23
De post kwam een paar minuten voordat de1esectie op patrouille ging, en de luitenant stelde het vertrek tien minuten uit, zodat de jongens hun brieven konden lezen voordat ze in de Vectors stapten.
Dave kreeg een brief van zijn moeder, een brief van Jenny en - enigszins verontrustend - ook een brief van Jenny’s moeder. Hij begon aan die van Jenny maar liet ze op zijn bed liggen om de instappende soldaten te tellen.
‘Wij moeten misleiden. Maak jezelf dus niet wijs dat we een schut -tersteam zijn,’ hielp hij hen herinneren.
Sol stond naast hem. ‘Ik heb een vraag over het Engels,’ mompelde hij. ‘Wat is het verschil tussen lokaas en een stilstaand doelwit?’
Dave liet zijn ogen rollen. ‘Er is niks mis met je Engels,’ zei hij. ‘Die twee dingen zijn vandaag hetzelfde.’
Sols enkel was genezen, en voor Dave was het een opluchting dat Sol de1esectie weer commandeerde. Hij keek opnieuw naar de jongens die op dat moment in de Vectors klommen. Spekkie en Vullis hadden hun vuurdoop nog niet gehad. Ze waren op patrouille geweest, waren met olieboeren meegegaan en hadden een paar schermutselingen meegemaakt, maar niets ernstigs. Ze hielden vol dat ze er klaar voor waren, maar hadden nog geen schot gelost.
‘Je gaat hier verdomme niet picknicken!’ blafte Dave tegen Spekkie. ‘Haal je wapen van de riem, snotneus, en hou het met twee handen vast.’
Vullis, die achter Spekkie instapte, maakte gauw de riemgesp los voordat Dave het zag en keek schaapachtig toen hij merkte dat Sol toekeek.
Dave ging naast de chauffeur van de voorste Vector zitten en toen vertrokken ze. De luitenant zat met Asma voor in de tweede truck. Dave wist dat de soldaten achterin hun post lazen terwijl ze door de woestijn denderden, maar besloot zijn eigen brieven nog even dicht te laten. Hij voelde zich gespannen. Zijn ogen speurden elke rimpel in het landschap af. Sinds die geit vlak voor zijn neus zo spectaculair ontploft was, had hij noodgedwongen aanvaard dat bermbommen niet te zien waren. Tot dat moment had hij zich wijsgemaakt dat hij nooit aan de verkeerde kant van een explosie kon belanden als hij maar waakzaam genoeg was.
Toch lette hij op elke stapel stenen en elk plekje met recent omgewoelde aarde die op iets in de grond kon wijzen. Hij staarde strak naar een jongeman die het konvooi vanaf een motorfiets gadesloeg, want zijn mobieltje kon een ontstekingsmechanisme zijn. Iedereen wist dat de taliban steeds meer bermbommen gebruikten. Hun explosieven werden steeds groter en beter en de Vectors konden zon ontploffing niet of nauwelijks aan omdat het dak veel zwaarder bepantserd was dan de onderkant. Sinds het1epeloton in Sin City was aangekomen, was regelmatig het bericht doorgesijpeld dat elders in Helmand alweer Britse soldaten waren gedood of gewond geraakt door mijnen. Er waren antipersoneel- en antitankmijnen, en als je die allemaal ontlopen had, waren er ook nog mijnen uit de tijd van de Russen.
Door de kale woestijn rijdend passeerden ze de eerste stoet kamelen die Dave ooit gezien had. De rij gebochelde ruggen en lange nekken, die zich langzaam en ritmisch over het zand voortbewoog, bood een Bijbelse aanblik.
‘Zo was het tweeduizend jaar geleden ook,’ zei de chauffeur. ‘Behalve de ied’s dan.’
‘Deze route is geveegd.’
‘Vorige week geveegd is niet hetzelfde als vandaag geveegd.’
‘U bent niet zoals anders, sergeant. Slechte dag gehad?’
