33
‘Herbert Park in Ballsbridge.’
De taxi voegde zich in het verkeer.
‘Een van de ambassades, meneer?’
‘Nee, een oude kameraad van mij is daarheen verhuisd. Dure buurt, hè?’
Hij grinnikte. ‘Op het monopolybord van Dublin zijn de straten van Ballsbridge de vakken met de verrekt hoge bedragen.’ Hij gooide me een krant toe. ‘Hier, heb je wat te lezen. We zullen wel even vastzitten in de spits.’
Hij had het bij het rechte eind. We werden omgeven door forenzen die met hun hoofd naar beneden en hun telefoon tegen het oor op weg waren naar huis.
De straatlantaarns beschenen de krant door de beregende raampjes. Ik sloeg hem open bij een groot artikel over buitengewone uitwisselingsgevallen. Een schoonmaakster was aan boord gegaan van een Amerikaans vliegtuig dat leeg had moeten zijn en had daarin een gevangene aangetroffen die handboeien, een kap en een luier voor volwassenen droeg. De Ierse regering was zeer in verlegenheid gebracht, want ze hadden publiekelijk en stellig verklaard dat gevangenen die werden ‘uitgewisseld’ in het kader van de oorlog tegen het terrorisme niet in de buurt van Ierland kwamen als ze op weg waren naar Guantánamo Bay of de geheime gevangenissen van de CIA in Afghanistan, Pakistan of waar hun ondervragers ook maar een filiaal hadden kunnen openen.
In het artikel stond:
Deze praktijk is sterk toegenomen sinds de terroristische aanslagen van elf september, en behelst nu ook het onwettig arresteren van verdachten die soms gewoon van de straat worden geplukt om te worden overgebracht naar het land van een derde partij. Daar worden de verdachten op veel manieren gemarteld, onder andere met ‘waterboarding’…
Wij hadden dat vroeger ook in deze stad gedaan, alleen werd het toen niet uitwisseling genoemd. Ze werden gewoon opgepikt. Ik vroeg me af of de Special Branch ooit waterboarding had toegepast. Wij bleven nooit lang genoeg op het kasteel rondhangen om te zien wat er gebeurde. Je kon het beter niet weten en je handen schoonhouden.
Ik bekeek de huizenpagina’s, maar er was niets te koop in de hele wijk Ballsbridge, en al helemaal niet in Herbert Park.
‘Wat doen de huizen hier in de buurt?’
‘Laat ik het zo stellen, de laatste keer dat je hier was, had je een van die kleine schoonheden kunnen krijgen voor vijftigduizend Ierse ponden. En de laatste waarvan ik nu een advertentie zag, moest meer dan zeven miljoen euro opbrengen. We zijn er bijna. Welke kant?’
Ik vouwde de krant op. ‘Zet me hier maar af, maat. Ik loop het laatste stukje om ze te verrassen.’
Ik betaalde hem dertig euro en liep in de regen Herbert Park af, op zoek naar nummer achtentachtig. Feitelijk was het geen echte regen, niet eens motregen, maar meer een mist die alles door en door nat maakte. Ik zette de kraag van mijn bomberjack op, hing mijn Bergen over mijn schouder en begon te lopen.
Als Pete het goed had gedaan, dan had Dom de jackpot getroffen. Dit waren forse bakstenen huizen van vier verdiepingen met grote, langwerpige ramen die een eind van de weg stonden en waren ontworpen voor de hogere en rijkere klassen tijdens de vorige bloeiperiode van het oude Dublin. Hoge stenen trappen voerden één verdieping omhoog naar zeer massieve en sterk glimmende voordeuren. De benedenverdieping was bestemd voor de bedienden. Ofwel Dom was met geld getrouwd, of de Poolse roddelbladen betaalden veel meer dan ik had gedacht voor hun twee pagina’s grote foto’s. Of de Yes Man had me geen onzin verteld.
In verschillende huizen brandden de lampen en waren de gordijnen open om de vergulde meubels en grote kroonluchters op een zo gunstig mogelijk manier te laten zien.
Ik probeerde nog steeds te bedenken wat ik tegen Siobhan moest zeggen. Wist ze dat Dom een agent was? Ik wist niet zeker hoe dat werkte bij echtgenoten. Ik had het nooit kunnen uitproberen.
Ik liep langs BMW’s uit de 6-serie en glimmende 4x4’s.
Voor zover ik wist, kon Dom thuis met zijn voeten op tafel tv zitten kijken en was Siobhan water aan het koken om een kop thee voor hem te zetten.
Ik naderde nummer achtentachtig. Het licht in de hal scheen door de ruit op een brede en glanzende houten deur. Achter de voorramen of boven zag ik geen beweging. Er stonden geen volle of lege melkflessen op de stoep, maar dat wilde tegenwoordig niets meer zeggen. De ramen waren niet beslagen, maar dat had ik ook niet verwacht. Dit was geen lelijke, oude gemeentewoning zonder ventilatie en met een slechte verwarming.
Ik liep er voorbij. Terwijl ik in gedachten de huizen telde, bereikte ik het eind van de straat. De laatste keer dat ik langs zoveel gloednieuwe auto’s was gelopen, had ik me in Koeweit in een showroom bevonden. Deze straat verzoop in het geld. Ik pakte een folder van de straat waarin reclame werd gemaakt voor een luxueus kuurhotel met een helihaven op het dak voor het geval dat je een noodbehandeling moest laten doen aan je nagelriemen.
Aan het eind van de straat sloeg ik linksaf en keek of ik achter de huizen kon komen. Er was een smalle parallelweg van ongeveer vier meter breed, waar aan weerskanten achtertuinen op uitkwamen. Ik liep langs alle kliko’s en telde tot zestien. Elk huis had een muur van een meter tachtig hoog, en ofwel een oude houten poort of een mooie van smeedijzer. Volwassen bomen torenden boven de tuinen uit.
Bij achtentachtig was aan de achterkant op de eerste verdieping het licht aan.
Er was beweging in wat eruitzag als de keuken, maar de jaloezieën waren half naar beneden. Ik kon de schaduw niet thuisbrengen, maar hij leek te klein om van Dom te zijn.
Ik draaide me om, en niet veel later klopte ik met de zware ijzeren leeuwenkop aan bij de voordeur.
‘Wie is daar?’
De stem was vrouwelijk en Iers.
‘Ik heet Nick. Ik ben een vriend van Dom. Afgelopen week was ik met hem in Basra.’