‘Ben je bang?’ vroeg Daniël. Hij hield zijn hoofd schuin en een briesje blies zijn blonde haar in de war. Hij hield haar vast, en zijn handen om haar middel voelden stevig, maar tegelijkertijd net zo soepel en licht als een zijden sjerp. Ze hield haar vingers in zijn hemdloze nek ineengevlochten.
Was ze bang? Natuurlijk niet. Daniël was bij haar. Eindelijk. Ze lag in zijn armen. Maar de echte vraag die door haar achterhoofd spookte was: móést ze bang zijn? Ze wist het niet. Ze wist niet eens waar ze was.
Ze rook regen, ergens vlakbij. Maar Daniël en zij waren droog. Ze voelde een lange witte jurk tot op haar enkels omlaag vallen. Er was nog maar een klein beetje daglicht. Luce voelde een steek van spijt bij de gedachte dat de zon al bijna helemaal onder was – alsof ze er iets aan kon doen om dat tegen te gaan. Op de een of andere manier wist ze dat deze laatste lichtstralen net zo kostbaar waren als de laatste druppels honing in een pot.
‘Blijf je bij me?’ vroeg ze. Haar stem klonk fluisterdun en werd bijna overstemd door het lage gekreun van de donder. Er wervelde een windvlaag om hen heen, waardoor Luce’ haar in haar ogen kwam. Daniël sloeg zijn armen nog wat strakker om haar heen, tot ze zijn adem in kon ademen en zijn huid op de hare voelde.
‘Voor altijd,’ fluisterde hij terug. Ze werd overspoeld door het heerlijke geluid van zijn stem.
Er zat een schrammetje aan de linkerkant van zijn voorhoofd, maar toen Daniël zijn hand tegen haar wang legde en haar gezicht dichter naar zich toe trok, vergat ze dat. Ze hield haar hoofd achterover en voelde haar hele lichaam slap worden van hoopvolle verwachting.
Eindelijk, eindelijk liet hij zijn lippen op de hare zakken, met een dringendheid die haar de adem benam. Hij kuste haar alsof ze van hem was, zo vanzelfsprekend alsof ze een lang verloren gewaand onderdeel van hem was dat hij nu eindelijk weer het zijne kon noemen.
Toen begon het te regenen. Hun haar werd drijfnat en de regen liep over hun gezicht en in hun mond. De regen was warm en bedwelmend, net als de kussen zelf.
Luce legde haar arm om zijn rug om hem dichter naar zich toe te trekken, en haar handen gleden over iets fluweelachtigs. Ze ging er eerst met haar ene hand overheen, toen met haar andere, en probeerde te voelen waar het ophield. Toen keek ze langs Daniëls gloeiende gezicht naar zijn rug.
Achter hem ontvouwde zich iets.
Vleugels. Glanzend en iriserend, langzaam en moeiteloos wiekend, glinsterend in de regen. Ze had ze misschien al wel eens eerder gezien, of iets wat erop leek.
‘Daniël,’ zei ze, en ze hapte naar adem. Ze zag alleen nog maar de vleugels, en kon ook aan niets anders meer denken. Het leek wel alsof ze in duizenden kleuren rondwervelden, zodat ze er hoofdpijn van kreeg. Ze probeerde ergens anders naar te kijken, het maakte niet uit naar wat, maar aan alle kanten zag ze, behalve Daniël, alleen de eindeloze roze en blauwe tinten van de ondergaande zon. Tot ze omlaag keek en nog één ding zag.
De grond.
Honderden meters onder hen.
Toen ze haar ogen opendeed, was het licht te fel, haar huid te droog, en had ze een snerpende pijn in haar achterhoofd. De lucht was weg, en Daniël ook.
Weer een droom.
Alleen voelde ze zich na deze bijna misselijk van verlangen.
Ze bevond zich in een kamer met witte muren. Ze lag op een ziekenhuisbed. Links van haar was een flinterdun gordijn tot halverwege de kamer dichtgetrokken, zodat zij afgescheiden was van iets wat aan de andere kant voor bedrijvigheid zorgde.
Luce voelde voorzichtig aan de zere plek onder aan haar nek en kreunde.
Ze probeerde vast te stellen waar ze was. Ze had geen idee, maar ze had wel duidelijk het gevoel dat ze niet meer op Zwaard & Kruis was. Haar opbollende witte jurk was – ze voelde aan haar zij – een wijd ziekenhuishemd. Ze voelde alle stukjes van de droom wegglippen – alles, behalve die vleugels. Die waren heel echt geweest. Ze hadden fluwelig en vloeibaar aangevoeld. Haar maag kromp samen. Ze balde haar vuisten en ontspande die weer, zich er overmatig van bewust dat haar handen leeg waren.