‘Ik ben pissig omdat we onderbemand op weg moeten. We hebben gewoon niet genoeg soldaten. En dan hebben we ook nog een vrouw en twee snotneuzen bij ons. De burgers dwingen ons tot een veel te dunne spreiding. Vandaag zijn we lokaas en moeten we in beweging blijven, maar dat weten de taliban niet. Voor hen blijven we de vijand.’ ‘Dan wordt het vandaag misschien wel een lekker makkelijk ritje,’ zei de chauffeur opgewekt.
‘Jij bent ook niet echt jezelf,’ zei Dave tegen de chauffeur, die bekendstond om zijn sombere voorspellingen.
‘Ik heb brieven op zak. Eentje van mijn moeder en eentje van mijn meisje. Wat kan een mens nog meer verlangen?’
‘Laten we hopen dat je het vandaag overleeft, anders gaat de inhoud van je zakken rechtstreeks naar je moeder, tenzij ik op tijd ben om ze zelf in te pikken.’
Het gezicht van de man betrok. ‘Verdomme, daar heb ik nooit aan gedacht.’ Toen fleurde hij weer op. ‘Maar als ik dood ben, houdt ze op met zeiken, hè?’
Het schieten begon zodra ze in de Groene Zone waren.
‘Doorrijden,’ zei de commandant. De mannen op het dak beantwoordden het vuur. Ze passeerden het punt waarop het peloton de vorige keer was uitgestapt. Ze passeerden het hennepveld. Dave dacht het te ruiken, en toen er bij de jongens achterin gebrul opsteeg (‘We weten waar we zijn! Ons neem je niet in de maling! Heb je alles nog bij je, Mal?’), wist hij zeker dat hij het rook. Ze reden naar de oversteekplaats, en toen hield het schieten mysterieus genoeg ineens op.
‘Het bevalt me niet,’ zei Dave. ‘Rij langzaam door.’
‘Als we ons hoofd omlaag houden en gewoon doorrijden, zijn we er zo doorheen.’ De chauffeur was veel minder opgewekt dan tien minuten eerder.
‘O ja? Dit gebied zou geveegd moeten zijn. Maar ze begonnen te schieten zodra we hier aankwamen. Ze vertellen ons dat ze er weer zijn. Rij langzaam, dan kan ik alles beter zien.’
De chauffeur vertraagde. Er werd nog steeds niet geschoten.
‘Die hufters zitten achter ons. Laten we gewoon gas geven,’ zei de chauffeur.
‘Nee. Nog langzamer.’
De chauffeur ging nauwelijks langzamer rijden.
‘Langzamer!’ schreeuwde Dave. Zijn ogen waren op het pad gericht. Tweehonderd meter verderop ging het stijgen, want daar begon een brug over de machtige Helmand. Hij rook pollen van hennep en andere planten, gemengd met heet stof. Grote, slappe bladeren sloegen bij het passeren zachtjes tegen de zijkant van het voertuig. Daves zintuigen waren zo waakzaam dat ze wel leken te roepen. Hij knipperde niet met zijn ogen, en die werden droog van de inspanning om het stoffige pad te blijven observeren.
Hij dacht: als ik een guerrillastrijder was, zou ik het leger laten denken dat deze oversteek geveegd is. Dan zou ik terugkomen en vlak voor de brug een mijn leggen. Ik zou zorgen dat er geen ander verkeer langskwam, en ik zou voetgangers uit de buurt houden. Als er een militair konvooi aankwam, zou alles rustig lijken. De eerste auto werd dan opgeblazen. Alles kwam tot stilstand. Vervolgens beschoot ik de rest vanuit een hinderlaag van achteren. Dan zaten ze in de val...
Tot dan toe had er van alles door zijn hoofd gezweefd: fragmenten van zijn laatste droom, de wetenschap van Jenny’s brief op zijn bed, het feit dat zijn knie zonder reden pijn deed, de zorg dat Steve Buckles
geest misschien nooit meer genas, een bondige waarschuwing van majoor Willingham dat Dave ondervraagd ging worden over de dood van een gewonde opstandeling in een greppel... Al die gedachten verdwenen. De plotselinge zekerheid dat de taliban een mijn op hun weg hadden gelegd op een plek waar de chaos het grootst zou zijn, sneed messcherp door alle andere stemmen in zijn oor.
