5
Jenny wist dat er iets gebeurd was. Dave mocht over de legertelefoon niets tegen haar zeggen; toch voelde ze dat hij iets voor haar verzweeg.
Hij had zijn hele voorraad van dertig minuten opgebruikt. Op z’n minst de eerste tien ervan hadden hij en de kleine Vicky rare babytaal uitgeslagen. De vreemde stiltes, de overlappingen en de complicaties die altijd ontstonden bij een vertraging van twee seconden en een onzekere verbinding konden Vicky nooit iets schelen en deden alleen terzake als twee volwassenen dingen tegen elkaar wilden zeggen.
Jenny had hem alle dagelijkse voorvalletjes uit haar leven verteld. Volgens iedereen was dat de beste manier om met je man te praten als hij ver weg was, en de laatste jaren had ze ruim de kans gehad om haar techniek te perfectioneren. Na een kort verhaal over de kapotte dakgoot was ze dus overgestapt op de opmerking van de crèche dat Vicky haar leeftijd ver vooruit was, was ze begonnen over de dag waarop het ziekenhuis een echo van de baby ging maken, over de uitnodiging van haar moeder aan de zijne... Ze luisterde soms naar haar eigen gekwetter en vroeg zich dan af wat hij dacht. Er waren mensen die hem in een vreemd land wilden vermoorden, en hoe belangrijk was het dan dat de dakgoot van een huis in Wiltshire lekte? Ze hadden allebei net gedaan alsof dat ertoe deed, maar vandaag veinsde hij anders dan anders.
Ze legde de telefoon neer met een maar al te vertrouwd gevoel. Verlies. Spijt. Teleurstelling. De wetenschap dat al het belangrijke was verzwegen. Telefoontjes waren een kort tussenspel in zijn leven en het hare. Daarna gingen ze weer weg en leefden ze in hun eigen afzonderlijke wereld, altijd wachtend op het volgende teleurstellende gesprek. Ze pakte Vicky op. Het meisje leek haar verdriet aan te voelen. Samen gingen ze voor het raam staan. Een grijze dag versmolt met een grijze avond. De straat was nat. Onregelmatige plekken op het trottoir stonden vol water. De huizen waren lelijk. Als op een donkere avond het licht in de huiskamers aan was en de tv-toestellen flakkerden, vond ze het soms een knusse aanblik. Die avond niet.
De lichten van een auto gleden langzaam over de straat. Toen de auto passeerde, zag Jenny dat het Agnieszka Dermotts oude Vaux-hall was. Luke zat achterin. Waar was ze geweest? Agnieszka vertelde de andere vrouwen nooit iets over haar leven. Binnen een dag na het vertrek van de mannen naar Afghanistan waren de vrouwen van het kamp bij elkaar thuis gekomen. Ze hadden misschien niets bijzonders gezegd maar ontleenden kracht aan het feit dat iedereen hetzelfde voelde. Maar Agnieszka had niet meegedaan.
Jenny en Vicky stonden voor het raam tot het donker werd en het glas hun spiegelbeeld weerkaatste. De lange, blonde, hoekige Jenny zag zichzelf staan. Vicky zat op haar heup en had één beentje over de bolling van de baby gelegd.
Alweer koplampen. Een auto stopte bij Leanne Buckles huis. Op dat moment wist Jenny wat Dave verzwegen had.
Er gebeurde een hele tijd niets, maar toen stapte er een man uit. Hij droeg een koffertje. Jenny herkende hem meteen. De maatschappelijk werker. Dat kon maar één ding betekenen. Jenny voelde hoe haar keel dichtgeknepen werd, en in haar ogen welden tranen op. Ter wille van Vicky probeerde ze niet te huilen, maar ze zag opgelucht dat het kind sliep. Toen liet ze haar tranen de vrije loop. De officier liep inmiddels over het tuinpad naar Leannes deur. Ze zag hem aanbellen. Leannes bel deed het niet, en toen er na een paar minuten nog niets gebeurd was, moest hij aankloppen. Leanne deed open. De ene helft van de tweeling hing met bungelende beentjes in haar armen. De andere stond waarschijnlijk schreeuwend achter haar, zoals ze altijd deden als Leanne maar een van hen oppakte. Jenny kon haar gezicht niet zien, maar nog voordat de man ook maar iets had kunnen zeggen, raadde ze kennelijk wat hij kwam doen. Haar hand schoot naar haar hoofd alsof ze een klap moest afweren. Ze wankelde. De man liep naar binnen, en de deur ging achter hem dicht.
Jenny’s gezicht was nat van de tranen. Het deed te veel pijn om erover na te denken. Ze probeerde het van zich af te zetten.
De telefoon ging weer. Ze pakte hem voordat Vicky wakker kon worden. Haar hele linkerkant deed pijn omdat ze te lang met het kind op haar heup had gestaan. Ze liet zich op de bank zakken zonder Vicky los te laten en legde de telefoon tegen haar oor.
‘O Jen, er is heel slecht nieuws...’ De zorgen konden de warmte niet uit Adi Kasanitas stem verdrijven. Jenny was verzot op Adi. Ze had een ander leven in een zonniger klimaat verruild voor regen en de mogelijkheid tot belastingaftrek. Die nooit genoeg soelaas bood. Toch was ze altijd vriendelijk en vrolijk. Ze deed nooit mee aan het geroddel en negeerde de kleine rivaliteiten. En als ze een onderstroom van woede of ongeluk aanvoelde, begon ze er zonder aarzelen over. Jenny dacht: als wij, vrouwen, soldaten waren, dan zou ik Adi als sergeant willen.
