16 EEN ONZEKER LOT

Luce stond op de kruising van de begraafplaats aan de noordkant van de campus en het pad naar het meer aan de zuidkant. Het was vroeg in de avond en de bouwvakkers waren naar huis. Het licht filterde door de takken van de eiken achter het sportcomplex en wierp vlekkerige schaduwen op het gazon dat naar het meer liep. En dat naar Luce lonkte. Ze wist niet goed welke kant ze op moest gaan. Ze had twee brieven in haar hand.

De eerste, van Cam, met de excuses die ze al had verwacht, en een dringend verzoek om na school naar hem toe te komen om het uit te praten. De tweede van Daniël, waar niet meer in stond dan: ‘kom naar het meer’. Ze kon niet wachten. Haar lippen tintelden nog van hun kus van de avond ervoor. Ze moest voortdurend denken aan zijn vingers in haar haar, of aan zijn lippen in haar hals.

Andere delen van die avond waren mistiger, zoals wat er was gebeurd nadat ze op het strand naast Daniël was gaan zitten. Vergeleken met de manier waarop zijn handen haar lichaam nog geen tien minuten daarvoor in vervoering hadden gebracht, had Daniël toen bijna bang geleken om haar aan te raken.

Hij was door niets uit zijn verdoving te halen. Hij mompelde voortdurend hetzelfde: ‘Er moet iets gebeurd zijn. Er is iets veranderd,’ en dan staarde hij haar met verdriet in zijn ogen aan, alsof zíj het antwoord wist, alsof zíj enig idee had wat hij daarmee bedoelde. Uiteindelijk was ze tegen zijn schouder in slaap gevallen, uitkijkend op de etherische zee.

Toen ze uren later wakker werd, droeg hij haar de trap op naar haar kamer. Ze realiseerde zich tot haar schrik dat ze de hele weg terug naar school had geslapen – en ze schrok nog erger van de vreemde gloed die in de gang hing. Het was terug. Daniëls licht. Waarvan ze niet eens wist of hij dat ook kon zien.

Alles om hen heen baadde in dat zachte paarse licht. De witte deuren van de andere leerlingen, volgeplakt met bumperstickers, hadden een neontint aangenomen. De doffe linoleumtegels leken licht te geven. Het raam dat uitkeek op de begraafplaats gaf bij het eerste vleugje mat geel ochtendlicht van buiten een paarse glans af. En dat alles zo voor het oog van de rooien.

‘We zijn er gloeiend bij,’ fluisterde ze, zenuwachtig en nog half in slaap.

‘Over de rooien maak ik me geen zorgen,’ zei Daniël kalm, en hij volgde haar blik naar de camera’s. Aanvankelijk klonken zijn woorden sussend, maar toen kreeg ze toch haar bedenkingen, want zijn stem had een bepaalde ongemakkelijke ondertoon: als Daniël zich geen zorgen maakte over de rooien, dan maakte hij zich zorgen over iets anders.

Toen hij haar in haar bed legde, gaf hij haar zacht een kus op haar voorhoofd en haalde toen diep adem. ‘Niet plotseling verdwijnen,’ zei hij.

‘Weinig kans.’

‘Nee, ik meen het.’ Hij sloot zijn ogen en hield ze een hele tijd dicht. ‘Rust nu maar wat uit – maar kom morgen wel voor de les even naar me toe. Ik moet met je praten. Beloofd?’

Ze kneep in zijn hand om hem voor nog één laatste kus naar zich toe te trekken. Ze hield zijn gezicht tussen haar handen en smolt in hem weg. Elke keer dat haar ogen opengingen, zag ze dat hij haar aankeek. Heerlijk vond ze dat.

Eindelijk liep hij achteruit en bleef in de deuropening naar haar staan kijken; zijn ogen brachten haar hart net zo op hol als zijn lippen zojuist nog hadden gedaan. Toen hij in de gang verdween en de deur achter zich sloot, viel Luce in een heel diepe slaap.

Ze had door de ochtendlessen heen geslapen en was aan het begin van de middag met een herboren en fris gevoel wakker geworden. Het kon haar helemaal niet schelen dat ze geen excuus had waarom ze niet op school was verschenen. Ze vond het alleen vervelend dat ze doordat ze zich had verslapen ook Daniël niet had gezien. Ze zou hem zo snel mogelijk gaan zoeken, en dan begreep hij het wel.

Om een uur of twee, toen het haar eindelijk begon te dagen dat ze iets moest eten of misschien maar eens in de godsdienstles van juffrouw Sophia moest verschijnen, kwam ze met tegenzin uit bed. Op dat moment zag ze dat er twee enveloppen onder haar deur door geschoven waren, en dat werkte bepaald niet mee aan haar bedoeling om haar kamer te verlaten.

Ze moest Cam eerst de waarheid zeggen. Als ze naar het meer ging, vóór de begraafplaats, wist ze dat het haar nooit zou lukken om afscheid te nemen van Daniël. Als ze eerst naar de begraafplaats ging, zou ze zich door haar verlangen om Daniël weer te zien moedig genoeg voelen om de dingen tegen Cam te zeggen waarvoor ze eerst te zenuwachtig was geweest. Voordat de avond ervoor zo griezelig was geworden en uit de hand was gelopen.

Luce worstelde zich door haar angst om Cam te zien heen en liep het grasveld over naar de begraafplaats. Het was vroeg in de avond en het was warm en de lucht was plakkerig van vochtigheid. Het werd zo’n zwoele avond waarop de zeewind uit de verte nooit sterk genoeg werd om alles een beetje af te koelen. Er was niemand op de campus en de blaadjes aan alle bomen hingen stil. Luce had wel het enige op Zwaard & Kruis kunnen zijn wat zich daadwerkelijk voortbewoog. Iedereen was natuurlijk al klaar met de lessen en voor de avondmaaltijd de kantine in gedromd, en Penn – en misschien ook nog wel andere mensen – vroeg zich onderhand vast af waar Luce uithing.