‘Stóp!’ gilde hij bij hun nadering van de brug.
De chauffeur reageerde op het volume en het dringende van Daves bevel door hard op de rem te trappen. Achter hen hoorden ze ook de tweede truck krijsend tot stilstand komen, even later gevolgd door de derde.
‘Wat is er?’ wilde de luitenant weten.
Dave antwoordde niet. De Vector stond tikkend van de hitte stil en rook naar benzine. Stof wolkte op. Bij hun aankomst in de Groene Zone was geschoten, maar dat was opgehouden. Alles was opgehouden. Er waren geen groepjes kinderen die hen aanstaarden, op de velden kwamen geen oude mannen met een hand op hun pijnlijke rug overeind en er kwamen hen geen autootjes, uitpuilend van grote Afghaanse families, tegemoet. Er heerste alleen stilte.
Dave vroeg zich af of hij een stommiteit had begaan. Hij had een patrouille laten stoppen die opdracht had om te blijven rijden. Dat deed hij op grond van een voorgevoel. Hij had er geen bewijzen voor.
De chauffeur keek hem aan. ‘Alles in orde, sergeant?’
Dave staarde voor zich uit. Hij had de indruk dat de onverharde weg tussen de plaats waar ze stonden en het begin van de brug niet het gewone patina van dagelijks gebruik vertoonde. Hij meldde: ‘Verdacht terrein op een kwetsbaar punt voor ons uit.’
Hij keek aandachtig naar het pad. Als daar iets lag te wachten tot iemand aan het andere eind van een draad of op een mobiele telefoon op een knop drukte, lag het enige terrein dat geschikt was in het oerwoud meteen links en rechts van hen. Nergens anders was de omgeving te overzien. Hij stuurde soldaten eropuit om de begroeiing te doorzoeken. Intussen boog hij zich voorover en staarde naar het pad.
‘Volgens mij ligt er iets voor ons uit,’ zei Dave. ‘Heeft de genie detec-tiespullen bij zich?’
Hij hoorde de geniesoldaten kreunen.
‘Betekent dat “nee”?’ Dave hoorde zijn eigen stem. Die klonk ongelijkmatig alsof ze nog steeds over het hobbelige pad reden.
‘Nee, die hebben we wel, sergeant. We hebben alleen geen 4C’s meer. Geen mijndetectoren.’
‘En?’ ‘Alleen een Ebinger, een metaaldetector, maar die kunnen we niet gebruiken want we hebben er nog geen cursus voor gehad.’
‘Ik weet zeker dat het gecombineerde intellect van de1esectie kan helpen om dat uit te vogelen,’ zei Dave. ‘Schiet op.’
De soldaten kwamen naar de Vectors terug met de mededeling dat niemand zich dicht genoeg in de buurt bevond om een mijn te kunnen zien en te laten ontploffen. Dave begon te twijfelen. Toen hoorde hij de commandant.
‘Onze tolk vangt net vijandelijke gesprekken op waarin sprake is van een ied. ..’
‘Is het gelukt met die detectors?’ vroeg Dave. ‘Schiet s een beetje op! We zijn hier een makkelijk doelwit! Dat we niet beschoten worden, betekent nog niet dat iedereen thuis thee zit te drinken!’
De geniesoldaten stapten uit, en Dave liet hen door anderen dekken terwijl ze discussieerden over de werking van het apparaat. Uiteindelijk zette een van hen een koptelefoon op en liep langzaam naar voren.
