3 DE DUISTERNIS VALT

Luce slingerde traag door de vochtige gang van huize Pauline naar haar kamer, terwijl ze haar rode weekendtas met het kapotte hengsel achter zich aan trok. De muren hadden hier de kleur van een stoffig schoolbord – en het was in het hele gebouw vreemd stil, op het doffe gezoem van de gele fluorescerende lampen na die aan de systeemplafonds vol vochtplekken hingen.

Luce was vooral verbaasd om zo veel dichte deuren te zien. Op Dover had ze altijd naar wat meer privacy verlangd, naar verlossing van de feestjes over de hele gang die op alle uren konden losbarsten. Je kon je kamer niet binnenlopen zonder over een rituele bijeenkomst van in identieke spijkerbroek gestoken meisjes te struikelen die in kleermakerszit in een kring bijeen zaten, of over een stelletje met verklonken lippen.

Maar op Zwaard & Kruis… Nou, óf iedereen was al aan hun dertig bladzijden tellende werkstuk begonnen, óf het sociale verkeer was hier meer van het genre dat zich achter gesloten deuren afspeelde.

Nu we het er toch over hadden: die gesloten deuren waren op zich al een hele bezienswaardigheid. Als de leerlingen op Zwaard & Kruis al vindingrijk waren wat betreft hun overtredingen van de kledingvoorschriften, dan waren ze echt regelrecht ingenieus als het op het pimpen van hun kamer aankwam. Luce was al langs een deursponning gekomen met een kralengordijn ervoor, en langs een deur met een welkomstmat met bewegingsdetector die haar aanmoedigde met ‘doorlopen jij’ toen ze langskwam.

Ze bleef staan voor de enige blanco deur in het gebouw. Kamer 63. Home bitter home. Ze zocht in het voorvak van haar rugzak naar haar sleutel, haalde diep adem en maakte de deur van haar cel open.

Het was niet eens zo heel erg. Of misschien was het gewoon niet zo erg als ze had verwacht. De kamer had een raam van redelijke afmetingen dat je open kon schuiven om wat minder verstikkende avondlucht binnen te laten. En achter de ijzeren tralies had de aanblik van het in maanlicht badende binnenterrein eigenlijk wel iets interessants, als ze niet te hard nadacht over de begraafplaats die daarachter lag. Ze had een kast en een wasbakje, een bureau om haar huiswerk aan te maken – nu ze er eens goed over nadacht was het verdrietigste in de hele kamer wel de glimp die Luce van zichzelf opving in de langwerpige spiegel die achter de deur hing.

Ze wendde snel haar blik af, want ze wist maar al te goed wat ze in het spiegelbeeld zou aantreffen. Haar gezicht zag er afgetrokken en moe uit. Haar lichtbruine ogen waren gespikkeld van de spanning. Haar haar zag eruit als de vacht van de hysterische dwergpoedel van haar ouders na een fikse regenbui. Penns trui hing als een jutezak om haar heen. Ze rilde. De lessen van die middag waren niet beter geweest dan die van de ochtend, en dat was grotendeels te wijten aan het feit dat haar grootste angst was uitgekomen: de hele school noemde haar inmiddels Gehaktbrood. En het zag er jammer genoeg naar uit dat deze bijnaam, net als het spul zelf, hardnekkig aan haar zou blijven kleven.

Ze wilde haar tas uitpakken en de neutraal uitziende kamer 63 in iets van zichzelf veranderen, waar ze naartoe kon gaan als ze nodig moest ontsnappen en zich prettig wilde voelen. Maar ze kwam niet verder dan het opentrekken van de rits van haar tas. Daarna zeeg ze verslagen op het onopgemaakte bed neer. Ze voelde zich mijlenver van huis verwijderd. Het was maar 22 minuten rijden met de auto van de los in zijn scharnieren hangende, witgeschilderde achterdeur van haar huis naar de verroeste smeedijzeren toegangshekken van Zwaard & Kruis, maar het had net zo goed 22 jaar kunnen zijn.