Iemand pakte haar rechterhand vast en kneep erin. Luce draaide snel haar hoofd om en kreunde. Ze had gedacht dat ze alleen was. Gabbe zat op de punt van een verschoten blauwe stoel met wieltjes, waartegen – heel irritant – de kleur van haar ogen heel mooi uitkwam.
Luce wilde weg – althans, ze verwachtte dat ze weg zou willen –, maar toen glimlachte Gabbe heel lief naar haar, waardoor Luce zich op de een of andere manier veilig voelde, en toen realiseerde ze zich dat ze blij was dat ze niet alleen was.
‘In hoeverre was het een droom?’ mompelde ze.
Gabbe lachte. Ze had een pot nagelcrème naast zich op het tafeltje staan en begon het witte, naar citroen geurende spul in Luce’ nagelbedden te wrijven. ‘Dat hangt er maar van af,’ zei ze, terwijl ze Luce’ vingers masseerde. ‘Maak je toch niet druk over dromen. Als mijn wereld op zijn kop staat en ik wil weer met beide benen op de grond komen te staan, werkt er niets zo goed als een manicure-behandeling.’
Luce keek omlaag. Ze was zelf nooit zo’n liefhebber van nagellak geweest, maar wat Gabbe net gezegd had deed haar aan haar moeder denken, die altijd voorstelde om naar de manicure te gaan als Luce een slechte dag had. Terwijl Gabbe’s handen haar vingers langzaam bewerkten, vroeg Luce zich af of ze al die jaren soms iets gemist had.
‘Waar zijn we hier?’ vroeg ze.
‘In het Lullwater Hospital.’
Dit was de eerste keer dat ze van de campus af was, en nu was ze beland in een ziekenhuis op vijf minuten afstand van het huis van haar ouders. De vorige keer dat ze hier was geweest had ze drie hechtingen moeten laten zetten in haar elleboog, toen ze van haar fiets was gevallen. Haar vader was niet van haar zijde geweken. Nu viel hij in geen velden of wegen te bekennen.
‘Hoe lang ben ik hier al?’ vroeg ze.
Gabbe keek op de witte klok aan de muur en zei: ‘Ze hebben je gisteravond rond een uur of elf gevonden, toen je bewusteloos was van de rook die je had ingeademd. Als ze een leerling van de tuchtschool bewusteloos aantreffen, brengen ze je standaard naar de eerste hulp, maar maak je geen zorgen, want Randy zei dat ze je al snel zullen ontslaan. Zodra je ouders toestemming geven…’
‘Zijn mijn ouders hier dan?’
‘Ja, vreselijk bezorgd om hun dochter, tot aan de dode punten in de permanent van je moeder aan toe. Ze zitten in de gang, bedolven onder papierwerk. Ik heb gezegd dat ik wel een oogje in het zeil zou houden.’
Luce kreunde en drukte haar gezicht in het kussen, waarmee ze de diepe pijn in haar achterhoofd weer opriep.
‘Als je ze niet wilt zien…’
Maar Luce kreunde niet vanwege haar ouders. Ze wilde haar ouders dolgraag zien. Ze moest denken aan de bibliotheek, aan de brand, en aan het nieuwe soort schaduwen, die elke keer dat ze haar vonden steeds angstaanjagender werden. Ze waren altijd al duister en lelijk geweest, ze hadden haar altijd al de stuipen op het lijf gejaagd, maar gisteravond had het bijna geleken alsof de schaduwen iets van haar wílden. En verder was er nog dat andere geweest, die opstijgende kracht die haar had bevrijd.
‘Waarom kijk je zo?’ vroeg Gabbe, terwijl ze haar hoofd schuin hield en met een hand voor Luce’ gezicht zwaaide. ‘Waar lig je aan te denken?’
Luce wist niet wat ze ervan moest denken dat Gabbe plotseling zo aardig tegen haar deed. Verpleegstertje spelen leek nou niet bepaald het soort klusje waarvoor Gabbe zich uit vrije wil zou aanmelden, en er waren ook geen jongens in de buurt wier aandacht ze kon monopoliseren. Gabbe vond Luce niet eens aardig. Ze was hier vast niet zomaar uit eigen beweging naartoe gekomen, toch?
Maar ook al deed Gabbe nog zo aardig, Luce kon toch met geen mogelijkheid aan haar uitleggen wat er de avond ervoor was gebeurd. De griezelige, onuitspreekbare bijeenkomst in de gang. Het surrealistische gevoel dat ze door dat duister naar voren was gestuwd. De vreemde, fascinerende figuur van licht.
