37

Toen de telefoon ging, tastte Jenny automatisch naar het nachtkastje en legde ze het toestel tegen haar oor. Ze was ogenblikkelijk wakker en herkende de dichte duisternis in de kamer: het was midden in de nacht. Het was stil in huis. Er was maar één persoon die haar op dit tijdstip zou bellen.

‘Dave? Dave!’

‘Jenny. Ben Agnieszka.’

Er viel een stilte waarin de naam tot haar doordrong. Agnieszka belde bijna nooit. Wanneer dan ook. Laat staan midden in de nacht.

‘Agnieszka! Christus, wat is er gebeurd?’

Aan de andere kant van de lijn klonk een snik. Toen gaf Agnieszka antwoord. Maar van haar Engels was niet veel over. Ze praatte te hard, legde de nadruk op de verkeerde woorden en sprak de klinkers onduidelijk uit.

‘Wat is er, Agnieszka? Ik begrijp je niet...’

‘Iets niet leuk gebeuren!’

‘Maar... wat?’

‘Krijg sms van weet niet wie.’

‘Een onbekende?’

‘Ja.’

Het was een opluchting dat het zo’n simpel probleem was. Maar toen werd Jenny kwaad. Agnieszka had haar gewekt om... ze wierp een blik op de klok... het was twee uur. Om haar iets over een sms’je te vertellen.

‘Nou, gewoon geen aandacht aan besteden. De wereld stikt van de idioten, Agnieszka. Die sturen sms’jes naar willekeurige onbekenden.’

‘Nee, nee, nee. Deze kennen mij.’

‘O ja? Wat staat er dan in die sms?’

‘Staat...’ Agnieszka begon te huilen en haar stem werd door tranen

verstikt. Jenny moest het haar drie keer laten voorlezen. Bij de vierde poging begreep ze het eindelijk.

‘Staat: Jamie is dood.’

Jenny was zo geschokt dat ze zweeg. Haar gedachten werden opgeslokt door het geluid van Agnieszka’s snikken.

‘Jezus,’ zei ze uiteindelijk. ‘Heb je enig idee van de afzender? Komt het van... maar het kan toch niet... nou ja, niemand van de jongens op de basis heeft toch een mobieltje?’

Agnieszka jammerde nu luidkeels, maar Jenny begreep uiteindelijk wat ze bedoelde.

‘Komen van Jamies nummer!’

Jenny hees haar gezwollen lichaam omhoog om zich beter te kunnen concentreren. Ze boog haar benen, die tegen haar buik stootten. ‘Jamies telefoon? Heeft hij die dan niet in Engeland achtergelaten?’ ‘Nee!’

‘Maar als hij die heeft meegenomen naar Afghanistan, dan moet hij die in Camp Bastion hebben afgegeven. Dat moet iedereen.’

Alleen een schrille jammerklacht drong nog door Agnieszka’s tranen heen. Eindelijk zei ze weer iets. ‘Jenny, niks tegen Dave zeggen. Alsjeblieft, alsjeblieft, niks tegen Dave zeggen. Niks zeggen tegen niemand. Beloof!’

Ze zuchtte in het donker. ‘Beloofd.’

‘Jamie gaf telefoon met andere jongens. Maar hij had andere, ik gaf telefoontje. Mijn oude, voor stiekem. Soms stuurt sms.’

Jenny voelde haar lichaam verstrakken.

‘Dus... Jamie stuurt je sms’jes.’

‘Luister, geen geheimen van leger! Alleen voor mij, privé.’ Vermoedelijk vond iedere vrouw in het kamp het vreselijk dat het mobieltje van haar man in Afghanistan in beslag was genomen. Sommigen hadden er misschien ruzie over gemaakt. Een paar hadden waarschijnlijk voorgesteld om stiekem een toestel mee te nemen. Maar alle soldaten wisten dat ze zichzelf en hun kameraden door het gebruik van een mobieltje in die vijandelijke wereld kwetsbaar maakten voor de taliban. En voor iedere vrouw ging de veiligheid van haar man natuurlijk boven de ontvangst van een paar sms’jes. Behalve voor Agnieszka.

‘Hij nooit zeggen wat doen of waar of zoiets. Alleen persoonlijk.’ Misschien ben ik wel de idioot, dacht Jenny. Alle andere vrouwen hebben hun man misschien wel een geheime telefoon gegeven, en die krijgen nu allemaal geheime, liefdevolle sms’jes. Allemaal, behalve de sergeantsvrouw. Die kreeg nauwelijks één telefoontje per twee weken, en dat verliep altijd zo haastig dat het betekenisloos was. Zelfs ondanks het feit dat diezelfde sergeantsvrouw over twee weken een kind kreeg.

