61

Toen ze het complex bereikten, bleek het 2e peloton al in een vuurgevecht verwikkeld te zijn. De vijand verwachtte geen aanval op een andere flank: op de muren lagen maar een paar taliban. Toen ze beseften dat ze aan beide kanten belaagd werden, verdwenen ze, maar niet voordat Binns een van hen met zijn geweer had doodgeschoten.

‘Shit, o shit,’ zei Binns toen het lijk van een talibanstrijder van de muur rolde en op straat viel. ‘Shit, deed ik dat?’

Jamie keek hem strak aan omdat Binns de laatste maanden bij veel vuurgevechten betrokken was geweest. ‘Heb je dan al die tijd mis geschoten, Vullis?’

Binns bloosde. ‘Ik heb het tot nu toe nooit zeker geweten.’

‘Nu!’ bulderde de luitenant achter hen in het besef dat het verstandig was om op te rukken terwijl de vijand zich aan het hergroeperen was.

Onder dekking van de 2e sectie rende de1esectie naar de bescherming van een aangrenzende muur terwijl geniesoldaten een antitankmijn legden.

‘U bent hier binnen geweest, luitenant. U kent de indeling,’ zei Finn onder het wachten.

‘Ik ken de indeling van de kamers dicht bij de deur,’ beaamde Weeks. ‘Maar ik weet niet hoe nuttig dat is.’

Het snelvuur aan de andere kant ging door. De geniesoldaten trokken zich terug, en in de dikke muren verscheen een klein gat.

‘We kennen de drill, hè?’ hielp de luitenant hen herinneren.

Sol haalde een granaat uit zijn tas en gooide hem de kamer in, waarna Mal hem aan zijn webbing terugtrok. Er viel een stilte, die gevolgd werd door gedreun, rook, stof en schroot. Mal klom met zijn shotgun naar binnen. Er was niemand in de kamer, levend noch dood. Hij vuurde dertien kogels af en liet zich op één knie zakken, zodat Jamie, die direct achter hem stond, over hem heen kon schieten. De anderen kwamen door het gat naar binnen, gevolgd door de luitenant en daarna de 2e sectie. Ze verspreidden zich, gingen van kamer naar kamer en controleerden elke hoek twee keer. Ze maakten nu een omtrekkende beweging rond de vijand, die het nog steeds aan de stok had met het 2e peloton aan de overkant van het complex. De taliban merkten hun ongunstige positie op en gooiden hun mitrailleur gewoon weg om vervolgens met de muren te versmelten.

Jack Binns stond bij een deur en naderde voorzichtig. Hoe kon je weten wat een kamer voor je in petto had? Een stel oma’s die thee zaten te drinken omdat ze doof waren voor de gevechten, zoals zoveel Afghaanse burgers? Of een woeste fundamentalist met een handgranaat? Elke situatie vereiste een compleet andere aanpak. Hij stormde naar binnen, draaide zich om en probeerde alles tegelijk in zich op te nemen; schietklaar zonder te durven vuren, althans niet tot de kwestie van de omaatjes duidelijk was.

Tot zijn opluchting was de kamer leeg, maar ineens stoof een man door de deur aan de andere kant. Hij droeg een mitrailleur, en achter hem stonden andere, donkere gestalten.

Jack Binns zag het smalle, baardige gezicht van een talibanstrijder en staarde in diens geschrokken ogen. Hij wilde wegrennen. Intuïtief en onwillekeurig wilde hij zich van dit gevaar verwijderen. Als hij nog aarzelend in de deuropening had gestaan, zou hij dat ook gedaan hebben, maar inmiddels was hij zo ver de kamer in dat hij van achteren neergeschoten zou zijn als hij gevlucht was. In een fractie van een seconde drong tot hem door dat hij deze man moest doden, en wel onmiddellijk. Anders was hij zelf dood.

Binns had de indruk dat er minuten verliepen tussen de verschijning van de opstandeling en de knal van zijn schietende wapen. In die tijd maakte hij zijn blik niet van zijn tegenstander los. Hun communicatie was zo intens dat hij het gevoel had met de man te praten in plaats van hem te doden. Daarna zag hij het bloed over de voorkant van de mans kleding lopen.

Hij bleef schieten. Toen de eerste man viel, had de tweede geen dekking meer. Binns keek in een volgend paar bruine ogen, en terwijl hij hun eigenaar zag wankelen, wist een koel, rationeel deel van zijn geest te melden dat een storing aan zijn geweer op dat moment het eind van zijn leven zou betekenen.

Hij bleef ook schieten omdat ditzelfde rationele deel van zijn brein waarschuwde dat de twee mannen erachter klaarstonden voor hem, en bovendien gelijktijdig. Verdomme! Hij kon geen twee man tegelijk doodschieten!

