weet dat hij blij is dat je weer bij hem bent.’

Daniël zou Penn een fatsoenlijke begrafenis geven zodra de toestand op school wat was bedaard, en Luce zou hem laten zien waar het graf van Penns vader lag, zodat Penn naast hem te rusten kon worden gelegd. Dat was wel het minste wat ze kon doen.

Ze staken de campus over. Luce voelde zich bezwaard. Haar spijkerbroek en topje voelden uitgelubberd en smoezelig aan. Haar nagels moesten nodig eens flink geborsteld worden en ze was blij dat er hier geen spiegels hingen, zodat ze niet hoefde te zien hoe haar kapsel eraan toe was. Ze wilde niets liever dan dat ze de duistere helft van de nacht ongedaan kon maken – en vooral dat ze Penn had kunnen redden – en dat ze de mooie delen kon behouden. De climax toen ze eindelijk Daniëls ware identiteit doorgrond had. Het moment waarop hij in zijn volle glorie voor haar was verschenen. Dat ze gezien had dat er bij Arriane en Gabbe vleugels verschenen. Veel dingen van die nacht waren prachtig geweest.

Maar veel was ook in een verschrikkelijke, troosteloze vernietiging geëindigd.

Ze voelde het in de atmosfeer, alsof het een epidemie betrof. Ze las het op de gezichten van de vele leerlingen die over de binnenplaats dwaalden. Het was nog veel te vroeg om al wakker te zijn, dus dat moest betekenen dat ze allemaal iets hadden gehoord of gevoeld van de veldslag die afgelopen nacht had plaatsgevonden. Wat zouden ze weten? Zou er al iemand op zoek zijn naar Penn? Naar juffrouw Sophia? Wat zouden ze denken dat er gebeurd was? Iedereen liep in groepjes bij elkaar en sprak op gedempte fluistertoon. Luce wilde wat dichter bij ze gaan lopen om te kunnen horen wat ze bespraken.

‘Wees maar niet bang.’ Daniël kneep in haar hand. ‘Kijk maar gewoon net zo verbijsterd als zij. Niemand zal er iets van denken.’

Luce was bang dat ze vreselijk zouden opvallen, maar hij had gelijk. Geen van de andere leerlingen keek hen ook maar een tel langer aan dan de anderen.

Bij de poort van de begraafplaats flitsten blauwe en witte politielichten, die zich in de bladeren van de eiken erboven weerspiegelden. De ingang was afgezet met geel politielint.

Luce zag het zwarte silhouet van Randy afgetekend tegen de zon die recht voor hen opkwam. Ze beende voor de ingang van de begraafplaats heen en weer en riep iets in een Bluetooth die aan de kraag van haar vormloze polo geklemd zat.

‘Ik vind dat je hem wél wakker moet maken!’ riep ze in het apparaatje. ‘Er heeft een incident plaatsgevonden op school. Dat zeg ik de hele tijd al… Ik wéét het niet.’

‘Ik moet je waarschuwen,’ zei Daniël tegen haar, terwijl hij haar bij Randy en de knipperlichten van de politieauto’s weg loodste, door het eikenbosje dat aan drie kanten aan de begraafplaats grensde. ‘Je zult wat je te zien krijgt heel vreemd vinden. Cams stijl van oorlogvoeren is wat slordiger dan de onze. Niet bloederig, alleen… anders.’

Luce dacht niet dat ze wat dat betrof nog van veel dingen zou opkijken. Een paar omgevallen standbeelden brachten haar echt niet meer van haar stuk. Ze baanden zich een weg door het bos, en de broze gevallen bladeren knisperden onder hun voeten. Luce bedacht dat de avond ervoor de donderende sprinkhaanschaduw nog in deze bomen was neergestreken. Daar was nu geen spoor meer van te bekennen.

Even later wees Daniël naar een enorm verbogen stuk van het smeedijzeren hek van de begraafplaats.

‘We kunnen ongezien naar binnen. Maar we moeten wel snel te werk gaan.’

