Luce hoorde dat haar Converse-gympen hard tegen het plaveisel sloegen. Ze voelde hoe de vochtige wind aan haar zwarte T-shirt trok. Ze kon de hete teer van een net geplaveid deel van de parkeerplaats bijna proeven. Maar toen ze op zaterdagochtend haar armen om de twee in elkaar gedoken gestalten vlak bij de ingang van Zwaard & Kruis sloeg, was dat allemaal vergeten.
Ze was nog nooit van haar leven zo blij geweest om haar ouders te kunnen omhelzen.
Ze had er nu al dagen spijt van dat ze toen in het ziekenhuis zo kil en afstandelijk was geweest, en die fout ging ze niet nog een keer maken.
Ze wankelden allebei toen ze in hun armen stormde. Haar moeder begon te giechelen en haar vader sloeg haar met zijn vlakke hand op de rug, op zijn stoere-jongensmanier. Hij had een gigantische camera om zijn nek hangen. Ze hervonden hun evenwicht en hielden hun dochter op een armlengte afstand. Het was alsof ze haar gezicht eens goed wilden bekijken, maar zodra ze dat zagen, betrok hun gezicht. Luce huilde.
‘Liefje, wat scheelt eraan?’ vroeg haar vader, terwijl hij zijn hand op haar hoofd legde.
Haar moeder zocht in haar reusachtige blauwe handtas naar haar voorraadje tissues. Met grote ogen liet ze er een voor Luce’ neus bungelen en zei: ‘We zijn hier nu toch? Alles is nu toch goed?’
Nee, alles was helemaal niet goed.
‘Waarom hebben jullie me laatst niet mee naar huis genomen?’ vroeg Luce, die zich opnieuw boos en gekwetst voelde. ‘Waarom vonden jullie het goed dat ze me weer mee hiernaartoe namen?’
Haar vader trok wit weg. ‘Elke keer dat we de directeur spraken zei hij dat het prima met je ging, dat je weer naar de les ging, dat je weer helemaal het sterke meisje was dat we hebben opgevoed. Een beetje keelpijn van de rook en een bult op je hoofd. We dachten dat dat alles was.’ Hij likte langs zijn lippen.
‘Was er dan nog meer?’ vroeg haar moeder.
Haar ouders wisselden een blik uit waaruit zij opmaakte dat ze deze discussie al eerder gevoerd hadden. Haar moeder had vast gesmeekt om al eerder weer bij haar langs te gaan. Luce’ vader, die van de harde lijn was, had voet bij stuk gehouden.
Het was uitgesloten dat ze hun kon uitleggen wat er die avond was gebeurd of wat ze sindsdien allemaal had moeten doormaken. Ze wás ook meteen weer naar de les gegaan, al was dat niet haar eigen keuze geweest. En lichamelijk gíng het ook prima. Maar in elk ander opzicht – emotioneel, psychisch, op liefdesgebied – had ze zich niet meer gesloopt kunnen voelen.
‘We probeerden ons gewoon aan de regels te houden,’ legde de vader van Luce uit, terwijl hij zijn grote hand uitstak om haar in haar nek te knijpen. Door het gewicht daarvan veranderde haar hele houding en werd het onprettig om stil te blijven staan, maar het was zo lang geleden dat ze zo dicht bij mensen was geweest van wie ze hield dat ze zich niet durfde los te maken. ‘We willen natuurlijk alleen maar het beste voor je,’ zei haar vader erachteraan. ‘We moeten er vertrouwen in hebben dat deze mensen…’ – hij gebaarde naar de indrukwekkende gebouwen van de campus, alsof die Randy en directeur Udell en de rest voorstelden – ‘…weten waar ze het over hebben.’
‘Dat weten ze niet,’ zei Luce, en ze keek even naar de verregende gebouwen en de lege grasvelden. Vooralsnog had ze niets begrepen van hoe het er op deze school aan toe ging.
Neem nou deze dag, die ze de Ouderdag noemden. Ze hadden er enorm de mond vol van gehad dat de leerlingen wel ontzettend van geluk mochten spreken dat ze het voorrecht kregen om hun eigen vlees en bloed te zien. En nu was het tien minuten voor de lunch en nog steeds was de auto van Luce’ ouders de enige op de hele parkeerplaats.
