7
Daves hoofd leek wel een oorlogszone. Hij wist dat hij zijn eigen instructies aan zijn laars had gelapt en niet genoeg gedronken had. Hij had de hele ochtend aan zijn paperassen gewerkt en roosters opgesteld. Tegen de lunch had hij de indruk gekregen dat hij in een hitte-waas naar namen en cijfers zat te turen. De commandopost was een oven en hij droop van het zweet terwijl hij toch alleen maar tegen de muur leunde onder een groot stuk papier waarop iemand was dit nou je droom??? had geschreven.
En nu liep Finn te pochen over seks met een burger. Billy Finn verergerde geheid elke hoofdpijn.
Dave moest waakzaam blijven.
De rivier de Helmand kronkelde als een bloedvat door het midden van de Groene Zone, het vruchtbare en bewoonde gebied. Ze reden langs boomgaarden waardoor kriskras irrigatiesloten liepen, groepjes huizen die bijna dorpen waren, eenzame complexen met geiten erin, stadjes die als forten ommuurd waren, akkers, beboste gebieden, hoge gewassen, oerwoud...
De twee vrouwelijke tolken hadden van de gevangenen informatie losgekregen over een bolwerk van de taliban. De gevangenen konden of wilden het complex niet aanwijzen, maar ze hadden genoeg gezegd om de vermoedens van de vertrekkende commandant te bevestigen.
Het konvooi stelde die theorie nu op de proef. Dave was niet blij dat ze met minder dan een volledig peloton op pad waren gestuurd en had tegen sergeant-majoor Kila gezegd hoe onprettig het was om dat deel van de Groene Zone onderbemand over te steken. Kila was het met hem eens geweest, maar majoor Willingham had zijn plannen niet willen wijzigen.
‘Stap niet uit,’ zei Kila. ‘Daar heb je niet genoeg mankracht voor.’
‘Waarom kunnen we niet meer mensen meenemen en een normale patrouille uitvoeren?’
‘Ze hebben het te druk met de bewaking van de basis en de bescherming van die verrekte Topaz Zero en zijn vriendjes.’
Topaz Zero was de radiocode van Martyn Robertson. Als Kila over hem begon, ging hij meteen schelden. Dat deden de meeste officieren ook. Dave had zelfs majoor Willingham een keer zachtjes dingen horen mopperen, en een ervan had ‘die verrekte Topaz Zero’ kunnen zijn.
‘Laat hij zich wat meer zorgen maken over de levens van de manschappen en wat minder over die smerige olie,’ zei Kila.
De soldaten aan boord van de trucks hadden een slecht humeur. Niet iedereen vond het leuk om twee uur lang in een gloeiend heet blik te zitten, en ze wisten dat er weinig kans was om onderweg naar buiten te kunnen. Om beurten zaten ze op het dak bij Jamie, die Steve Buckle verving aan de gpmg.
De aanval kwam plotseling en was hevig. Links en rechts stonden bomen; verderop lagen papavervelden. De planten waren meer dan manshoog en stonden zo dicht op elkaar dat zelfs vanuit de lucht vrijwel onmogelijk te zien was dat iemand zich door het gewas bewoog. Aan alle kanten flitste licht uit geweerlopen. De mannen op het dak reageerden met snelvuur zonder te weten waar hun doelwit zich precies bevond.
Dave zat voor in de voorste Vector en zag een lichtspoor passeren. Hij popelde om uit te stappen en die druiloren van katoen te geven. Als ze met deze snelheid doorreden, leek het alsof ze vluchtten. Maar de luitenant hield zich aan zijn orders en liet het konvooi doorrijden.
De rivier baande zich voor hen uit een weg door het gebladerte. Het water glom in het zonlicht. Het landschap werd naar beide kanten opener, en hun hele blikveld werd met licht en ruimte gevuld. Daarna kwamen ze weer in de dichte, verzonken wereld van overlappende schaduwen en moordend geweervuur terug.
Iemand schreeuwde in de microfoon: ‘O, verdomme, néé!’