Vanochtend hadden de buurten er tijdens de eerste helft van de zwijgzame rit met haar ouders allemaal zo’n beetje hetzelfde uitgezien: slaperige zuidelijke voorsteden voor de middenklasse. Maar toen was het verder over de verhoogde weg in de richting van de kust gegaan en was het terrein steeds moerasachtiger geworden. Een groepje mangrovebomen gaf het begin van het moerasgebied aan, maar al snel verdwenen ook die. De laatste vijftien kilometer naar Zwaard & Kruis waren troosteloos. Grijsbruin, saai, verlaten. Thuis in Thunderbolt maakten de mensen uit de omgeving van de stad altijd grapjes over de vreemde gedenkwaardige stank die hier hing: als je auto naar zompige modder begon te ruiken wist je dat je in de moerassen was.

Luce mocht dan in Thunderbolt zijn opgegroeid, ze was niet echt bekend met het uiterste oostelijke deel van de provincie. Als kind was ze er gewoon altijd van uitgegaan dat dat kwam doordat er geen reden was om hier te komen – alle winkels, scholen en iedereen die haar familie kende, bevonden zich aan de westkant. De oostkant was gewoon minder ontwikkeld. Meer niet.

Ze miste haar ouders, die op het T-shirt boven in haar tas een Post-it hadden geplakt: WE HOUDEN VAN JE! EEN PRICE IS NIET KAPOT TE KRIJGEN! Ze miste haar kamer thuis, die uitzag op de tomatenplanten van haar vader. Ze miste Callie, die haar vast en zeker al minstens tien sms’jes had gestuurd die ze nooit te zien zou krijgen. Ze miste Trevor…

Hoewel, het lag iets anders. Ze miste hoe het leven was geweest toen ze voor het eerst met Trevor in gesprek was geraakt. Toen ze iemand had aan wie ze kon denken als ze’s nachts niet kon slapen, toen ze een beetje suf iemands naam in haar schriften kon krabbelen. In werkelijkheid hadden Luce en Trevor nooit echt de kans gekregen om elkaar goed te leren kennen. Het enige aandenken dat ze had was de foto die Callie in het geheim had genomen vanaf de andere kant van het footballveld, tussen twee sets diepe kniebuigingen door, toen Luce en hij vijftien seconden hadden gepraat over… over zijn diepe kniebuigingen. En de enige date die ze ooit met hem had gehad, was niet eens een echte date geweest – hooguit een gestolen uurtje, toen hij haar had meegetrokken, weg van de rest van het feest. Een uur waar ze de rest van haar leven spijt van zou hebben.

Het was allemaal heel onschuldig begonnen, gewoon twee mensen die een stukje langs het meer waren gaan wandelen, maar al snel was Luce de schaduwen gaan voelen die dreigend boven haar hingen. Toen raakten Trevors lippen de hare, en het vuur schoot door haar lichaam, zijn ogen werden wit van angst… en een paar seconden later was het leven zoals ze dat had gekend in vlammen opgegaan.

Luce rolde zich op haar zij en begroef haar gezicht in de kromming van haar arm. Ze had maanden om de dood van Trevor gerouwd, en nu ze in deze vreemde kamer lag, met de metalen spijlen die zich door de dunne matras heen in haar huid groeven, voelde ze de egoïstische futiliteit van dit alles. Ze had Trevor net zomin gekend als ze… nou ja, als ze Cam kende.

Er werd op haar deur geklopt, en Luce schoot omhoog van het bed. Hoe wist iemand haar hier te vinden? Ze liep op haar tenen naar de deur en maakte hem open. Toen stak ze haar hoofd de wel heel erg lege gang in. Ze had niet eens voetstappen gehoord, en er viel in geen velden of wegen iemand te bekennen die net bij haar had kunnen aankloppen.

