82

Ik wist maar al te goed hoe dit werkte. De braakreflex was een automatische reactie. Ik wist dat ik niets kon doen om dat tegen te gaan. Het enige waarop ik kon hopen, was dat ze wisten waarmee ze bezig waren. Dat ze me naar de rand zouden brengen zonder me eroverheen te duwen.

Ze legden me op mijn rug op het tafelblad, met mijn geboeide handen onder me. Ze gooiden een brede band over mijn middel en trokken die strak. Mijn benen werden vastgezet.

Ik hield mijn ogen dicht. Mijn borst zwoegde op en neer, terwijl ik alles in het werk stelde om mijn longen met zuurstof te vullen.

Water droop uit de doorweekte jute toen meneer Schoenpoets die uit de emmer haalde. Ik slaagde erin nog één keer diep adem te halen voordat de lap over mijn hoofd werd getrokken. De natte stof kleefde aan mijn neus en mond.

Ik vocht ertegen. Ik kon er niets aan doen. Ik blies hard door mijn mond om het spul weg te krijgen.

Het tafelblad kantelde en mijn hoofd ging naar beneden. Een emmer water werd over de zak leeggegoten.

Ik kon niet ademen.

Ik zei tegen mezelf dat ik kalm moest blijven. Je verdrinkt niet! Je verdrinkt niet!

Maar water liep in mijn neus en mond en mijn lichaam vertelde me iets anders.

Rustig aan! Dadelijk zul je weer kunnen ademen!

De seconden tikten voorbij. Ik moest zo vreselijk nodig diep ademhalen. Mijn reflexen namen het over.

Ik kokhalsde.

Een volgende emmer…

Mijn lichaam ontplofte. Ik probeerde te trappen en te bokken. Mijn handen graaiden naar de plastic boei. Ik trok gaten in mijn eigen huid.

Weer een emmer…

Lichaam noch hoofd kon me nu nog helpen. Ik gaf toe. Ik probeerde te ademen, en hoe meer ik probeerde te ademen, des te meer water kreeg ik binnen. Ik wist dat ik kon slikken, maar ik deed het niet; ik bleef proberen het naar buiten te gooien, en toen had ik geen lucht meer. Mijn lichaam schokte alsof ik weer een stoot met een taser kreeg.

Het tafelblad wipte naar de andere kant en mijn hoofd zwaaide omhoog. Ze trokken de zak weg. Ik braakte water en gal uit en spande me in om mijn longen met lucht te vullen. Water gutste uit mijn neus en mond en snot stroomde over mijn gezicht. Ik had nog nooit zo’n opluchting gevoeld.

Ze weten waarmee ze bezig zijn. Ze zullen het niet verkloten. Ze zullen je niet laten sterven. Alles is een reflex. Beheers die!

Ik schreeuwde tegen ze: ‘Ik weet niets!’

Niemand luisterde. Ik kreeg een stomp in mijn gezicht en de lap ging weer op.

De tafel kantelde. En dat deed de emmer ook.

Ik ging sterven. Ik wilde blazen maar kon het niet. Ik had niets in mijn longen om mee te blazen.

Mijn kracht verdween alsof iemand een knop had omgezet. Ik had niets over om mee te vechten. Ik wist dat de dood nog maar enkele tellen ver weg was.

De tafel kantelde, maar de lap werd deze keer niet weggehaald. Ik hoestte en proestte en gaf water en meer gal op.

Toen, een wonder…

De banden werden losgemaakt. Ik gleed van de tafel op de vloer. Meer ijskoud water werd over me heen gesmeten, maar dat kon me niet schelen.

De twee mannen trapten me tegen de muur. Ze zeiden niets; ze hoefden niets te zeggen. Wanneer het op dit soort dingen aankwam, waren de Serviërs de besten.

Ik krulde op met mijn gezicht naar de muur, mijn handen nog steeds geboeid achter mijn rug. Meer water gutste over me heen. Ik gilde in de zak: ‘Ik weet niets!’ Ik begon te rillen.

Ik hoorde stemmen. Een daarvan lachte. ‘Straks meer, klootzak.’

Ik werd getrakteerd op nog een paar trappen in mijn rug en de zak werd weggerukt. De bril en gehoorbeschermers werden weer opgezet.

Ik was weg, ik bewoog.

Ik hield mijn ogen dicht en elke spier gespannen. Ik zou met alle plezier een pak slaag krijgen, als ze me maar niet meer op dat verrekte ding legden.

Ze hesen me overeind en half slepend, half tillend sleurden ze me de kamer uit. We sloegen rechtsaf, weer door de gang. Mijn tenen schraapten en schuurden over het ruwe beton.

Ik werd op de vloer geduwd, en de huid op mijn knieën sprong weer open. Zelfs die pijn was nu verdraagbaar.

Ik probeerde achterover te leunen en kreeg meteen een trap in mijn ribben. Ik moest mijn dijen absoluut verticaal houden en mijn rug kaarsrecht. Mijn handen klopten weer.

Ik wist niet wie er nog meer in het vertrek was. Ik wist niet of en wanneer ik weer naar de ondervragingskamer zou worden gebracht. Weer werd er een emmer water over mijn hoofd leeggegoten. Ik huiverde onbeheerst. Mijn dijen begonnen te trillen. Ik rilde over mijn hele lichaam. Mijn rug deed pijn van de trappen en de inspanning om te proberen rechtop te blijven staan. Iets moest meegeven. Ik boog vanuit mijn middel iets naar voren om de pijn te verlichten.

Handen grepen mijn schouders beet en dwongen me terug in de inspannende houding. Een paar tellen later kreeg ik weer een emmer water over me heen en hield het rillen niet meer op.