‘Deze school is echt een aanfluiting,’ zei ze, en ze klonk daarbij zo cynisch dat haar ouders allebei een bezorgde blik opzetten.
‘Luce, liefje,’ zei haar moeder, en ze aaide haar dochter over haar haar. Luce merkte wel dat ze er niet aan gewend was dat het zo kort was. Haar vingers hadden de moederlijke neiging om het fantoom van Luce’ oude haar helemaal tot beneden aan toe te volgen. ‘We wilden gewoon een leuke dag met je hebben. Papa heeft allemaal dingen meegebracht die je lekker vindt.’
Haar vader hield schaapachtig een kleurige patchworkdeken omhoog en een groot geval, een soort koffertje, gemaakt van riet, dat Luce nog nooit eerder gezien had. Meestal ging het er, als ze gingen picknicken, veel nonchalanter aan toe, met papieren zakken van de supermarkt en een oud gescheurd laken dat ze langs de kanoroute voor hun huis op het gras legden.
‘Ingelegde okra?’ vroeg Luce met een stem die heel erg op die van de kleine Lucy leek. Je moest haar ouders nageven dat ze hun best deden.
Haar vader knikte. ‘En thee met suiker, koekjes en béchamelsaus. Cheddarpap met extra jalapeños, precies zoals je ’m lekker vindt. O,’ zei hij, ‘en nog één ding.’
Luce’ moeder haalde een dikke, gesloten rode envelop uit haar tas en stak die Luce toe. Luce moest even aan de post denken die ze vroeger altijd kreeg, en toen knaagde het aan haar maag. Psychokiller. Moordmeisje.
Maar toen Luce naar het handschrift op de envelop keek, verscheen er een brede grijns op haar gezicht.
Callie.
Ze scheurde de envelop open en haalde er een kaart uit met voorop een zwartwitfoto van twee oude dametjes die hun haar lieten doen. Aan de binnenkant was de kaart helemaal gevuld met Callies grote, ronde handschrift – er was geen stukje wit meer over. En er zaten nog een paar volgeschreven losse velletjes in, omdat ze op de kaart geen ruimte genoeg had gehad.
Lieve Luce,
Aangezien we aan die telefoontijd echt totaal niet genoeg hebben (kun je alsjeblíéft wat meer tijd aanvragen? Het is gewoonweg onrechtvaardig) ga ik helemaal op de ouderwetse toer en begin ik aan een heuse correspondentie. Hierbij ingesloten vind je alles, maar dan ook alles wat ik de afgelopen twee weken heb meegemaakt. Of je het nu leuk vindt of niet…
Luce drukte de envelop, terwijl ze nog steeds grijnsde, tegen haar borst, en ze popelde al om, zodra haar ouders weer naar huis waren, de brief te lezen. Callie had haar niet in de steek gelaten. En haar ouders zaten naast haar. Het was veel te lang geleden dat Luce zo veel liefde had gevoeld. Ze kneep in haar vaders hand.
Er klonk een keiharde fluit, en haar ouders sprongen allebei op. ‘Dat is de bel voor het eten maar,’ legde ze uit; zo te merken waren ze opgelucht. ‘Kom mee, ik wil jullie aan iemand voorstellen.’
Terwijl ze van de warme, nevelige parkeerplaats naar het gazon liepen waar de openingsceremonie van de Ouderdag werd gehouden, probeerde Luce de campus door de ogen van haar ouders te zien. Ze zag opnieuw dat het dak van het hoofdgebouw doorzakte, en ze rook de overrijpe geur van het rottende perzikenbosje naast de sportzaal. En dan het smeedijzer van de hekken van de begraafplaats, dat helemaal bedekt was met oranjeachtige roest. Ze realiseerde zich dat ze in slechts een paar weken tijd volledig gewend was geraakt aan de vele beledigingen voor het oog van Zwaard & Kruis.
Haar ouders keken vreselijk geschrokken. Haar vader wees naar een stervende druivenrank die zich haveloos een weg zocht om het splinterende hek bij de ingang van de binnenplaats.
‘Dat zijn chardonnaydruiven,’ zei hij, en hij kreunde, want als een plant pijn had, voelde hij die ook.