Luce trad uit de beschutting van de bomen en begon langzaam maar zeker te begrijpen wat Daniël had bedoeld toen hij zei dat de begraafplaats er anders uit zou zien. Ze stonden aan de rand, niet ver van het graf van Penns vader in de oostelijke hoek, maar je kon met geen mogelijkheid verder dan een meter vooruitkijken. De lucht boven het terrein was zo donker en troebel dat die misschien niet eens meer lucht te noemen was. Hij was dik, grijs en gruizig, en Luce moest er met haar handen doorheen wapperen om vlak voor haar neus nog iets te kunnen zien.

Ze wreef haar vingers tegen elkaar. ‘Is dit…’

‘Stof,’ zei Daniël, en hij pakte haar hand en liep verder. Hij kon er wel doorheen zien, hij hoefde niet naar adem te happen en het stof uit zijn longen te hoesten, zoals Luce. ‘Engelen gaan in een oorlog niet dood. Maar hun gevechten laten wel dit dichte tapijt van stof achter.’

‘Wat gebeurt ermee?’

‘Niet veel, behalve dan dat stervelingen er totaal geen raad mee weten. Het daalt op een gegeven moment neer, en dan komen ze met busladingen hiernaartoe om het te bestuderen. In Pasadena heb je een gestoorde wetenschapper die denkt dat het van ufo’s afkomstig is.’

Luce dacht met een rilling aan de niet-identificeerbare vliegende zwarte wolk vol insectachtige voorwerpen. Die wetenschapper zat er misschien niet eens zo ver naast.

‘Hier is Penns vader begraven,’ zei ze wijzend toen ze de hoek van de begraafplaats naderden waar hij lag. Ze vond het stof maar griezelig, dus toen ze zag dat alle graven, standbeelden en bomen op het terrein nog overeind leken te staan, was ze erg opgelucht. Ze ging op haar knieën zitten en veegde de stoflaag van het graf dat volgens haar van Penns vader was. Met bevende vingers maakte ze de letters schoon die haar bijna in tranen brachten.

STANFORD LOCKWOOD

DE LIEFSTE VADER TER WERELD

Achter het graf van meneer Lockwood was een lege ruimte. Luce stond op en stampte bedroefd met haar voet op de grond, want ze vond het verschrikkelijk dat haar vriendin nu hier bij hem kwam te liggen. Ze vond het verschrikkelijk dat ze er niet eens bij kon zijn om Penn een fatsoenlijke uitvaart te bezorgen.

Als er iemand doodging, hadden de mensen het altijd over de hemel, over dat ze zeker wisten dat de overledene daarnaartoe ging. Luce had nooit het gevoel gehad dat ze de regels kende, en nu voelde ze zich al helemáál niet meer bevoegd om te spreken over wat er al dan niet zou gebeuren.

Ze draaide zich met tranen in haar ogen om naar Daniël. Toen hij zag hoe verdrietig ze was, betrok zijn gezicht. ‘Ik zorg wel voor haar, Luce,’ zei hij. ‘Ik weet dat je het niet zo gewild hebt, maar we zullen ons uiterste best doen.’

Ze begon nog harder te huilen. Luce snufte en snikte en wilde zo graag dat Penn er weer was dat ze bang was dat ze in zou storten. ‘Ik kan haar niet in de steek laten, Daniël.’

Daniël veegde voorzichtig met de rug van zijn hand haar tranen weg. ‘Het is verschrikkelijk wat er met Penn is gebeurd. Een gruwelijke vergissing. Maar als jij hier vandaag wegloopt, laat je haar hier niet achter.’ Hij legde zijn hand op Luce’ hart. ‘Ze is bij je.’

‘Toch kan ik haar niet…’

‘Dat kun je wel, Luce.’ Zijn stem klonk overtuigd. ‘Geloof me nou. Je hebt geen idee tot hoeveel sterke en onmogelijke dingen jij in staat bent.’ Hij keek van haar weg, naar de bomen. ‘Als er nog iets goeds op deze wereld over is, weet je dat snel genoeg.’