‘Waar is Todd?’ vroeg Luce, en ze dacht aan hoe angstig de jongen uit zijn ogen had gekeken. Ze had hem niet kunnen vasthouden, was weggevlogen, en toen…
Het papieren gordijn werd plotseling opengetrokken, en daar stond Arriane, met inlineskates aan en het rood-met-witte uniform van een verpleeghulpje. Haar korte zwarte haar zat in allemaal knotjes boven op haar hoofd gedraaid. Ze reed naar binnen met een dienblad waarop drie kokosnoten stonden met daarin een feestparapluutje in fluorescerende kleuren.
‘Ik zal het even uitleggen,’ zei ze met een hese, nasale stem. ‘Je doet het limoensap in de kokosnoot en dan drink je het in één keer op… Hola, lange gezichten. Stoor ik?’
Arriane kwam met een draai aan het voeteneind van Luce’ bed tot stilstand. Ze stak haar een kokosnoot toe met een op en neer deinend roze parapluutje.
Gabbe sprong op en pakte de kokosnoot aan, maar rook meteen aan de inhoud. ‘Arriane, ze is gewond,’ zei ze op berispende toon. ‘En als je het zo graag wilt weten: je stoort, want we hadden het over Todd.’
Arriane gooide haar schouders naar achteren. ‘Nou, dan kan ze wel een hartversterkertje gebruiken,’ vond ze, en terwijl Gabbe en zij deden wie de ander het langst kon blijven aankijken, hield ze het dienblad bezitterig vast.
‘Prima,’ zei Arriane, en ze keek van Gabbe weg. ‘Dan krijgt zij jóúw suffe drankje.’ Ze gaf Luce de kokosnoot met het blauwe rietje.
Luce moest in een soort posttraumatische nevel verkeren. Hoe kwamen ze aan die spullen? Kokosnoten? Parapluutjes? Het was net alsof ze op een tuchtschool van haar stokje was gegaan en op Club Med weer wakker was geworden.
‘Hoe komen jullie aan die dingen?’ vroeg ze. ‘Hartstikke bedankt, hoor, maar…’
‘Als de nood aan de man is, leggen we alles bij elkaar wat we hebben,’ zei Arriane. ‘Roland heeft geholpen.’
Alle drie dronken ze even van het ijskoude, zoete drankje, maar op een gegeven moment hield Luce het niet meer. ‘Goed, even terug naar Todd…’
‘Todd,’ zei Gabbe, en ze schraapte haar keel. ‘Het komt erop neer… dat hij veel meer rook heeft binnengekregen dan jij, schat…’
‘Niet waar,’ beet Arriane haar toe. ‘Hij heeft zijn nek gebroken.’
Luce slaakte een kreet, en Gabbe sloeg Arriane met haar rietje.
‘Hoezo?’ zei Arriane. ‘Luce kan het wel aan. Ze komt er op een gegeven moment toch wel achter, dus waarom zouden we het mooier maken dan het is?’
‘Het bewijsmateriaal geeft nog geen uitsluitsel,’ zei Gabbe nadrukkelijk.
Arriane haalde haar schouders op. ‘Luce was erbij; zij moet gezien hebben wat…’
‘Ik heb niet gezien wat er met hem is gebeurd,’ zei Luce. ‘We waren samen en toen werden we op de een of andere manier uit elkaar gehaald. Ik had er al een slecht gevoel over, maar ik wist het niet,’ fluisterde ze. ‘Dus hij is…’
‘Niet meer op deze wereld,’ zei Gabbe zacht.
Luce sloot haar ogen. Er trok een kilte door haar heen die niets met het drankje te maken had. Ze moest eraan denken hoe Todd als een bezetene op de muren had gebonkt, aan hoe hij met zijn klamme hand in de hare had geknepen toen de schaduwen bulderend op hen neer waren gestort, aan het afschuwelijke moment waarop ze uit elkaar getrokken waren en zij te zeer bevangen was geweest om naar hem toe te gaan.
Hij had de schaduwen gezien. Dat wist Luce nu wel zeker. En hij was doodgegaan.
Nadat Trevor was gestorven, was er geen week voorbijgegaan waarin Luce geen boze brief had ontvangen. Haar ouders begonnen de post te controleren, zodat zij de scheldbrieven niet kon lezen, maar toch wisten een heleboel haar nog te bereiken. Sommige brieven waren met de hand geschreven, andere getypt, eentje was zelfs uit uitgeknipte letters uit tijdschriften samengesteld, in de stijl van een losgeldbrief. Moordenaar. Heks. Ze had zo veel scheldwoorden naar haar hoofd geslingerd gekregen dat ze er een plakboek mee kon vullen, ze hadden haar genoeg ellende bezorgd om haar de hele zomer binnen opgesloten te houden.
