4 PLOEGENDIENST OP DE BEGRAAFPLAATS
Ooo, dinsdag. Wafeldag. Zolang Luce zich kon heugen betekende een dinsdag in de zomer verse koffie, schalen vol frambozen met slagroom, en een onafzienbare stapel knapperige goudbruine wafels. Zelfs deze zomer, toen haar ouders een beetje bang voor haar begonnen te worden, was wafeldag een van de weinige dingen waarvan ze op aan kon. Dan draaide ze zich op een dinsdagochtend nog eens om in bed en voor ze zich ook maar ergens bewust van was, wist ze intuïtief wat voor dag het was.
Luce snoof, kwam langzaam bij zinnen, en snoof toen nog eens, met wat meer trek. Nee, ze rook geen beslag met karnemelk, maar alleen de azijnachtige geur van afbladderende verf. Ze wreef de slaap uit haar ogen en bekeek haar benauwde kamertje eens. Het zag eruit als zo’n ‘voor’-plaatje in een programma waarbij ze je huis helemaal opnieuw inrichten. Ze herinnerde zich weer wat voor lange nachtmerrie de maandag was geweest: het inleveren van haar mobiele telefoon, het incident met het gehaktbrood en de dodelijke naaldhak van Molly in de kantine, Daniël die haar in de bibliotheek opzij duwde. Luce had echt geen flauw idee waarom hij zo hatelijk tegen haar deed.
Ze ging rechtop zitten om naar buiten te kijken. Het was nog donker; de zon gluurde nog niet eens boven de horizon uit. Ze werd anders nooit zo vroeg wakker. Ze zou niet eens weten of ze de zon ooit wel eens had zien opkomen. Naar zonsopgangen kijken was eerlijk gezegd iets waar ze altijd een beetje zenuwachtig van werd. Dat kwam door dat wachten, door die momenten vlak voordat de zon boven de horizon verscheen en je in het donker naar een rij bomen zat te kijken. Prime time voor schaduwen.
Luce slaakte een diepe, eenzame zucht van heimwee, waardoor ze zich juist nog eenzamer voelde en nog meer heimwee kreeg. Wat moest ze in hemelsnaam doen in de drie uur tussen zonsopgang en haar eerste les? Zonsopgang – waarom deed dat woord haar ergens aan denken? O, shit. Ze moest zich melden.
Ze kwam uit bed, struikelde over haar nog steeds niet uitgepakte weekendtas en rukte maar weer een saaie zwarte trui van de stapel saaie zwarte truien. Ze trok de zwarte spijkerbroek aan die ze de dag ervoor ook aan had gehad, kreunde toen ze haar rampzalige slaaphoofd in de spiegel zag en probeerde terwijl ze de deur uit vloog nog een hand door haar haar te halen.
Toen ze bij de tot haar middel reikende, ingewikkeld gemodelleerde smeedijzeren hekken van de begraafplaats aankwam, was ze buiten adem. De overweldigende geur van stinkende moerasplanten vloog haar naar de keel en ze voelde zich veel te alleen met haar gedachten. Waar waren de anderen? Hielden zij er een andere definitie van ‘bij zonsopgang’ op na dan zij? Ze keek op haar horloge. Het was al kwart over zes.
Ze hadden haar alleen gezegd dat ze naar de begraafplaats moest komen, en Luce wist vrijwel zeker dat dit de enige ingang was. Ze bleef op de drempel staan, waar het korrelige asfalt van de parkeerplaats overging in een haveloos stuk grond vol onkruid. Ze zag een eenzame paardenbloem staan, en ze bedacht dat een jongere Luce die meteen geplukt had en dan een wens had gedaan terwijl ze hem had leeggeblazen. Maar de wensen van deze Luce waren veel te zwaar voor zoiets luchtigs.
De begraafplaats werd uitsluitend door de verfijnde hekken gescheiden van de parkeerplaats. Dat was nogal opmerkelijk voor een school waar verder alles met prikkeldraad was afgezet. Luce ging met haar hand langs de hekken en volgde het sierlijke bloemenpatroon met haar vingers. De hekken dateerden vast nog uit de tijd van de Burgeroorlog, waar Arriane het over had gehad, toen de begraafplaats werd gebruikt om gesneuvelde soldaten te begraven. Toen de school die eraan vastzat nog geen onderkomen was voor ontspoorde psychopaten. Toen het hier waarschijnlijk bij lange na niet zo overwoekerd en schimmig was.
