21
Hij had dus weer eens op de verkeerde manier bevelen gegeven. Goddank had de sergeant hem voor de zoveelste keer uit de nesten gehaald. Gordon Weeks liep naar de kantine en ging in zijn eentje zitten eten. Hij speelde een beetje met zijn shepherds pie toen iemand recht tegenover hem een bord neerzette. Hij keek op en zag dat het Asma was. Hij was zo verrast dat hij even niets kon zeggen. ‘Hallo,’ zei hij na een tijdje.
‘Ben je je Pasjtoe vergeten?’
‘Misschien, maar het was toch al nooit veel soeps.’
‘Wat is er?’ vroeg ze. ‘Ik heb nog nooit iemand zo treurig zien kijken.’ Haar grote, amandelvormige ogen keken hem aan. Ze glimlachte half. Hij had haar nog nooit voluit zien glimlachen, laat staan lachen, zelfs niet naar haar vriendin van de MP. Hij wendde zijn blik af. Ze was te mooi om haar lang aan te kunnen staren. En misschien ook wel een beetje te verdrietig.
Hij voelde zich niet op zijn gemak op de basis. Hij was op kostschool geweest en had aan de universiteit gestudeerd maar was heel zijn leven, zelfs in Sandhurst, met mensen uit zijn eigen maatschappelijke klasse omgegaan. In Engeland zou hij gezien hebben hoe mooi dit meisje was, maar was hij waarschijnlijk op afstand gebleven. Ze had een sterk Londens accent dat bij haar vertalingen tijdens de sjoera ook in haar Pasjtoe te horen was geweest en dat bewees dat zij een achtergrond had die hij eigenlijk niet begreep. Maar hier op de basis was alles anders. Veel officieren hadden net zo’n achtergrond als hijzelf. Majoor Willingham was een van hen. Maar de soldaten voor wie hij het meeste respect had, zoals Dave, kwamen uit een heel andere wereld, een wereld waaraan hij voordien nauwelijks aandacht had besteed. Dat gold ook voor Asma, en toch vond hij haar de aantrekkelijkste vrouw die hij ooit had ontmoet. Nu zat ze tegenover hem en nodigde ze hem uit haar in vertrouwen te nemen.
‘De kloof tussen waar ik als officier ben en waar ik zou willen zijn, is soms wel heel erg groot,’ zei hij traag.
‘Dat geldt niet voor de laatste vijf minuten,’ zei ze vriendelijk. ‘Wanneer ben je van Sandhurst gekomen?’
‘Vlak voordat ik hierheen ging.’
‘Zie je wel!’
Hij probeerde niet te letten op de manier waarop ze haar mes en vork vasthield. ‘Volgens mij doe ik het in het veld niet slecht. Daar ben ik voor opgeleid. Maar als ik hier op de basis ben, mijn dagelijkse dingen doe, probeer te communiceren... Ik heb mijn manschappen net hun dagorders voor morgen gegeven en... nou ja, ik ben nooit een goeie spreker geweest. Als de sergeant ze niet voortdurend uitkafferde, zou ik mijn greep verliezen.’
‘Maar voel je je lekker als er geschoten wordt?’
Hij knikte. ‘Tot dusver wel.’ Hij merkte dat hij weer bloosde.
‘Da’s beter dan omgekeerd. Morgen ga ik me je mee op patrouille, en ik zit liever bij een commandant die zijn peloton kan aanvoeren tegen de taliban dan bij iemand die een tafelrede kan houden.’
‘Ik wou dat ik het allebei kon.’
‘Als jij voor je jongens staat, dan wed ik dat je het veel te druk hebt met nadenken over de verschillen tussen hen en jou. Snap je wat ik bedoel?’
Hij schudde zijn hoofd. Er ging iets hypnotiserends van haar uit. Het was moeilijk om naar haar te luisteren want hij wilde zich alleen aan haar vergapen. De huid van haar wangen was onnatuurlijk glad en zacht. Maakten de vrouwen op de basis zich s morgens na het wakker worden op? Of hoefde ze er helemaal geen moeite voor te doen?
‘Je bent nu eenmaal anders,’ vervolgde ze. ‘Jij kunt je hun leven thuis niet voorstellen en zij hebben geen idee van het jouwe. Geen enkel. Maar op het slagveld zijn jullie één. Dan vallen de verschillen weg. Dan is het jullie tegen de vijand. Dat vergemakkelijkt de communicatie, toch?’
Hij dacht erover na en vond dat ze gelijk had. Hij wilde dat net tegen haar zeggen, toen haar vriendin Jean bij hen kwam zitten. Weeks knarsetandde, niet alleen omdat hij van zijn ongestoorde momenten met Asma genoot, maar ook omdat hij een afkeer van de politievrouw begon te krijgen. Hij wist dat zijn manschappen de MP meden als de pest. Luitenant Weeks was opgegroeid met het idee dat alleen mensen die iets te verbergen hadden de politie meden, en hij had niets te verbergen. Toch meed ook hij deze Jean met haar scherpe gezicht en haar scherpe ogen.
Ze glimlachte naar hem. ‘As salaam alai koem.’
‘Ook goeienavond,’ zei hij.
‘Ik heb een informele babbel met de commandant gehad over dat incident in de Groene Zone...’
Weeks keek haar somber aan. ‘Welk incident? Er zijn er zoveel geweest.’
Hij zag Asma voor het eerst lachen maar wist niet goed waarom. Toch sloeg hij haar gezicht met genoegen gade: het veranderde van vorm, werd breder en onthulde een gelijkmatige rij tanden. Het was heerlijk om te horen hoe haar gegiechel opborrelde als water uit een bron. Vanaf dat moment vond hij het zijn taak om haar opnieuw aan het lachen te krijgen. Dat was overigens een flinke uitdaging, want hij wist dat hij maar zelden grappig was.