Dave sloeg hem gade. Hij moest ineens aan een Zuid-Engels strand denken waar hij kort nadat hij Jenny ontmoet had, was geweest. Ze hadden voor het eerst samen geslapen en waren voor zonsopgang naar zee gegaan om de zon te zien opkomen. Ze waren dicht tegen elkaar, moe maar ontspannen, op het zand gaan liggen dat de koelte van de nacht nog vasthield. Ineens waren ze omsingeld door oude mannen met metaaldetectors die al bij het eerste daglicht het strand afspeurden op zoek naar schatten. Dave zette de herinnering zuchtend van zich af want die paste niet in deze hete, vijandige wereld.
De geniesoldaten liepen langzaam over het pad. Vijf meter voor de brug bleven ze staan. Ze gaven het apparaat en de koptelefoon aan de tweede man. Hij knikte. Ze begonnen met het apparaat te graven en veegden het zand voorzichtig opzij.
‘Hebben jullie iets?’ Dave had het heet en was gespannen. Werden ze gadegeslagen? Of lagen er vijandelijke schutters recht achter de Vectors om hun ontsnapping te verhinderen?
Na nog een paar minuten schudden de geniesoldaten hun hoofd. ‘Alleen een oude bout in de grond.’
‘Kunnen we terugkomen?’ vroeg de jongste geniesoldaat.
‘Nee,’ zei Dave.
‘Er liggen minstens honderd oude bouten tussen hier en de brug. Die zijn vermoedelijk bij de bouw op de grond gevallen.’
‘Ga voorzichtig verder,’ zei Dave. ‘Die bout kan per ongeluk gevallen zijn, maar kan ook expres zijn neergelegd.’
De geniesoldaten haalden hun schouders op. Het verbaasde hun blijkbaar niet dat er een oude bout in het zand was begraven. Maar Dave had in Camp Bastion genoeg verhalen gehoord om te weten dat de taliban soldaten in slaap susten met valse gegevens, zodat ze geheel onvoorbereid waren als ze op een joekel stuitten.
Na nog een paar stappen zag hij dat de geniesoldaten iets anders hadden gevonden.
‘Alweer zon verdomde bout,’ mopperden ze, bezorgd om zich heen kijkend.
‘Wees vooral voorzichtig!’ Dave wist dat ze zich ondanks de dekking kwetsbaar voelden. Hij zag dat ze minder voorzichtig waren gaan graven - met de plichtmatige houding van mensen die nutteloos werk moeten doen.
De luitenant zei: ‘Onze tolk vangt veel vijandelijk geklets op. Volgens haar zijn ze in de buurt.’
‘Daar durf ik om te wedden,’ zei Dave.
Een van de geniesoldaten bleef ineens staan. Hij trok de ander naar zich toe om te kijken, en toen keken ze samen in het gat. Ze bleven even roerloos staan en draaiden zich toen gelijktijdig om naar de Vectors. Dave kon hun gezicht niet zien maar maakte uit de hoek van hun hoofd en de spanning in hun lichaam alles op wat hij weten wilde.
‘Oké, de wagens in. Nu!’ Hij bracht meteen rapport uit: ‘ied gevonden.’
‘We moeten de eod roepen,’ zei de commandant.
‘We moeten eerst uitstappen,’ zei Dave. ‘Voordat de tali’s ons in de tang hebben.’
Maar hij was te laat.
De geniesoldaten waren al in de buurt van de Vectors toen de eerste kogels tegen de bepantsering vlogen. De mannen renden de laatste paar stappen en sprongen naar binnen terwijl de val dichtklapte. Alle vijandelijke wapens - waaronder eerst mitrailleurs en daarna ook rpg’s -lieten bijna tegelijkertijd van zich horen. De taliban hadden klaargelegen. Hadden hen gadegeslagen. Hadden op dit bevel gewacht.
Het vuur was zo hevig dat ze er niet veilig doorheen konden rijden. De luitenant bracht verslag uit terwijl de chauffeurs de Vectors in een verdedigende positie zetten. Dave wou alleen dat ze verder naar achteren gestopt waren. Hij dacht dat het gevecht wel even zou duren, en daarvoor waren er prettiger plekken dan op minder dan honderd meter van een bermbom die op het punt van ontploffen stond.