27
Vauxhall Bridge
2017 uur
De avond was nog warm toen de taxi me afzette bij Vauxhall-station. Zelfs de narcissen kwamen hier en daar al boven de grond. Ik stak over naar een vluchtheuvel, het leren bomberjack over mijn rechterarm, de andere arm in een mitella.
Het was niet alleen het weer dat was veranderd sinds de laatste keer dat ik hier was. Op de straten waren grote rode C’s geschilderd om het begin van de congestiezone aan te geven, terwijl overal camera’s voor het gesloten tv-circuit en de nummerbordherkenning waren verschenen.
De bogen onder het spoor waren niet langer de verlopen opslagplaatsen van banden en onbetrouwbare APK-garages die ik me van vier of vijf jaar geleden herinnerde. Ze waren veranderd in trendy zaken van wijnhandelaren en badkamerwinkels. Er was zelfs een homoclub met sauna en een wijnbar met aluminium tafeltjes en stoelen op het terras die kantoorpersoneel daar de hele avond probeerde te houden met happy hoursen gratis diphapjes. De lampen van de sauna knipperden verleidelijk.
MI6, de Geheime Inlichtingendienst, de Firma, het Kantoor: iedereen had er een andere naam voor. Sommige ingewijden hadden het zelfs Caesar’s Palace genoemd, toen het werd gebouwd en het was niet moeilijk om te zien waarom. Het was een beige en zwarte piramide waarvan de top was afgesneden met grote torens aan weerszijden. Er was zelfs een terrascafé met uitzicht op de rivier. Alleen nog wat knipperende neonreclames en je zou zweren dat je in Las Vegas was. Misschien zou het een supercasino worden als het zijn tijd had uitgediend.
Zelf had ik altijd de voorkeur gegeven aan Century House, het oude SIS-gebouw in de buurt van Waterloo Station. Het mocht dan de onaantrekkelijke vierkante architectuur uit de jaren zestig vertegenwoordigen met trieste netgordijnen en allemaal antennes op het dak, maar het was veel gemakkelijker bereikbaar met bus en ondergrondse, en veel gewoner. En de oude kerel die op de hoek de vette lepel hanteerde, had echt eten op tafel gezet – dode dieren en hapjes met zoveel E-nummers dat ze in het donker gloeiden.
Zelfs op dit uur van de avond raasde op de vele rijbanen het stadsverkeer voorbij als een vertraagde explosie. Ik stak over bij de voetgangerslichten. Ik had nooit verwacht nog eens oog in oog met de Yes Man te staan, maar het was niet zo dat ik veel te kiezen had. De Firma had enkele uren nadat ik op Heathrow was geland, geweten waar ik te vinden was. Misschien kwam het door de passagierslijst of de camera’s met gelaatsherkenning op het vliegveld. Hoe dan ook, als ik het op een lopen zou zetten, zouden ze me binnen een kilometer te pakken hebben. Dan zouden ze meer doen dan hun envelop terugvragen.
Dit was niet de plattelandsvrouwenvereniging en het was geen kookles die ik niet wilde bijwonen. De mensen die werkten in het gebouw waarvoor ik nu stond, moordden voor hun boterham. Het was zinloos om het op een rennen te zetten: ik zou gewoon afgepeigerd en buiten adem sterven. Ik wilde geen lichaam zijn dat uit een verkeersongeluk werd gehaald omdat ik had geweigerd een vergadering bij te wonen. Bovendien wilde ik te weten komen welke klus hij in gedachten had. Ik was er behoorlijk zeker van dat het feit dat de Yes Man juist op dit moment weer op het toneel verscheen, geen toeval was.
En ik had trouwens net mijn ontslag gekregen. Er zou geld bij betrokken kunnen zijn. Als je helemaal onder aan de voedselketen leeft, moet je een hap van dat stomme broodje nemen als het je voor wordt gehouden. Misschien was dat de reden waarom ik het niet moeilijk vond om op te trekken met Afrikanen, Arabieren, soldaten, wie dan ook. Ze kwamen algauw tot de ontdekking dat ik net als zij was – tot aan mijn middel in de strontput en blij als ik mijn hoofd genoeg ver omhoog kon houden om nu en dan een paar keer adem te kunnen halen voordat ik werd teruggeduwd.
Ik volgde een paar kostuums over het trottoir. Waarschijnlijk hadden ze nachtdienst. Ze verdwenen achter het stalen hek van 85 Albert Embankment de piramide in. Ik volgde ze.