Cam stond, toen ze daar aankwam, tegen het met mos bespikkelde hek van de begraafplaats geleund. Hij leunde met zijn ellebogen op de ijzeren palen in de vorm van wijnranken, en hield zijn schouders naar voren getrokken. Hij schopte met de stalen neus van zijn dikke zwarte schoen tegen een paardenbloem. Luce kon zich niet heugen dat ze hem ooit zo in zichzelf gekeerd had gezien; meestal legde Cam een levendige belangstelling voor de wereld om hem heen aan de dag.

Maar dit keer keek hij zelfs pas naar haar op toen ze recht voor hem stond. En toen hij dat deed, zag ze dat zijn gezicht asgrauw was. Zijn haar lag plat tegen zijn hoofd en ze zag tot haar verbazing dat hij zich wel eens mocht scheren. Zijn ogen dwaalden over haar gezicht, alsof het hem moeite kostte om zich op een van haar gelaatstrekken te concentreren. Hij zag er geradbraakt uit, niet gehavend van de vechtpartij, maar gewoon alsof hij al een paar nachten niet had geslapen.

‘Je bent gekomen.’ Zijn stem klonk hees, maar hij besloot zijn woorden met een glimlachje.

Luce liet haar knokkels kraken, en ze bedacht dat het lachen hem zo wel zou vergaan. Ze knikte en hield zijn brief omhoog.

Hij wilde haar hand pakken, maar ze trok haar arm weg en deed alsof ze die hand nodig had om het haar uit haar ogen te strijken.

‘Ik dacht dat je misschien boos was over gisteravond,’ zei hij, en hij maakte zich los van het hek. Hij zette een paar stappen de begraafplaats op en ging toen in kleermakerszit op een grijsmarmeren bankje tussen de eerste rij graven zitten. Hij veegde de aarde en broze bladeren weg en klopte toen op de lege plek naast hem.

‘Boos?’ zei ze.

‘Dat is meestal de reden waarom mensen een café uit stormen.’

Ze ging zo zitten dat ze hem kon aankijken, ook in kleermakerszit. Van hieraf kon ze de bovenste takken van de reusachtige oude eik in het midden van de begraafplaats zien, waar Cam en zij een keer’s middags hadden zitten picknicken – het leek inmiddels wel een eeuwigheid geleden.

‘Ik weet het niet,’ zei Luce. ‘Ik ben meer verbijsterd. In de war misschien. Teleurgesteld.’ Ze huiverde bij de herinnering aan de ogen van die vieze vent toen hij haar beetpakte, aan de misselijkmakende werveling van Cams vuisten, aan het gitzwarte dak van schaduw… ‘Waarom heb je me daarnaartoe laten komen? Je weet toch wat er gebeurd is toen Jules en Phillip ervandoor zijn gegaan?’

‘Jules en Phillip waren idioten van wie elke beweging die ze maakten door hun polsband werd vastgelegd. Natuurlijk zijn die gepakt.’ Cam glimlachte duister, maar niet tegen haar. ‘Wij zijn niet zoals zij, Luce. Geloof me nou. En bovendien was het niet mijn bedoeling om weer in een gevecht verzeild te raken.’ Hij wreef over zijn slapen, waardoor de huid eromheen werd opgeduwd en die er leerachtig en veel te dun uitzag. ‘Ik vond het gewoon vreselijk zoals die vent tegen je praatte, je aanraakte. Jij verdient het om met de grootst mogelijke omzichtigheid behandeld te worden.’ Hij sperde zijn groene ogen wijd open. ‘Ik wil degene zijn die dat doet. De enige.’

Ze streek haar haar achter haar oren en haalde diep adem. ‘Cam, je bent echt een ontzettend leuke jongen…’

‘O nee.’ Hij legde zijn hand tegen zijn gezicht. ‘Geen verzachtende teksten. Ik hoop niet dat je gaat zeggen dat we vrienden moeten zijn.’

‘Wil je dan geen vriend van me zijn?’

‘Je weet best dat ik veel meer wil dan een vriend van je zijn,’ zei hij, en hij spoog dat ‘vriend’ uit alsof het een smerig woord was. ‘Het komt door Grigori, hè?’

Haar maag balde zich samen. Ze begreep wel dat dat er nogal dik bovenop lag, maar ze was zo opgegaan in haar eigen gevoelens dat ze nauwelijks tijd had gehad om zich af te vragen wat Cam over hen dacht.

‘Je kent ons allebei eigenlijk niet,’ zei Cam, en hij ging staan en deed een stap bij haar vandaan, ‘maar je bent wel bereid om nu te kiezen, hè?’

Het was bespottelijk dat hij er zelfs maar van uitging dat hij nog steeds in de running was. Zeker na gisteravond. Dat hij dacht dat hij het tegen Daniël kon opnemen.

Toen ging Cam op zijn hurken voor haar op het bankje zitten. Zijn gezicht stond anders – smekend, ernstig – en hij nam haar handen in de zijne.

Het verbaasde Luce dat hij zo’n gespannen indruk maakte.

‘Het spijt me,’ zei ze, en ze maakte zich los. ‘Het is gewoon gebeurd.’

‘Precies! Het is gewoon gebeurd. Laat me raden wat het was – gisteravond bekeek hij je op een heel andere, romantische manier. Luce, je neemt een overhaaste beslissing, nog voor je zelfs maar weet wat er op het spel staat. Er zou wel eens… heel veel op het spel kunnen staan.’ Hij zag haar verwarde blik en zuchtte. ‘Ik zou je gelukkig kunnen maken.’

‘Daniël maakt me gelukkig.’

‘Hoe kun je dat nu zeggen? Hij raakt je niet eens aan.’

Luce deed haar ogen dicht en dacht aan de versmelting van hun lippen, de avond ervoor op het strand. Daniëls armen om haar heen. De hele wereld had zo goed, zo harmonieus en zo veilig gevoeld. Maar als ze nu haar ogen opendeed, viel Daniël in geen velden of wegen te bekennen.

Alleen Cam was er.

Ze schraapte haar keel. ‘Jawel, dat doet hij wel.’

Haar wangen voelden warm. Luce drukte er een koele hand tegenaan, maar Cam merkte het niet. Hij balde zijn vuisten.

‘Meer details.’