Behalve dan dat er een papieren vliegtuigje met een punaise midden op het kurkbord naast haar deur geprikt zat. Luce glimlachte toen ze haar naam in zwarte stift op de vleugel geschreven zag staan, maar toen ze het briefje openvouwde, stond er alleen een zwarte pijl op getekend die recht de gang door wees.

Arriane had haar inderdaad gevraagd of ze vanavond wilde langskomen, maar dat was vóór het incident met Molly in de kantine geweest. Luce keek de lege gang door en vroeg zich af of ze de cryptische pijl moest volgen. Toen keek ze weer naar haar reusachtige weekendtas, haar zielige gezelschap dat wachtte om uitgepakt te worden. Ze haalde haar schouders op, trok haar deur dicht, stopte haar sleutel in haar zak en begon te lopen.

Ze bleef staan voor een deur aan de andere kant van de gang om even een enorm grote poster van Sonny Terry te bekijken – een blinde muzikant die ze van de bekraste platencollectie van haar vader kende en die op de mondharmonica waanzinnig de blues kon spelen. Ze boog zich naar voren om de naam op het prikbord te lezen, maar realiseerde zich toen tot haar schrik dat ze voor de kamer van Roland Sparks stond. Onmiddellijk begon ze, heel irritant, ergens in een hoekje van haar brein de kans te berekenen dat Roland bezoek had van Daniël, die dan door slechts een dunne deur van Luce gescheiden was.

Luce schrok op van een mechanische zoemtoon. Ze keek recht in een bewakingscamera die in de muur boven Rolands deur bevestigd was. De rooien. Die al haar bewegingen nauwlettend volgden. Ze deinsde achteruit en schaamde zich om redenen die geen enkele camera zou kunnen vastleggen. Maar goed, ze kwam voor Arriane, wier kamer toevallig recht tegenover die van Roland lag.

Toen Luce voor Arrianes kamer stond, kreeg ze een gevoelig steekje. De hele deur was beplakt met bumperstickers – sommige gedrukt, andere duidelijk van eigen makelij. Het waren er zoveel dat ze elkaar overlapten, zodat elke slogan degene ervoor half bedekte en vaak ook tegensprak. Luce zag al helemaal voor zich hoe Arriane de bumperstickers zonder onderscheid te maken verzamelde (GEMENE MENSEN AAN DE MACHT; MIJN DOCHTER IS GVD LEERLING OP ZWAARD & KRUIS; STEM OP WETSVOORSTEL 666) en ze dan lukraak, maar wel gedreven, op haar deur plakte.

Luce was gerust een uur zoet geweest als ze alles op Arrianes deur had willen lezen, maar zodra ze ermee begon voelde ze zich al ongemakkelijk over het feit dat ze voor de deur van een kamer stond terwijl ze niet eens zeker wist of ze daar wel was uitgenodigd. Toen zag ze het tweede vliegtuigje. Ze haalde het van het prikbord en vouwde het briefje open.

Lieve Luce,

Als je vanavond echt bent langsgekomen om te chillen, dan petje af! Wij kunnen het vast prima met elkaar vinden.

Als je me hebt laten zitten… dan met je tengels van mijn briefje afblijven, ROLAND! Hoe vaak moet ik het nog zeggen? Jezus.

Maar goed: ik weet dat ik heb gezegd dat je vanavond moest langskomen, maar ik moest toen ik van mijn middagje uitrusten in de ziekenboeg vandaan kwam (het zilveren randje rond mijn stroomstootbehandeling van vandaag) meteen een biologieproefwerk bij de Albatros inhalen. Dus je houdt het nog te goed, oké?

Met psychotische hoogachting,

A.

Luce stond met het briefje in haar hand en wist niet goed wat ze nu moest doen. Ze was opgelucht te lezen dat Arriane goed was verzorgd, maar ze wilde toch dat ze het meisje persoonlijk had kunnen zien. Ze wilde de nonchalante toon van Arrianes stem zelf horen, zodat ze wist wat ze moest denken van wat er vandaag in de kantine was gebeurd. Maar terwijl Luce daar zo in de gang stond, wist ze helemaal niet meer hoe ze de gebeurtenissen van die dag moest verwerken. Toen het eindelijk tot haar doordrong dat ze alleen was, dat het donker was en dat ze op Zwaard & Kruis zat, voelde ze een stille paniek komen opzetten.