Vreemd eigenlijk: de rest van de campus was zo vlak als een vel papier, maar de begraafplaats had op de een of andere manier een holle vorm, als van een kom. Van hieraf kon ze het hele uitgestrekte geval voor zich uit zien afhellen. De hellingen waren bedekt met afzienbare rijen eenvoudige staande grafstenen, als toeschouwers in een arena.
Maar naar het midden toe, op het laagste punt van de begraafplaats, verdween het pad over het terrein kronkelend in een netwerk van grote met beeldhouwwerk versierde graven, marmeren standbeelden en graftomben. Waarschijnlijk voor officieren van de geconfedereerde zuidelijke staten, of van soldaten van rijke huize. Ze zagen eruit alsof ze van dichtbij heel mooi waren. Maar van hieraf leken ze met hun gewicht de begraafplaats omlaag te trekken, bijna alsof het hele terrein door een riool werd opgeslokt.
Voetstappen achter haar. Luce draaide zich vliegensvlug om en zag een gedrongen, in het zwart geklede gestalte achter een boom vandaan komen. Penn! Ze moest haar best doen om haar armen niet om het meisje heen te slaan. Luce was nog nooit zo blij geweest dat ze iemand zag, hoewel je je bijna niet kon voorstellen dat Penn ooit straf kreeg.
‘Ben je niet te laat?’ vroeg Penn, terwijl ze een meter voor Luce bleef staan, met haar hoofd schudde en haar aankeek met een geamuseerde blik, alsof ze wilde zeggen: ‘Jij arme nieuwkomer toch.’
‘Ik sta hier al tien minuten,’ zei Luce. ‘Dan ben jíj toch te laat?’
Penn grijnsde. ‘Helemaal niet, ik sta alleen altijd vroeg op. Ik krijg nooit straf.’ Ze haalde haar schouders op en schoof haar paarse bril op haar neus omhoog. ‘Maar jij wel, samen met vijf andere arme sukkels die waarschijnlijk met de minuut bozer worden omdat ze bij de monoliet op jou moeten wachten.’ Ze ging op haar tenen staan en wees achter Luce naar het grootste stenen bouwwerk, dat vanuit het midden van het laagstgelegen deel van de begraafplaats omhoogstak. Als Luce haar ogen half dichtkneep, kon ze nog net een groepje in het zwart geklede gestalten rond de voet van het bouwwerk zien staan.
‘Ze hebben alleen gezegd dat ik naar de begraafplaats moest komen,’ zei Luce, die zich nu al verslagen voelde. ‘Niemand heeft me gezegd waar ik naartoe moest gaan.’
‘Nou, dan zal ik het je maar zeggen: naar de monoliet. Ik zou maar opschieten als ik jou was,’ zei Penn. ‘Je krijgt er echt niet meer vrienden door als je nog meer tijd van hun ochtend verspilt dan je al gedaan hebt.’
Luce hapte naar adem. Iets in haar wilde Penn vragen of ze haar de weg wilde wijzen. Van hieraf leek het wel een labyrint, en Luce had geen zin om op de begraafplaats te verdwalen. Plotseling kreeg ze dat zenuwachtige ver-van-huisgevoel, en ze wist dat het daar alleen nog maar erger zou worden. Ze liet haar knokkels knakken om wat tijd te rekken.
‘Luce?’ zei Penn, en ze gaf haar een duwtje tegen haar schouders. ‘Je staat hier nog steeds.’
Luce probeerde Penn een kranig bedankglimlachje te geven, maar ze moest genoegen nemen met een onhandige scheve grijns. Toen liep ze snel de heuvel af, naar het midden van de begraafplaats.
De zon was nog steeds niet helemaal op, maar kwam wel dichterbij, en uitgerekend deze laatste paar momenten voor zonsopgang vond ze altijd het engst. Ze stormde langs de rijen met onopgesmukte grafstenen. Ooit moesten die rechtop gestaan hebben, maar ze waren inmiddels zo oud dat de meeste naar links of naar rechts waren gezakt, zodat het alles bij elkaar een stel morbide dominostenen leek.