‘Het gaat je niets aan hoe Daniël me kust.’ Ze beet woedend op haar lip. Hij dreef de spot met haar.

Cam grinnikte. ‘O? Ik kan het net zo goed als Grigori, hoor,’ zei hij, en hij pakte haar hand en kuste de rug, maar liet hem toen abrupt weer vallen.

‘Het is heel anders,’ zei Luce, en ze draaide zich om.

‘Nou, wat dacht je hier dan van?’ Zijn lippen streken al langs haar wang voordat ze hem van zich af kon duwen.

‘Fout.’

Cam likte langs zijn lippen. ‘Wil je beweren dat Daniël Grigori je écht gekust heeft, op de manier waarop jij verdient gekust te worden?’ Er verscheen iets mismoedigs in zijn donkergrijze ogen.

‘Ja,’ zei ze, ‘de beste kus die ik ooit heb gehad.’ En ook al was het haar enige echte kus geweest, Luce wist toch dat ze, als je het haar over zestig jaar, of honderd jaar, nog eens zou vragen, hetzelfde zou zeggen.

‘En toch ben je hier,’ zei Cam, terwijl hij vol ongeloof zijn hoofd schudde.

Die insinuatie beviel Luce niet. ‘Ik ben alleen maar gekomen om je de waarheid over Daniël en mij te vertellen. Om je te zeggen dat jij en ik…’

Cam barstte in lachen uit – een luid, hol gebulder dat over de uitgestorven begraafplaats galmde. Hij lachte zo lang en hard dat hij naar zijn zij moest grijpen en een traan uit zijn oog moest vegen.

‘Wat is daar zo grappig aan?’ vroeg Luce.

‘Je moest eens weten,’ zei hij, nog steeds lachend.

Cam sloeg een toon aan van ‘dat begrijp jij toch niet’, en die leek erg op de toon die Daniël de avond ervoor had gebruikt toen hij, bijna ontroostbaar, de hele tijd ‘het kan niet’ had gezegd. Maar op Cam reageerde Luce totaal anders. Als Daniël haar buitensloot, voelde ze zich nog meer tot hem aangetrokken. Zelfs als ze ruzie maakten, hunkerde ze er nog meer naar om bij Daniël te zijn dan ze er ooit naar verlangd had om bij Cam te zijn. Maar als Cam haar het gevoel gaf dat ze een buitenstaander was, voelde ze zich opgelucht. Ze wilde hem niet dichter naderen.

Op dit moment voelde ze zich zelfs té dicht bij hem.

Ze had er genoeg van. Ze klemde haar kaken op elkaar, kwam overeind en beende naar de poort – boos op zichzelf dat ze haar tijd hier zat te verspillen.

Maar Cam haalde haar in, ging met een zwaai voor haar staan en versperde haar de doorgang. Hij lachte nog steeds om haar, maar beet op zijn lip in een poging ermee op te houden. ‘Ga nou niet,’ grinnikte hij.

‘Laat me met rust.’

‘Nog niet.’

Voor ze hem kon tegenhouden, nam Cam haar in zijn armen en boog haar in een snoekduik achterover, zodat ze met haar voeten van de grond kwam. Luce gaf een gil en probeerde zich spartelend los te maken, maar hij bleef glimlachen.

‘Laat me los!’

‘Grigori en ik hebben tot nog toe een vrij eerlijke strijd geleverd, vind je niet?’

Ze keek hem boos aan en duwde met haar handen tegen zijn borst. ‘Loop naar de hel.’

‘Je begrijpt het niet,’ zei hij, en hij trok haar gezicht dichter naar zich toe. Zijn groene ogen boorden zich in de hare, en tot haar afschuw merkte ze dat ze zich ergens toch nog door zijn blik liet meeslepen.

‘Moet je horen, ik weet dat het de laatste paar dagen vreselijk uit de hand is gelopen,’ zei hij op gedempte toon, ‘maar ik hou van je, Luce. Heel veel. Kies niet voor hem voordat je mij één kus hebt gegeven.’

Ze voelde hoe zijn armen steviger om haar heen sloten en plotseling werd ze bang. Ze waren vanuit de school niet meer te zien en niemand wist waar ze was.

‘Dat verandert er toch niets aan,’ zei ze, en ze probeerde kalm te klinken.

‘Doe me een lol. Doe net alsof ik een soldaat ben en jij mijn laatste wens vervult voordat ik sterf. Ik beloof je: één kus maar.’

Luce moest aan Daniël denken. Ze zag voor zich hoe hij bij het meer op haar wachtte, hoe hij zijn handen bezighield door steentjes over het water te laten scheren, terwijl hij haar in zijn armen had moeten houden. Ze wilde Cam niet kussen, maar als hij haar nu eens echt niet liet gaan? Die kus was maar iets miniems, te verwaarlozen. De gemakkelijkste manier om hier weg te komen. En dan kon ze naar Daniël. Cam had het beloofd.

‘Eén kus dan…’ begon ze, maar hij drukte zijn lippen al op de hare.

Haar tweede kus in twee dagen. Daniëls kus was hongerig en bijna radeloos geweest, maar die van Cam was zachtzinnig en te volmaakt, alsof hij vóór haar al met honderd meisjes had geoefend.

En toch voelde ze iets in zich omhoogkomen, waardoor ze wilde reageren, wat bezit nam van de woede die ze een paar seconden geleden nog had gevoeld en die wegblies tot er niets van over was. Cam hield haar nog steeds schuin achterover in zijn armen, waarbij hij haar hele gewicht op zijn knie liet balanceren. In zijn sterke, vaardige handen voelde ze zich veilig. En dat had ze ook nodig, zich veilig voelen. Het was totaal anders dan, nou ja, dan elk moment waarop ze Cam niet kuste. Ze wist dat ze iets of iemand vergat, maar wie, ze had geen idee. Alleen de kus bestond, en zijn lippen en…

Plotseling voelde ze dat ze viel. Ze sloeg zo hard tegen de grond dat haar de adem benomen werd. Ze werkte zich op haar armen omhoog en zag even verderop Cams gezicht contact maken met de grond. Onwillekeurig kreunde ze.