Haar moeder gebruikte haar beide handen om haar handtas tegen haar borst te drukken, waarbij haar ellebogen uitstaken – de houding die ze aannam als ze in een buurt was waarin ze bang was dat ze beroofd zou worden. Dan hadden ze de camera’s nog niet eens gezien. Haar ouders, die pertinent tegen van alles en nog wat waren, bijvoorbeeld dat Luce een webcam nam, zouden het een vreselijke gedachte vinden dat ze op haar school voortdurend in de gaten werd gehouden.
Luce wilde hen voor alle wreedheden van Zwaard & Kruis behoeden, want ze was erover aan het nadenken hoe ze met het systeem hier moest omgaan – en het soms zelfs te slim af kon zijn. Laatst had Arriane haar nog meegenomen voor een hindernisachtige race over de campus om haar alle ‘dooie rooien’ te laten zien waarvan de batterij leeg was of die op slinkse wijze waren ‘vervangen’, zodat er heel vakkundig allerlei blinde vlekken op school waren gecreëerd. Haar ouders hoefden dat allemaal niet te weten; zij moesten gewoon een leuke dag met haar hebben.
Penn zat op de tribune met haar benen heen en weer te zwaaien, op de plek waar Luce en zij om twaalf uur ’s middags hadden afgesproken. Ze hield een potchrysant in haar hand.
‘Penn, dit zijn mijn ouders: Harry en Doreen Price,’ zei Luce. ‘Mama, papa, dit is…’
‘Pennyweather Van Syckle-Lockwood,’ zei Penn officieel, en ze stak hun met beide handen de chrysant toe. ‘Wat aardig dat ik met jullie mee mag eten vanmiddag.’
De ouders van Luce kirden en glimlachten – altijd even beleefd –, en stelden geen vragen over waar Penns familie dan was, want Luce had geen tijd gehad om hun dat uit te leggen.
Het was weer zo’n warme heldere dag. De felgroene wilgen voor de bibliotheek wiegden zachtjes heen en weer in het windje, en Luce loodste haar ouders naar een plek waar de wilgen de roetvlekken en de kapotte ramen van de brand grotendeels aan het oog onttrokken. Toen ze de deken op een droog stukje gras uitspreidden, nam Luce Penn even apart.
‘Hoe gaat het met je?’ vroeg Luce, want ze vermoedde dat zij, als ze een hele dag ter ere van alle ouders behalve die van haar moest uitzitten, echt wel een megao - pkikker kon gebruiken.
Tot haar verbazing wipte Penns hoofd blij op en neer. ‘O, het is al zoveel beter dan vorig jaar!’ zei ze. ‘En dat is allemaal dankzij jou. Als jij er niet was geweest, was ik vandaag moederziel alleen geweest.’
Daar stond Luce van te kijken, van dat compliment, en ze keek de binnenplaats over om te zien hoe alle anderen het feest opnamen. De parkeerplaats mocht dan nog halfleeg zijn, de Ouderdag leek langzaam maar zeker wat drukker te worden.
Even verderop zat Molly op een deken, tussen een man met een plat gezicht en een vrouw die hongerig op een kalkoenbout zat te knagen. Arriane zat op haar hurken op een bankje van de tribune tegen een ouder punkmeisje met hypnotiserend knalroze haar te praten. Hoogstwaarschijnlijk haar oudere zus. Toen zagen ze Luce, en Arriane grijnsde en zwaaide, en draaide zich vervolgens om naar het andere meisje om iets tegen haar te fluisteren.
Roland had een enorm gezelschap om zich heen, dat op een heel grote sprei een picknicklunch uitstalde. Ze lachten, maakten grapjes, en een paar jongere kinderen gooiden met eten naar elkaar. Ze hadden het zo te zien enorm naar hun zin, totdat er een maïsgranaat door de lucht vloog, die rakelings langs Gabbe scheerde, die over het grasveld liep. Met een kwade blik op Roland begeleidde ze een man die er zo oud uitzag dat hij haar opa wel kon zijn, en terwijl ze hem bij de elleboog vasthield, liepen ze naar een rij stoelen die rond het open gazon was opgesteld.