Maar Agnieszka huilde genoeg voor hen allebei met grote uithalen. Jenny wist hoe het voelde als je snikken groter leken dan jezelf.

Ze vroeg: ‘Wat... denk je dat er gebeurd is?’

‘Ik bang taliban misschien hebben Jamie. Misschien hem doden, en mobieltje afpakken en mij sms’en.’ Haar woorden eindigden in een wanhopige jammerklacht.

‘Oké,’ zei Jenny kordaat. Haar brein, waarin de laatste tijd niet meer de gebruikelijke snelle verbindingen werden gelegd, werd ineens weer een ordelijk, logisch mechanisme, net als een speelgoedje van Vicky waarin alles altijd precies op zijn plaats viel. ‘Heeft hij dat mobieltje echt altijd bij zich? Ook als hij buiten de basis is?’

‘Ik denk niet... misschien alleen als een paar dagen op operatie.’ ‘Dave heeft me een paar uur geleden gebeld. Toen was het in Afghanistan s morgens vroeg...’

‘Zei hij buiten basis gaan?’

‘Nee. Natuurlijk niet, Agnieszka, dat zei hij helemaal niet. Maar hij klonk doodnormaal, en dat zou nooit gebeurd zijn als er iets met Jamie was gebeurd.’

Maar tijdens het gesprek had ze wel veel drukte en gedoe in zijn stem gehoord, en dat wees erop dat ze de basis uit gingen. Terugkijkend leek het gesprek er wel tussen gepropt omdat hij misschien niet de kans zou krijgen om snel weer te bellen. Ze beet op haar lip. ‘Misschien nu buiten basis en iets verschrikkelijks gebeuren...’ Jenny dacht goed na. ‘Luister, ik zal Adi bellen. Als er iets gebeurd is, weet zij het. Zij weet altijd alles.’

‘Maar niet zeggen!’ hijgde Agnieszka. ‘Niet zeggen over mobieltje!’ ‘Nee, maar ik kan haar voorlopig niet bellen. Ze staat om zeven uur op. Ik bel je na zevenen.’

‘Na zeven!’ Agnieszka klonk geschokt.

‘Ik kan haar moeilijk om twee uur s nachts bellen!’

‘Maar... Jamie!’

Jenny zuchtte. Ze stelde zich haar eigen paniek voor als zijzelf zo’n bericht over Dave had gekregen. ‘Oké, oké, ik bel haar nu.’

‘Wat gaan zeggen?’

‘Dat weet ik nog niet. Ik bel je terug.’

‘Niks zeggen over mobieltje?’

‘Nee, nee.’

Het duurde even voordat Adi opnam. Haar stem klonk zwaar van de slaap, en een paar minuten lang begreep ze niet wie er belde. ‘O Jenny, Jenny, ik had zon mooie droom. Ik was in Fiji... Schat, is er iets met de baby? Komt het al? Moet ik iets voor je doen?’

‘Nee, het heeft niets met de baby te maken, Adi, en ik vind het vreselijk om je op dit uur te bellen...’

‘Luister, ik weet dat je me op dit uur alleen zou bellen als je een probleem had. Vertel het Adi dus maar.’

Haar stem kreeg weer zijn vertrouwde ritme en verloor de roest van de slaap.

‘Er is een probleem, maar niet bij mij. Adi, heb jij de laatste tijd iets van Sol gehoord?’

‘Niet de laatste paar dagen, schat. En er zijn gisteren niet veel mensen gebeld, want ze hebben de telefoons een tijdje uitgeschakeld.’

‘O, god!’

De telefoons zijn uitgeschakeld vanwege een dode. Als iemand op welke basis dan ook was gesneuveld, konden de soldaten pas weer hun dierbaren bellen als de familie was ingelicht.

‘Dat kan overal zijn. Onze jongens weten er misschien niets van.’ ‘Dave belde me om een uur of halfelf.’

‘Dus hebben ze de telefoons weer aangezet. Heeft hij gezegd waarom ze waren uitgeschakeld?’

‘Nee, niks.’

‘Hij heeft je dus gebeld, en alles was in orde.’

‘Ik denk wel dat alles toen in orde was, maar ze gingen misschien van de basis weg.’

‘Schat, ik begrijp het niet. Wat is er aan de hand?’

‘Agnieszka is bezorgd over Jamie.’

Even bleef het stil.

‘Belt ze midden in de nacht om dat te zeggen?’

‘Ze belde me in alle staten. Volgens haar is hij dood.’

‘Maar waarom?’