Ze dacht dat ze enorm haar best had gedaan om deze nachtmerrie achter zich te laten: toen ze naar Zwaard & Kruis ging had ze haar verleden gelaten voor wat het was, ze had zich op haar lessen geconcentreerd, ze had vrienden en vriendinnen gemaakt… o god. De adem stokte in haar keel. ‘Hoe is het met Penn?’ vroeg ze, en ze beet op haar lip.
‘Met Penn is alles prima,’ zei Arriane. ‘Ze staat op alle voorpagina’s, als de ooggetuige van de brand. Juffrouw Sophia en zij zijn er allebei uitgekomen; ze stonken wel een uur in de wind, maar verder mankeerden ze niets.’
Luce zuchte. Dat was in elk geval goed nieuws. Maar onder de flinterdunne ziekenhuislakens beefde ze. Het kon namelijk niet lang meer duren of dezelfde types die na de dood van Trevor naar haar toe waren gekomen, zouden zich nu weer aandienen. En niet alleen de mensen die de boze brieven hadden geschreven. Dokter Sanford. Haar reclasseringsmedewerker. De politie.
Net als de vorige keer zou er van haar worden verwacht dat ze een sluitend verhaal had. Dat ze zich alles tot in de kleinste details herinnerde. Maar dat zou ze natuurlijk niet kunnen, net zoals ze dat de vorige keer niet had gekund. Het ene moment had hij nog naast haar gestaan en waren ze met z’n tweeën geweest. Het volgende moment…
‘Luce!’ Penn stommelde de kamer binnen, met een grote bruine heliumballon in haar hand. Hij had de vorm van een pleister en er stond in blauwe schuine letters BLIJF PLAKKEN! op. ‘Wat moet dit voorstellen?’ vroeg ze, en ze keek de andere drie meisjes kritisch aan. ‘Een soort slaapfeestje?’
Arriane had haar skates losgemaakt en klom op het kleine bed naast Luce. Ze had in allebei haar handen een kokosnootdrankje en legde haar hoofd op Luce’ schouder. Gabbe was de nagels van Luce’ kokosnootvrije hand met doorzichtige nagellak aan het lakken.
‘Ja,’ lachte Arriane. ‘Kom er gezellig bij, Pennyloafer. We wilden net een spelletje truth or dare doen. Jij mag als eerste.’
Gabbe probeerde haar lach met een bevallige nepniesbui te verbloemen.
Penn zette haar handen in haar zij. Luce had met haar te doen, en ze was ook een beetje bang. Penn zag er behoorlijk fel uit.
‘Een van onze klasgenoten is gisteravond overleden,’ articuleerde Penn heel zorgvuldig. ‘En Luce had ernstig gewond kunnen raken.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Hoe kunnen jullie op zo’n moment nou lol gaan trappen?’ Ze snoof. ‘Is dat alcohol?’
‘Ooo,’ zei Arriane, en ze keek Penn met een ernstig gezicht aan. ‘Je vond hem léúk, hè?’
Penn pakte een kussen van de stoel achter haar en gooide dat naar Arriane. Penn had natuurlijk gelijk. Het wás ook een beetje vreemd dat Arriane en Gabbe de dood van Todd zo… nou ja, bijna luchtig opnamen. Alsof ze dat soort dingen al heel vaak hadden meegemaakt. Alsof het hun helemaal niet raakte, zoals het Luce wel raakte. Maar ze konden natuurlijk niet weten wat Luce over Todds laatste momenten wist. Ze konden niet weten waarom zij zich op dit moment zo beroerd voelde. Ze klopte op het voeteneind van het bed, ten teken dat Penn daar kon gaan zitten, en gaf haar het restje van wat er in haar ijskoude kokosnoot zat.
‘We zijn via de achteruitgang naar buiten gegaan, en toen…’ Luce kon de woorden niet eens uitspreken. ‘Wat is er met juffrouw Sophia en jou gebeurd?’
Penn keek even bedenkelijk naar Arriane en Gabbe, maar geen van beiden maakte aanstalten om irritant te gaan doen. Penn gaf zich gewonnen en ging op de rand van het bed zitten.
‘Ik was even naar haar toe gegaan om haar te vragen waar…’ Ze wierp weer een blik op de andere twee meisjes en keek Luce toen betekenisvol aan. ‘Nou ja, ik moest haar iets vragen. Ze wist het niet, maar ze wilde me wel een ander boek laten zien.’