Achter haar hoorde ze een deur opengaan. Er verscheen een reepje wit licht vlak voor haar voeten. Luce hoorde dat er muziek uit de kamer kwam.

‘Wat doe jij daar nou?’ Het was Roland, die in een wit, gescheurd T-shirt en een spijkerbroek in zijn deuropening stond. Hij had zijn dreadlocks in een geel elastiek boven op zijn hoofd vastgebonden en hij hield een harmonica voor zijn mond.

‘Ik kwam voor Arriane,’ zei Luce, terwijl ze probeerde om vooral niet langs hem heen te kijken of er nog iemand in de kamer was. ‘We zouden…’

‘Er is niemand thuis,’ zei hij cryptisch. Luce wist niet of hij daarmee Arriane bedoelde of de rest van de leerlingen die in dit gebouw hun kamer hadden, of iets anders. Hij speelde een paar maten op de harmonica en bleef haar ondertussen de hele tijd aankijken. Toen hield hij de deur iets verder open en trok zijn wenkbrauwen op. Ze wist niet goed of hij haar nu uitnodigde om binnen te komen of niet.

‘Ach, ik was onderweg naar de bibliotheek, dus ik dacht: ik ga even langs,’ jokte ze snel, en ze draaide zich weer om en liep terug, dezelfde kant op als waaruit ze gekomen was. ‘Ik moet een bepaald boek hebben.’

‘Luce,’ riep Roland haar na.

Ze draaide zich om. Ze hadden nog niet officieel kennis met elkaar gemaakt, en ze had niet verwacht dat hij wist hoe ze heette. Zijn ogen glimlachten haar even toe en hij gebruikte de harmonica om haar de andere kant op te wijzen. ‘De bibliotheek is die kant op,’ zei hij. Hij sloeg zijn armen over elkaar. ‘En vooral de bijzondere collecties in de oostvleugel bekijken. Die zijn echt de moeite waard.’

‘Bedankt,’ zei Luce, en met een heel dankbaar gevoel veranderde ze van richting. Roland leek op dat moment heel echt, terwijl hij zwaaide en nog een paar afscheidsmaten op zijn mondharmonica speelde en zij wegliep. Misschien had hij haar eerder op de dag alleen maar zenuwachtig gemaakt doordat ze hem als de vriend van Daniël beschouwde. Roland kon best heel aardig zijn. Terwijl ze de gang doorliep, klaarde ze al wat op. Eerst was er het briefje van Arriane, dat bits en sarcastisch was geweest, maar daarna had ze een niet-vervelende ontmoeting met Roland Sparks gehad, en bovendien wilde ze écht even naar de bibliotheek. Ze begon zich al wat beter te voelen.

Toen Luce bijna aan het eind van de gang was, waar de kamers van de leerlingen ophielden en de gang afboog naar de vleugel waar de bibliotheek zich bevond, kwam ze langs de enige andere deur op deze verdieping die op een kier stond. Deze deur vertoonde geen decoratieve flair, maar iemand had hem daarentegen helemaal zwart geschilderd. Toen ze dichterbij kwam, hoorde ze dat er binnen boze heavy metal werd gedraaid. Ze hoefde niet eens te blijven staan om de naam op de deur te lezen. Het was de kamer van Molly.

Luce versnelde haar pas en was zich plotseling bewust van elke dreun die haar zwarte rijlaarzen op het linoleum maakten. Ze realiseerde zich pas dat ze haar adem in had gehouden toen ze door de houten bibliotheekdeuren was en haar adem weer uitblies.