De vroege avondzon wierp een stoffig licht op de twee gestalten op de begraafplaats.

‘Hoe vaak moet je dat meisje nog kapotmaken?’ Luce hoorde het verdrietige zuidelijke accent.

Gabbe? Ze keek op en knipperde in het licht van de ondergaande zon.

Gabbe en Daniël.

Gabbe rende naar haar toe om haar overeind te helpen, maar Daniël weigerde haar zelfs maar aan te kijken.

Luce vervloekte zichzelf in stilte. Ze wist niet wat er erger was: dat Daniël net had gezien dat ze Cam kuste of dat Daniël – dat wist ze zeker – Cam weer zou aanvliegen.

Cam kwam overeind en richtte zich tot de twee, waarbij hij Luce volledig negeerde. ‘Oké, wie van jullie wordt het dit keer?’ grauwde hij.

Dit keer?

‘Ik,’ zei Gabbe, en ze kwam met haar handen in haar zij naar voren. ‘Dat eerste kleine liefdestikje had je van mij, Cam, schatje van me. Wat wou je eraan doen?’

Luce schudde haar hoofd. Gabbe maakte vast een grapje. Dit was vast een of ander spel. Maar Cam vond er zo te zien niets geestigs aan. Hij ontblootte zijn tanden, rolde zijn mouwen op, hief zijn vuisten en kwam naar voren.

‘Moet dat nou weer, Cam?’ foeterde Luce. ‘Heb je deze week nog niet genoeg gevochten?’ En alsof het nog niet erg genoeg was, ging hij nu zelfs met een meisje op de vuist.

Hij wierp haar zijdelings even snel een glimlach toe. ‘Driemaal is scheepsrecht,’ zei hij, en de boosaardigheid droop van zijn stem. Net op het moment dat Gabbe hem met een hoge trap tegen zijn kaak aanviel, draaide hij zich om.

Cam viel en Luce vloog achteruit. Hij hield zijn ogen dichtgeknepen en greep naar zijn gezicht. Gabbe stond over hem heen gebogen en bleef doodkalm, alsof ze net een perfect gebakken vruchtencake uit de oven had gehaald. Ze keek even naar haar nagels en zuchtte.

‘Wat zonde dat ik je nou in elkaar moet slaan terwijl ik net mijn nagels heb bijgewerkt. Maar goed,’ zei ze, en ze schopte Cam een paar keer in zijn maag. Ze genoot van elke schop als een kind dat een spelletje op een gokautomaat wint.

Hij kwam wankel omhoog tot in hurkzit. Luce kon zijn gezicht niet meer zien – dat hield hij tussen zijn knieën –, maar hij kreunde van de pijn en kreeg bijna geen adem.

Luce stond van Gabbe naar Cam en weer terug te kijken, maar ze kon niet rijmen wat ze zag. Cam was twee keer zo lang als Gabbe, maar Gabbe leek aan de winnende hand te zijn. De dag ervoor had Luce nog gezien hoe Cam die enorme vent in het café in elkaar sloeg. En laatst, voor de bibliotheek, hadden Daniël en Cam aan elkaar gewaagd geleken. Luce verbaasde zich over Gabbe, met haar haar in een hoge paardenstaart met een lint in alle kleuren van de regenboog erom. Ze hield Cam nu tegen de grond gedrukt en draaide zijn arm op zijn rug. ‘Oom?’ daagde ze hem uit. ‘Zeg het toverwoord nu maar, lieverd. Dan laat ik je los.’

‘Vergeet het maar,’ zei Cam, en hij spoog op de grond.

‘Ik hoopte al dat je dat zou zeggen,’ zei ze, en ze ramde zijn hoofd keihard in de aarde.

Daniël legde zijn hand in Luce’ nek. Ze ontspande en keek om, al was ze doodsbang hoe hij zou kijken. Hij moest haar nu wel haten.

‘Het spijt me ontzettend,’ fluisterde ze. ‘Cam wilde…’

‘Waarom had je hier met hem afgesproken?’ Daniël klonk gekwetst en woedend tegelijkertijd. Hij pakte haar kin beet, zodat ze hem wel móést aankijken. Zijn vingers voelden ijskoud aan op haar huid. Zijn ogen waren nu helemaal paars, zonder grijs.

Luce’ lip trilde. ‘Ik dacht dat ik het wel aankon. Dat ik open kaart met Cam kon spelen, zodat jij en ik gewoon samen konden zijn en ons nergens zorgen over hoefden te maken.’

Daniël snoof minachtend, en Luce realiseerde zich hoe onnozel ze klonk.

‘Die kus…’ zei ze, terwijl ze haar handen wrong. Ze wilde de woorden wel uitspugen. ‘Dat had ik nooit moeten doen.’

Daniël deed zijn ogen dicht en draaide zich om. Hij had twee keer zijn mond opengedaan om iets te zeggen, maar hij bedacht zich op het laatste moment. Hij greep met zijn handen in zijn haar en stond te zwaaien op zijn benen. Luce keek naar hem en was bang dat hij zou gaan huilen. Toen nam hij haar eindelijk in zijn armen.

‘Ben je boos op me?’ Ze begroef haar gezicht tegen zijn borst en snoof de heerlijke geur van zijn huid in zich op.

‘Ik ben gewoon blij dat we hier op tijd waren.’

Ze hoorden Cam kreunen en keken allebei zijn kant op. Toen grijnsden ze. Daniël pakte Luce bij de hand en probeerde haar mee te trekken, maar ze kon haar ogen niet van Gabbe afhouden, die Cam in een houdgreep hield en niet eens buiten adem was. Cam zag er toegetakeld en zielig uit. Het sloeg gewoon nergens op.

‘Wat gebeurt hier allemaal, Daniël?’ fluisterde Luce. ‘Hoe kan het dat Gabbe Cam in elkaar slaat? Waarom laat hij haar dat doen?’

Daniël zuchtte zo’n beetje en grinnikte. ‘Hij laat haar dat niet doen. Wat je nu ziet is nog maar een voorproefje van waar die meid allemaal toe in staat is.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Ik begrijp het niet. Hoe…’

Daniël streelde haar wang. ‘Zullen we even een eindje gaan lopen?’ vroeg hij. ‘Ik zal proberen het een en ander uit te leggen, maar ik denk dat je er even voor moet gaan zitten.’