Ze ploeterde in haar zwarte Converse-gympen door de modderpoelen en rende over knisperende dode bladeren heen. Toen ze het deel met de eenvoudige zerken eenmaal achter zich had gelaten en bij de wat meer versierde graven kwam, was het terrein min of meer vlak geworden en was ze echt helemaal de weg kwijt. Ze ging over in gewone pas en probeerde op adem te komen. Stemmen. Als ze even tot rust kwam, kon ze stemmen horen.
‘Nog vijf minuten, dan peer ik ’m,’ zei een jongen.
‘Jammer dat uw mening er niet toe doet, meneer Sparks.’ Een knorrige stem die Luce herkende van de les van gisteren. Mevrouw Tross – de Albatros. Na het incident met het gehaktbrood was Luce te laat in haar les verschenen en had ze niet bepaald een gunstige indruk gemaakt op de stugge kogelronde docent natuurkunde.
‘Tenzij iemand zijn of haar recht op vrijetijdsbesteding wil kwijtraken’ – gekreun tussen de graftomben –, ‘wachten we allemaal heel geduldig, alsof we niets beters te doen hebben, tot mejuffrouw Price besluit ons met haar aanwezigheid te vereren.’
‘Ik ben er,’ zei Luce buiten adem toen ze eindelijk achter een reusachtig beeld van een cherubijn vandaan kwam aanzetten.
Mevrouw Tross stond met haar handen in haar zij; ze droeg een variatie op de losvallende zwarte tentjurk van de dag ervoor. Haar dunne muisbruine haar zat tegen haar hoofdhuid geplakt en in haar dofbruine ogen stond alleen irritatie over Luce’ aantreden te lezen. Biologie was altijd een moeilijk vak voor Luce geweest en vooralsnog bewees ze haar cijfer in de les van mevrouw Tross geen dienst.
Achter de Albatros stonden Arriane, Molly en Roland verspreid langs een kring sokkels die allemaal naar een groot beeld van een engel in het midden gericht waren. Vergeleken met de rest van de standbeelden leek dit wel nieuwer, witter, grootser. En – ze had hem bijna over het hoofd gezien – daar stond hij tegen het gebeeldhouwde bovenbeen van de engel geleund: Daniël.
Hij had het haveloze zwartleren jack aan en de felrode sjaal om waarop ze de dag ervoor zo gefixeerd was geweest. Luce bekeek zijn rommelige blonde haar, dat eruitzag alsof het nog niet gladgestreken was nadat hij uit bed was gekomen… en dat deed haar eraan denken hoe Daniël eruit zou zien als hij sliep… en dat maakte haar weer zo hevig aan het blozen dat ze zich, tegen de tijd dat haar ogen van zijn haargrens naar zijn ogen waren afgedaald, in en in vernederd voelde.
Inmiddels keek hij boos haar kant op.
‘Sorry,’ zei ze snel. ‘Ik wist niet waar we hadden afgesproken. Ik heb echt…’
‘Laat maar zitten,’ zei mevrouw Tross, en ze ging met een vinger langs haar keel. ‘Je hebt al genoeg van onze tijd verspild. Goed, ik neem aan dat jullie allemaal nog wel weten wat voor verachtelijke overtreding jullie hebben begaan dat jullie hier nu staan. Daar kunnen jullie de komende twee uur, terwijl jullie hier aan het werk zijn, eens goed over nadenken. Twee aan twee werken. Het bekende verhaal.’ Ze keek naar Luce en slaakte een zucht. ‘Oké, wie wil er iemand onder zijn hoede nemen?’
Tot Luce’ grote afgrijzen keken alle andere leerlingen naar hun voeten. Maar na een martelende minuut kwam er nog een vijfde leerling naar voren, om de hoek van het mausoleum vandaan.
‘Ik.’