Luce keek de bibliotheek rond en kreeg een warm gevoel vanbinnen. Ze was altijd al dol geweest op de vage zoet-muffe geur die je alleen in een kamer vol boeken rook. Het zachte geluid van bladzijden die zo nu en dan werden omgeslagen vond ze prettig. Op Dover was de bibliotheek altijd haar toevluchtsoord geweest, en Luce werd bijna overspoeld door opluchting toen ze zich realiseerde dat deze bibliotheek haar wel eens hetzelfde gevoel van een veilig heenkomen kon bieden. Ze kon bijna niet geloven dat deze plek bij Zwaard & Kruis hoorde. Het was bijna… nee, het was echt… uitnodigend.

De muren waren betimmerd met donker mahoniehout en de plafonds waren heel hoog. Langs één wand bevond zich een bakstenen open haard. Er stonden lange houten tafels, verlicht met van die ouderwetse groene bankierslampen, en gangpaden vol boeken, verder dan haar oog reikte. Luce wandelde de bibliotheek in en het geluid van haar laarzen werd gedempt door een dik Perzisch tapijt.

Er zaten een paar leerlingen te studeren – niemand die Luce van naam kende –, maar zelfs de wat meer punkachtig uitziende leerlingen maakten een veel minder bedreigende indruk nu ze met hun hoofd over een boek gebogen zaten. Ze naderde een groot rond bureau midden in het vertrek, die de uitleenbalie vormde. Die lag bezaaid met stapels papieren en boeken en had een gezellige studentikoze rommeligheid die Luce aan haar ouderlijk huis deed denken. De boeken waren zo hoog opgetast dat Luce de bibliothecaresse die erachter zat bijna niet zag. Met de energie van iemand die op zoek is naar goud zat ze wat papierwerk door te bladeren. Toen Luce op haar af liep, schoot haar hoofd omhoog.

‘Hallo!’ De vrouw glimlachte – ze glímlachte daadwerkelijk – naar Luce. Haar haar was niet grijs, maar zilverkleurig, met een soort schittering erin die zelfs in het zachte licht van de bibliotheek fonkelde. Haar gezicht zag er tegelijk oud en jong uit. Ze had een bleke, bijna doorschijnende huid, heldere zwarte ogen en een heel klein puntig neusje. Toen ze tegen Luce begon te praten, schoof ze de mouwen van haar witte kasjmieren trui omhoog, zodat de talloze parelarmbanden te zien waren die allebei haar polsen sierden. ‘Kan ik je helpen? Zoek je iets speciaals?’ vroeg ze op blije fluistertoon.

Luce voelde zich meteen op haar gemak bij deze vrouw, en ze keek even naar het naambordje op haar bureau. Sophia Bliss. Ze wilde dat ze een bepaald boek wist dat ze kon opvragen. Deze vrouw was de eerste gezaghebbende persoon die ze vandaag gezien had wier hulp ze daadwerkelijk zou willen inroepen. Maar ze keek hier alleen even rond… Toen herinnerde ze zich wat Roland Sparks tegen haar had gezegd.

‘Ik ben nieuw hier,’ legde ze uit. ‘Lucinda Price. Kunt u me vertellen waar de oostvleugel is?’

De vrouw keek Luce aan met de glimlach die ze al haar hele leven van bibliothecaressen kreeg en die leek te willen zeggen: ‘Jij lijkt me wel een lezertje.’ ‘Die kant op,’ zei ze, en ze wees naar een rij hoge ramen aan de andere kant van het vertrek. ‘Ik ben juffrouw Sophia, en als mijn rooster klopt zit jij op dinsdag en donderdag bij mij in de werkgroep religie. O, dat belooft zo leuk te worden!’ Ze knipoogde. ‘Mocht je in de tussentijd iets nodig hebben, dan weet je me hier te vinden. Leuk om kennis met je gemaakt te hebben, Luce.’

Luce glimlachte om haar te bedanken, zei opgewekt tegen juffrouw Sophia dat ze haar dan morgen wel in de les zou zien en liep in de richting van de ramen. Pas toen ze bij de bibliothecaresse wegliep, verbaasde ze zich over de vreemde, intieme manier waarop de vrouw haar bij haar roepnaam had genoemd.