Er klonk één enkel bliepje van de sirene van een politieauto, en ze schrokken allebei op. Er sloeg een portier dicht, en niet ver van de plek waar zij stonden hoorden ze schoenen knerpen over de kiezelsteentjes. ‘Wat is er hier in godsnaam… Ronnie, bel het hoofdbureau. De sheriff moet onmiddellijk hierheen komen.’

‘Kom, we gaan,’ zei Daniël, en hij pakte haar hand. Ze liet die in de zijne glijden, gaf nog even een somber klopje op het wapen in de grafsteen van meneer Lockwood en liep toen met Daniël terug tussen de graven aan de oostkant van de begraafplaats. Ze kwamen bij het verbogen deel van het sierlijke smeedijzeren hek en doken toen snel weg in het eikenbosje.

Luce had onder het lopen het gevoel dat ze tegen een ijskoude muur van lucht aan knalde. In de takken voor hen zag ze drie kleine, maar kolkende schaduwen, die als vleermuizen ondersteboven hingen.

‘Vlug,’ zei Daniël. Toen ze de schaduwen passeerden, deinsden die sissend achteruit, alsof ze op de een of andere manier wisten dat ze Luce met rust moesten laten als Daniël bij haar was.

‘Waar gaan we nu naartoe?’ vroeg Luce toen ze aan de rand van het eikenbosje waren aangekomen.

‘Doe je ogen dicht,’ zei hij.

Dat deed ze. Daniël sloeg van achteren zijn armen om haar middel en ze voelde zijn sterke borst tegen haar schouders drukken. Hij tilde haar van de grond. Dertig centimeter misschien, en daarna hoger, totdat de zachte bladeren van de boomtoppen langs haar schouders streken en in haar nek kietelden. Ze gingen nog hoger, tot ze voelde hoe ze zich van het bos losmaakten en de stralende ochtendzon in vlogen. Ze had zin om haar ogen open te doen, maar ze voelde intuïtief dat dat te veel van het goede zou zijn. Ze wist niet zeker of ze er wel klaar voor was. En bovendien was het gevoel van de schone lucht in haar gezicht en de harde wind door haar haar al genoeg. Meer dan genoeg. Hemels. Net als het gevoel dat ze had gehad toen ze uit de bibliotheek was gered, alsof ze op zee op een golf meedreef. Ze wist nu helemaal zeker dat Daniël daar toen ook achter had gezeten.

‘Je kunt nu je ogen wel opendoen,’ zei hij zacht. Luce voelde weer vaste grond onder haar voeten en zag dat ze zich uitgerekend op de plek bevonden waar ze het liefst wilde zijn. Onder de magnolia aan de rand van het meer.

Daniël hield haar dicht tegen zich aan. ‘Ik wilde je hier mee naartoe nemen omdat dit een plek is – een van de vele plekken – waar ik je de afgelopen weken echt heb willen kussen. Die dag, toen je meteen het water in dook, dacht ik echt dat ik gek werd.’

Luce ging op haar tenen staan en hield haar hoofd achterover om Daniël te kussen. Zij had hem die dag ook heel graag willen kussen – en nu móést ze hem kussen. Dat was het enige wat goed voelde, het enige wat haar troostte en wat haar deed beseffen dat ze een reden had om door te gaan, ook als Penn dat niet meer kon. De tedere druk van zijn lippen kalmeerde haar, als een warm drankje midden in de winter, nu haar hele lichaam verder ijskoud aanvoelde.

Hij maakte zich te snel weer van haar los en keek met vreselijk bedroefde ogen op haar neer.

‘Er is nog een reden waarom ik je hier mee naartoe heb genomen. Deze rots leidt naar het pad dat we moeten nemen om jou in veiligheid te brengen.’

Luce sloeg haar ogen neer. ‘O.’

‘Dit is geen afscheid voor altijd, Luce. Ik hoop dat het niet eens een afscheid voor lange tijd is. We moeten gewoon even kijken hoe alles… zich ontwikkelt.’ Hij streek haar haar glad. ‘Maak je alsjeblieft geen zorgen. Ik kom altijd weer naar je toe. Ik laat je pas gaan als je dat goed begrijpt.’