Jean Patterson lachte niet. ‘Het enige incident dat ik ken, vond plaats toen je manschappen een paar weken geleden het vuur openden op een groep talibanstrijders. Hun lijken werden gefouilleerd, maar een van hen bleek niet dood te zijn. We zullen nooit weten hoe zwaar hij gewond was, omdat hij van vlakbij is doodgeschoten.’
‘Zijn gedrag werd als gevaarlijk opgevat. Hij tastte naar zijn wapen.’ ‘Dat wapen had tijdens de fouillering verwijderd moeten zijn. En een andere soldaat schijnt het bovendien meteen verwijderd te hebben.’
‘Hij is doodgeschoten omdat hij ons bedreigde,’ hield Weeks vol. ‘Nee, hij is doodgeschoten omdat de sergeant dat opdroeg. De soldaat die de opstandeling fouilleerde aarzelde terecht. Maar een andere soldaat voerde het bevel van de sergeant uit en schoot de man dood.’ Weeks ging nooit op de vuist en maakte niet vaak verbaal ruzie, maar hij herkende wel de adrenaline die ineens door zijn lichaam joeg als de adrenaline van het gevecht. Hij boog zich naar voren. ‘Jean... mag ik je Jean noemen?’
‘Natuurlijk, Gordon.’
‘Jean. De sergeant zag zijn manschappen in gevaar omdat ze rechtstreeks contact hadden met een lid van de taliban. Die man kan hebben geveinsd dat hij dood was hoewel hem niets mankeerde. Wat zou jij in die omstandigheden hebben gedaan?’
Ook Jean boog zich naar voren. ‘Gordon, aangezien die man gewond in een greppel lag, zou ik hem behandeld hebben als een slachtoffer.’
‘Jean, hij was een strijder van de taliban. Daarover kan geen twijfel bestaan. Hij was volledig bewapend. Natuurlijk moesten we hem behandelen als iedere andere gewapende opstandeling.’ ‘Hij was misschien een opstandeling, maar hij hoorde ook tot het menselijk ras. Hij...’
‘Jean...’
‘Gordon!’
Weeks besefte dat die verrukkelijke Asma hen allebei zat uit te lachen maar gunde zich niet het genoegen om naar haar te kijken. Ze maakten vast een komische indruk, maar hij was zo kwaad dat het hem niets kon schelen.
Jean verhief haar stem. ‘Die man was niet meer gewapend en wel gewond. Hij had medische zorg nodig!’
‘Hoe weet jij dat? Mijn manschappen hebben hem inderdaad beschoten en zijn kameraden waren inderdaad dood. Maar hij had best ongedeerd kunnen zijn en kunnen veinzen dat hij dood was. Bij de vijand is dat een bekende tactiek.’
‘Jouw manschappen hebben hem allemaal als gewond beschreven.’ ‘Mijn manschappen zijn geen artsen en niet opgeleid om het verschil te bepalen tussen iemand die gewond is en iemand die doet alsof. En weet jij welk bevel de sergeant precies gaf toen hij beval de man te doden?’
Jean knikte zelfverzekerd. ‘Hij zei: “Ga daarmee door.” ’
‘Dat bevel ken ik niet. Jij?’
Jean zuchtte.
Weeks buitte zijn voordeeltje uit en vervolgde: ‘Ik kan me zelfs niet herinneren dat ik dat bevel ooit eerder gehoord heb. In Sandhurst heb ik het niet geleerd, geloof ik. Het verbaast me dus dat jij die woorden herkent als een opdracht tot doden.’
Jean leunde achterover op haar stoel. Er tekenden zich rode vlekken af op haar bleke wangen. ‘Zijn soldaten begrepen wat hij bedoelde.’ ‘Heb je Dave Henley gevraagd wat hij bedoelde?’
‘Sergeant Henley heeft een reputatie,’ zei ze. ‘Hij staat bekend als een taaie en nuchtere sergeant zonder veel geduld voor soldaten met legitieme, humanitaire aarzelingen.’
‘Precies omdat hij zo taai en nuchter is, geldt sergeant Henley als een uitmuntende onderofficier. En afgezien van een kogelvrij vest hebben zijn manschappen geen betere bescherming dan dat,’ snauwde Weeks. Haar beschuldiging versnelde zijn hartslag en joeg woede door zijn lichaam. ‘Hij heeft een humane, meedogende kant die hem bijzonder tot eer strekt, en voordat jij vermoedens en beschuldigingen rondstrooit, dien je hem eerst te vragen wat hij met zijn woorden bedoelde.’
‘Zo’n vraag zou niet correct zijn want er is nog geen formeel onderzoek. Maar ik zal niet toestaan dat het onder het tapijt wordt geveegd, en ik verwacht dat iemand van zijn eenheid hem grondig zal ondervragen.’
‘Dat zullen we inderdaad,’ zei Weeks. Hij dacht deze schermutseling gewonnen te hebben en vond het beter om het gevecht te staken. Eindelijk wierp hij een blik op Asma. Het was ongelooflijk maar de laatste paar minuten was hij helemaal vergeten dat ze er was. Nu was hij zo blij haar terug te zien alsof ze net was binnengekomen. Hij wist weer wat ze gezegd had, namelijk dat ze de volgende dag met hem op patrouille ging. De uitdrukking op haar gezicht verraste hem. Die leek wel een beetje op bewondering.