Ze was net het grote studiegedeelte uit en liep langs de hoge, elegante boekenkasten toen er iets donkers en onheilspellends over haar hoofd trok. Ze keek omhoog.

Nee. Niet hier. Alsjeblieft. Laat me hier alsjeblieft met rust.

Als de schaduwen kwamen en gingen wist Luce nooit precies waar ze zouden ophouden of hoe lang ze zouden wegblijven.

Ze begreep niet wat er nu aan de hand was. Er was iets anders. Ze was bang, ja, maar ze kreeg het niet koud. Nee, ze kreeg zelfs een beetje een warm gevoel, alsof ze rood aanliep. Het was warm in de bibliotheek, maar zo warm nu ook weer niet. En toen zag ze Daniël.

Hij zat met zijn gezicht naar het raam en zijn rug naar haar toe over een verhoging gebogen waarop in witte letters SPECIALE COLLECTIES stond. Hij had de mouwen van zijn versleten leren jack tot rond zijn ellebogen omhooggeschoven, en zijn blonde haar glansde in het licht. Hij hield zijn schouders gekromd, en toch had Luce opnieuw de aandrang om zich ertussen te vlijen. Ze schudde het uit haar hoofd en ging op haar tenen staan om hem beter te kunnen zien. Ze wist het niet zeker, maar van hieraf leek het wel of hij iets zat te tekenen.

Toen Luce keek hoe hij een heel klein beetje zijn lichaam bewoog terwijl hij schetste, was het net alsof haar ingewanden in brand stonden, net als wanneer ze iets heets had doorgeslikt. Ze begreep niet waarom en het sloeg nergens op, maar ze had zomaar het wilde voorgevoel dat Daniël háár tekende.

Ze moest vooral niet naar hem toe gaan. Ze kende hem immers niet eens, ze had nog nooit echt met hem gesproken. Vooralsnog had hun enige contact bestaan uit een middelvinger en een paar vuile blikken. Maar om de een of andere reden leek het haar van het grootst mogelijke belang dat ze erachter kwam wat er op dat schetsblok stond.

Toen wist ze het. De droom die ze de nacht ervoor had gehad. In een superkorte flits kwam het allemaal weer bij haar terug. In de droom was het ’s avonds heel laat geweest – het was vochtig en kil, en ze had iets langs en wapperends aangehad. Ze stond tegen een raam met een gordijn ervoor geleund, in een kamer die haar niet bekend voorkwam. De enige andere aanwezige was een man… of een jongen – zijn gezicht had ze niet te zien gekregen. Hij schetste haar beeltenis op een dik pak papier. Haar haar. Haar hals. De precieze contour van haar profiel. Ze stond achter hem, te bang om hem te laten merken dat ze keek, te geïntrigeerd om zich om te draaien.

Luce voelde iets in haar schouder knijpen en schoot naar voren. Daarna dreef het boven haar hoofd. De schaduw was weer terug. Hij was zwart en net zo dicht als een gordijn.

Haar hart bonkte nu zo hard dat het geluid haar oren vulde en het duistere geritsel van de schaduw buitensloot, het geluid van haar voetstappen buitensloot. Daniël keek op van zijn werk en leek zijn ogen omhoog te richten, naar precies de plek waar de schaduw zweefde, maar hij schrok niet zoals zij geschrokken was.

Hij kon hem natuurlijk ook niet gezien hebben. Zijn blik richtte zich heel kalm naar buiten.

Ze kreeg een steeds warmer gevoel vanbinnen. Ze was nu zo dichtbij dat ze bang was dat hij de hitte die van haar huid sloeg moest kunnen voelen.

Luce probeerde zo stil mogelijk over zijn schouder op het schetsblok te kijken. Een fractie van een seconde zag ze voor haar geestesoog de ronding van haar eigen naakte hals in potlood op het blad papier geschetst. Maar toen knipperde ze met haar ogen en toen ze weer naar het blad keek, moest ze heel hard slikken.