‘Dan weiger ik het te begrijpen,’ zei ze.

Daniël lachte zachtjes. ‘Zie je die open plek daar?’ Hij wees naar de overkant van het meer, iets van 700 meter verderop, waar een stukje bos plaatsmaakte voor een vlak graslandje. Luce had het nog nooit eerder gezien, maar nu zag ze in de verte een wit vliegtuigje met rode knipperlichten op de vleugels.

‘Is dat voor mij?’ vroeg ze. Na alles wat er was gebeurd, keek ze nauwelijks meer van het vliegtuigje op. ‘Waar ga ik naartoe?’

Ze kon gewoonweg niet geloven dat ze hier wegging, waar ze het vreselijk had gevonden, maar waar ze in slechts een paar weken tijd allerlei indringende ervaringen had opgedaan. Wat zou er verder van Zwaard & Kruis worden?

‘Wat gebeurt er verder met deze school? En wat moet ik tegen mijn ouders zeggen?’

‘Probeer je voorlopig maar geen zorgen te maken. Zodra je in veiligheid bent, regelen we de rest wel. Meneer Cole vertelt het wel aan je ouders.’

‘Meneer Cole?’

‘Hij staat aan onze kant, Luce. Hem kun je vertrouwen.’

Maar ze had juffrouw Sophia juist vertrouwd. Meneer Cole kende ze nauwelijks. Ze vond hem altijd zo frikkerig. En dan die snor… Dus ze moest Daniël hier achterlaten en met haar geschiedenisleraar in een vliegtuig stappen? Haar hoofd bonkte.

‘Daar langs het water loopt een pad,’ ging Daniël verder. ‘We kunnen er daar op.’ Hij sloeg zijn arm om haar onderrug. ‘Maar we kunnen ook gaan zwemmen,’ stelde hij voor.

Ze gingen hand in hand op de rand van het rode rotsblok staan. Ze hadden hun schoenen onder de magnolia laten liggen, maar dit keer zouden ze er niet terugkeren. Het leek Luce helemaal niet lekker om in haar spijkerbroek en topje in het koude meer te duiken, maar nu Daniël glimlachend naast haar stond, voelde alles wat ze deed als de enige optie.

Ze staken hun armen boven hun hoofd en Daniël telde tot drie. Hun voeten kwamen op precies hetzelfde moment van de grond, hun lichamen tekenden precies dezelfde boog af in de lucht, maar in plaats van naar beneden af te buigen, zoals Luce intuïtief had verwacht, trok Daniël haar slechts door aanraking van zijn vingertoppen mee omhoog.

Ze vlogen. Luce vloog hand in hand met een engel. De toppen van de bomen leken voor hen opzij te buigen. Haar lichaam voelde lichter dan lucht. De vroege ochtendzon liet zich nog net zien boven de rij bomen uit. Hij helde dichter naar hen toe, alsof Daniël en Luce het tij waren. Onder hen kabbelde het water zilverkleurig en uitnodigend.

‘Ben je er klaar voor?’ vroeg Daniël.

‘Ja, ik ben er klaar voor.’

Luce en Daniël zweefden omlaag naar het diepe, koele meer. Ze doorbraken het oppervlak als eerste met hun vingers, met de langste zweefduik die ooit vertoond was. Geschrokken van de kou hapte Luce naar adem toen ze bovenkwam, en toen begon ze te lachen.

Daniël pakte haar hand weer vast en wenkte haar mee naar de rots. Hij hees zichzelf er als eerste op en trok toen Luce omhoog. Het mos vormde een mooi, zacht tapijtje, waar ze zich samen op konden uitstrekken. Daniëls zwarte T-shirt kleefde tegen zijn borst. Ze lagen op hun zij, met hun gezicht naar elkaar toe, steunend op hun elleboog.