Zo te horen was dat Sol Kasanita, die bijna nooit vloekte. ‘Iemand gewond...!’
Iemand gewond. Dave was doodsbang voor die woorden. Ze echoden door zijn ergste nachtmerries.
‘Sol?’
Hij kon zijn bezorgdheid niet verbergen. Sol Kasanita, zwaar als een rots, sterk als een rots, betrouwbaar als een rots. Dave staarde heel even naar het gapende gat waar die rots had moeten zijn.
Er klonk een lach in zijn oor.
‘Alles oké, sergeant,’ zei Jamie.
‘Hij had alleen maar zijn kop omlaag!’ Dat was stem van Mal. Nieuw gelach op de achtergrond.
‘Hou verdomme op met klooien en laat iemand anders het dak op gaan!’ brulde Dave, uit schaamte voor die plotselinge opwelling van emoties. ‘Wat is er met jullie aan de hand, stelletje idioten? Weet je, vertel het ook maar niet. Doe verdomme gewoon je werk. En als ik nog één keer iemand een zogenaamd slachtoffer hoor melden, draai ik persoonlijk zijn ballen eraf.’
Er lag een doolhof van wooncomplexen in de verte. De gevangenen hadden gezegd dat strijders uit Iran, Pakistan en de Golf daar allemaal getraind werden. Maar er waren ook burgers: vrouwen, kinderen, bejaarden.
De open, kurkdroge woestijn werd weer zichtbaar. Zodra ze de rand van de Groene Zone bereikten, stierf het vuurgevecht weg. Dave hield zijn blik op het pad gericht. De felheid van de aanval steunde de theorie van de commandant over de locatie van het talibanbolwerk. Hij wilde nu een overval uitvoeren.
Een paar honderd meter voor hem uit kwam een geit uit een bosje gekuierd.
De chauffeur reed door. De geit wandelde ook door en kwam over het pad hun kant op.
‘Afstand houden,’ zei Dave. ‘Ik heb geen zin in geitenvlees in mijn rantsoenen.’
De chauffeur stopte.
‘Wat is er?’ vroegen de jongens achterin.
‘Een liftende geit,’ zei Dave in de microfoon.
Verderop langs het pad kwam een oude man rennend, roepend en met een stok zwaaiend tussen de bomen vandaan. De geit, die de brullende rij Vectors genegeerd had, schrok van de aanblik van de stok of misschien wel van die broodmagere benen en slenterde met zijn kop naar achteren en rollende ogen naar Daves truck. Ineens verdween de geit in een enorme vuurbal. De voorruit kwam onder het stof. Daarna een oorverdovende ontploffing. De Vector schudde en trilde als een hond die water uit zijn vacht schudt.
‘Wat godverde...’
Een koor van stemmen in zijn oren.
Maar aan de voorkant van de Vector heerste stilte. Dave en de chauffeur bekeken het tafereel. Ze waren maar net ontsnapt. Dave dacht: twee slachtoffers. De eerste keer ving Steve de klap op. Nu de geit. Hoe vaak kom ik er nog zo genadig vanaf?
‘Kolere,’ zei de chauffeur uiteindelijk.
‘Dat was een dikke,’ zei Dave.
‘Ja, maar ik snap het niet. Een geit kan geen antitankmijn laten afgaan.’
‘Maar wel een antipersoneelmijn boven op een antitankmijn. Of twee.’ Daves keel was dik van het stof. ‘De taliban houden blijkbaar van stapelen.’
‘Het was maar goed dat ik van u moest stoppen,’ zei de chauffeur.
‘Ik probeerde iets voor dat stomme beest te doen.’
Hun ogen speurden het pad af. Het was door de explosie gegroefd en beschadigd.
‘Geen spoor meer van die ouwe vent met zijn knobbelknieën en zijn stok,’ zei Dave.
‘Hij zal zich wel ergens tussen de bomen verstoppen.’
‘Hij was niet dicht genoeg in de buurt om gewond te raken.’ Maar Dave was daar niet echt zeker van.
