91
We reden door woonwijken over het kapotte wegdek van smalle straten met aan beide kanten geparkeerde auto’s, ezels en karren. Dom wipte telkens omhoog als we door een kuil reden.
‘Waar gaan we naartoe, Nick?’
‘Basma.’
‘We kunnen Baz niet in gevaar brengen…’
‘Dat is het minste van onze problemen. Een Predator zou daarboven al in onze nek kunnen hijgen. We moeten van de straat af. En luister, maat. Slecht nieuws.’ Ik draaide mijn hoofd om hem recht aan te kijken. ‘De kerel die achter ons aan zit? Hij heeft Finbar.’ Ik keek weer op de weg. ‘Je moet me alles vertellen. Over die film, over Pete. Je moet me vertellen wat er verdomme allemaal speelt.’
Hij greep mijn schouder. ‘Denk je dat hij ook zal proberen om Siobhan te pakken te krijgen?’
‘Nu hij ons kwijt is, zal hij zich willen indekken, geloof me maar.’
Hij zakte ineen op de achterbank. Ik nam nog een paar bochten tot TV Hill links van ons was en ik wist waar we waren. De markt doemde rechts van ons op en we reden langs het verwrongen en uitgebrande wrak waarin de zelfmoordenaar zijn bom had laten ontploffen.
Ik wrong me lang alles dat in de weg stond en drukte op de claxon om iedereen opzij te jagen, precies zoals deze wagen op een normale dag ook zou hebben gedaan.
Het duurde niet lang of ik zag de top van een stapel hout en het betonijzer dat aan weerskanten uit onafgebouwde huizen stak. Er stonden geen voertuigen geparkeerd op de harde modder voor de loodsen van golfplaten. Magreb zou nog drie dagen op de lijst van vermisten staan tot zijn broer terugkwam.
Een handgeschilderd bord opzij van de weg verwees naar de polytechnische school.
‘We zijn er bijna. Ik heb navigatie nodig, maat.’
‘Hier links, Nick.’ Ik kon hem bij mijn rechterschouder ruiken. Een paar van de open korsten glinsterden onder zijn stoppelbaard.
Nog een kruising en we waren in de straat van Basma. Ik stopte buiten de blauwe, houten poort en toeterde twee keer. Toen er niets gebeurde, sprong ik uit de auto. Binnen kon ik vrouwenstemmen horen.
De poort ging een paar centimeter open op de veiligheidsketting. Het gaas van een boerka verscheen achter de opening.
‘Basma – haal Basma.’
Ze begreep me niet, maar ik had geen tijd om te verlummelen. Met mijn schouder stootte ik de poort open. De vrouw rende gillend en met wapperende boerka naar het huis. Verrek maar, later zouden we de kleine lettertjes wel nalezen.
Ik sprong in de auto en reed door de ingang. Rechts was een parkeerplaats. Een gammel dak van golvend metaal bood bescherming tegen zon en sneeuw. Eronder stond een gedeukte, roestige stationcar. Ik reed erheen en stopte er vlak voor.
‘Wat is er aan de hand?’ Basma kwam op me af lopen. ‘Je kunt hier niet zomaar binnenvallen.’
Ik besteedde geen aandacht aan haar. Ik dook de stationcar in en haalde hem van de handrem. Met beide voeten buiten op de grond en één hand aan het stuur begon ik hem naar buiten te duwen.
‘Maak dat je wegkomt! Verdwijn hier meteen!’
De Datsun stationcar uit de jaren tachtig rolde in een rechte lijn naar buiten, omdat hij op het stuurslot zat. Het maakte niet uit. Ik had alleen maar genoeg ruimte nodig om de Suburban erlangs te rijden.
‘Ik heb Dom!’ Ik wees met een vinger. ‘Maak die poort dicht!’
Ze begon te rennen en bleef toen met een ruk staan. Ze rende terug naar de Suburban en keek erin. ‘O, mijn god.’
Het gezicht van meneer Schoenpoets drukte tegen het raampje.
‘Hij kan verrekken. Hij is dood. Dom zit achterin.’
Ik sprong achter het stuur en reed de GMC onder het golvende metaal. ‘Ik zal hem naar binnen brengen – zorg jij dat die verdomde poort wordt gesloten!’