Daniël legde zijn hand in de holte van haar heup. ‘Meneer Cole wacht ons bij het vliegtuig op,’ zei hij. ‘Dit is onze laatste kans om even alleen te zijn. Ik wilde hier dan maar echt afscheid nemen. Ik wil je iets geven,’ zei hij, en hij haalde de zilveren ketting onder zijn T-shirt vandaan die ze hem op school had zien dragen. Hij drukte Luce het sieraad in haar hand, en toen zag ze dat het inderdaad een medaillon was, met op de voorkant een roos gegraveerd. ‘Dat was vroeger van jou,’ zei hij. ‘Heel lang geleden.’

Luce klikte het medaillon open en zag dat er een piepklein fotootje in zat, achter glas. Het was een foto van hen twee; ze keken niet naar de camera, maar keken elkaar diep in de ogen en lachten naar elkaar. Luce had op de foto kort haar, zoals nu ook, en Daniël droeg een vlinderdas.

‘Wanneer is deze genomen?’ vroeg ze, en ze hield het medaillon omhoog. ‘Waar zijn we hier?’

‘Dat vertel ik je de volgende keer dat ik je zie,’ zei hij. Hij deed de ketting over haar hoofd en liet hem om haar hals zakken. Toen het medaillon haar sleutelbeen raakte, voelde ze dat er een diepe warmte doorheen pulseerde, die haar koude, natte huid verwarmde.

‘Prachtig,’ fluisterde ze, terwijl ze aan de ketting voelde.

‘Ik weet dat Cam je die gouden ketting heeft gegeven,’ zei Daniël.

Sinds Cam haar die in het café had opgedrongen, had Luce er geen moment meer aan gedacht. Ze kon bijna niet geloven dat dat pas gisteren was gebeurd. Ze werd al misselijk bij de gedachte dat ze dat ding moest dragen. Ze wist niet eens waar die ketting was, en ze wilde het niet weten ook.

‘Hij heeft hem bij me omgedaan,’ zei ze met een schuldgevoel. ‘Ik wilde helemaal niet…’

‘Dat weet ik,’ zei Daniël. ‘Wat er ook tussen Cam en jou is gebeurd, was niet jouw schuld. Op de een of andere manier heeft hij bij zijn val veel van zijn engelencharme weten te behouden. Dat is heel verraderlijk.’

‘Ik hoop dat ik hem nooit meer zie.’ Ze huiverde.

‘Ik ben bang dat dat toch wel zou kunnen gebeuren. En er lopen meer mensen als Cam rond. Je moet gewoon op je gevoel vertrouwen,’ zei Daniël. ‘Ik weet niet hoe lang het duurt voor ik je heb bijgepraat over alles wat er in ons verleden is gebeurd. Maar in de tussentijd moet je gewoon op je intuïtie afgaan, ook als die gaat over iets waar je niets van weet. Je hebt het dan waarschijnlijk toch bij het goede eind.’

‘Dus zelfs als ik de mensen om me heen niet kan vertrouwen, moet ik wel op mezelf vertrouwen?’ vroeg ze, want ze vermoedde dat Daniël daarop doelde.

‘Ik zal proberen om er te zijn om je te helpen, en als ik er niet ben, zal ik je zo vaak mogelijk een berichtje sturen,’ zei Daniël. ‘Luce, je beschikt over de herinneringen aan je vorige levens… ook al kun je die op dit moment misschien nog niet ontsluiten. Als iets voor jou niet goed voelt, moet je erbij uit de buurt blijven.’

‘Waar ga jij naartoe?’

Daniël keek omhoog naar de lucht. ‘Ik ga Cam zoeken,’ zei hij. ‘We hebben nog een paar dingen af te handelen.’

Zijn stem klonk somber, en dat maakte Luce nerveus. Ze dacht weer aan de dikke laag stof die Cam op de begraafplaats had achtergelaten.

‘Maar je komt toch bij me terug, hè?’ zei ze. ‘Daarna? Beloof je dat?’

‘Ik… ik kan niet zonder jou leven, Luce. Ik hou van je. Dat is niet alleen voor mij belangrijk, maar ook…’ Hij aarzelde, en schudde toen zijn hoofd. ‘Maak je daar nu maar geen zorgen over. Als je maar weet dat ik naar je toe kom.’