De luitenant meldde zich over de radio en Dave beschreef het gebeurde.
‘Waar is die ouwe man?’
Dave liet zijn ogen rollen in de richting van de chauffeur. ‘Die was op ruim tweehonderd meter afstand.’ Hij wilde niet moeten stoppen om hem te zoeken.
‘We moeten nagaan of hij gewond is,’ zei de luitenant.
‘Maar zij hebben die mijn geplaatst, wij niet.’ Dave deed geen moeite om zijn irritatie te verbergen. ‘Misschien heeft zijn kleinzoon het gedaan en vergat hij het tegen zijn opa te vertellen. Of anders had hij het zelf gedaan en vergat hij het tegen zijn geit te zeggen...’ Maar hij kende zijn luitenant al goed genoeg om te weten hoe het verder ging.
‘Hij is een boer uit de buurt en eh... heeft niks met de eh... opstandelingen te maken. Hij spreekt misschien hun taal niet eens. Hij kan het slachtoffer geworden zijn en eh... we hebben de plicht om hem te verzorgen als ie eh... gewond is.’
David zuchtte. Natuurlijk ging luitenant Weeks op de morele toer.
‘Oké,’ zei hij zonder enig enthousiasme. ‘1e en 2e sectie, uitstappen. Sol Kasanita, jij brengt de1esectie hierheen. Baker, breng de 2e sectie. Korporaal Curtis en de 3e sectie blijven hier en dekken de rest.’ Hij hoorde soldaten onwillig in actie komen. Het was een lange, hete rit geweest, en ze vonden de worstjes in de kantine van Sin City een veel beter idee.
‘Schiet op!’ riep Dave. ‘Des te eerder zijn we ervan af!’
‘We hebben hier een probleempje, sergeant.’ Sol klonk slecht op zijn gemak.
‘Wat dan?’
‘Finn wil me niet loslaten.’
Dave dacht aan die ontploffende geit. Als zijn manschappen op die manier doorgingen, ontplofte hij zelf ook. ‘Luister, jongens...’
‘Hij kan niet lopen,’ legde Finn opgewekt uit. ‘Dat levert hem straks alleen maar problemen op.’
‘Ik red het wel,’ zei Sol.
‘Je redt het helemaal niet,’ zei Finn.
‘Zei jij daarnet dat hij niet kan lopen?’ vroeg Dave traag.
‘Ik ben van het dak gevallen,’ gaf Sol toe. Hij klonk beroerd.
‘Zijn enkel is verstuikt,’ zei Jamie.
‘Of gebroken,’ vervolgde Finn.
‘Hij is verdomme niet gebroken!’ schreeuwde Sol, en het was even stil omdat iedereen wist dat Sol nooit vloekte.
Dave zei: ‘Zoek jij maar een dapperder manier om dood te gaan, Sol. Oké, jij blijft hier. Ik neem Finn met de rest van de1esectie. Schiet op. Kom op, 2e sectie. Waar blijven jullie?’
Hij stapte uit, en de soldaten kwamen bij hem staan. Dave drukte de knop van de microfoon niet in: de luitenant mocht niet horen wat hij nu ging zeggen. ‘Alles wat we doen, is alleen maar om de luitenant tevreden te houden, jongens. Loop over het pad, zoek de gewonde burger, neem daarna de bomen en kom diagonaal terug. Schiet op en doe niet te veel moeite. Finn gaat met de1esectie voorop. Baker volgt met de 2e sectie, en aangezien Sol is uitgeschakeld, neem ik de achterhoede.’ Dat Finn als jongen zoveel gestroopt had, was nu een zegen. Zijn waakzaamheid leek wel een zesde zintuig. Met hem in de buurt liet je niet gauw iemand anders voorop gaan.
‘Wat zoeken we eigenlijk, sergeant?’ vroeg Jamie.
‘Een ouwe man. Dood of gewond. Hij heeft een baard...’ Hij wendde zich tot de chauffeur. ‘Hij had toch een baard, hè?’