Binns hield kalm rekening met zijn eigen dood maar kon in dat geval net zo goed blijven schieten. Tot zijn verbazing vielen beide mannen tegelijkertijd op de grond. Een van hen riep iets. Dat klonk ongeveer zoals: ‘Oh, Mum, Tm sorry!’ Binns nam aan dat het iets in Pasjtoe was dat als Engels klonk.

Iemand zei in zijn oor: ‘Goed gedaan, Vullis. Heel goed gedaan!’ Het was Finn.

Jack Binns wilde vragen hoe lang Finn daar al stond maar kon geen woord uitbrengen.

‘Je had er drie van de vier!’ Finn pompte nog een paar kogels in de lijken om te zorgen dat ze echt dood waren, en stapte over hen heen. ‘Maar voor nummer vier had je mij nodig. Ik ben blij dat ik die Engelse klootzak te pakken kreeg.’

Binns staarde naar de lijken en voelde het zweet over zijn gezicht en lichaam druppelen. Het stroomde ook langs zijn ruggengraat. Het laatste lijk lag dwars voor de deur. Hij wist dat hij het niet kon aanraken en er ook niet overheen kon stappen. Finn duwde het met zijn voet weg.

‘Hoorde je dat Birminghamse accent? Ik ben blij dat ik hem heb doodgeschoten, die vuile, smerige verrader.’

Binns begon te beven. Hij staarde naar de lijken die over de grond verspreid lagen, en zag de gezichten van mannen die nog maar een paar minuten eerder geleefd hadden met al hun gedachten, gevoelens, complexiteiten en intieme geheimen. Hij had hen daarvan beroofd, en nu was er niets meer van hen over.

‘Beheers je, Vullis,’ zei Finn scherp. ‘Kom op. Je hebt er een paar te grazen gehad, maar we hebben nog een hoop te doen.’

Binns bleef stokstijf staan.

Iemand kwam achter hem binnen. Binns draaide zich geschrokken om en wilde weer schieten.

‘Hé, niet op mij schieten!’ Sol stond de lijken te overzien. ‘Je hebt goed werk gedaan, Vullis.’

Jack Binns wilde zeggen: Ik kon niet weglopen want dan zouden ze me hebben doodgeschoten. Dat was de enige reden. Maar hij zweeg.

‘Die klootzak is een Engelsman,’ zei Finn tegen Sol. ‘Snap jij dat? Ik bedoel: ik had met hem op school kunnen zitten.’

‘Ik dacht anders dat je niet lang op school hebt gezeten, Finny.’ Sol bukte zich en doorzocht de tas aan de mans schouder. Hij haalde er een mobiele telefoon en zowel een Pakistaans als een Brits paspoort uit. ‘Iemand heeft hier beslist veel belangstelling voor,’ zei Finn.

Maar Sol kwam alweer in actie.

‘We gaan. Ze voeren versterkingen aan.’

‘Denk je dat mijn maatje Martyn hier nog is?’ vroeg Finn hoopvol.

‘Als we niet gaan zoeken, zullen we dat nooit weten.’

Sol duwde Binns ruw naar voren. ‘Concentreer je,’ beval hij. ‘Hou je kop bij je werk.’

Binns wankelde zonder iets te zeggen naar voren.

Aan de andere kant van het complex nam het schieten af. Toen hield het op.

Mal dacht: Ze zijn weg en proberen op adem te komen.

‘Er zitten nog steeds ergens taliban in dit complex,’ zei de luitenant. ‘Tenzij er tunnels zijn.’

Mal vond het gebouw ineens immens en ingewikkeld, vol hoekjes en trappen en donkere plekken, als in een droom. Thuis speelde hij computergames, maar dit was geen game. Dit complex was gevuld met de aanblikken en geuren van de mensen die er woonden. Een warme theepot. Een kussen met een holte waar iemand gezeten had. Lege patroonhulzen. Twee sandalen netjes naast elkaar bij een deur.

Jamie voelde Mals aarzeling. ‘We doen deze kant samen,’ zei hij. Jamie was snel, kalm en methodisch en gaf zijn kalmte aan Mal door terwijl ze stilletjes kamers in liepen, kort controleerden of er burgers waren en daarna de leegte met een snel salvo bestookten.

Ook Finn en de luitenant waren aan het werk. Weeks herkende de deur naar de ruimte waar hij op een tapijt had gezeten en beleefdheden met de familie had uitgewisseld. Een diepe blos ontstond op zijn borst en kroop over zijn lichaam naar zijn hele gezicht. Hoe had dat op deze manier kunnen aflopen? Finn rende voor hem uit de kamer in en was klaar om een serie 5.56mm-kogels af te schieten, maar bleef toen abrupt staan.