Cam. Zijn zwarte T-shirt met V-hals sloot nauw om zijn brede schouders. Hij was bijna een kop groter dan Roland, die opzij ging toen Cam langs hem heen liep en naar Luce toe kwam. Terwijl hij met soepele en zelfverzekerde tred op haar af beende, liet hij haar met zijn ogen niet los; hij zag er, in tegenstelling tot Luce, volkomen ontspannen uit in zijn tuchtschoolkloffie. Iets in haar wilde haar ogen neerslaan, omdat ze het gênant vond zoals Cam haar aanstaarde waar iedereen bij was. Maar om de een of andere reden was ze helemaal gebiologeerd. Ze kon hun blik niet verbreken – totdat Arriane tussen hen in kwam staan.
‘Helemaal niet,’ zei ze. ‘Ik heb al gezegd dat ik haar wilde.’
‘Niet waar,’ zei Cam.
‘Wel waar, alleen heb jij dat niet verstaan op dat vreemde plekje van je,’ ratelde Arriane. ‘Ik wil haar.’
‘Ik…’ begon Cam.
Arriane hield verwachtingsvol haar hoofd schuin. Luce slikte. Ging hij nou zeggen dat hij haar ook wilde? Konden ze het er niet gewoon bij laten zitten? Konden ze hun straf niet in een groepje van drie doen?
Cam gaf Luce een klopje op haar arm. ‘Ik zie je straks wel, oké?’ zei hij tegen haar, alsof ze dat hadden afgesproken.
De andere leerlingen sprongen van het graf waar ze op gezeten hadden en liepen op een kluitje naar een schuur. Luce liep achter hen aan en klampte zich vast aan Arriane, die haar zonder een woord te zeggen een hark aanreikte.
‘Goed, wil je de engel der wrake of de mollige elkaar omhelzende geliefden?’
Er werd met geen woord gerept over de gebeurtenissen van de dag ervoor, of over het briefje van Arriane, en Luce had op de een of andere manier niet het gevoel dat ze nu ergens met Arriane over moest beginnen. In plaats daarvan keek ze even omhoog en zag dat er aan weerskanten van haar een reusachtig standbeeld stond. Het beeld het dichtst bij haar was zo te zien een Rodin. Een naakte man en vrouw stonden verstrengeld in een omhelzing. Ze had op Dover les in Franse beeldhouwkunst gehad en ze had de werken van Rodin altijd het meest romantisch gevonden. Maar nu vond ze het moeilijk om naar de omhelzing te kijken zonder aan Daniël te denken. Daniël. Die haar niet moest. Als ze daar nog meer bewijs van nodig had nadat hij de avond ervoor min of meer de bibliotheek uit gerend was, hoefde ze alleen maar terug te denken aan de frisse boze blik die ze die ochtend van hem had gekregen.
‘Waar is de engel der wrake?’ vroeg ze met een zucht aan Arriane.
‘Goede keus. Daarzo.’ Arriane ging Luce voor naar een reusachtig marmeren beeld van een engel die de grond behoedde voor de inslag van een bliksemschicht. Het was in de tijd dat het net gemaakt was misschien wel een interessant werk geweest. Maar nu zag het er alleen maar oud en vies uit, helemaal overdekt met modder en groen mos.
‘Ik snap het niet,’ zei Luce. ‘Wat moeten we doen?’
‘Schrobben-dobbe-dobbe,’ zei Arriane – ze zong het bijna. ‘Ik doe altijd net alsof ik ze lekker in bad stop.’ En met die woorden klauterde ze tegen de reusachtige engel op en zwaaide haar benen over de arm van het beeld die de bliksemschicht tegenhield, alsof het hele geval een stevige oude klimeik was.
Luce was doodsbang dat ze nog meer problemen met mevrouw Tross zou krijgen, dus begon ze rond de sokkel van het beeld te harken. Ze probeerde de op het oog eindeloze berg vochtige bladeren weg te krijgen.
Drie minuten later kón ze niet meer van de pijn in haar armen. Ze was beslist niet op dit soort modderige arbeid gekleed. Op Dover had Luce nog nooit straf gekregen, en voor zover ze gehoord had, bestond die er alleen maar uit dat je een vel papier moest volpennen met een paar honderd keer het zinnetje ‘Ik zal niets van internet overschrijven’.