Luce was helemaal vergeten waar Penn en zij de avond ervoor naar op zoek waren geweest. Dat leek allemaal heel ver weg, en na wat er was gebeurd ook volslagen onbelangrijk.
‘We waren nog geen drie stappen bij het bureau van juffrouw Sophia vandaan,’ ging Penn verder, ‘en toen zag ik uit mijn ooghoek een enorme explosie van licht. Jezus, ik heb wel eens over zelfontbranding gelezen, maar dit was…’
De drie meisjes bogen zich allemaal naar voren. Het verhaal van Penn was echt voorpaginanieuws.
‘De brand moet ergens door begonnen zijn,’ zei Luce, en ze probeerde zich het bureau van juffrouw Sophia voor de geest te halen. ‘Maar volgens mij was er verder niemand in de bibliotheek.’
Penn schudde haar hoofd. ‘Er was ook niemand. Juffrouw Sophia zei dat er waarschijnlijk kortsluiting is geweest in een lamp. Maar goed, hoe het ook is gebeurd, er was enorm veel brandstof. Al haar documenten zijn in rook opgegaan.’ Ze knipte met haar vingers.
‘Is alles wel goed met haar?’ vroeg Luce, en ze voelde aan de papierachtige zoom van haar ziekenhuishemd.
‘Enorm van slag, maar verder mankeert ze niets,’ zei Penn. ‘Op een gegeven moment gingen de sprinklers aan, maar ik denk dat ze toch heel veel kwijt is. Toen ze haar vertelden wat er met Todd was gebeurd, was het bijna alsof ze te verdoofd was om het zelfs maar tot zich door te laten dringen.’
‘Misschien zijn we allemaal te verdoofd om het tot ons door te laten dringen,’ zei Luce. Dit keer knikten Gabbe en Arriane, ieder aan een kant van haar. ‘Weten… weten Todds ouders het al?’ vroeg ze, en ze vroeg zich meteen af hoe ze in hemelsnaam aan haar eigen ouders moest uitleggen wat er was gebeurd.
Ze zag al voor zich hoe ze in de hal papieren zaten in te vullen. Zouden ze haar eigenlijk wel willen zien? Zouden ze de dood van Todd in verband brengen met die van Trevor… en deze twee afschuwelijke verhalen dan tot haar herleiden?
‘Ik heb Randy aan de telefoon horen praten met Todds ouders,’ zei Penn. ‘Ik geloof dat ze een proces willen beginnen. Zijn lichaam wordt vandaag later op de dag naar Florida teruggevlogen.’
Was dat alles? Luce slikte.
‘Zwaard & Kruis houdt donderdag een herdenkingsdienst voor hem,’ zei Gabbe zacht. ‘Daniël en ik gaan die helpen organiseren.’
‘Daniël?’ herhaalde Luce voor ze het wist. Ze keek even naar Gabbe, en zelfs in haar intens bedroefde toestand greep ze onwillekeurig terug op het beeld dat ze aanvankelijk van het meisje had gehad: een blonde verleidster met roze lippen.
‘Hij heeft jullie gisteravond gevonden,’ zei Gabbe. ‘Hij heeft jou uit de bibliotheek naar het kantoor van Randy gedragen.’
Had Daniël haar gedragen? Bedoelde ze… met zijn armen om haar lichaam? De droom kwam meteen weer bij haar terug, en ze werd overspoeld door het gevoel dat ze vloog, nee, dat ze zweefde. Ze voelde zich vastgeklonken aan haar bed. Ze hunkerde naar diezelfde lucht, die regen, zijn mond, zijn tanden, zijn tong die zich weer met de hare versmolt. Haar gezicht werd warm, eerst van verlangen, en toen van het pijnlijke besef dat het uitgesloten was dat die dingen ooit zouden gebeuren in wakende toestand. Die schitterende, oogverblindende vleugels waren niet het enige fantastische aan die droom. De echte Daniël zou haar alleen maar naar de ziekenboeg dragen. Hij zou nooit naar haar verlangen, haar nooit in zijn armen nemen, nooit op die manier.
‘Eh, Luce, gaat het wel met je?’ vroeg Penn. Ze wapperde Luce’ rode wangen met haar parapluutje koelte toe.
‘Ja, prima, hoor,’ zei Luce. Ze kreeg die vleugels met geen mogelijkheid uit haar gedachten. Ze kon maar niet vergeten hoe het was toen hij met zijn gezicht boven dat van haar hing. ‘Ik ben nog niet helemaal de oude, dat is alles.’