Het was een landschap. Daniël tekende het uitzicht op de begraafplaats, in bijna volmaakt detail. Luce had nog nooit iets gezien waar ze zo verdrietig van werd.

Ze wist niet waarom. Het was belachelijk – zelfs voor haar – dat ze had gedacht dat haar bizarre intuïtie waar zou blijken te zijn. Er was geen enkele reden waarom Daniël haar zou tekenen. Dat wist ze best. Net zoals ze wist dat er voor hem geen enkele reden was geweest om die ochtend zijn middelvinger naar haar op te steken. Maar dat had hij wel gedaan.

‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij. Hij had zijn schetsboek dichtgeslagen en keek haar ernstig aan. Zijn volle lippen stonden in een rechte lijn en zijn grijze ogen waren dof. Hij keek voor de verandering eens niet boos; hij zag er eerder uitgeput uit.

‘Ik kom een boek uit de speciale collecties opzoeken,’ zei ze met onvaste stem. Maar toen ze om zich heen keek, besefte ze al snel dat ze een fout had begaan. De speciale collecties was geen boekenafdeling, maar een open ruimte in de bibliotheek waar een tentoonstelling van kunstvoorwerpen over de Burgeroorlog in de negentiende eeuw was ingericht. Daniël en zij stonden in een heel kleine galerij met bronzen bustes van oorlogshelden, vitrines vol oude promesses en landkaarten van de geconfedereerde zuidelijke staten. Het was het enige deel van de bibliotheek waar geen boek te bekennen viel.

‘Nou, veel succes dan maar,’ zei Daniël, en hij deed zijn schetsboek weer open, alsof hij maar alvast preventief ‘tot kijk’ wilde zeggen.

Luce kon geen woord uitbrengen. Ze schaamde zich en had het liefst de benen willen nemen. Maar de schaduwen hielden zich nog bij haar in de buurt op, en om de een of andere reden was Luce daar rustiger onder als ze bij Daniël was. Dat sloeg nergens op – alsof hij iets kon doen om haar ertegen te beschermen.

Ze stond als aan de grond genageld. Hij keek even naar haar op en zuchtte.

‘Zeg, een vraagje: vind jij het leuk om beslopen te worden?’

Luce dacht aan de schaduwen en aan wat die op dit moment met haar deden. Zonder er verder bij na te denken schudde ze ruw haar hoofd.

‘Goed, dat hebben we dan gemeen.’ Hij schraapte zijn keel en keek haar nadrukkelijk aan, waarmee hij nog maar eens benadrukte dat zíj hier de indringer was.

Misschien moest ze uitleggen dat ze zich een beetje licht in haar hoofd voelde en gewoon even moest zitten. Ze begon met: ‘Moet je horen, mag ik…’

Maar Daniël pakte zijn tekenblok en stond op. ‘Ik kwam hier om met rust gelaten te worden,’ onderbrak hij haar. ‘Als jij niet weggaat, ga ik.’

Hij stopte het schetsblok in zijn rugzak. Toen hij langs haar heen liep, raakte zijn schouder even de hare. De aanraking mocht dan nog zo kort geweest zijn, Luce voelde toch een statische schok, zelfs door al hun kledinglagen heen.

Daniël bleef ook even doodstil staan. Ze draaiden hun hoofd om om elkaar aan te kijken en Luce deed haar mond open. Voor ze echter iets kon zeggen, had Daniël zich al met een ruk omgedraaid en liep hij snel naar de deur. Terwijl Luce hem nakeek zag ze de schaduwen boven zijn hoofd kruipen, in een kring rondtollen en toen door het raam naar buiten vliegen, de avond in.

De kilte die ze achterlieten bezorgde haar de rillingen, en ze bleef nog een hele tijd op de afdeling voor de speciale collecties staan, voelde aan haar schouder waar Daniël die had aangeraakt en merkte dat de hitte afnam.