Dit was echt beestachtig. Zeker als je bedacht dat ze eigenlijk niets meer had gedaan dan in de kantine per ongeluk tegen Molly opbotsen. Ze wilde vooral niet al te snel oordelen, maar modder wegboenen van de graven van mensen die al een eeuw dood waren leek haar een veel te zware straf. Luce vond haar leven op dit moment echt verschrikkelijk.
Toen filterde er eindelijk een straaltje zonlicht door de bomen, en plotseling verscheen er kleur op de begraafplaats. Luce voelde zich meteen een stuk lichter. Ze kon meer dan drie meter voor zich uit zien. Ze kon Daniël zien… die met Molly naast zich bezig was.
De moed zonk Luce in de schoenen. Het luchtige gevoel verdween.
Ze keek naar Arriane, die haar een meelevende blik van ‘waardeloos is dit’ toewierp, maar wel verder werkte.
‘Hé,’ fluisterde Luce luid.
Arriane legde een vinger tegen haar lippen, maar gebaarde Luce wel om naar haar toe te klauteren.
Met heel wat minder elegantie en behendigheid wist Luce de arm van het standbeeld vast te pakken en hees ze zich op de sokkel. Zodra ze vrij zeker wist dat ze niet op de grond zou vallen, fluisterde ze: ‘Zeg… dus Daniël is bevriend met Molly?’
Arriane maakte een snuivend geluid. ‘O nee, die twee háten elkaar echt,’ zei ze snel, en toen zweeg ze even. ‘Waarom vraag je dat?’
Luce wees naar het tweetal, dat helemaal niets deed om het onkruid van hun graf weg te halen. Ze stonden heel dicht bij elkaar op hun hark geleund en voerden een gesprek dat Luce dolgraag had willen kunnen verstaan. ‘Volgens mij zijn ze dikke vrienden.’
‘Dat komt door de straf,’ zei Arriane toonloos. ‘Dan moet je met z’n tweeën aan de slag. Denk je soms dat Roland en Chester de Pester vrienden zijn?’ Ze wees naar Roland en Cam. Die stonden zo te zien te bakkeleien over hoe ze het best het werk aan het beeld van de geliefden konden verdelen. ‘Maatjes tijdens straf zijn echt niet hetzelfde als maatjes in het gewone leven.’
Arriane keek weer naar Luce, die voelde dat haar gezicht inzakte, ook al probeerde ze nog zo hard om te doen alsof haar dit totaal niet raakte.
‘Moet je horen, Luce, ik bedoelde niet…’ Haar stem stierf weg. ‘Oké, afgezien van het feit dat ik door jouw toedoen vanochtend twintig minuten heb verdaan, heb ik met jou geen probleem. Ik vind je zelfs wel interessant, zeg maar. Fris wel. Goed, dat gezegd hebbende, weet ik niet wat jij hier op Zwaard & Kruis had verwacht wat betreft dikkemikvriendschappen. Maar laat mij dan de eerste zijn om je te vertellen dat dat nog niet meevalt. Iedereen zit hier omdat hij bagage heeft. En dan bedoel ik het soort bagage van op straat gecontroleerd worden en boete betalen omdat je koffer te zwaar is. Snap je wel?’
Luce haalde haar schouders op en voelde zich een beetje gegeneerd. ‘Het was maar een vraag, hoor.’
Arriane gniffelde. ‘Doe je altijd zo defensief? Wat heb je eigenlijk gedaan dat je hier zit?’
Luce had geen zin het erover te hebben. Misschien had Arriane wel gelijk en deed ze er verstandiger aan geen vrienden te maken. Ze sprong van de sokkel en stortte zich weer op het mos aan de onderkant van het standbeeld.
Jammer genoeg was Arrianes nieuwsgierigheid gewekt. Ze sprong ook naar beneden en zette haar hark op die van Luce, zodat ze geen kant meer op kon.
‘Ooo, alsjeblieft, vertel, vertel,’ plaagde ze.
Arriane hield haar gezicht heel dicht bij dat van Luce. Daardoor moest Luce aan de dag ervoor denken, toen ze zich over Arriane heen had gebogen nadat die stuiptrekkingen had gekregen. Dat was toch wel even een intiem moment geweest, of niet soms? En ergens wilde Luce ook heel graag met iemand kunnen praten. Het was een vreselijk lange, snikhete zomer met haar ouders geweest. Ze zuchtte en liet haar voorhoofd tegen de steel van haar hark rusten.