Daniël en Cam waren nadrukkelijk afwezig – en Luce had ook geen idee hoe hun familie eruit zou zien. Ze mocht zich dan nog zo boos en gegeneerd hebben gevoeld toen Daniël er voor de tweede keer bij het meer vandoor was gegaan, toch wilde ze niets liever dan even een glimp opvangen van iemand die familie van hem was – het maakte niet uit wie. Luce dacht weer aan het dunne dossier van Daniël in het archief en vroeg zich af of hij eigenlijk nog wel contact had met leden van zijn familie.
De moeder van Luce schepte cheddarpap op vier bordjes en haar vader strooide nog wat fijngehakte jalapeños over de bergjes. Na één hap stond Luce’ mond in brand – precies zoals ze het lekker vond. Penn kende dit typische gerecht uit Georgia blijkbaar niet, waar Luce mee was opgegroeid. Ze keek vooral bij de ingelegde okra’s heel bang uit haar ogen, maar zodra ze een hap genomen had, wierp ze Luce een verbaasd goedkeurende glimlach toe.
De vader en moeder van Luce hadden echt alles meegenomen wat Luce lekker vond, zelfs de pecannotenpralines uit het winkeltje verderop in de straat. Haar ouders zaten gezellig te eten, met haar tussen hen in, en waren zo te merken blij dat ze hun mond met iets anders konden vullen dan met gesprekken over de dood.
Luce had ervan moeten genieten dat ze er waren en lekker alles met haar favoriete zoete thee uit Georgia moeten wegspoelen, maar ze voelde zich een bedriegster, omdat ze net deed alsof deze paradijselijke lunch heel normaal was op Zwaard & Kruis. De hele dag was één grote schijnvertoning.
Toen Luce een kort, zwak applaus hoorde, keek ze naar de tribune, waar Randy naast directeur Udell stond, een man die Luce nog nooit eerder in levenden lijve had gezien. Ze herkende hem van het uitzonderlijk stomme portret dat in de grote hal van de school hing, maar ze zag nu wel dat de kunstenaar nog vriendelijk was geweest. Penn had haar al verteld dat de directeur maar één keer per jaar zijn neus op de campus liet zien, te weten op Ouderdag – en daar werd geen uitzondering op gemaakt. Voor de rest was hij een kluizenaar die zijn landhuis op Tybee Island niet uit kwam, zelfs niet als er een leerling van zijn school overleden was. De halskwabben van de man slokten zijn kin volledig op en met zijn domme oogjes staarde hij de menigte in, niet in staat zich ergens op te focussen.
Naast hem stond Randy, haar benen in witte kniekousen, haar handen in haar zij. Ze had een liploos glimlachje op haar gezicht gebakken en de directeur depte zijn grote voorhoofd met een servetje. Ze hadden vandaag allebei hun enthousiaste gezicht opgezet, maar dat leek veel van hen te vergen.
‘Welkom op de 159ste Ouderdag van Zwaard & Kruis,’ zei directeur Udell in een microfoon.
‘Meent hij dat nou?’ fluisterde Luce tegen Penn. Ze kon zich bijna niet voorstellen dat er vóór de oorlog ook al een Ouderdag werd gehouden.
Penn rolde met haar ogen. ‘Dat is vast een tikfout. Ik heb nog zo gezegd dat ze een nieuwe leesbril voor hem moesten regelen.’
‘We hebben een lange dag vol leuke familiedingen voor jullie geregeld, te beginnen met deze gezellige, ontspannen picknicklunch…’
‘Meestal krijgen we maar negentien minuten de tijd,’ merkte Penn terzijde op tegen de ouders van Luce, die meteen verstijfden.
Luce glimlachte over Penns hoofd heen en mimede: ‘Ze maakt maar een grapje.’
‘Daarna kunnen jullie kiezen uit allerlei activiteiten. Onze eigen bioloog, mejuffrouw Yolanda Tross, zal in de bibliotheek een fascinerende lezing geven over de plaatselijke savanneflora die hier op de campus te vinden is. Coach Diante zal een paar gezinsvriendelijke wedstrijden begeleiden hier op het grasveld. En de heer Stanley Cole geeft een historische rondleiding over de begraafplaats, waar onze geëerde helden liggen. Het wordt een heel drukke dag. En inderdaad,’ zei directeur Udell met een goedkope tandpastareclamegrijns, ‘jullie krijgen hier een cijfer voor.’