Gabbe gaf haar een klopje op haar hand. ‘Toen we hoorden wat er gebeurd was, hebben we net zolang bij Randy geslijmd tot we bij je op bezoek mochten,’ zei ze, en ze rolde met haar ogen. ‘We wilden niet dat je alleen was als je bijkwam.’
Er werd op de deur geklopt. Luce dacht dat de zenuwachtige gezichten van haar ouders om de hoek van de deur zouden verschijnen, maar er kwam niemand binnen. Gabbe stond op en keek naar Arriane, die geen aanstalten maakte om op te staan. ‘Blijven jullie maar hier. Ik handel het wel even af.’
Luce was nog niet bekomen van wat ze haar over Daniël hadden verteld. Het sloeg helemaal nergens op, maar toch wilde ze dat hij voor die deur stond.
‘Hoe gaat het met haar?’ vroeg een stem op fluistertoon. Maar Luce verstond het toch. Hij was het. Gabbe mompelde iets terug.
‘Wat is dit voor samenscholing?’ gromde Randy vanaf de gang. De moed zonk Luce in de schoenen, want ze wist dat dit betekende dat het bezoekuur afgelopen was. ‘Degene die mij heeft overgehaald om jullie mee te nemen, krijgt straf. Stelletje hooligans. Nee, Grigori, ik laat me niet omkopen met bloemen. En nu allemaal het busje in.’
Toen Arriane en Penn de stem van de assistent hoorden, krompen ze in elkaar en probeerden zo snel mogelijk de kokosnoten onder het bed te verstoppen. Penn stak de rietjes met de parapluutjes in haar etui en Arriane spoot wat heftig vanille-muskusparfum rond. Ze stak Luce snel een plakje spearmintkauwgum toe.
Penn moest kokhalzen van een langsdrijvende wolk parfum, maar boog zich toen snel naar Luce toe en fluisterde: ‘Zodra je weer op de been bent gaan we dat boek zoeken. Ik denk dat het voor ons allebei goed is om bezig te blijven; dat geeft wat afleiding.’
Luce kneep in Penns hand om haar te bedanken en glimlachte naar Arriane, die het zo te zien veel te druk had met haar rollerskates vastmaken, en het dus niet had verstaan.
Op dat moment denderde Randy naar binnen. ‘Nog meer samenscholing!’ riep ze uit. ‘Het is toch niet te geloven!’
‘We waren alleen maar…’ begon Penn.
‘Aan het weggaan,’ maakte Randy haar zin voor haar af. Ze had een boeket wilde witte pioenen in haar hand. Vreemd. Dat waren Luce’ lievelingsbloemen. Terwijl je die hier bijna nergens zag bloeien.
Randy deed een kastje onder de gootsteen open, zocht er even in rond en haalde er toen een kleine, stoffige vaas uit. Die vulde ze met troebel water uit de kraan, ze propte de pioenen er hardhandig in en zette ze op het tafeltje naast Luce. ‘Die zijn van je vrienden,’ zei ze, ‘die nu allemaal vertrekken.’
De deur stond wijd open en Luce zag Daniël tegen de deurpost leunen. Hij hield zijn kin hoog en zijn grijze ogen stonden bezorgd en betrokken. Hij keek Luce aan en glimlachte even. Toen hij zijn haar uit zijn ogen streek, zag Luce een kleine, donkerrode snee op zijn voorhoofd.
Randy loodste Penn, Arriane en Gabbe de deur uit. Luce kon haar ogen echter niet van Daniël afhouden. Hij stak een hand omhoog en mimede iets – ‘het spijt me’, meende ze –, en toen duwde Randy iedereen naar buiten.
‘Hopelijk hebben ze je niet al te moe gemaakt,’ zei Randy, terwijl ze met een niet erg meelevende frons dreigend in de deuropening bleef staan.
‘O, nee hoor!’ zei Luce, en ze schudde haar hoofd, want ze realiseerde zich dat ze inmiddels al niet meer zonder Penns trouw en Arrianes eigenzinnige manier om zelfs de somberste stemming op te vrolijken kon. Gabbe was ook echt heel aardig voor haar geweest. En Daniël had, ook al had ze hem nauwelijks gezien, meer gedaan om haar haar gemoedsrust terug te geven dan hij ooit zou weten. Hij was langsgekomen om te kijken hoe het met haar ging. Hij had aan haar gedacht.
‘Mooi,’ zei Randy, ‘want het bezoekuur is nog niet afgelopen.’
Weer begon Luce’ hart sneller te slaan en wachtte ze tot haar ouders binnenkwamen. Maar ze hoorde alleen een kordaat geklik op de linoleumvloer en even later zag Luce de kleine gestalte van juffrouw Sophia staan. Ze had een pasjmina in herfstkleuren over haar magere schouders gedrapeerd, en haar lippen waren heel bijpassend donkerrood gestift. Achter haar liepen een kleine kale man in pak en twee kalende politieagenten, een gezette en een magere, allebei met de armen over elkaar geslagen.