‘Ze hebben allemaal zo’n kolerebaard.’
‘Oké, baard en knobbelknieën. Voor het laatst gezien met een stok. De luitenant is bang dat hij de geit achterna is gegaan...’
‘Ik zoek de baard, let jij op de knieën,’ zei Jamie tegen Angus.
‘Jezus christus, maak de gesp van je draagriem los, Bilaal,’ zei Dave tegen Mal. ‘En twee handen op je wapen!’
‘O ja, sorry, sergeant.’
Mal was niet achterlijk of lui, integendeel. Maar de gesp van de draagriem beperkte zijn schootsveld, en Mal wist dat hij niet had nagedacht. In elk geval niet genoeg over de oorlog. Hij dacht dag en nacht aan vrouwen. Waarschijnlijk stond hij op dat moment over
Emily de seksgranaat te fantaseren. Maar als je hem tot concentratie kon dwingen, was hij goed.
Ze gingen over het pad op weg, passeerden de bomenrij en liepen naar de plaats van de explosie. Zwijgend staarden ze naar de verschroeide aarde en het vernielde gebladerte.
‘Met een beetje mazzel..
‘... liggen daar misschien een paar stukken geroosterde geit...’ Jamie porde eraan met zijn voet.
‘Hopelijk is het geen geroosterde baard.’ Dave bracht hen naar de plaats waar de oude man het pad op was gelopen. Ze tuurden tussen de bomen. Op de grond lag veel zand en het bladerdak was een massa verward lover.
Finn waagde het erop. De anderen volgden.
‘Oké, naar links en terug naar de auto’s,’ zei Dave. ‘Als hij gewond op de grond ligt, vinden we hem wel.’
De wereld was hier anders. Koeler. De schaduw van de bladeren boven hun hoofd was groen.
Angus liep rechts voor Dave uit maar bleef ineens staan. Het duurde even voordat hij begreep waarom. Het was onnatuurlijk stil in het bos. Er kwam ineens een eind aan de bomen. Verderop liepen vier opstandelingen achteloos langs een van de irrigatiegreppels. Ze hadden hun wapens onnadenkend aan hun schouder hangen. Hun sergeant had hen moeten uitkafferen. Twee van hen droegen kogelbanden. Dave dacht: ze hebben kennelijk nog maar een paar minuten geleden op ons geschoten. Nu lopen ze pratend en lachend in paren naar huis. Net als wij na een vuurgevecht. Hij voelde een vreemde kameraadschap met de vijand, zelfs toen hij zijn wapen hief om hen te doden. Hij mompelde iets in zijn microfoon maar keek niet naar de anderen om zich heen. Hij zette de veiligheidspal om en zag de opstandelingen een voor een in de greppel vallen. Het ging zo makkelijk en snel dat hij het geluid van zijn eigen geweer nauwelijks hoorde. Hij dacht dat ook iemand anders, even verderop, geschoten had, maar wist het niet zeker. Hij bracht snel rapport uit en liep toen geruisloos verder, terwijl hij intussen tegen Angus, Jamie en Mal - die het dichtst in de buurt waren - zei dat ze moesten meekomen, en de anderen dekking gaven vanuit het bos.
Het veld maakte een akelig onbeschutte indruk. Dave voelde dat er iets aan hem knaagde. Angus McCall had de vijand het eerst gezien maar was niet in actie gekomen. In plaats daarvan was hij verstijfd, en juist die geschrokken verstarring van Angus’ indrukwekkende lichaam had Dave voor de vijandelijke aanwezigheid gewaarschuwd, niet
Angus’ geheven geweer. Hij nam zich voor om dat probleem later aan te pakken.
‘Vier vijanden gedood. Zoeken verder,’ mompelde hij in zijn microfoon.
De mannen lagen in de greppel. Hun haar zat in het kreupelhout verward en hun lichaam had een vreemde houding.
‘Jij neemt die twee achterin,’ zei Dave tegen Angus.
Hij sprong de greppel in. Het water kwam tot zijn dij en rook ranzig. Een deel spatte in zijn gezicht en het doorweekte snel zijn kleren.