Luce moest tegenover Daniël ook een paar dingen bekennen. Of anders, als ze ze niet bekende, moest ze ze in elk geval ter sprake brengen om te kijken of hij op wat voor manier dan ook liet merken dat hij haar volledig, verifieerbaar gestoord vond. Dat paarse licht bijvoorbeeld. En de dromen die ze geen halt kon – en ook niet wilde – toeroepen.

Daniël leidde haar naar een deel van de begraafplaats dat Luce nog niet eerder gezien had: een lege, vlakke plek waar twee perzikbomen naar elkaar toe gegroeid waren. De stammen bogen zich naar elkaar toe en vormden in de lucht onder hen de contour van een hart.

Hij liep met haar tot onder de vreemde, knoestige verstrengeling van takken, pakte toen haar handen en ging met zijn vingers over de hare.

Het was een stille avond, op de tsjilpende krekels na. Luce stelde zich voor dat alle andere leerlingen in de kantine zaten. Ze schepten aardappelpuree op hun bord, slurpten dikke melk op kamertemperatuur door een rietje naar binnen. Het was plotseling alsof Daniël en zij zich op een ander bestaansniveau bevonden dan de rest van de school. Alles om haar heen, alles behalve zijn hand om de hare, zijn haar dat glansde in het licht van de ondergaande zon, zijn warme grijze ogen, al het andere voelde heel ver weg.

‘Ik weet niet waar ik moet beginnen,’ zei hij, en hij masseerde haar vingers nu wat harder, alsof hij het antwoord eruit kon wrijven. ‘Ik moet je heel veel vertellen, en ik moet het wel goed doen.’

Luce wilde niets liever dan dat Daniël haar gewoon een eenvoudige liefdesverklaring had te doen, maar ze wist wel beter. Daniël had haar iets moeilijks te vertellen, iets wat wellicht veel over hem zou verklaren, maar wat voor Luce misschien ook wel moeilijk zou zijn.

‘Misschien moet je zeggen: “Ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws”,’ stelde ze voor.

‘Goed idee. Wat wil je eerst?’

‘De meeste mensen willen het goede nieuws eerst.’

‘Dat kan zijn,’ zei hij, ‘maar jij bent mijlenver verwijderd van de meeste mensen.’

‘Goed, geef dan maar eerst het slechte nieuws.’

Hij beet op zijn lip. ‘Beloof je me dat je niet zult weglopen tot ik je het goede nieuws heb verteld?’

Ze was helemaal niet van plan om weg te lopen. Niet nu, nu hij haar niet meer van zich af duwde. Niet nu hij misschien wel op het punt stond om een paar antwoorden te geven op de lange lijst met vragen die haar de afgelopen paar weken zo bezighielden.

Hij legde haar handen op zijn borst en hield ze daar tegen zijn hart. ‘Ik ga je de waarheid vertellen,’ zei hij. ‘Je zult me niet geloven, maar je verdient het om die te kennen. Zelfs als je eraan onderdoorgaat.’

‘Oké.’ Luce’ ingewanden vormden zich tot een gemeen pijnlijke knoop en ze voelde dat haar knieën begonnen te beven. Ze was blij dat Daniël zei dat ze moest gaan zitten.

Hij beende heen en weer en haalde toen diep adem.

‘In de bijbel…’

Luce kreunde. Ze kon er niets aan doen: zondagsschoolpraatjes ontlokten haar altijd een pavlovreactie. Bovendien wilde ze het over hén hebben, en niet over een of andere moralistische parabel. In de bijbel vond je geen enkel antwoord op de vragen die zij over Daniël had.

‘Luister nou maar,’ zei hij, terwijl hij even snel naar haar keek. ‘Je weet toch wel dat er in de bijbel staat dat God het heel belangrijk vindt dat iedereen met hart en ziel van hem houdt? Dat het onvoorwaardelijk en ongeëvenaard moet zijn?’

Luce haalde haar schouders op. ‘Zoiets, ja.’

‘Nou, kijk…’ Daniël leek naar de juiste woorden te zoeken. ‘Dat verzoek geldt niet alleen voor mensen.’

‘Hoe bedoel je? Voor wie dan nog meer? Voor dieren?’

‘Tuurlijk, soms ook,’ zei Daniël. ‘Voor de slang bijvoorbeeld. Nadat hij Eva had verleid, was hij verdoemd. Hij werd gestraft om tot in de eeuwigheid over de grond te glijden.’

Luce rilde en moest weer aan Cam denken. De slang. Hun picknick. Die ketting. Ze wreef langs haar schone, blote hals en was blij dat ze dat ding niet omhad.

Daniël ging met zijn vingers door haar haar, langs haar kaaklijn, tot in het kuiltje van haar hals. Ze zuchtte van gelukzaligheid.

‘Wat ik probeer te zeggen… Ik denk dat je wel kunt zeggen dat ik ook verdoemd ben, Luce. Ik ben al heel, heel lang verdoemd.’ Hij sprak de woorden uit alsof ze bitter smaakten. ‘Ik heb één keer een keuze gemaakt, een keuze waar ik in geloofde – waar ik nog steeds in geloof, ook al…’

‘Ik begrijp het niet,’ zei ze, en ze schudde haar hoofd.

‘Natuurlijk niet,’ zei hij, en hij liet zich naast haar op de grond zakken. ‘En ik sta ook niet bepaald te boek als iemand die je dat heel goed kan uitleggen.’ Hij krabde op zijn hoofd en liet zijn stem dalen, alsof hij in zichzelf sprak. ‘Er zit maar één ding op en dat is het proberen. Op hoop van zegen dan maar.’

‘Oké,’ zei ze. Hij had nog nauwelijks iets gezegd en ze begreep er nu al niets meer van. Maar ze probeerde zich minder niet-begrijpend voor te doen dan ze was.

‘Ik word verliefd,’ legde hij uit, en hij pakte haar handen en hield ze stevig vast. ‘Keer op keer. En elke keer loopt het op een catastrofe uit.’