De gezette agent was de jongste van de twee. Hij ging op de stoel naast Luce zitten, maar toen hij zag dat verder iedereen was blijven staan, stond hij weer op en sloeg hij zijn armen weer over elkaar.
De kale man deed een stap naar voren en stak Luce zijn hand toe. ‘Ik ben meneer Schultz, de advocaat van Zwaard & Kruis.’ Luce schudde hem stijfjes de hand. ‘Deze agenten gaan je een paar vragen stellen. Geen dingen die voor de rechter gebruikt kunnen worden, alleen een poging om de precieze details van het ongeluk op een rijtje te krijgen…’
‘En ik stond erop om bij de ondervraging aanwezig te zijn, Lucinda,’ zei juffrouw Sophia erachteraan, en ze kwam naar voren om Luce over haar haar te aaien. ‘Hoe gaat het met je, kind?’ fluisterde ze. ‘Ben je je geheugen kwijtgeraakt van de shock?’
‘Het gaat wel…’
Toen zag Luce nog twee mensen in de deuropening staan en deed ze er het zwijgen toe. Toen ze de donkere krullen van haar moeder en de bril met het zware schildpadmontuur van haar vader zag, barstte ze bijna in tranen uit.
‘Mama,’ fluisterde ze, zo zacht dat verder niemand het verstond. ‘Papa.’
Ze snelden naar het bed toe, sloegen hun armen om haar heen en knepen in haar handen. Ze wilde niets liever dan hen omhelzen, maar voelde zich zo zwak dat ze eigenlijk niet veel meer kon dan stil blijven liggen en hun troostrijke vertrouwde aanrakingen ondergaan. Hun ogen stonden net zo angstig als zij zich voelde.
‘Liefje, wat is er gebeurd?’ vroeg haar moeder.
Ze kon geen woord uitbrengen.
‘Ik heb tegen ze gezegd dat je er geen schuld aan hebt,’ zei juffrouw Sophia, en ze draaide zich om om het de agenten nog eens in herinnering te brengen. ‘Die griezelige overeenkomsten kunnen me wat.’
In hun dossier stonden natuurlijk gegevens over het ongeluk van Trevor, en de agenten zouden dat natuurlijk… opmerkelijk vinden, gezien in het licht van Todds dood. Luce had genoeg ervaring met politieagenten om te weten dat ze alleen maar gefrustreerd en geërgerd zou raken.
De magere agent had lange bakkebaarden die al grijs begonnen te worden. Hij had zo te zien al zijn aandacht nodig voor haar dossier, dat hij geopend in zijn hand hield, want hij keek niet één keer naar haar op.
‘Juffrouw Price,’ zei hij met een sloom zuidelijk accent. ‘Waarom waren meneer Hammond en u op zo’n laat tijdstip nog alleen in de bibliotheek, terwijl alle andere leerlingen op een feestje waren?’
Luce keek even naar haar ouders. Haar moeder beet haar lippenstift eraf. Het gezicht van haar vader was zo wit als het laken.
‘Ik was niet met Todd,’ zei ze, want ze begreep niet waar de man met zijn vraag heen wilde. ‘Ik was met Penn, een vriendin van me. En juffrouw Sophia was er ook. Todd zat in z’n eentje te lezen, en toen de brand uitbrak, raakte ik Penn kwijt en was Todd de enige die ik kon vinden.’
‘De enige die u kon vinden… om wat mee te doen?’
‘Wacht eens even.’ Meneer Schultz deed een stap naar voren om de agent te onderbreken. ‘Het was een ongeluk – mag ik u daar even aan helpen herinneren? U bent geen verdachte aan het ondervragen.’
‘Nee, ik wil graag antwoord geven,’ zei Luce. Er waren zo veel mensen in dit piepkleine kamertje dat ze niet wist waar ze moest kijken. Ze keek de agent aan. ‘Wat bedoelt u precies?’
‘Hebt u een kwaadaardig karakter, juffrouw Price?’ Hij greep de map stevig beet. ‘Zou u uzelf een loner willen noemen?’
‘Zo kan-ie wel weer,’ onderbrak haar vader hem.
‘Ja, Lucinda is een serieuze leerling,’ voegde juffrouw Sophia eraan toe. ‘Ze droeg Todd Hammond geen kwaad hart toe. Het was een ongeluk, meer niet.’