‘Jezus, luitenant,’ zei hij.

Weeks herkende het tapijt op de grond, de geur van zoete thee en ook nog een andere geur: een kruidige specerij. Er hingen kleden aan de muur. En daartegenaan maakte een groepje burgers zich klein. Gordon Weeks bekeek de vrouwen en zag hun angst. Ze sperden hun ogen open en een kind verborg zijn gezicht tegen zijn moeder. Daarnaast zat een oude man hem aan te staren. Was dat een beschuldigende blik? Weeks herkende de oude man. Hij had tijdens de bijeenkomst thee en warm, plat brood rondgedeeld, met een kromme rug en een beleefde glimlach. Wie was hij? Een grootvader? Een bediende? Weeks schaamde zich ineens voor zijn gebrek aan kennis van de Afghaanse cultuur. Waarom had hij niet meer gelezen en meer uitleg aan Asma gevraagd?

Zijn blos werd dieper. Minstens een van zijn gastheren was dan misschien een prominente talibanleider gebleken, maar Weeks kon niet vergeten dat hij hier te gast was geweest en zich nu niet meer als gast gedroeg.

De luitenant begroette de oude man in het Pathaans, en de man boog zijn hoofd maar antwoordde niet. Ook dat nam Weeks zichzelf kwalijk: dat hij zijn studie Leer Pasjtoe in zes weken niet had voorgezet.

Hij zei helder, langzaam en duidelijk uitgesproken in het Engels: ‘Blijf alstublieft in deze kamer. Dan bent u veilig. Er zijn taliban in huis, en die proberen we te verdrijven. We zoeken inlichtingen over de gijzelaar. Daarna gaan we weg en kunt u uw leven voortzetten.’

Hij wist dat de man hem niet verstond, en hoopte alleen maar dat hij geruststellend klonk. Maar de oude man bleef hem beschuldigend aanstaren, en Weeks nam aan dat hij verantwoordelijk werd gehouden voor Asads dood.

‘Ik heb hem niet gedood,’ zei hij tegen de man, die niet-begrijpend bleef kijken. ‘Ik vertrouwde hem niet, maar ik heb hem zeker niet vermoord.’

Dit was belachelijk maar beter dan niets. Tot zijn verrassing luisterde de man en stond hij toen moeizaam op. Hij schuifelde door de open gang weg. Weeks begreep eruit dat hij hem moest volgen, en zei tegen de soldaten dat ze niet moesten schieten.

De oude man leidde hem langs muren vol wandtapijten en matten naar een beschaduwde binnenplaats waar de mannen uit het huis overdag ongetwijfeld onder het lover en s nachts onder de sterren zaten. De luitenant besefte dat dit complex geen krijgstoneel was voor mensen met een eenvoudig leven, maar een huis vol herinneringen.

De ochtendzon teisterde de soldaten met hun zware bepakking, maar de binnenplaats was koel alsof de airco aanstond. De bladeren creëerden een groene schaduw. Er stond een grote, stenen kom met water en de takken van een paar citroenbomen bogen door onder het gewicht van het fruit. De man bracht hen naar een kleine afscheiding met lemen muren in een hoek, die misschien een hondenhok was geweest. Er was nu geen hond meer, maar tot voor kort had er wel een groot dier verbleven, want zijn drollen brandden heet in de zon. Aan een muur van het hondenhok was een ketting bevestigd. Op de plaatsen waar de ketting over de grond had gesleept, was geen begroeiing meer en was de aarde veranderd in stof dat zo fijn was als talkpoeder.

De man gebaarde en zei iets.

Angus en Finn bleven achter Weeks staan.

‘Hij wil u misschien een hond verkopen,’ opperde Finn.

‘Dek me even. Ik kijk erin,’ zei Angus, die op handen en knieën ging zitten en het hok in kroop. De deur stond al op een kier, maar hij duwde hem nog verder open. Het was binnen donker en het stonk er. Hij kroop verder. Er was niets, behalve een matras op de grond.

‘Godver! Godverdegodver!’

Maar er was geen tijd om de luitenant te laten zien wat hij had gevonden, want er werd weer geschoten. De opstandelingen hadden zich kennelijk gehergroepeerd. Lichtkogels zoefden beide kanten op. De soldaten zochten dekking op de grond. Het duurde even voordat ze begrepen dat niemand hen beschoot. Het vuurgevecht werd boven hun hoofden dwars over de binnenplaats uitgevochten, en geen van beide kanten had hun aanwezigheid tussen de bomen opgemerkt.