Dat was precies het juiste soort flauwe, afgezaagde grap om wat ingeblikt gelach bij het groepje familieleden te oogsten. Luce rolde met haar ogen naar Penn. Deze deprimerende poging om wat goedmoedig gegrinnik aan het publiek te ontlokken maakte het zonneklaar dat het de bedoeling was dat iedereen na afloop met een gerust hart zijn kinderen in de handen van de staf van Zwaard & Kruis achterliet. De familie Price lachte ook, maar keek toch steeds naar Luce voor aanwijzingen over hoe ze zich dienden te gedragen.
Na de lunch pakten de andere gezinnen op het grasveld hun picknick in en trokken zich in diverse richtingen terug. Luce had het gevoel dat maar heel weinig mensen daadwerkelijk aan de door de school goedgekeurde evenementen deelnamen. Niemand was met mejuffrouw Tross meegegaan naar de bibliotheek, en vooralsnog waren alleen Gabbe en haar opa aan de andere kant van het grasveld in een aardappelzak geklommen.
Luce wist niet waar Molly, Arriane en Roland met hun familie naartoe waren gegaan, en Daniël had ze ook nog steeds niet gezien. Ze wist wel dat haar eigen ouders teleurgesteld zouden zijn als ze niets van de campus te zien zouden krijgen en niet aan een van de geplande activiteiten zouden deelnemen. De rondleiding van meneer Cole leek haar nog het minst erg, dus stelde Luce voor dat ze alles wat er over was zouden inpakken en zich bij hem zouden voegen bij de poort van de begraafplaats.
Toen ze daarnaartoe op weg waren, liet Arriane zich met een zwaai van het bovenste bankje van de tribune zakken, als een turner die van een brug met gelijke leggers springt. Ze kwam recht voor de ouders van Luce op de grond neer.
‘Halloooo,’ zei ze zangerig, terwijl ze haar uiterste best deed om vooral als een gestoord meisje over te komen.
‘Mama, papa,’ zei Luce, en ze kneep in hun schouders, ‘dit is mijn goede vriendin Arriane.’
‘En dit…’ – Arriane wees op het lange meisje met het knalroze haar, dat langzaam van de trap van de tribune naar beneden liep – ‘…is mijn zus, Annabelle.’
Annabelle negeerde Luce’ uitgestoken hand en viel haar in de armen voor een langdurige, intieme omhelzing. Luce voelde hoe hun botten tegen elkaar schuurden. De intieme omhelzing duurde zo lang dat Luce zich ging afvragen wat dit te betekenen had, maar net op het moment dat ze zich ongemakkelijk begon te voelen liet Annabelle haar los.
‘Wat ontzettend leuk om je nu eindelijk eens te ontmoeten,’ zei ze, en ze pakte Luce’ hand.
‘Insgelijks,’ zei Luce, en ze keek even opzij naar Arriane.
‘Gaan jullie mee met de rondleiding van meneer Cole?’ vroeg Luce aan Arriane, die ook naar Annabelle keek alsof ze niet helemaal lekker was.
Annabelle deed haar mond open, maar Arriane was haar voor. ‘Alsjeblieft niet, zeg,’ zei ze. ‘Die activiteiten zijn echt voor de grootste sufdozen.’ Ze keek even naar de ouders van Luce. ‘Niet beledigend bedoeld, hoor.’
Annabelle haalde haar schouders op. ‘Misschien zien we jullie straks nog!’ riep ze naar Luce, en toen trok Arriane haar al mee.
‘Aardige meisjes wel,’ zei de moeder van Luce op de voorzichtige toon die ze altijd opzette als ze wilde dat Luce iets uitlegde.
‘Eh, waarom deed die griet zo dik met jou?’ vroeg Penn.
Luce keek naar Penn, en toen naar haar ouders. Moest ze nu echt tegenover hen verdedigen dat iemand haar misschien aardig vond?
‘Lucinda!’ riep meneer Cole, en hij zwaaide naar haar vanaf het verzamelpunt bij de poort van de begraafplaats, dat verder overigens geheel verlaten was. ‘Hierheen!’
Meneer Cole schudde allebei haar ouders hartelijk de hand en kneep Penn zelfs even in haar schouders. Luce probeerde te bedenken of ze zich nu moest ergeren aan de deelname van meneer Cole aan de Ouderdag of dat ze juist onder de indruk moest zijn van deze schijnvertoning van zogenaamd enthousiasme. Maar toen begon hij te praten en was ze zowaar verbaasd.