De agent keek even naar de open deur, alsof hij wilde dat juffrouw Sophia buiten op de gang zou gaan staan. ‘Ja, mevrouw. Maar kijk, bij dit soort tuchtschoolzaken is het niet altijd verstandig om iemand maar meteen het voordeel van de twijfel te geven…’
‘Ik zal u alles vertellen wat ik weet,’ zei Luce, terwijl ze het laken in haar vuist tot een prop balde. ‘Ik heb niets te verbergen.’
Ze nam alles naar beste kunnen met hen door; ze sprak langzaam en duidelijk, om voor haar ouders vooral geen nieuwe vragen op te roepen, en zodat de agenten aantekeningen konden maken. Ze stond zichzelf niet toe emotioneel te worden, want dat was precies wat iedereen van haar verwachtte. En, met weglating van de schaduwen, leek het ook een logisch verhaal.
Ze waren naar de achteruitgang gerend. Die hadden ze gevonden, aan het eind van een lange gang. De trap liep vanaf de richel steil naar beneden en Todd en zij hadden allebei met zo’n vaart gerend dat ze niet konden voorkomen dat ze van de trap af vielen. Ze was hem kwijtgeraakt, was met haar hoofd zo hard ergens tegenaan gekomen dat ze pas twaalf uur later wakker was geworden. Meer herinnerde ze zich niet.
Ze gaf hun heel weinig aanleiding om nog verder door te vragen. Ze moest alleen nog met haar echte herinnering aan die avond in het reine zien te komen – in haar eentje.
Toen ze uitgepraat was, hield meneer Schultz zijn hoofd schuin naar de politieagenten, alsof hij wilde zeggen ‘zo, nu tevreden?’, en juffrouw Sophia keek Luce stralend aan, alsof ze samen een onmogelijke taak hadden geklaard. De moeder van Luce slaakte een lange zucht.
‘We gaan dit op het bureau nog eens grondig bestuderen,’ zei de magere agent, en toen deed hij het dossier van Luce zo gelaten dicht dat het leek alsof hij een bedankje wilde voor zijn inspanningen.
Vervolgens verlieten ze gevieren de kamer en bleef Luce alleen achter met haar ouders.
Ze keek hen aan met haar allerbeste ‘neem me mee naar huis’-blik. De lip van haar moeder trilde, maar haar vader slikte alleen maar.
‘Randy neemt je vanmiddag mee terug naar Zwaard & Kruis,’ zei hij. ‘Kijk niet zo geschrokken, liefje. De dokter zei dat het goed met je ging.’
‘Uitstekend zelfs,’ zei haar moeder erachteraan, maar ze klonk onzeker.
Haar vader gaf haar een klopje op haar arm. ‘We zien je zaterdag. Dat is al over een paar dagen.’
Zaterdag. Ze deed haar ogen dicht. De ouderdag. Ze had zich erop verheugd vanaf het moment dat ze op Zwaard & Kruis was aangekomen, maar nu was alles bedorven door Todds dood. Het leek bijna alsof haar ouders blij waren dat ze bij haar weg konden. Ze gaven de indruk dat ze eigenlijk niets te maken wilden hebben met het feit dat hun dochter op een tuchtschool zat. Ze waren vreselijk normaal. Ze kon het hun ook niet kwalijk nemen.
‘Rust maar wat, Luce,’ zei haar vader, en hij bukte zich om haar een kus op haar voorhoofd te geven. ‘Je hebt een lange, zware nacht achter de rug.’
‘Maar…’
Ze wás ook doodmoe. Ze sloot even haar ogen en toen ze ze weer opendeed, stonden haar ouders al in de deuropening te zwaaien.
Ze plukte een dikke witte bloem uit de vaas en bracht die langzaam naar haar gezicht om de diep gelobde bladeren en de tere bloemblaadjes te bewonderen, en de nog vochtige druppels nectar middenin. Ze snoof de zachte, kruidige geur van de bloem op.
Ze probeerde zich voor te stellen hoe de bloemen er in Daniëls handen uitgezien zouden hebben. Ze probeerde zich voor te stellen hoe hij eraan was gekomen en waaraan hij had gedacht.
Het was een heel vreemde keuze. In de moerassen van Georgia groeiden geen wilde pioenen. Ze deden het niet eens in de tuin van haar vader in Thunderbolt. En bovendien had Luce nog nooit zulke pioenen als deze gezien. De bloemen waren zo groot als haar tot een kommetje gevormde hand, en de geur deed haar ergens aan denken, maar ze kon haar vinger er niet op leggen.
‘Het spijt me,’ had Daniël gezegd. Alleen begreep Luce niet wát hem dan speet.