Langzaam, en met tegenzin, stonden ze op. De zon was net boven de bomen uit gekomen, en glinsterde in kleine stervormige scherfjes op het woelige water. Vanwaar ze stonden was het maar een klein stukje zwemmen naar de modderige oever die hen naar het vliegtuig zou leiden. Luce wilde dat het nog kilometers verder was. Ze had tot het vallen van de avond met Daniël kunnen zwemmen. En tot elke zonsopgang en zonsondergang daarna.

Ze sprongen het water weer in en begonnen te zwemmen. Luce zorgde ervoor dat het medaillon onder haar topje bleef zitten. Als het zo belangrijk was dat ze op haar intuïtie afging, dan zei die haar nu dat ze nooit afstand mocht doen van deze ketting.

Toen Daniël aan zijn langzame, elegante slag begon, keek ze weer vol bewondering toe. Dit keer, bij het licht van de dageraad, wist ze dat de iriserende vleugels die ze in de waterdruppels zag afgetekend geen zinsbegoocheling waren. Ze waren echt.

Ze zwom achter hem aan en gleed haal na haal door het water. Veel te snel raakten haar vingers de kant. Ze vond het vreselijk dat ze verderop op het open veld de motor van het vliegtuigje al hoorde ronken. Ze waren aangekomen op de plek waar hun wegen moesten scheiden, en Daniël moest haar zo’n beetje het water uit sleuren. Zonet had ze zich nog klam en gelukkig gevoeld, maar nu was ze drijfnat en had ze het ijskoud. Ze liepen naar het vliegtuigje toe, met zijn hand tegen haar rug.

Tot Luce’ verbazing sprong meneer Cole met een grote witte handdoek uit de cockpit. ‘Een engeltje heeft me ingefluisterd dat je deze misschien wel nodig had,’ zei hij, en hij vouwde de handdoek voor Luce open, die hem dankbaar aanpakte.

‘Hoorde ik daar “-tje”?’ Arriane kwam achter een boom vandaan, gevolgd door Gabbe, die het boek over de Wachters bij zich had.

‘We kwamen je bon voyage wensen,’ zei Gabbe, en ze overhandigde Luce het boek. ‘Voor jou,’ zei ze luchtig, maar haar glimlach leek meer op een frons.

‘Geef haar het lekkers,’ zei Arriane, terwijl ze Gabbe aanstootte.

Gabbe haalde een thermosfles uit haar rugzak en gaf die aan Luce. Ze schroefde de dop eraf. Het was warme chocolademelk, en die rook verrukkelijk. Luce nam het boek en de fles in haar afgedroogde armen en voelde zich plotseling een rijk mens. Maar ze wist dat ze zich, zodra ze in dat vliegtuig stapte, leeg en alleen zou voelen. Ze drukte zich tegen Daniëls schouder aan om zolang het nog kon van zijn nabijheid te genieten.

Gabbe’s ogen stonden helder en vastberaden. ‘We zien je snel weer, oké?’

Arriane keek echter snel weg, alsof ze Luce niet wilde aankijken. ‘Geen domme dingen doen, hoor, zoals in een berg as veranderen.’ Ze schuifelde wat met haar voeten. ‘We hebben je nodig.’

‘Hebben jullie míj nodig?’ vroeg Luce. Ze had Arriane nodig gehad om haar wegwijs te maken op Zwaard & Kruis. Gabbe had ze die dag in het ziekenhuis nodig gehad. Maar waarom zouden zij háár nodig hebben?

De meisjes antwoordden allebei slechts met een sombere glimlach en trokken zich toen terug in het bos. Luce draaide zich om naar Daniël en probeerde maar even te vergeten dat meneer Cole op een meter afstand stond.

‘Ik geef jullie even een moment alleen,’ zei meneer Cole, die de hint begreep. ‘Luce, vanaf het moment waarop ik de motor start, hebben we nog drie minuten voor we opstijgen. Ik zie je in de cockpit.’