Een van de dode mannen had zijn wapen nog vast, de ander had het op de oever laten vallen. Dave pakte de twee AK47S en duwde ze tot buiten hun bereik. Jamie raapte ze op.
Angus klauterde naar de twee andere lichamen, verderop in de sloot.
‘Heb je een zak voor bewijsmateriaal?’
‘Nee,’ zei Angus verslagen. ‘Ik dacht: hebben we niet nodig.’
Dave kreunde. ‘Heb je dan niks anders om dingen in te doen?’
‘Eh... mijn Camelbak, geloof ik.’
Dave wilde net tegen hem gaan schreeuwen toen Mal er een paar van zijn koppelriem haalde. ‘Hier zijn er een paar.’
Dave trok aan het eerste lijk, dat verrassend licht bleek. Terwijl Dave zijn knie op de schriele rug zette en het lijk omdraaide, bedacht hij: deze man is veel magerder dan welke Britse soldaat ook.
‘Geen probleem.’ Dat was Jamie Dermott: koel, efficiënt, geconcentreerd. Dave werkte graag met iemand op wie hij kon vertrouwen.
Hij begon aan een systematische fouillering vanaf het hoofd. Toen hij de voeten bereikte, zag hij dat de man geen schoenen droeg. Hij keek of ze in het water of op de oever lagen. Nee. Toen voelde hij aan de voeten van de man. Nog warm. En de voetzolen waren hard en leerachtig als sandalen. Deze man droeg heel zelden schoenen maar had wel een AK47.
Hij draaide het lijk om. Een man? Nauwelijks meer dan een jongen.
Hij leegde zijn zakken: een mobieltje, opgevouwen vellen papier en wat kralen die misschien een godsdienstige betekenis hadden. Hij vond ook een gelamineerde identiteitskaart met een foto en niet te ontcijferen letters. Dave verspilde er geen tijd aan. Het geluid van hun schoten had de vijand ongetwijfeld gealarmeerd, en het was nog maar een kwestie van tijd voordat ze opnieuw onder vuur kwamen te liggen.
De tweede opstandeling was door het gewicht van zijn kogelband het water in getrokken. Toen Dave zijn kletsnatte lichaam op de kant trok, hoorde hij Angus roepen.
‘Hij bewoog! Godsamme, hij leeft nog!’
Dave staarde naar de greppel. ‘Haal zijn wapen weg!’
Angus had verzuimd de wapens weg te halen voordat hij ging fouilleren. Mal kwam snel bij de oever vandaan om de AK47 buiten bereik te trekken.
‘Ga door!’ zei Dave tegen Angus.
‘Ik tilde hem op en hij bewoog!’ Angus had het lichaam weer laten vallen en staarde er nu vol afschuw naar. De man was met bloed overdekt en vertoonde geen levenstekenen meer.
‘Ga daarmee door!’
Angus deed niets.
Mal hief zijn SA80 en schoot twee keer in de borst van de man. Bloed welde op als een snel ontluikende bloem. De knal van het wapen maakte plaats voor stilte.
Angus verroerde zich niet.
‘Fouilleren!’
Daves bulderende stem leek Angus nu pas uit zijn droom te wekken. Hij pakte het lijk vast en begon het te onderzoeken zoals het hoorde, maar zijn blik bleef uitdrukkingsloos.
Dave keek toe. Zijn manschappen hadden dit vaak genoeg geoefend, maar het methodisch en professioneel fouilleren van een echt lijk - zonder destructieve gedachten over het feit dat de man een moeder en misschien een vrouw en kinderen had, en dat vrienden met wie hij op school had gezeten zaten te wachten tot hij thuis kwam - was iets heel anders.
In de buurt klonk een geweersalvo. Hun eigen schoten hadden de vijand aangetrokken, en die had nu het konvooi ontdekt. Hij vroeg zich af waneer ze zouden zien dat een groepje soldaten uit de Vectors op onbeschut terrein stond met de lijken van vier van hun strijders. En dat allemaal vanwege een oude man met knobbelknieën.