Jenny aarzelde. Ze stond op het punt om tegen haar vriendin te liegen. En het was niet eens haar eigen leugen maar die van Agnieszka. Ze had er een vervelend gevoel over. Waarom moest zij Agniesz-ka’s geheimen bewaren? Toen wist ze het weer: omdat ze dat beloofd had.

‘Het is een bijzondere dag voor ze, een jubileum of zoiets. Hij had gezworen dat hij zou bellen maar dat heeft hij niet gedaan.’

‘Maar ze kan toch niet verwachten dat hij zo’n belofte houdt. Dat is onmogelijk. De telefoon kan kapot zijn of hij heeft het druk of hij is niet op de basis of...’

‘Ze is echt in alle staten.’

Adi begon nijdig te klinken. ‘En ze heeft jou ook in alle staten gekregen. Daar is geen enkele reden voor. Waarom belt ze niet iemand van de Dienst Welzijn als ze zo bezorgd is, in plaats van iemand die bijna gaat bevallen? Ze kan eigenlijk nog beter helemaal niemand bellen en gewoon afwachten.’

‘Je hebt gelijk, maar het is niet leuk om op slecht nieuws te wachten.’ ‘Het is niet leuk om slecht nieuws te krijgen. En dat heeft ze ook niet gehad.’

‘Nee.’

‘Zeg maar dat ze zich geen zorgen moet maken.’

‘Goed, Adi.’

‘Schat, als we s nachts alleen in bed liggen, kunnen we allemaal wel gaan piekeren en onze vriendinnen bellen zodat die ook gaan piekeren. Maar dat doen we niet, toch?’

Adi had zoals gewoonlijk gelijk. Er waren heel veel dingen waarover je van jezelf niet mocht nadenken. En je wilde ook zeker niet dat je vrienden erover piekerden.

‘Oké, bedankt, Adi. Sorry dat ik je gewekt heb.’

‘En jij mag echt niet piekeren, zeker niet voor niks! Jij moet rusten, zoals de dokter heeft gezegd.’

Jenny belde Agnieszka terug. Ze was in gesprek. Wie belde Agniesz-ka op dit uur? Ze wachtte en belde opnieuw. Nog steeds in gesprek. Jenny sloot haar ogen en werd door een golf van vermoeidheid over-spoeld. Agnieszka’s telefoon was misschien bezet omdat Jamie eindelijk belde. Of anders praatte ze met Welzijn. Of met die man. Jenny had Dave beloofd om tegen niemand iets te zeggen over de man die ze met Agnieszka gezien had. En nu had ze Agnieszka beloofd om tegen niemand iets over het illegale mobieltje te zeggen, zelfs niet tegen Dave. Bovendien had ze gelogen tegen Adi. Haar leven barstte van de geheimen, en het waren niet eens haar geheimen maar die van Agnieszka.

Agnieszka wachtte tot Jenny terugbelde. De minuten tikten voorbij. Praatte Jenny nog steeds met Adi? Belde ze andere mensen? Was ze in slaap gevallen?

Haar angst was net een enorme machine die klaar stond om haar te verpletteren. Met gespannen zenuwen luisterde ze naar de stilte, naar een auto die buiten parkeerde. Daarna de deurbel. Vervolgens de maatschappelijk werker. Op de drempel met nieuws dat haar leven als een moloch ging verwoesten.

Jamie dood. Jamie voorgoed weg. Jamies lijk in een grote, donkere zak en daarna in een houten kist die in de koude grond begraven werd. Jamie, ijzig en gevoelloos. Jamie zonder leven of warmte of liefde in zijn lichaam. Jamie, niet meer in staat om zijn armen om haar heen te slaan of Luke vast te houden. Waren alle keren dat hij afwezig was geweest een manier geweest om haar op deze definitieve, afgrijselijke afwezigheid voor te bereiden? Ze wilde janken van pijn, huilen als een wolf.

Nog steeds geen telefoon, geen auto. De stilte kreeg enorme afmetingen terwijl ze wachtte tot die ophield. De stilte duurde almaar voort en groeide intussen, als een geluid dat aanzwol. Alleen was dit juist geen geluid. Ze was bijna dankbaar toen Luke begon te huilen. Ze ging naar hem toe. Zijn kinderbedje stond op wieltjes. Ze wiegde het door het over een richel op het kleed te trekken die ze had gemaakt door er handdoeken onder te leggen en hij viel weer in slaap. De ondraaglijke stilte begon opnieuw.