‘Ik oefen hier het hele jaar voor,’ fluisterde hij. ‘Dit is een kans om er met de leerlingen op uit te gaan en de vele bijzonderheden van deze omgeving eens nader te belichten – o, heerlijk vind ik het! Dit komt voor een docent op een tuchtschool nog het meest in de buurt van een heus schoolreisje. De afgelopen jaren is er nog nooit iemand komen opdagen voor mijn rondleidingen, dus daarmee zijn jullie mijn feestelijke inwijding…’
‘Nou, we vinden het een hele eer,’ baste de vader van Luce, en hij schonk meneer Cole een brede glimlach. Luce merkte meteen dat die niet alleen aan zijn op kanonnen beluste belangstelling voor de Burgeroorlog te danken was. Hij vond blijkbaar dat meneer Cole oké was. En niemand beschikte over meer mensenkennis dan haar vader.
De twee mannen waren al begonnen om de steile helling aan het begin van de begraafplaats af te dalen. Haar moeder liet de picknickmand bij het hek staan en glimlachte op de haar bekende vermoeide manier naar Luce en Penn.
Meneer Cole zwaaide om hun aandacht te trekken. ‘Eerst zomaar wat weetjes. Wat…’ – hij trok vragend zijn wenkbrauwen op – ‘…is volgens jullie het oudste onderdeel van deze begraafplaats?’
Terwijl Penn en Luce naar hun voeten keken en het vermeden hem aan te kijken, zoals ze tijdens de les ook deden, ging de vader van Luce op zijn tenen staan om even een blik te werpen op een aantal van de wat grotere beelden.
‘Een strikvraag!’ bulderde meneer Cole, en hij klopte op de rijkelijk versierde smeedijzeren hekken. ‘Dit voorste deel van de hekken is in 1831 door de oorspronkelijke eigenaar gemaakt. Men zegt dat zijn vrouw, Ellamena, een prachtige tuin had, en dat ze iets wilde om de kippen bij haar tomaten weg te houden.’ Hij lachte zachtjes. ‘Dat was voor de oorlog. En voor de verzakking. We gaan verder!’
Onder het lopen ratelde meneer Cole het ene feit na het andere af over de aanleg van de begraafplaats, de historische achtergrond, en de ‘kunstenaar’ – ook al gebruikte hij die term nogal losjes – die het beeldhouwwerk van het gevleugelde beest had gemaakt dat boven op de monoliet in het midden van het terrein stond. De vader van Luce vuurde de ene vraag na de andere op meneer Cole af en haar moeder ging met haar handen over de bovenkant van een paar van de fraaiste grafstenen, waarbij ze elke keer dat ze bleef staan om een inscriptie te lezen ‘ach, hemeltje’ mompelde. Penn slofte achter Luce’ moeder aan, en misschien wilde ze diep in haar hart wel dat ze zich die dag bij een ander gezin had aangesloten. Luce sloot de rij en bedacht hoe het zou gaan als ze haar ouders zelf een rondleiding over de begraafplaats zou geven.
Hier heb ik mijn eerste straf volbracht…
En hier ben ik bijna onthoofd door een vallende marmeren engel…
En hier heeft een jongen van de tuchtschool, die jullie nooit zouden goedkeuren, me de vreemdste picknick van mijn leven bezorgd.
‘Cam,’ riep meneer Cole toen hij het gezelschap om de monoliet heen leidde.
Daar stond Cam, met een lange man met donker haar in een keurig zwart maatpak. Geen van beiden hoorde meneer Cole of zag het gezelschap dat hij rondleidde. Ze stonden zachtjes bij de eik op een heel betrokken manier te praten en te gebaren, zoals Luce haar toneeldocent had zien gebaren als de leerlingen vastliepen in een scène van een toneelstuk.
‘Komen je vader en jij alsnog voor de rondleiding?’ vroeg meneer Cole aan Cam, luider dit keer. ‘Jullie hebben het grootste deel al gemist, maar ik kan jullie nog wel een paar interessante dingen vertellen.’