Daniël tilde haar op en drukte zijn voorhoofd tegen het hare. Toen hun lippen elkaar vonden, probeerde Luce dat moment in al zijn facetten vast te houden. Deze herinnering zou ze net zo hard nodig hebben als ze zuurstof nodig had.

Want stel nou dat deze hele gebeurtenis, zodra Daniël bij haar weg was, gewoon weer de zoveelste droom zou lijken? Voor een deel wel een nachtmerrieachtige droom, maar toch een droom. Hoe kon ze nu voelen wat zij meende te voelen, voor iemand die niet eens mens was?

‘Het moment is daar,’ zei Daniël. ‘Wees voorzichtig. Laat je door meneer Cole leiden, tot ik er weer ben.’ Een schril fluitje uit het vliegtuig: meneer Cole maande hen tot afronden. ‘Probeer te denken aan wat ik gezegd heb.’

‘Aan wat precies?’ vroeg Luce, lichtelijk in paniek.

‘Aan zo veel dingen als je kunt – maar vooral aan het feit dat ik van je hou.’

Luce snufte. Als ze nu zou proberen iets te zeggen zou haar stem breken. Het was tijd om te vertrekken.

Ze holde naar de open deur van de cockpit en voelde de hete luchtstoten van de propellers, die haar bijna omverbliezen. Er stond een laddertje met drie treden, en meneer Cole stak haar zijn hand toe om haar omhoog te helpen. Hij drukte op een knop en de ladder werd ingetrokken. De deur ging dicht.

Ze keek naar het ingewikkelde dashboard. Ze had nog nooit eerder in zo’n klein vliegtuigje gezeten. Ze was sowieso nog nooit in een cockpit geweest. Overal zaten flikkerende lampjes en knoppen. Ze keek naar meneer Cole.

‘Kunt u dit ding besturen?’ vroeg ze, en ze veegde haar ogen droog aan de handdoek.

‘Amerikaanse luchtmacht, 59ste divisie, tot uw dienst,’ zei hij, en hij salueerde erbij.

Luce salueerde ongemakkelijk terug.

‘Mijn vrouw zegt altijd tegen mensen dat ze vooral niet over mijn tijd als piloot in Vietnam moeten beginnen,’ zei hij, terwijl hij een brede zilverkleurige pook terugschakelde. Het vliegtuig kwam schokkend in beweging. ‘Maar we hebben een lange vlucht voor de boeg, en ik heb een geboeid publiek.’

‘Letterlijk en figuurlijk,’ flapte ze eruit.

‘Die zit.’ Meneer Cole gaf haar een duwtje met zijn elleboog. ‘Ik maak maar een grapje,’ zei hij, en hij lachte er hartelijk om. ‘Daar zou ik je nooit aan blootstellen.’ De manier waarop hij zich lachend naar haar toe draaide deed haar denken aan haar vader, die dat ook altijd zo deed als ze samen naar een grappige film keken, en daardoor voelde ze zich al een stukje beter.

De wielen rolden inmiddels heel snel en de ‘startbaan’ voor hen zag er kort uit. Ze moesten nu snel de lucht in gaan, anders zouden ze zo het meer in rijden.

‘Ik weet wat je denkt,’ riep hij boven het gebrul van de motor uit. ‘Maak je geen zorgen, dit is gesneden koek voor mij!’

En vlak voor de modderige oever onder hen eindigde, trok hij heel hard aan de hendel tussen hen in en wees de neus van het vliegtuigje schuin omhoog naar de lucht. De horizon verdween even uit beeld en Luce’ maag zakte tegelijk ook weg. Even later bewoog het vliegtuig al rustiger en werd het uitzicht voor hen vlakker, tot er alleen nog bomen en een heldere sterrenhemel te zien waren. Onder hen lag het fonkelende meer. Met de seconde werd de afstand groter. Ze waren in westelijke richting vertrokken, maar het vliegtuig beschreef een cirkel, en Luce zag door haar raampje al snel het bos waar zij zojuist nog met Daniël doorheen had gevlogen. Ze tuurde ernaar, drukte haar gezicht tegen het raam in de hoop dat ze hem nog zag, en vlak voordat het vliegtuig weer een rechte koers aannam, meende ze heel even een paarse flits te zien. Ze pakte het medaillon om haar hals vast en bracht het naar haar lippen.

