60

Ik waagde me verder naar binnen en ontdekte dat het niet alleen hoeren en klanten waren die lol hadden. Aapjes van zo’n dertig centimeter van kop tot staart sprongen, gekleed in camouflage-uniformpjes, overal rond. Op de ruggen van de diertjes was een plastic miniatuur-AK gebonden. Ze sprongen op tafels en grepen drankjes of sigaretten. Eentje was een joint aan het roken. Een andere maakte zijn harige kopje drijfnat met bier toen hij uit een blikje probeerde te drinken.

Ik liep op de enige knul af die eruitzag alsof hij nog steeds vluchtige bezoeken aan mijn planeet bracht. Hij had een woeste baard die tot op zijn borst viel en hem een aanblik gaf alsof hij Middenaarde zou moeten overnemen van de Goede Tovenaar. Zijn haren waren achter in zijn nek samengebonden in een paardenstaart. Hij stond achter een geïmproviseerde bar in de hoek.

Op planken stonden rijen flessen. Foto’s, vlaggen, wimpels, van alles was er tegen de muur bevestigd: Britse vlaggen, Stars and Stripes, voetbalelftallen, American-footballteams. Een poster toonde Mel Gibson, die zijn Braveheart-ding deed. Zijn gezicht was bespikkeld met 9mm-gaten. Het plafond was hetzelfde. Er waren zoveel kogelgaten dat het eruitzag als een dartbord. Deze ruimte had een paar feestelijke uitbarstingen meegemaakt, dat was duidelijk. De president was ofwel te bedonderd om de zaak op slot te gooien, of hij was een vaste klant.

Ik hoorde Brits, Amerikaans, Frans, Italiaans. Er waren andere talen die ik door de herrie van de muziek niet kon herkennen, maar toen hoorde ik er een die ik wel herkende, zelfs met Justin op volle sterkte.

De Serviërs zaten op een sofa; elk had een hoertje op schoot. De vijftienjarige van meneer Schoenpoets droeg een sari die tot rond haar middel omhoog was geschoven. Die van Bovenlip was in het uniform met de Rode Ster. Ze streek de hele tijd zijn vettige lange haren uit zijn bezwete gezicht. Meneer Schoenpoets duwde zijn meisje weg, zodat hij met zijn maat kon wauwelen. Toen leunde hij achterover en schreeuwde tegen een groep van drie kerels die ik voor Amerikanen hield. Hij wees met een vinger in hun richting en herhaalde het nog eens, maar ze besteedden geen aandacht aan hem en bleven lachen en drinken.

Allemaal waren ze waarschijnlijk freelancers, premiejagers die van over de hele wereld hierheen werden getrokken als goudzoekers naar Klondike. Alleen was hier de prijs Osama, al-Qaida en elke leider van de taliban. Er stond nog steeds een prijs van zoiets als vijftig miljoen dollar op het hoofd van Bin Laden, maar de meesten van deze kerels zouden geen idee hebben waar ze moesten beginnen.

Ik had zelf een poosje met het idee gespeeld om hierheen te komen, tot ik wat was gaan graven. Het werd al snel duidelijk dat ik net zo rond zou hangen als deze lui. Sommigen hadden hun toevlucht genomen tot seances in een van Osama’s oude huizen in de stad, waar hij vroeger vrouw een en twee had ondergebracht. Die waren ervandoor gegaan toen de Amerikanen begonnen met bombarderen en hadden alleen een oude beha en een ketel achtergelaten.

Hun huisbaas, de buurman, was niet blij. Bin Laden was hem nog vijfhonderd dollar huur schuldig, dus moest hij het geld ergens vandaan halen. Hij kwam op het lumineuze idee om er een paar plaatselijke waarzegsters te installeren, een paar kaarsen aan te steken en de premiejagers een poot uit te draaien door ze begeleiding te bieden van de andere kant.

Niemand sprak me aan. In dit soort gelegenheden vraagt niemand je wat je komt doen en kijkt niemand je aan. Niet dat de meesten van de kerels die hier vannacht waren nog goed scherp konden kijken.

Enkele aapjes zaten van plassen bier te drinken. Misschien waren hun blikjes in beslag genomen.

Foto’s uit tijdschriften waren tegen de muur geplakt. De grotten van Tora Bora die het goede nieuws kregen van een squadron B-52’s. Leden van de Noordelijke Alliantie die grijnsden bij het overeind zetten van dode talibs. Een dubbele pagina uit een pornotijdschrift van twee mannen en een meisje; de hoofden van Bush en Musharraf waren op die van de mannen aan de uiteinden geplakt, en Blair was de worst tussen het broodje.

De bar was geheel opgebouwd uit oude stalen munitiekisten voor mortiergranaten. Ze waren een beetje roestig, maar het cyrillische schrift was nog zichtbaar. Het bovenblad bestond uit een paar met bier doorweekte planken.

Een paar meisjes in geladderde netkousen brachten bladen drank weg. Mijn ogen prikten door de rook. De tovenaar achter de bar wierp een lange blik op mijn Bergen. ‘Ben je van plan het weekend te blijven logeren, man?’ De plank achter hem stond vol met whiskyflessen. Een aapje dat high of dronken was, lag plat op zijn rug met een arm en een been die in de ruimte bungelden. De flessen hadden tijdschriftfoto’s als nieuw etiket gekregen. Hitler stond in de Beierse Alpen. Mussolini zag er stoer uit met een helm op zijn hoofd. Bin Laden in zijn jurken en gevechtsjack koesterde zijn AK onder het CNN-logo.

‘Nee, maat.’ Ik moest over de bar leunen en hem halverwege tegemoetkomen om er zeker van te zijn dat hij me kon verstaan. ‘Ik had gehoord dat ik hier protectie kon kopen. Ik ga naar het zuiden en heb minstens een korte nodig.’

Bij zijn voeten lag zeker genoeg protectie. Op de onderste plank was een HK53 geparkeerd, een verkorte 5,56mm-versie van de MP5. Hij was geladen met een magazijn voor dertig patronen en twee andere, die om en om waren vastgetapet, lagen binnen handbereik.