Ze kreeg een zoutige, nerveuze smaak in haar mond, maar kon die niet wegslikken. De vorige keer dat ze op dit onderwerp was ingegaan, was op bevel van de rechter geweest. Ze had het net zo lief willen vergeten, maar hoe langer Arriane haar zo doordringend bleef aankijken, hoe duidelijker de woorden werden en hoe dichter ze het puntje van haar tong naderden.
‘Ik was op een avond bij een vriend van me,’ begon ze uit te leggen, en ze haalde diep adem. ‘En toen is er iets heel ergs gebeurd.’ Ze deed haar ogen dicht en bad dat het tafereel niet onder het rood-zwart van haar oogleden zou losbarsten. ‘Er was brand. Ik heb het overleefd… en hij niet.’
Arriane gaapte; het verhaal boezemde haar veel minder afschuw in dan Luce.
‘Maar goed, hoe dan ook,’ ging Luce verder, ‘na afloop kon ik me niet meer precies herinneren hoe het gebeurd was. Wat ik me wél herinnerde – in elk geval wat ik aan de rechter verteld heb –, nou ja, ik denk dat ze dachten dat ik gek was.’ Ze probeerde te glimlachen, maar het voelde geforceerd.
Tot Luce’ verbazing kneep Arriane in haar schouder. En even keek ze haar met een werkelijk oprechte blik aan. Daarna trok haar gezicht meteen weer in de bekende grijns.
‘Gut, wat worden we allemaal toch verkeerd begrepen, hè?’ Ze porde Luce met haar vinger in haar buik. ‘Weet je, Roland en ik hadden het er net over dat we helemaal geen pyromanen onder onze vrienden hebben. En iedereen weet dat je voor een beetje redelijke tuchtschoolstreek een goede pyromaan nodig hebt.’ Ze was nu al plannen aan het smeden. ‘Roland dacht dat die andere nieuwkomer, Todd, er misschien één was, maar ik ga liever met jou in zee. We moeten eens met z’n allen iets op touw zetten.’
Luce slikte moeizaam. Ze was geen pyromaan. Maar ze had er genoeg van om over haar verleden te praten; ze had niet eens zin om zichzelf te verdedigen.
‘O, wacht maar tot Roland het hoort,’ zei Arriane, en ze gooide haar hark op de grond. ‘Jij bent voor ons gewoon een droom die in vervulling gaat.’
Luce deed haar mond open om te protesteren, maar Arriane was al vertrokken. Prima, dacht Luce, en ze luisterde naar het geluid van Arrianes schoenen die zuigend door de modder gingen. Het kon hooguit een paar minuten duren en dan was het de hele begraafplaats over gegaan, tot Daniël aan toe.
Nu ze weer alleen was, keek ze omhoog naar het beeld. Hoewel ze al een enorme berg mos en dode bladeren had weggehaald, zag de engel er vuiler uit dan ooit. Deze hele exercitie had totaal geen zin. Ze durfde te betwijfelen of hier sowieso ooit iemand kwam. Ze durfde ook te betwijfelen of de andere strafkandidaten nog aan het werk waren.
Toevallig viel haar oog op Daniël, die wél aan het werk was. Hij was heel voorzichtig met een staalborstel bezig om wat aanslag van een bronzen inscriptie op een graftombe te boenen. Hij had zelfs de mouwen van zijn trui omhooggeschoven, en Luce zag hoe zijn spieren zich spanden terwijl hij boende. Ze zuchtte en ging – ze kon er niets aan doen – met haar elleboog tegen de stenen engel geleund staan om naar hem te kijken.
Hij is altijd al een enorm harde werker geweest.
Luce schudde snel haar hoofd. Waar kwam dat nou weer vandaan? Ze had geen idee wat dat betekende. En toch had ze het zelf gedacht. Het was echt zo’n zinnetje dat zich soms, vlak voordat ze in slaap viel, in haar hoofd vormde. Zinloos gebabbel dat ze buiten haar dromen nooit ergens aan kon toeschrijven. Maar nu was ze klaarwakker.
