24
Ik probeerde Doms gsm voor de vijfde keer sinds de landing te bellen. Nog steeds de voicemail.
Ik belde Moira weer. ‘Heeft hij al gebeld?’
‘Nee. Heb jij iets gehoord?’
‘Niets. Ik ben in Londen.’
Er viel een lange stilte. Er stond iets te gebeuren wat niet zo prettig was.
‘Luister, Nick, nu Pete er niet meer is en Dom wordt vermist, is er geen reden meer om jou in dienst te houden. Dat was het, ben ik bang. Stuur me een factuur voor de gewerkte dagen en ik zal het door onze financiële afdeling laten afwerken.’
Ze was niet iemand die er lang omheen draaide, hè?
‘Nick, ik moet ophangen.’
Dat was het dus. Geen salaris meer van TVZ 24.
Een erg krengige stem riep een arts op over de intercom. Ze hadden sinds 1970 dan wel een gesloten televisiecircuit geïnstalleerd, maar sommige dingen waren hier niet veranderd. De stem van de vrouw klonk precies zoals die van de receptioniste toen ik hier als negenjarige binnen was gekomen omdat ik rood spul lekte.
Ik woonde in de Tabard Estate, een paar straten hiervandaan, in een blok met gemeenteflats die daar na de oorlog waren neergezet. Ze waren gebouwd op een pas opengevallen terrein. Slopen was goedkoop geweest, met dank aan de Luftwaffe. Alle gebouwen hadden namen gekregen die betrekking hadden op de Canterbury Tales van Chaucer. Blijkbaar was de pelgrimstocht begonnen bij de Tabard Inn of daar in de buurt. Wij kwamen terecht in Eastwell House, en Eastwell was een van de halteplaatsen op de pelgrimage, hadden ze gezegd. Ik had de Canterbury Tales nooit gelezen. Ik had ooit door de Canterbury Messenger gebladerd, terwijl ik als jong soldaatje op de trein naar de Shorncliff-kazerne zat te wachten, maar dat telde waarschijnlijk niet.
Ik ging naar de basisschool in de buurt van de chocoladefabriek waarvan wij als kinderen om de een of andere reden dachten dat die van Bob Hope was. Een ander gerucht dat de ronde deed, was dat de snoepwinkel op Kirby Grove aan de achterkant een schuur had die afgeladen vol stond met Coca-Cola en limonade. Tijdens etenstijd gingen we een keer met een bende op weg om over de muur te klimmen. Stomkop die ik was, meldde ik me als vrijwilliger om voorop te gaan. Ik had geen rekening gehouden met de glasscherven die boven op de muur in het beton zaten. Het werd een grote ellende. Bloed stroomde uit mijn openliggende hand, maar ik wist dat het maar een paar minuten naar Guy’s was. Ik rende de hele weg ernaartoe. Ze deden hun werk en vertelden me naar huis te gaan. Ik sprak ze niet tegen. Daarna schaafde ik de hele tijd mijn knieën en ellebogen, zorgde dat ik in Guy’s kwam en daarna was het de rest van de dag naar huis.
Ik hoefde nu alleen maar een paar nieuwe hechtingen te hebben en nog wat meer antibiotica tegen een eventuele infectie van de wond en de rotzooi die ik moest hebben geslikt. Ze zouden het doen, zonder problemen. Dit was Zuid-Londen. Het was echt niet zo dat ze niet wisten hoe ze schotwonden moesten behandelen. Zodra ze me hadden dichtgenaaid en me nog wat meer antibiotica en pijnstillers hadden gegeven, zou ik op zoek gaan naar Dom, maar Tallulah en Ruby zouden mijn eerste halteplaats zijn. Zij waren de echte slachtoffers. Mijn arm genas wel weer.
Ik hield het nog een minuut of twintig vol, terwijl oude mensen overgaven in plastic bakken en om hun veertig en nog wat kinderen riepen die rondliepen en erachter probeerden te komen waarom hun ouders op de gang waren gezet.
Ik werd er verrekte neerslachtig van, en het bevestigde mijn eigen plannen voor de ouderdom. Ik bleef niet rondlopen. Zodra ik in mijn broek begon te pissen, was het tijd om er een eind aan te maken.
Ik stond op, pakte de Bergen met al mijn aardse bezittingen en vroeg de Poolse bouwvakker de stoel voor me vrij te houden.
Bij de koffieautomaat grabbelde ik met mijn vrije hand in mijn zak naar kleingeld, toen achter me een schorre stem met het accent van Ulster klonk: ‘Laat maar, knaap, doe ik wel.’
Ik draaide me niet om. Ik wist wie het was. Ik kon zijn naar shag stinkende adem tegen mijn oor voelen. Mijn hart zakte in mijn schoenen.
‘Shirley Temple, als ik me goed herinner?’ Een arm in versleten bruin leer streek langs mijn gezicht en een grote sproetige hand gooide een pond inde gleuf en drukte met een nicotinebruine wijsvinger op ‘melk, geen suiker’.