18

Iemand boog over me heen. Een hoge kraag en vleermuisvleugels tekenden zich af tegen het rode licht. Hij hield zijn hand omhoog. Tussen zijn vingers hield hij een ronde plastic fles. Een slangetje liep van de fles naar mijn goede arm.

Een kanon vuurde een paar keer. Alles schokte toen we weer verder reden. De kerel die de zoutoplossing vasthield, vloekte terwijl hij zijn evenwicht probeerde te houden.

Ik kon zitplaatsen van een Warrior zien. Ik moest op de vloer liggen tussen de twee banken.

We kwamen slingerend weer in beweging en mijn hoofd rolde naar rechts.

Dom en Pete keken op me neer. Pete was aan het filmen.

‘Je zult me hier later dankbaar voor zijn, maat. Eentje voor de familiereünie…’

Ik zag iets van een glimlach achter de lens.

Mijn hoofd bonsde op de stalen vloer en ik besefte dat ik mijn helm niet op had. Ik kon me niet herinneren dat die was afgezet. Niet dat het wat uitmaakte. Mijn hoofd deed geen pijn. Morfine was de baas.

Eén minuut, twee minuten, vijf minuten, een uur later wat mij betreft, stopte het voertuig en werd de deur opengetrokken. Stemmen met een Liverpools accent weergalmden in het duister.

‘Haal ze daar uit! Ik blijf hier verdomme niet de hele dag wachten, stomkoppen – haal ze eruit!’

De kerel met de zoutoplossing schreeuwde terug: ‘Deze eerst!’

Handen grepen me en ik zweefde op een brancard. Rode nachtlampen en donkere schaduwen hadden plaatsgemaakt voor HESCO’s en een hemel vol sterren.

Mijn nieuwe beste vriend met de druppelaar bleef naast de brancard lopen, terwijl ik op en neer ging. Dom en Pete waren nergens te bekennen. Schoenen knarsten over een stuk grond vol rommel. Enkele tellen later lag ik te knipperen onder verblindend wit licht.

Witte tegels, witte vloeren. Misschien vijf of zes anderen lagen op brancards, verbonden met geweldig witte verbanden over vuile gevechtspakken en kogelvrije vesten.

Een hospik met rubberen handschoenen dreef mijn gezichtsveld binnen. Hij was gehuld in Osprey en helm. Waar ik ook was, ze moesten hier ook inkomend vuur krijgen.

Het moest de OSB zijn. De plaats werd voortdurend bedreigd met indirect vuur, lichte wapens en raketgranaten. Een van hun mitrailleursnesten bezat het record van de meeste vuurcontacten in heel Irak. De Chindits hadden zelfs aarden hellingen tegen de HESCO-wallen opgeworpen, zodat de 30mm-kanonnen van hun Warriors mee konden doen aan de vuurgevechten.

Mijn brancard werd op een tafel gezet. Enkele tellen later knipte iemand het snelverband van Sonia weg.

‘Het is in orde, maat. Er is geen bot geraakt. Alleen een gat in het vlees, meer niet.’

Een mortiergranaat sloeg in de buurt in en ik moest een beweging hebben gemaakt. De kerel die aan het knippen was, kwam uit Schotland. ‘Niets aan de hand. Over een minuut of zo krijgen ze er genoeg van.’

Ergens boven me begon iets automatisch te vuren. Misschien was dat het mitrailleursnest met het record.

Door het waas kon ik zien dat Dom en Pete in de kamer waren.

De Schot was nu mijn linkerhand aan het schoonmaken. De vloeistof stonk.

‘Pete!’

Ze waren druk aan het praten met de mannen en wezen naar mij.

‘Pete!’

Achter me klonk een uitbarsting van Liverpools. ‘Het komt goed, knul!’

Rhett liep mijn gezichtsveld binnen. Hij was de wond aan het inspecteren toen Dom en Pete naast hem opdoken.

Pete wees naar mijn Osprey. ‘Je hebt het daarmee getroffen, maat.’

Ik keek als een dronkeman naar beneden en zag vaag een paar plekken, bijna deuken in de voorplaat waar ik was geraakt. De gescheurde stof kon ik niet zien, omdat alles was bedekt met stront en modder.

Pete hief zijn camera op, terwijl Dom mijn kogelvrije vest uittrok en een van de hospikken met een schaar de binnennaad van mijn broek openknipte.

‘Nick, ze gaan je hier schoonmaken. Zodra de aanval voorbij is, zal Rhett je met de andere gewonden terugbrengen naar de NOB. We zien je daar als ze klaar met je zijn.’

‘Je bent gauw weer zo gezond als een verdomde vis.’ Pete’s slechte Liverpools weergalmde tegen de tegels.

Ik probeerde mijn goede hand naar hem uit te steken en kreeg te horen dat ik stil moest blijven liggen. ‘Pete… bedankt, makker…’

‘Ach, donder op.’ Hij lachte. ‘Ik deed het alleen maar omdat ik je nodig heb.’

Ik moet mijn wenkbrauwen hebben opgetrokken.

‘Jij bent mijn getuige in de zaak van de drijvende drol!’

Ik hoorde hem weer lang en hard lachen en toen werd de wereld geleidelijk rustiger.

De morfine begon te werken.

Ik voelde mezelf drijven.

Mijn wereld werd een doezelig waas van vaag rood licht.