Het tweede lijk was groter en zwaarder. De man was ook beter uitgerust en had stevige schoenen aan en een Pakistaans paspoort op zak Hij kwam niet uit de buurt maar was een beroepsstrijder van de :aliban. Dave liet het paspoort en de persoonlijke bezittingen in een rlastic zak glijden, en toen Angus klaar was, klommen ze uit de greppel en renden ze weer naar de dekking van het bos.
Aan alle kanten wordt geschoten.’ De stem van luitenant Weeks knetterde in zijn oren. De colonne rukte langzaam en geruisloos tussen de bomen op. Dave gaf het konvooi opdracht om langzaam naar hen toe te rijden. Zelf bleven ze verborgen tot de trucks er waren. Dave zag de magere, bezorgde gezichten van zijn manschappen, die ~aar alle kanten waakzaam waren. Angus keek op.
‘Godverdomme, sergeant...’
Er hing een voet bijna recht boven hen. Die voet zat vast aan een mager, bruin been. Dat been zat vast aan een man en die man zat vast aan een wapen. Het wapen was gericht op het pad van het naderende konvooi.
Ze begrepen onmiddellijk waarom de man zich niet verroerde. Zijn hoofd en hals waren verstijfd als bij een bang dier, en die onbeweeglijke houding bewees dat hij zijn wapen niet uit de takken kon losmaken om hen onder schot te nemen. Hij was doodstil blijven zitten in de hoop dat ze hem niet zouden opmerken.
‘McCall, stap naar achteren en schiet,’ zei Dave. ‘Zorg datje iets nut-tigers raakt dan zijn achterste.’
Angus was verstijfd toen hij de vier opstandelingen over het veld had zien lopen. Hij was ook verstijfd toen een van hen nog niet dood bleek te zijn. Dave wilde hem een nieuwe kans geven maar zag dat zijn gezicht bevroren was van schrik. Hij had voor één dag genoeg dood gezien.
Finn zei: ‘Ik doe het wel.’ Hij deed een stap naar achteren.
De sluipschutter van de taliban keek op hen neer en wist wat hem te wachten stond. Dave staarde in zijn bruine ogen. De man keek terug en zei iets. Hij schreeuwde niet en gilde niet en toonde ook geen angst. Hij praatte vreemd zacht, en het was geen smeekbede. Dat was aangrijpend, aangrijpender dan een roep of schreeuw geweest zou zijn.
Een lichtflits en de knal van een wapen. De man zakte naar voren.
‘Sorry, jongen,’ zei Dave zachtjes.
Uit de kleren van de man viel een mobiele telefoon, en Jamie ving hem netjes op. Het konvooi kwam op gelijke hoogte, en ze stapten achter in de eerste twee Vectors.
‘We gaan.’
Dave dacht aan de man in de boom, wiens smeekbeden hij genegeerd had. Juridisch gezien had hij terecht laten schieten: de man had zijn wapen op het konvooi gericht. Hij hield zich voor dat die man niet geaarzeld zou hebben als die in zijn schoenen zou hebben gestaan. Toch wilde hij dat hij de man gevangen had genomen. Hij had er overigens minder moeite mee dat Mal die andere opstandeling in de greppel had doodgeschoten, hoewel hij best begreep dat dit lastiger te rijmen was met zijn geweldsinstructie.
Finn zei: ‘Ik heb nog nooit eerder iemand doodgeschoten.’
‘Ik ook niet,’ zei Mal.
‘Kunnen jullie ertegen?’ Sol, die zijn enkel aan het verzorgen was, keek naar hen op.
‘Ja, tuurlijk,’ zei Finn. ‘Daarom zijn we hier.’ Maar zijn gezicht was hol en afgetobd.
‘Het voelde heel raar aan.’ Mal klonk onzeker.
Angus zei niets. Zijn wangen waren heet en rood, en hij keek naar zijn voeten terwijl het konvooi de Groene Zone uit reed.