De luitenant adviseerde de oude man om te gaan liggen, maar de man negeerde hem en liep naar het huis terug alsof hij onzichtbaar was.

‘Dat hondenhok geeft een goeie dekking,’ moest de luitenant toegeven. Gevolgd door Angus en Mal kroop hij naar binnen.

‘Ziet u dat?’ vroeg Angus, die zijn enorme lichaam als een accordeon in de kleine ruimte perste. ‘Hij is hier geweest! Martyn is hier geweest!’

Gordon Weeks draaide zich om en zag het woord martyn in de muur gekrast. Hij kon zijn opwinding niet verbergen. Finn was zo blij dat hij de letters met zijn vinger bleef volgen.

‘Shit, hij is hier geweest! Shit, we zijn hem op het spoor!’

De luitenant bracht via de radio rapport uit en vertelde het nieuws over Topaz Zero’s handtekening.

Angus en Finn lagen inmiddels in de schiethouding bij de deur van het hondenhok. Finn maakte een hoofdbeweging naar de stront. ‘Martyn had gelukkig nog wat te kakken.’

‘Die stront is oud. Hij is al minstens een dag weg,’ zei Angus.

‘Maar hij is nog wel in leven!’ zei de luitenant achter hen.

Angus grijnsde. ‘We gaan die ouwe smeerlap vinden. Misschien nog wel voordat ze zijn ballen eraf hebben gesneden!’

‘Hij mocht je graag,’ zei Finn. ‘Al dat gezeik over je vader... Ik kon hem wel wurgen toen hij het tegen je gezegd had, maar hij deed het omdat hij je mocht.’ ‘Weet je wat ik dacht toen hij het vertelde?’ vroeg Angus. ‘Toen wou ik verdomme Martyn Robertson mijn vader was.’

‘Daarom wil je hem redden,’ zei Finn wijs. ‘Als de taliban je echte vader in handen kregen, zou het je geen bal kunnen schelen.’

‘Nee, dan kregen ze een rondje van me,’ zei Angus. ‘Maar voor mij staat vast dat we Martyn terugkrijgen.’

‘Dat staat voor iedereen vast,’ beaamde de luitenant. ‘Vooral nu we hem op het spoor zijn.’

Angus begon te schieten maar Finn deed niets en dacht na. ‘Ik moet de inzet misschien aanpassen. Ik heb Burlington Bertie geboden op het feit dat Marty levend gevonden wordt, maar dat kan mijn faillissement betekenen. Als u nog belangstelling voor een gokje hebt, dan wordt het nu vijftien tegen acht, luitenant.’

‘Had Dave Henley je niet verboden weddenschappen af te sluiten?’ vroeg Weeks, die de lichtkogels als vuurvliegen over de binnenplaats zag schieten.

‘Wat niet weet, wat niet deert.’

‘En je vindt het geen probleem om winst te slaan uit Martyns ellende?’

‘Luitenant, geloof me. Als we Martyn levend terugkrijgen, is zijn eerste vraag: Finny, wat had je op me ingezet?’

‘Blockage,’ zei Angus, die zich terug liet zakken. ‘Neem het over, Finny.’

Finn schuifelde naar voren. ‘Je hebt het hartstikke goed gedaan, Angry, met die vijf piek die je me bij honderd tegen dertig gegeven hebt. Dat is op dit moment een goeie inzet.’

Angus vroeg: ‘Hou jij nou nooit ’s je bek? Kijk, daar zit een vent op het dak.’

Finn schoot. De man wankelde langs de rand en viel toen in een soort slow motion met zijn armen omlaag op de binnenplaats.

‘Dit is een perfecte plek. Wij zien alles en niemand ziet ons. Van nu af aan ga ik altijd meteen naar het hondenhok.’

Het gevecht nam af. Een paar welgemikte mortiergranaten produceerden een grote stofwolk en daarna stilte. Het 2e peloton begon door het complex op te rukken.

‘Gedeisd houden,1epeloton,’ zei de commandant. ‘We willen geen friendly fire.’

Angus, Finn en de luitenant wachtten. Finn controleerde zijn munitie.

‘Ik mis Marty, want hij is de enige echte gokker hier. Niemand anders riskeert meer dan een briefje van vijf.’

‘Niemand verdient genoeg,’ zei Angus.

‘Officieren wel,’ zei Finn veelbetekenend.

De luitenant zuchtte. ‘Oké, oké, Finny. Ik zet een tientje in op vijftien tegen acht, maar zeg niks tegen Dave Henley. Ik zet alleen alles op alles om Martyn te vinden, zodat ik mijn geld terugkrijg.’