Ze wou dat er iemand was. Maar ze had alleen Jamie, en die was weg. De avond ervoor was er een programma over de Noordpool en het smelten van de ijskap op tv geweest. Dat had haar niet geschokt maar wel de witte, oneindige leegte. De woestenij die haar aan haar eigen leven deed denken. Een ijsbeer die op een kleine ijsberg over de bevroren zee dreef, ver van de andere ijsberen, ver van elke andere levensvorm, had haar aan het huilen gemaakt door een gevoel van herkenning. Toen kreeg ze een idee. En ze pakte de telefoon.

Een paar keer rinkelen, en toen klonk er een slaperige stem. ‘Ja?’ ‘Hallo...’ zei ze zachtjes.

De stem klonk verrast en onzeker. Maar klaarwakker.

‘Hallo?’

‘Met wie spreek ik?’

Maar ze hoorde dat hij heel goed wist wie ze was. Hij durfde alleen niet te hopen dat hij gelijk had.

‘Ik ben.’

‘Aggie?’

‘Ja.’

‘Aggie!’

Verrassing. Blijdschap. Toen het besef dat het twee uur s nachts was. ‘Aggie! Alles goed?’

‘Help me, Darrel. Jij kan alles maken. Ik vraag hulp.’

‘Aggie, ik maak alles wat ik kan. Wat is er gebeurd?’

‘O god, zo erg. Ik kan niet meer.’

‘Vertel op.’ ‘Sorry voor opbellen s nachts.’

‘Nou ja, ik had niks speciaals te doen. Ik sliep.’

‘Ik weet niet wat ik doen moet...’

‘Vertel maar, Aggie.’

Het was een opluchting om erover te kunnen praten. Haar telefoontje met Jenny was onprettig geweest, vol schuldgevoelens en bekentenissen. En ze had Jenny’s afkeuring gevoeld. Nu praatte ze met iemand die echt om haar gaf, die haar zorgen kon delen en die haar begreep. ‘Luister, mijn man gaan naar Afghanistan met stiekem mobieltje...’ Ze vertelde het hele verhaal. Haar stem begaf het alleen bij de woorden ‘Jamie is dood’.

‘Darrel? Ben je daar?’

‘Ja, Aggie. Ik denk na. Het probleem is dat je wilt weten of dat bericht waar kan zijn. Zonder iemand te vertellen waar het vandaan komt.’

‘Darrel, precies goed. Precies goed. Jij begrijpt.’

Dit was anders dan de hysterie van haar gesprek met Jenny. Dit was een veel kalmere wanhoop.

‘Even kijken, is er een plek waar soldatenvrouwen hulp kunnen krijgen? Als er bijvoorbeeld iets met Luke zou zijn en je moest dringend contact met je man hebben...?’

‘Dan ga ik naar maatschappelijk werker.’

‘Dan moet je kiezen, Ags. Je kunt geduldig afwachten, want als hij echt dood is, komen ze het gauw genoeg vertellen. En anders ga je naar die maatschappelijk werker en zegje datje een sms’je hebt gekregen. Je weet niet van wie want het was anoniem. Je zegt dat je het bericht meteen gewist hebt, maar sindsdien ben je vreselijk bezorgd.’ Darrel had gelijk. Ze wachtte, of ze nam contact op met de maatschappelijk werker en vertelde alle details van het verhaal behalve datgene wat hij niet mocht weten.

‘Ik weet het natuurlijk niet, maar eh... volgens mij is je man niet dood. Het zou me niet verbazen als een van zijn makkers zijn mobieltje gevonden heeft en hem een kunstje wil flikken.’

‘Nee, niet zo’n vreselijk kunstje.’

‘Er lopen genoeg vreselijke mensen rond. Ik denk niet dat hij dood is.’ Ze had het gevoel dat iemand warm zijn armen om haar heen had geslagen. Darrel, die alles kon repareren, repareerde ook dit.

Ags, kun je midden in de nacht contact opnemen met die maatschappelijk werker?’

‘Eh.. ik heb misschien nummer. Maar misschien beter geen contact. Misschien ik wacht tot morgen.’ ‘Kun je dat?’

‘Ja. Morgenochtend ga ik naar kantoor.’

‘Dat had ik je ook willen voorstellen.’

‘O, Darrel, praat nog even met me.’ Ze wilde niet ophangen want dan hoorde ze de stilte weer.

‘Nee, praat jij maar, Aggie. Ga je gang. Vertel maar wat je gedaan hebt sinds we elkaar voor het laatst gezien hebben. ‘Heb je nog getekend?’

Ze ging lekker onder het dekbed liggen en praatte. Het gaf een intiem gevoel en haar stem werd zacht. Hij maakte haar zelfs aan het lachen. Hele minuten lang kon ze de diepe, zwarte afgrond vergeten die die nacht was opengegaan in haar leven. Ze praatten twee uur, en aan het eind was ze zo moe dat ze in slaap viel.