Cam draaide langzaam zijn hoofd hun kant op, toen weer terug naar de man die naast hem stond en die geamuseerd keek. Luce dacht niet dat deze man met zijn klassieke lange, donkere en knappe voorkomen en reusachtige gouden horloge oud genoeg was om Cams vader te zijn. Maar misschien zag hij er gewoon nog goed uit voor zijn leeftijd. Cams ogen gingen vluchtig langs Luce’ blote hals, en het was even alsof hij teleurgesteld was. Ze bloosde, want ze merkte dat haar moeder het hele tafereel aanschouwde en zich afvroeg wat er gaande was.
Cam besteedde geen aandacht aan meneer Cole en liep op Luce’ moeder af; nog voor iemand hen aan elkaar kon voorstellen, trok hij haar hand naar zijn lippen. ‘U bent vast het oudere zusje van Luce,’ zei hij zwierig.
Links van haar kokhalsde Penn met haar elleboog voor haar gezicht en fluisterde zo zacht dat alleen Luce het verstond: ‘Zeg alsjeblieft dat ik niet de enige ben die moet overgeven.’
Maar de moeder van Luce was nogal geïmponeerd, op een manier waar Luce – en haar vader duidelijk ook – een ongemakkelijk gevoel van kreeg.
‘Nee, we kunnen niet blijven voor de rondleiding,’ liet Cam weten, terwijl hij naar Luce knipoogde en wegliep, net op het moment dat haar vader naar hem toe kwam. ‘Maar het was heel leuk om jullie hier te ontmoeten. Kom, we gaan, páp.’ Hij keek hen alle drie even aan, op Penn na.
‘Wie was dat?’ fluisterde Luce’ moeder toen Cam en zijn vader, of wie de man ook geweest mocht zijn, weer de heuvel van de begraafplaats op liepen en verdwenen.
‘O, gewoon een van Luce’ bewonderaars,’ zei Penn in een poging het wat luchtiger te maken – met precies het tegenovergestelde als resultaat.
‘Eén van de?’ Luce’ vader keek naar Penn omlaag.
In het namiddaglicht zag Luce voor het eerst een paar grijze haren in de baard van haar vader. Ze had geen zin om de laatste momenten van deze dag te moeten besteden met haar vader ervan te overtuigen dat hij zich geen zorgen hoefde te maken over de jongens bij haar op de tuchtschool.
‘Het heeft niets te betekenen, pap. Penn maakt maar een grapje.’
‘We willen dat je heel voorzichtig bent, Lucinda,’ zei hij.
Luce dacht aan wat Daniël laatst had geopperd – en nog met klem ook. Dat ze misschien helemaal niet op Zwaard & Kruis hoorde te zitten. En plotseling wilde ze niets liever dan er met haar ouders over beginnen, hun smeken om haar hier weg te halen, ver hiervandaan.
Maar het kwam door diezelfde herinnering aan Daniël dat Luce uiteindelijk toch haar mond hield. De opwindende aanraking van zijn huid tegen de hare toen ze hem bij het meer omlaag had gedrukt, en zijn ogen, die het droevigste waren wat ze ooit had gezien. Het voelde tegelijkertijd volkomen gestoord en volkomen waar dat deze hel op Zwaard & Kruis misschien wel de moeite waard was, gewoon omdat ze dan nog wat vaker bij Daniël kon zijn. Gewoon om te kijken of het iets werd.
‘Ik heb een hekel aan afscheid nemen,’ fluisterde Luce’ moeder, waarmee ze de gedachten van haar dochter onderbrak. Ze trok haar naar zich toe voor een stevige omhelzing. Luce keek op haar horloge en haar gezicht betrok. Ze begreep niet hoe de middag zo snel voorbij had kunnen gaan. Hoe kon het dat het nu al tijd voor hen was om te gaan?
‘Bel je ons woensdag?’ vroeg haar vader, en hij gaf haar een kus op beide wangen, zoals bij de Franse kant van zijn familie gebruikelijk was.
Toen ze met z’n allen terugliepen, de heuvel op naar de parkeerplaats, grepen Luce’ ouders allebei een hand van haar vast. Ze omhelsden haar nog eens flink en gaven haar een heleboel zoenen. Toen ze Penn de hand schudden en haar het beste wensten, zag Luce op de bakstenen paal bij de uitgang, waarin een kapotte telefoonnis zat, een videocamera gemonteerd zitten. Er moest een bewegingsdetector met de camera verbonden zijn, want de camera draaide rond en volgde hen. Deze had ze op de rondleiding van Arriane niet gezien en hij was beslist geen dooie rooie. De ouders van Luce merkten niets – en dat was misschien maar beter zo.