Nu lag de rest van de campus onder hen, en daarachter de mistige begraafplaats. De plek waar Penn binnenkort begraven zou worden. Hoe hoger ze gingen, hoe meer Luce kon zien van de school waar haar grootste geheim aan het daglicht was gekomen – alleen totaal anders dan ze ooit had kunnen denken.

‘God, wat hebben ze er daar een zootje van gemaakt,’ zei meneer Cole, en hij schudde zijn hoofd.

Luce had geen idee hoeveel hij over de gebeurtenissen van de avond ervoor wist. Het leek zo’n normale man, maar toch was hij hier blijkbaar niet echt door van zijn stuk gebracht.

‘Waar gaan we naartoe?’

‘Naar een eilandje voor de kust,’ zei hij, en hij wees in de verte, naar de zee, waar de horizon eruitzag als een zwarte veeg. ‘Het is niet zo ver.’

‘Meneer Cole,’ zei ze, ‘u hebt mijn ouders gesproken.’

‘Aardige mensen.’

‘Zou ik ze kunnen… Ik zou ze graag willen spreken.’

‘Natuurlijk. We regelen wel iets.’

‘Ze geloven hier natuurlijk niets van.’

‘Jij wel?’ vroeg hij, en terwijl het vliegtuig verder steeg en toen in horizontale positie doorvloog, glimlachte hij even wrang naar haar.

Daar draaide het nu net om. Ze móést het wel geloven – alles, van de eerste duistere flakkering van de schaduwen tot aan het moment waarop Daniëls lippen de hare vonden, tot het moment waarop ze Penn dood op het marmeren altaar van de kapel had zien liggen. Het móést allemaal wel echt zijn.

Hoe moest ze het anders volhouden tot aan het moment dat ze Daniël weer zag? Ze pakte het medaillon om haar hals stevig beet – het medaillon dat een heel leven aan herinneringen bevatte. Háár herinneringen, zoals Daniël erbij had gezegd – die ze zelf moest ontsluiten.

Wat die bevatten wist ze niet, net zomin als ze wist waar meneer Cole haar naartoe bracht. Maar ze had die ochtend in de kapel, toen ze naast Arriane, Gabbe en Daniël stond, het gevoel gehad dat ze érgens deel van uitmaakte. Niet verdwaald, bang en zelfgenoegzaam… maar alsof ze ertoe kon doen – niet alleen voor Daniël, maar voor hen allemaal.

Ze keek door de voorruit. Ze waren inmiddels voorbij de zoutmoerassen, voorbij de weg waarover ze gereden was om naar dat vreselijke café te gaan waar ze met Cam had afgesproken, en voorbij het lange zandstrand waar ze Daniël voor het eerst had gekust. Ze waren nu boven open zee, en daar ergens lag Luce’ volgende bestemming.

Niemand was tevoorschijn gekomen om te zeggen dat er nog meer gevechten geleverd moesten worden, maar Luce voelde de waarheid diep in haar hart, en die luidde dat ze nog maar aan het begin stonden van iets wat lang zou duren, en wat heel belangrijk en zwaar zou zijn.

Samen.

En of de gevechten nu ijzingwekkend of verlossend of allebei waren, Luce vertikte het om nog langer een pion te zijn. Een vreemd gevoel maakte zich meester van haar lichaam – een gevoel dat doordrenkt was van al haar vorige levens, van alle liefde die ze voor Daniël had gevoeld en die al veel te vaak was uitgeblust.

Luce wilde hierdoor eigenlijk alleen maar naast hem gaan staan en meevechten. Vechten om zo lang in leven te blijven dat ze haar leven naast hem kon volbrengen. Vechten voor het enige wat in haar ogen goed genoeg, hoogstaand genoeg, machtig genoeg was om alles voor te willen riskeren.

Liefde.