‘Keer op keer.’ Die woorden bezorgden haar een misselijk gevoel. Luce sloot haar ogen en trok haar handen los. Hij had haar dit al verteld. Die dag bij het meer. Hij had het met meisjes uitgemaakt. Hij had littekens opgelopen. Waarom begon hij nu weer over die andere meisjes? Het had haar toen pijn gedaan en het deed nu nog meer pijn, als een gemene scheut tussen haar ribben. Hij kneep in haar vingers.

‘Kijk me aan,’ smeekte hij. ‘Nu komt het moeilijke deel.’

Ze deed haar ogen weer open.

‘Degene op wie ik elke keer weer verliefd word, ben jij.’

Ze hield haar adem in en wilde uitblazen, maar in plaats daarvan kwam er een scherpe, snijdende lach naar buiten.

‘Ja hoor, Daniël,’ zei ze, en ze maakte aanstalten om op te staan. ‘Gut, wat ben jij vreselijk verdoemd. Het klinkt echt gruwelijk.’

‘Luister.’ Hij trok haar weer omlaag, maar met zo’n kracht dat haar schouder er pijn van deed. Zijn ogen flakkerden paars op en ze merkte dat hij boos werd. Nou, zíj ook.

Daniël keek omhoog naar het bladerdak van de perzikboom, alsof hij daar hulp hoopte te vinden. ‘Alsjeblieft: laat het me uitleggen.’ Zijn stem beefde. ‘Het probleem is niet dat ik van je hou.’

Ze haalde diep adem. ‘Wat dan wel?’ Ze dwong zichzelf te luisteren, sterker te zijn en zich niet gekwetst te voelen. Daniël zag eruit alsof hij er al kapot genoeg van was.

‘Ik blijf voor altijd leven,’ zei hij.

Om hen heen ruisten de bomen, en Luce zag uit haar ooghoek heel vaag een schaduw binnensijpelen. Niet de misselijkmakende, allesverterende zwarte zwerm, zoals de avond ervoor in het café, maar een waarschuwing. De schaduw bleef op afstand en lag om de hoek koud te kolken, maar hij bleef wachten. Op haar. Luce voelde de kou tot diep in haar botten trekken. Ze kon het gevoel niet van zich afschudden dat er iets kolossaals, iets wat zo zwart was als de nacht, iets definitíéfs in aantocht was.

‘Sorry,’ zei ze, en ze dwong zichzelf Daniël weer aan te kijken. ‘Zou je dat, eh, nog een keer kunnen zeggen?’

‘Ik blijf voor altijd leven,’ herhaalde hij. Luce begreep er nog steeds niets van, maar hij praatte door – de woorden stroomden zijn mond uit. ‘Ik blijf leven, ik zie kinderen geboren worden, opgroeien en verliefd worden. Ik zie hen zelf weer kinderen krijgen en oud worden. Ik zie ze sterven. Ik ben veroordeeld, Luce, om dat keer op keer allemaal te zien gebeuren. Bij iedereen, behalve bij jou.’ Zijn ogen stonden glazig. Zijn stem daalde tot een fluistertoon. ‘Het is jou niet gegeven om verliefd te worden…’

‘Maar…’ fluisterde ze terug. ‘Ik bén… verliefd geworden.’

‘Het is jou niet gegeven om kinderen te krijgen en oud te worden, Luce.’

‘Waarom niet?’

‘Jij komt elke zeventien jaar terug.’

‘Alsjeblieft…’

‘Dan ontmoeten wij elkaar. We ontmoeten elkaar áltijd, op de een of andere manier lopen we elkaar tegen het lijf, waar ik ook naartoe ga, hoe ik ook bij je uit de buurt probeer te blijven. Het maakt nooit iets uit. Je weet me altijd te vinden.’

Hij keek nu omlaag naar zijn gebalde vuisten en het was net alsof hij iets wilde slaan, maar hij was niet in staat naar haar op te kijken.

‘En elke keer dat we elkaar ontmoeten val je voor me…’

‘Daniël…’

‘Ik kan weerstand aan je bieden, bij je vandaan vluchten of mijn uiterste best doen om niet op je te reageren, maar het maakt allemaal niks uit. Jij wordt verliefd op mij en ik op jou.’

‘Is dat dan zo erg?’

‘En dat wordt jouw dood.’

‘Hou op!’ riep ze uit. ‘Wat probeer je nou te doen? Me weg te jagen?’

‘Nee.’ Hij snoof. ‘Dat zou toch niet lukken.’

‘Als je niks met me wilt…’ zei ze, in de hoop dat dit allemaal één grote grap was, de ultieme manier om het uit te maken, en niet de waarheid. Het kon de waarheid niet zijn. ‘…dan valt daar vast wel een geloofwaardiger verhaal voor te verzinnen.’

‘Ik weet dat je me niet kunt geloven. Dat is ook de reden waarom ik het je nu pas kon vertellen, nu ik het je móét vertellen. Ik dacht namelijk dat ik de regels kende en… toen hebben we gekust, en nu begrijp ik er helemaal niets meer van.’

Ze herinnerde zich weer wat hij de avond ervoor had gezegd: Ik weet niet hoe ik het een halt moet toeroepen. Ik weet niet wat ik moet doen.

‘Omdat je me hebt gekust?’

Hij knikte.

‘Je hebt me gekust en toen we klaar waren was je verbaasd.’

Hij knikte weer en had het fatsoen om er een beetje schaapachtig bij te kijken.

‘Je hebt me gekust,’ ging Luce verder, op zoek naar een manier om alle stukjes in elkaar te passen, ‘en toen dacht je dat ik het niet zou “overleven”?’

‘Op grond van een eerdere ervaring,’ zei hij hees. ‘Ja.’

‘Dat slaat toch nergens op?’ zei ze.

‘Het gaat dit keer niet om de kus, het gaat om wat die betekent. In sommige levens kunnen we kussen, maar in de meeste kan dat niet.’ Hij streelde haar wang, en ze verzette zich tegen het heerlijke gevoel. ‘Ik moet zeggen dat ik de voorkeur geef aan de levens waarin we wel kunnen kussen.’ Hij sloeg zijn ogen neer. ‘Al wordt het daardoor wel moeilijker om je kwijt te raken.’