Toen ze wegliepen, keken ze twee keer om om naar de twee meisjes te zwaaien die bij de ingang van het hoofdgebouw stonden. Haar vader startte zijn oude zwarte Chrysler New Yorker en draaide het raampje omlaag.
‘We houden van je!’ riep hij, zo hard dat Luce zich voor hem geschaamd zou hebben, ware het niet dat ze heel verdrietig was dat ze weer weggingen.
Luce zwaaide terug. ‘Dank je wel,’ fluisterde ze. Voor de pralines en de okra’s. Dat jullie hier de hele dag zijn geweest. Dat jullie Penn onder jullie vleugels hebben genomen, zonder vragen te stellen. Dat jullie nog steeds van me houden, ondanks het feit dat jullie bang voor me zijn.
Toen de achterlichten om de hoek waren verdwenen, tikte Penn Luce op haar rug. ‘Ik wil even bij mijn vader langs.’ Ze schopte met de neus van haar laars tegen de grond en keek verlegen naar Luce op. ‘Heb je soms zin om mee te gaan? Als je niet wilt begrijp ik dat best, hoor, want we moeten daarvoor wel weer naar…’ Ze stak haar duim naar achteren, naar de uithoeken van de begraafplaats.
‘Natuurlijk ga ik mee,’ zei Luce.
Ze liepen langs de rand van de begraafplaats en bleven daarbij hoog op de richel, totdat ze de uiterste oostelijke hoek hadden bereikt. Daar bleef Penn voor een graf staan.
Het was een bescheiden wit graf, bedekt met een geelbruin laagje dennennaalden. Penn ging op haar knieën zitten en begon het schoon te vegen.
STANFORD LOCKWOOD, stond er op de eenvoudige grafsteen, DE BESTE VADER TER WERELD.
Luce kon de krachtige stem van Penn achter de inscriptie horen, en de tranen sprongen haar in de ogen. Ze wilde niet dat Penn het zag – Luce had haar ouders immers nog. Als er iemand het recht had om nu te huilen, nou, dan was het… En Penn huilde ook. Ze probeerde het met heel zacht gesnuf te verhullen, en ze veegde een paar tranen af aan de rafelige boord van haar sweater. Luce ging ook op haar knieën zitten en hielp haar de naalden weg te vegen. Ze legde haar armen om haar vriendin heen en hield haar zo stevig mogelijk vast.
Toen Penn zich van haar losmaakte en Luce bedankte, haalde ze een brief uit haar zak.
‘Meestal schrijf ik hem iets,’ legde ze uit.
Luce wilde Penn even een moment alleen met haar vader gunnen, dus stond ze op, deed een stap achteruit en draaide zich om. Ze liep de helling af, terug naar het midden van de begraafplaats. Haar ogen waren nog een beetje glazig, maar toch meende ze iemand helemaal alleen boven op de monoliet te zien zitten. Ja. Het was een jongen, die met zijn armen om zijn knieën geslagen zat. Ze kon zich niet voorstellen hoe hij daarboven gekomen was, maar hij zat er wel.
Hij zag er stram en eenzaam uit, alsof hij daar al de hele dag zat. Hij zag Luce of Penn niet. Het was alsof hij helemaal niets zag. Maar Luce hoefde niet zo dichtbij te zijn dat ze die paarsblauw-grijze ogen kon zien om te weten wie het was.
Al die tijd had Luce gezocht naar een verklaring voor de reden waarom Daniël maar zo’n dun dossier had, wat voor geheimen er in het in de bibliotheek ontbrekende boek van zijn voorouder stonden, waar hij met zijn gedachten naartoe was gedwaald op de dag dat zij hem naar zijn familie had gevraagd. Waarom hij zo vurig en zo kil tegen haar deed… altijd.
Luce had zo’n emotionele dag met haar eigen ouders achter de rug dat deze gedachte haar bijna op haar knieën dwong van verdriet. Daniël was moederziel alleen op de wereld.