Ze moest greep zien te krijgen op dat hele gedoe met die Daniël. Ze kende hem pas één dag en nu voelde ze zich al afglijden naar een heel vreemde en onbekende plek.
‘Misschien kun je maar het best bij hem uit de buurt blijven,’ zei een kille stem achter haar.
Luce draaide zich als gestoken om en zag dat het Molly was, in dezelfde houding als waarin ze haar de dag ervoor had aangetroffen: met haar handen in haar zij en haar gepiercete neusvleugels gesperd. Penn had haar verteld dat de verrassende regel op Zwaard & Kruis die piercings in het gezicht toestond, te danken was aan het feit dat de directeur zelf het diamanten knopje in zijn oor niet wilde uitdoen.
‘Bij wie?’ vroeg ze aan Molly, ook al wist ze dat het stom klonk.
Molly rolde met haar ogen. ‘Geloof mij nou maar: het is echt heel onverstandig om verliefd te worden op Daniël.’
Voor Luce antwoord kon geven, was Molly al weg. Maar Daniël keek haar recht aan – het was bijna alsof hij zijn naam had gehoord. En toen liep hij recht op haar af.
Ze wist dat de zon achter een wolk was verdwenen. Als ze zich van zijn blik zou kunnen losmaken, kon ze omhoogkijken en het zelf zien. Maar ze kon niet omhoogkijken, ze kon haar blik niet afwenden, en om de een of andere reden moest ze haar ogen half dichtknijpen om hem te kunnen zien. Het was bijna alsof Daniël zijn eigen licht creëerde, alsof hij haar verblindde. Er klonk een hol galmend geluid in haar oren en haar knieën begonnen te knikken.
Ze wilde haar hark oppakken en tegen beter weten in doen alsof ze hem helemaal niet zag aankomen. Maar het was te laat om nog cool te doen.
‘Wat zei ze tegen je?’ vroeg hij.
‘Eh…’ talmde ze, terwijl ze haar hersens pijnigde op zoek naar een aanvaardbare leugen. Maar die vond ze niet. Ze liet haar knokkels knakken.
Daniël legde zijn hand over de hare. ‘Niet doen, dat vind ik vreselijk.’
Luce trok zich instinctief terug. Zijn hand had maar heel even op de hare gelegen, maar toch voelde ze haar gezicht rood worden. Hij bedoelde waarschijnlijk dat dit een van zijn kleine irritaties was – dat hij niet tegen knakkende knokkels kon, van wie dan ook. Want zeggen dat hij het vreselijk vond als zíj dat deed impliceerde dat hij haar dat al eerder had zien doen. En dat kon niet. Hij kende haar nauwelijks.
Maar waarom voelde het dan alsof ze al eens eerder ruzie hadden gehad?
‘Molly zei dat ik bij jou uit de buurt moest blijven,’ zei ze uiteindelijk maar.
Daniël hield zijn hoofd schuin, eerst naar links, toen naar rechts, en het leek erop dat hij erover nadacht. ‘Ze heeft waarschijnlijk gelijk.’
Luce voelde de rillingen over haar rug lopen. Er dreef een schaduw over, die het gezicht van de engel zo lang verduisterde dat Luce zich zorgen ging maken. Ze deed haar ogen dicht, probeerde rustig adem te halen en hoopte maar dat Daniël niets vreemds zou opvallen.
Maar de paniek zwol in haar aan. Ze wilde het op een lopen zetten. Maar ze kon niet wegrennen. Als ze nu eens op de begraafplaats verdwaalde?
Daniël volgde haar blik naar omhoog. ‘Wat is er?’
‘Niets.’
‘En wat ga je doen?’ vroeg hij, terwijl hij zijn armen uitdagend over elkaar sloeg.
‘Hoezo?’ zei ze. Wegrennen?
Daniël deed een stap naar haar toe. Hij stond nu hooguit dertig centimeter bij haar vandaan. Ze hield haar adem in. Ze hield haar lichaam roerloos stil. Ze wachtte.
‘Blijf je bij me uit de buurt of niet?’
Het klonk bijna alsof hij met haar flirtte.