Ze wilde kwaad op hem zijn. Kwaad omdat hij zo’n bizar verhaal zat op te dissen, terwijl ze gewoon in elkaars armen zouden moeten liggen. Maar iets zei haar, ergens ver weg kriebelend in haar achterhoofd, dat ze nu niet bij Daniël weg moest lopen, maar dat ze zo lang ze kon moest blijven luisteren.

‘Als je me “kwijtraakt”,’ zei ze, terwijl ze de vorm van het woord in haar mond aftastte, ‘hoe gebeurt dat dan? En waarom?’

‘Dat hangt van jou af, van hoeveel jij van ons verleden kunt zien, van hoe goed je mij, wie ik ben, hebt leren kennen.’ Hij gooide schouderophalend zijn handen in de lucht. ‘Ik weet het, het klinkt ontzettend…’

‘Krankzinnig?’

Hij glimlachte. ‘Ik wilde zeggen “vaag”. Maar ik probeer niets voor je verborgen te houden. Het is gewoon een heel delicaat onderwerp. In het verleden heeft zo’n gesprek als dit wel eens…’

Ze keek of ze de vorm van de woorden al op zijn lippen zag, maar hij wilde niets zeggen.

‘Me mijn leven gekost?’

‘Ik wilde zeggen “je hart gebroken”.’

Hij leed er duidelijk onder, en Luce wilde hem troosten. Ze voelde dat ze naar hem toe getrokken werd, dat iets in haar borst haar naar voren stuwde. Maar ze kon het niet. Op dat moment wist ze zeker dat Daniël het wist, van die paarse gloed. Dat hij er alles mee te maken had.

‘Wat ben jij?’ vroeg ze. ‘Ben jij een soort…’

‘Ik dool over de aarde en weet altijd ergens in mijn achterhoofd dat jij komt. Vroeger was ik altijd naar je op zoek. Maar op een gegeven moment, toen ik me voor je begon te verbergen – voor het verdriet dat onontkoombaar was –, begon je naar mij te zoeken. Ik realiseerde me al snel dat je elke zeventien jaar voorbij zou komen.’

Luce was eind augustus zeventien geworden, twee weken voordat ze op Zwaard & Kruis was begonnen. Het was een verdrietige verjaardag geweest met alleen Luce, haar ouders en een in de winkel gekochte taart. Zonder kaarsjes, want je wist maar nooit. En haar familie dan? Kwam die ook elke zeventien jaar terug?

‘Het is altijd nog maar zo kort geleden dat ik nooit over de vorige keer heen ben,’ zei hij. ‘Het is dan alleen net lang genoeg geleden om niet meer helemaal op mijn hoede te zijn.’

‘Dus je wist dat ik in aantocht was?’ vroeg ze aarzelend. Hij keek ernstig, maar ze kon hem nog steeds niet geloven. Ze wílde hem niet geloven.

Daniël schudde zijn hoofd. ‘Niet op de dag dat je hier kwam. Zo werkt het niet. Weet je niet meer hoe ik reageerde toen ik je zag?’ Hij keek op, alsof hij er zelf ook aan terugdacht. ‘Elke keer ben ik de eerste paar seconden altijd opgetogen. Ik vergeet mezelf. Maar dan weet ik het weer.’

‘Ja,’ zei ze langzaam. ‘Je glimlachte, en toen… was dat de reden waarom je je vinger naar me opstak?’

Hij fronste zijn voorhoofd.

‘Maar als het, zoals je net zei, elke zeventien jaar gebeurt,’ zei ze, ‘dan wíst je toch dat ik kwam? Op een bepaalde manier wist je het.’

‘Het ligt heel ingewikkeld, Luce.’

‘Ik zag jou die dag eerder dan jij mij. Je stond voor Augustinus met Roland te lachen. Je lachte zo hard dat ik jaloers werd. Als jij dit allemaal weet, Daniël, als je zo slim bent dat je kunt voorspellen wanneer ik kom en wanneer ik doodga, en hoe zwaar dat voor jóú allemaal wordt, hoe kun je dan zo staan lachen? Ik geloof je niet,’ zei ze, en ze merkte dat haar stem beefde. ‘Ik geloof er geen snars van.’

Daniël ging met zijn duim zacht langs haar oog om een traan weg te vegen. ‘Dat is een prachtige vraag, Luce. Ik vind het geweldig dat je die stelt, en ik wilde dat ik het beter kon uitleggen. Ik kan alleen maar dit zeggen: de enige manier om de eeuwigheid te verdragen is door elk moment te kunnen waarderen. Dat deed ik, en meer niet.’

‘Eeuwigheid,’ zei Luce hem na. ‘Nog iets wat ik niet begrijp.’

‘Het doet er niet toe. Ik kan al niet meer zo lachen als toen. Zodra jij ten tonele verschijnt, ben ik helemaal van de kaart.’

‘Het slaat allemaal nergens op,’ zei ze, en ze wilde opstaan om weg te gaan voordat het te donker werd. Maar Daniëls verhaal was veel meer dan alleen maar onzin. Ze had de hele tijd dat ze op Zwaard & Kruis zat gedacht dat ze niet goed bij haar hoofd was. Haar gestoordheid verbleekte echter in vergelijking met die van Daniël.

‘Er bestaat geen handleiding voor hoe je dit… dit ding moet uitleggen aan het meisje van wie je houdt,’ zei hij op smekende toon, terwijl hij met zijn vingers haar haar opzij streek. ‘Ik doe mijn uiterste best. Ik wil dat je me gelooft, Luce. Wat moet ik doen?’

‘Een ander verhaal vertellen,’ zei ze verbitterd. ‘Verzin maar een normaler excuus.’

‘Je hebt zelf gezegd dat je het gevoel had dat je me kende. Ik heb het zolang ik kon geprobeerd te ontkennen, omdat ik wist dat dit zou gebeuren.’