‘Er moet iets met Steve Buckle gebeurd zijn,’ fluisterde Jenny. Ze durfde niet hardop te praten om Vicky niet te wekken. Maar nee, dat was niet waar. Ze wilde niet praten uit angst dat haar stem stokte. En dat zijzelf begon te huilen.
‘Kun jij de overkant zien?’ Adi woonde ongeveer vijfhuizen verderop.
‘De maatschappelijk werker is net naar binnen gegaan.’
‘Jen, ik wist dat je erg van je stuk zou zijn, en daarom bel ik je even om te zeggen dat hij niet dood is.’
Hoe kwam het dat Adi altijd alles wist? Ze wist het gewoon, maar ze vertelde het alleen met een goede reden.
Jenny slikte.
‘Hoe erg is het?’
‘Hij is een been kwijt.’
‘O god, o shit...’ Jenny probeerde tegenover Adi niet te vloeken maar deed het onwillekeurig toch. Adi en Sol Kasanita waren christenen. Ze praatten er nooit over en Jenny vroeg er niet naar.
‘Hij is een been en veel bloed kwijt, maar ze denken dat hij het wel redt.’
‘Zijn er nog anderen gewond?’
‘Die nieuwe jongen in de1esectie. Jordan Nelson. Hij heeft zware brandwonden. Ik ken hem niet. Hij was in Duitsland en zat hier nog maar kort.’
‘Ik ook niet. Is hij getrouwd?’
‘Nee, hij woont in de kazerne.’
‘Komen ze naar huis?’
‘Jordan Nelson gaat binnenkort naar Selly Oak, het militaire ziekenhuis bij Birmingham, maar ze kunnen Steve pas vervoeren als hij stabiel is. Ze noemen zijn toestand nog kritiek.’
Jenny slikte weer. Kritiek. Het woord klonk als een zweepslag. ‘Wat doen we met Leanne?’
‘Let jij maar op mijn kinderen. Die slapen sowieso al bijna. Als de
maatschappelijk werker klaar is, ga ik naar haar toe.’
Jenny was opgelucht. Ze was altijd bereid om naar andermans problemen te luisteren, maar op dat moment was een hysterische Leanne haar te veel. Ze wilde alleen maar naar bed. ‘Zeker weten?’ ‘Breng je matrassen naar beneden. Ik ben er over een halfuur.’ ‘Oké...’ Jenny was zo moe dat ze nauwelijks op haar benen kon staan. ‘Oké, Adi. Zorg jij vannacht voor Leanne. Morgen ga ik naar haar toe.’
‘Je moet eerst nog even iets doen...’
‘Wat?’
‘Agnieszka bellen.’
Toen Dave vertrok, had hij Jenny op het hart gedrukt om een oogje op Jamie Dermotts vrouw te houden. Jenny was erg op Jamie gesteld en wist dat hij zich zorgen om haar maakte. Ze was Pools en moest in haar eentje voor een kind zorgen dat blijkbaar gehandicapt was. Ze had in Engeland bovendien geen familie, afgezien van haar snobistische en volstrekt niet hulpvaardige schoonouders. Maar het was moeilijk gebleken om haar te helpen omdat ze nooit aan iets meedeed. Jenny had haar thuis uitgenodigd en aangeboden om te babysitten, maar de enige keer dat Agnieszka gekomen was en Jenny geprobeerd had om haar aan iedereen voor te stellen, had ze haar lange, mooie benen rond de barkruk in de keuken gelegd en haar mond nauwelijks opengedaan. Ze had gekeken alsof ze liever met iemand anders in Verweggistan was geweest.
‘Laat ik haar morgen maar bellen. Ik zag haar net thuiskomen.’ ‘Tuurlijk. Je klinkt doodmoe. Stop alle kinderen in bed en ga dan ook zelf slapen, schat. We moeten alleen zorgen dat ze eerst van ons het ware verhaal te horen krijgt en geen afschuwelijk gerucht.’
Jenny bracht Vicky naar bed en legde een paar matrassen op de vloer van de meisjeskamer voor de kinderen van Adi. Even bleef ze naar het lieve gezichtje van haar dochter kijken. De ronde kaak, de roze wangen, de plukken haar die krullend op haar voorhoofd lagen... ‘Trouw nooit met een soldaat,’ fluisterde Jenny tegen haar. ‘Wat je ook doet, trouw nooit met een soldaat.’
Ze wou dat ze dat zelf ook niet gedaan had. Ze was graag Daves vrouw maar ze wilde geen legerbruid zijn. Het was gewoon te veel. Het was zwaar om met al die legergezinnen te leven, wetend dat hun last ook de jouwe was. Aan de andere kant van het tweepersoonsbed had Dave moeten liggen, en de leegte daar veroorzaakte een doffe pijn. En op de achtergrond van dat alles loerde de angst, bij het wakker worden maar ook als ze er niet aan dacht en gewoon sliep. Het was nooit een verrassing als er op een donkere, regenachtige middag werd aangeklopt en de maatschappelijk werker op de stoep stond. Want in je hart verwachtte je nooit anders.
Ze besloot Dave over te halen om snel ontslag te nemen. Voordat er werd aangeklopt.