Maar Luce was helemaal de weg kwijt. Haar voorhoofd was klam van het zweet, en ze drukte met twee vingers tegen haar slapen in een poging weer controle over haar lichaam te krijgen, het van hem terug te winnen. Ze was er absoluut niet op voorbereid om op haar beurt nu ook met hem te flirten. Dat wil zeggen, áls dat was wat hij deed: flirten.
Ze deed een stap achteruit. ‘Ik denk het.’
‘Ik heb je niet goed verstaan,’ fluisterde hij, en hij trok een wenkbrauw op en kwam nog een stap dichterbij.
Luce deinsde weer achteruit, nog wat verder dit keer. Ze knalde bijna tegen de sokkel van het standbeeld aan en ze voelde de korrelige stenen voet van de engel langs haar rug schrapen. Er zoefde nog een schaduw over hen heen, donkerder en kouder. Ze had durven zweren dat Daniël ook huiverde, net als zij.
Toen schrokken ze allebei op van het lage gekreun van iets zwaars. Luce zag de bovenkant van het marmeren beeld wankelen als een boomtak die in de wind heen en weer zwaait, en ze slaakte een kreet. Heel even leek het beeld in de lucht te zweven.
Luce en Daniël keken naar de engel. Ze wisten allebei dat hij naar beneden kwam. Het hoofd van de engel boog zich langzaam naar hen toe, alsof hij aan het bidden was – en toen kreeg het hele beeld meer vaart en stortte het naar beneden. Luce voelde dat Daniël zijn hand ogenblikkelijk heel stevig om haar middel sloeg, alsof hij precies wist waar ze begon en waar ze eindigde. Zijn andere hand legde hij op haar hoofd, en precies op het moment dat het beeld over hen heen viel, duwde hij haar omlaag. Het kwam met een gigantische dreun neer, met het hoofd in de modder, terwijl de voeten nog op de sokkel stonden. Onder het beeld was een driehoekje overgebleven, waarin Daniël en Luce op hun hurken in elkaar gedoken zaten.
Ze zaten neus aan neus te hijgen, en Daniëls ogen stonden doodsbang. Tussen hun lichamen en het beeld was maar een paar centimeter ruimte.
‘Luce?’ fluisterde hij.
Ze kon alleen maar knikken.
Hij kneep zijn ogen samen. ‘Wat heb jij net gezien?’
Toen verscheen er een hand en voelde Luce hoe ze uit de ruimte onder het beeld getrokken werd. Ze voelde iets langs haar rug schrapen en toen voelde ze een zucht lucht. Ze zag het daglicht weer flakkeren. De strafploeg stond met open mond toe te kijken, op mevrouw Tross na, die heel boos keek, en Cam, die Luce overeind hielp.
‘Gaat het met je?’ vroeg Cam, terwijl hij haar van top tot teen inspecteerde op zoek naar schaafwonden en blauwe plekken, en hij wat aarde van haar schouder veegde. ‘Ik zag het beeld neerstorten en toen ben ik hierheen gerend om te kijken of ik het kon tegenhouden, maar toen was het al… Jee, wat zullen jullie bang geweest zijn.’
Luce reageerde niet. Angst was maar een klein deel van wat ze gevoeld had.
Daniël, die alweer stond, draaide zich niet eens om om te kijken of alles goed met haar was. Hij liep gewoon weg.
Luce keek hem met open mond na; de rest leek zich er niet voor te interesseren dat hij ertussenuit muisde.
‘Wat deden jullie?’ vroeg mevrouw Tross.
‘Ik weet het niet. Het ene moment stonden we daar, eh…’ – Luce keek even naar mevrouw Tross – ‘…te werken. En het volgende moment viel het beeld gewoon om.’
De Albatros bukte zich om de aan stukken geslagen engel nader te bestuderen. Het hoofd was helemaal doormidden gebarsten. Ze begon iets over natuurkrachten en oude stenen te mompelen.
Zelfs toen iedereen weer verder was gegaan, bleef Luce de stem in haar hoofd horen. Het was Molly, die in haar oor had gefluisterd: ‘Zo te zien wordt het hoog tijd dat iemand eens naar me luistert als ik haar een goed advies geef.’