‘Ik had het gevoel dat ik je ergens van kende, dat klopt,’ zei ze. Haar stem was nu doortrokken van angst. ‘Van het winkelcentrum of een zomerkamp of zo. Niet uit een of ander vorig leven.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Nee… ik kan het niet.’

Ze legde haar handen tegen haar oren. Daniël trok ze er weer af.

‘En toch weet je diep in je hart dat het waar is.’ Hij pakte haar knieën beet en keek haar diep in de ogen. ‘Toen ik in Rio achter je aan ging naar de top van de Corcovado, toen je het standbeeld van dichtbij wilde zien, wist je het. Toen ik je drie bezwete kilometers lang naar de rivier de Jordaan droeg, nadat je buiten Jeruzalem ziek was geworden, wist je het. Ik had je nog gezegd dat je niet al die dadels moest opeten. Toen je tijdens de Eerste Wereldoorlog in dat Italiaanse ziekenhuis mijn verpleegster was, wist je het, en ook daarvoor, toen ik me tijdens de tsarenopstand in Sint-Petersburg in jullie kelder had verstopt. Toen ik tijdens de Reformatie de toren van jullie kasteel in Schotland beklom en toen ik op het bal in Versailles ter ere van de kroning van de koning onafgebroken met je ronddanste. Je was de enige vrouw die in het zwart gekleed was. En verder nog in die kunstenaarskolonie in Quintana Roo, en tijdens de protestmars in Kaapstad, toen we allebei een nacht in de cel hebben doorgebracht. De opening van het Globe Theater in Londen. We hadden de beste plaatsen. En toen mijn schip voor Tahiti verging, was je er ook, net zoals je er was toen ik gevangene was in Melbourne, zakkenroller in de achttiende eeuw in Nîmes en een monnik in Tibet. Je duikt overal op, altijd, en vroeg of laat voel je alle dingen die ik je net heb verteld. Maar je staat jezelf niet toe te accepteren wat volgens jou wel eens de waarheid zou kunnen zijn.’

Daniël zweeg even om op adem te komen en keek langs haar heen, zonder iets te zien. Toen drukte hij zijn hand tegen haar knie, en de vlammen sloegen weer door haar heen.

Ze deed haar ogen dicht en toen ze ze weer opende, hield Daniël een werkelijk volmaakte witte pioenroos in zijn handen. De bloem leek wel licht te geven. Ze draaide zich om om te kijken waar hij die had geplukt, hoe het kon dat ze die niet eerder had gezien. Maar ze zag alleen onkruid en het rottende vlees van de gevallen vruchten. Ze hielden de bloem samen vast.

‘Toen je die zomer in Helston elke dag witte pioenrozen plukte, wist je het. Herinner je je dat nog?’ Hij staarde haar aan alsof hij binnen in haar probeerde te kijken. ‘Nee,’ verzuchtte hij even later, ‘natuurlijk niet. En daar benijd ik je om.’

Maar terwijl hij dat zei kreeg Luce een warm gevoel over haar huid, alsof die reageerde op wat hij net gezegd had, terwijl haar brein er geen touw aan kon vastknopen. Een deel van haar wist helemaal niets meer zeker.

‘Ik doe al deze dingen,’ zei Daniël, en hij boog zich naar haar toe, zodat ze elkaar met hun voorhoofd raakten, ‘omdat jij mijn grote liefde bent, Lucinda. Jij betekent alles voor me.’

Luce’ onderlip trilde. Haar handen werden slap in de zijne. De bloemblaadjes dwarrelden tussen haar vingers door naar de grond.

‘Waarom kijk je dan zo verdrietig?’

Het was allemaal zoveel dat ze er niet eens over kon nadenken. Ze wendde zich van Daniël af, stond op en veegde de blaadjes en het gras van haar spijkerbroek. Haar hoofd tolde. Dus ze had… al eerder geleefd?

‘Luce.’

Ze wuifde hem weg. ‘Ik geloof dat ik even weg moet, dat ik even alleen moet zijn, dat ik moet gaan liggen.’ Ze leunde met haar volle gewicht tegen de perzikboom. Ze voelde zich slap.

‘Je voelt je niet lekker, hè?’ zei hij, en hij stond op en pakte haar hand.

‘Nee.’

‘Wat vervelend.’ Daniël zuchtte. ‘Ik weet niet wat ik verwacht had dat er zou gebeuren als ik het je vertelde. Ik had je niet…’

Ze had nooit gedacht dat er een moment zou komen waarop ze Daniël even niet kon hebben, maar nu moest ze toch echt bij hem vandaan. Ze merkte aan de manier waarop hij naar haar keek dat hij wilde dat ze zou zeggen dat ze later wel weer naar hem toe zou komen, dat ze het er dan nog verder over zouden hebben, maar ze wist niet meer of dat wel zo’n goed idee was. Hoe meer hij zei, hoe duidelijker zij iets binnen in zich wakker voelde worden – iets waarvan ze niet zeker wist of ze het wel aankon. Het was niet meer zo dat ze het gevoel had dat ze gek was – en ze wist ook niet meer zeker of dat voor Daniël gold. Voor iemand anders had zijn uitleg gaandeweg steeds raadselachtiger geklonken. Maar voor Luce… Ze wist het nog niet helemaal zeker, maar stel nou dat Daniël zojuist antwoorden had gegeven waarmee haar hele leven te verklaren viel? Ze wist het niet. Ze was nog nooit zo bang geweest als nu.

Ze schudde zijn hand van zich af en vertrok in de richting van haar kamer. Na een paar passen bleef ze staan en draaide zich langzaam om.

Daniël stond nog op dezelfde plek. ‘Wat is er?’ vroeg hij, en hij bracht zijn kin omhoog.

Ze bleef staan waar ze stond, een eindje bij hem vandaan. ‘Ik had beloofd dat ik zou blijven om ook het goede nieuws nog te horen.’

Daniëls gezicht ontspande zich bijna tot een glimlach. Maar zijn blik had toch iets gekwelds. ‘Het goede nieuws is…’ – hij zweeg even om zijn woorden zorgvuldig te kiezen – ‘…dat ik je gekust heb, maar dat je er nog steeds bent.’